---
title: "23 december 2009 · Tarief van de belasting · Rechtbank van eerste aanleg te Brussel"
description: "Tarief van de belasting. Rechtbank van eerste aanleg te Brussel (België), 23 december 2009."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak/tarief-belasting-rechtbank-brussel-2009-12-23-6d8b"
lang: "nl"
---

# Tarief van de belasting · Belasting over de toegevoegde waarde

**Rechtscollege**

Rechtbank van eerste aanleg

**Zetel**

Brussel

**Datum**

23 december 2009

## Over het document

**Verzameling**

Belgische rechtspraak

**Taal van de tekst**

Nederlands

## Tekst

88 paragrafen

### Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Brussel d.d. 23.12.2009

Samenvatting niet beschikbaar

**Tekst van het vonnis**

### Tekst van de beslissing

**RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG TE BRUSSEL - 36****ste** **KAMER**

In. zake van :

**De B.V. K. D.- EN L.**, vennootschap naar Nederlands Recht, met maatschappelijke zetel te Nederland, …, … ingeschreven in het handelsregister te Nederland onder het nummer K.V.K. …,

Eisende partij,

Vertegenwoordigd door Mr. **H. V.**, advocaat te …, ... (ref. :…)

**tegen :**

**De BELGISCHE STAAT**, Federale Overheidsdienst Financiën, Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen, in de persoon van de eerstaanwezend inspecteur van het Centraal Ontvangkantoor voor Buitenlandse belastingplichtigen, met burelen te 1000 Brussel, Kruidtuinlaan 50 bus 3107,

Verwerende partij,

Vertegenwoordigd door Mr. **J. B.** loco Mr .**J. H.**, advocaat te …, … (ref. : …),

In deze zaak, in beraad genomen op 25/11/2009, spreekt de rechtbank het navolgend vonnis uit :

Gelet op :

• het tegensprekelijk verzoekschrift in toepassing van artikel 1385decies van het Gerechtelijk Wetboek uitgaande van eiseres en neergelegd ter griffie van deze rechtbank op 06/09/2007;

• de beschikking tot regeling van conclusietermijnen overeenkomstig artikel 747, § 2 van het gerechtelijk wetboek van 19/11/2007;

• de conclusie, de synthesebesluiten en de nieuwe syntheseconclusie van verweerder, neergelegd ter griffie op respecticvelijk 12/03/2008, 11/09/2008 en 16/09/2009;

• de conclusie en de “nieuwe” conclusie van eiseres, neergelegd ter griffie op respectievelijk 23/04/2008 en 18/05/2009;

• de stukken van eiseres, neergelegd ter griffie op 22/04/2009 (stukken 1 en 2 gehecht aan besluiten) en op 18/05/2009 (stukken 3 en 4); en·

• de stukken van verweerder. neergelegd ter zitting op 25/11/2009.

Gehoord de raadslieden van partijen ter openbare zitting van 25/11/2009, waarna de debatten werden gesloten en de in beraad genomen werd.

Toepassing is gemaakt van de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken.

## 1. FEITEN

1\. Over de feitelijkheden die ten grondslag liggen aan huidige betwisting is geen discussie tussen partijen. Hieromtrent worden overigens geen stukken bijgebracht.

Eiseres is een dakwerkersbedrijf en was tevens sinds O1/10/2004 voor deze activiteit in België ingeschreven onder het BTW-nummer BE …. Zij werd ambtshalve geschrapt op 01/09/2006.

Bij eiseres werd een BTW-controle uitgevoerd waarbij de verkoopfacturen voor de jaren 2004, 2005 en 2006 (01/01 tot en met 30/06) werden opgevraagd. Hierbij werd vastgesteld dat eiseres ten onrechte gebruik had gemaakt van het verminderde BTW-tarief van 6 % voor werken in onroerende staat, aangezien zij geen in België geregistreerd aannemer is.

Op 03/07/2007 gingen de diensten van verweerder over tot het opstellen van een proces-verbaal. Op 26/07/2007 volgde een dwangbevel dat op 16/08/2007 werd betekend.

Hierbij werd vastgesteld dat eiseres verschuldigd was :

In hoofde van BTW : … euro,

Proportionele boete : … euro.

Intresten aan 0,8 percent per maan vanaf21/07/2006.

Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie op 06/09/2007 wordt dit dwangbevel betwist.

## 2. VOORWERP VAN DE VORDERINGEN

2\. De vordering van eiseres strekt ertoe het bestreden dwangbevel nietig te verklaren en terugbetaling te boren bevelen van alle op grond van dit dwangbevel gem.de bedragen.

Verweerder concludeert tot de ongegrondheid van de vordering.

## 3. BEOORDELING

### 3.1. De ontvankelijkheid

3\. De ontvankelijkheid van de vordering van eiseres wordt niet betwist, noch bemerkt de rechtbank ambtshalve op te werpen gronden van niet ontvankelijkheid. De vordering van eiseres is ontvankelijk.

### 3.2. Ten gronde

*4. Afbakening van de betwisting tussen partijen*

De betwisting tussen partijen is duidelijk afgebakend. Over de feitelijkheden is er geen discussie (er worden overigens geen stukken bijgebracht hieromtrent).

Eiseres betwist dat zij ten onrechte het BTW-tarief van 6 % gebruikte voor werken in onroerende staat. Eiseres is in laatste besluiten van oordeel dat het feit dat enkel in België geregistreerde aannemers het verminderde BTW-tarief van 6 % kunnen toepassen, in strijd is met het vrij verkeer van diensten zoals vastgelegd in de artikelen 49 en volgende van het EG-verdrag (thans artikel 56 en volgende van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie). Tevens is er volgens eiseres een schending van het gelijkheidsbeginsel.

Verweerder ziet op dit punt geen probleem nu de registratieprocedure voor Belgische en buitenlandse aannemers identiek is en de procedure om zich te laten registreren als aannemer in België allerminst moeilijk is.

*5. Toepasselijke Belgische regelgeving*

5.1. Ingevolge [artikel 37](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-37) en [38](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-38) van het BTW-wetboek en het [artikel 1 van het KB nr. 20](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-20-juli-vaststelling-tarieven-belasting-toegevoegde-52d3#ar20-art1) is het algemeen BTW-tarief vastgesteld op 21 %. [Artikel 1bis van het KB nr. 20](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-20-artikel-1bis-20cc) voorziet hierop evenwel een uitzondering voor bepaalde werken in onroerende staat. In dat geval is een BTW-tarief van 6 % van toepassing, doch enkel indien aan een aantal voorwaarden voldaan is. Met name moeten, ingevolge [artikel 1bis, § 1, 4° KB nr. 20](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-20-artikel-1bis-20cc) :

> *"de handelingen \[...\] worden verstrekt en gefactureerd aan een eindverbruiker door een persoon die, op het tijdstip van het sluiten van het aannemingscontract geregistreerd is als zelfstandig aannemer overeenkomstig de artikel 400 en 401 van het Wetboek van de inkomstenbekistingen 1992;"*

De artikelen 400 en 401 Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 (verder WIB '92) (evenals de analoge bepalingen opgenomen in het artikel 30bis van de wet van 27/06/1969 tot herziening van de besluitwet van 28/12/1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der werknemers) voerden het principe in van de vrijwillige registratie als aannemer. Middels deze procedure wenste men de sociale en fiscale fraude te bestrijden.

Om deze registratie 'aantrekkelijker' te maken, werden aan het feit van het geregistreerd zijn als aannemer een aantal voordelen verbonden (oftewel werd het niet geregistreerd zijn onaantrekkelijker gemaakt met een aantal nadelen). Zo werd oorspronkelijk onder meer voorzien· in een inhouding van 15 % en een hoofdelijke aansprakelijkheid voor belastingschulden van niet geregistreerde aannemers. Deze laatste regeling werd reeds strijdig bevonden met artikel 49 EG­verdrag (thans artikel 56 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie) in een arrest van het Hof van Justitie van 09/11/2006 (zaak nr. [C-433/04](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-433-04-arrest), Commissie t. België).

Een ander gevolg van de al dan niet registratie is het niet kunnen toepassen van het aangehaalde BTW tarief van 6 % voor bepaalde onroerende werken.

5.2. De procedure om geregistreerd te worden als aannemer werd, in de voor huidig geding relevante periode, vastgelegd in het KB van 26/12/1998 (tot uitvoering van de artikelen 400. 401, 403, 404 en 406 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 en van artikel 30bis van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders). Thans is deze procedure geregeld in het KB van 27/12/2007.

Deze registratie staat open voor zowel Belgische als in de EER gevestigde dienstverrichters (art. 2, § 1, 1° KB 26/12/1998). Een buitenlandse aanvrager die in België geen vaste inrichting heeft, dient wel een woonplaats te kiezen in België (art. 2, § 4 KB 26/12/1998). Bij de aanvraag dienen tevens een aantal stukken gevoegd te worden om aan te tonen dat voldaan is aan de voorwaarden van artikel 1, § 1 (zie art. 6 KB 26/12/1998).

Partijen verduidelijken ter zitting dat aan deze registratie geen bijkomende kosten verbonden zijn. Eiseres haalt wel de lange duur van de registratieprocedure aan, terwijl verweerder voorhoudt dat deze procedure enkel lang duurt ingeval het aanvraagdossier niet in orde zou zijn.

*6. Argumenten van partijen*

Eiseres voert aan dat het feit dat zij zich als buitenlands dienstverrichter diende te onderwerpen aan de registratie in België een schending uitmaakt van haar recht op vrij verkeer van diensten zoals vastgesteld in artikel 49 EG Verdrag (thans artikel 56 van het Verdrag betreffende de werking van. de Europese Unie).

Als buitenlands niet geregistreerd aannemer dient zij immers 21 % BTW aan te rekenen voor werken waarvoor een Belgisch geregistreerd aannemer 6 % BTW kan doorrekenen. Aldus zal een buitenlands ondernemer ontmoedigd worden om op te treden op de Belgische markt, mede gelet op de vereiste registratie. Dit zal zeker zo zijn voor de buitenlandse dienstverrichter die hier slechts sporadisch werken verricht.

De algemene doelstelling sociale en belastingfraude aan te pakken, kan de beperking van de bij verdrag gegarandeerde fundamentele rechten niet verrechtvaardigen (vgl. Hof van Justitie nr. [C-433/04](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-433-04-arrest), 09/11/2006, Commissie t. België). Bovendien is er geen enkel verband tussen de mogelijke (bestrijding van) fraude en het toepasselijke (verlaagde) BTW-tarief.

Verweerder voert aan dat er geen sprake is van een discriminatie nu binnenlandse en buitenlandse aannemers op dezelfde wijze worden behandeld. De aangehaalde rechtspraak van het Hof van Justitie is niet relevant, nu dit niet de BTW-regeling betrof doch enkel een regeling in het WIB '92 (dewelke overigens ondertussen werd gewijzigd).

Het Grondwettelijk Hof oordeelde bovendien reeds dat er geen schending is van het gelijkheidsbeginsel doordat enkel geregistreerde aannemers een tarief van 6 % kunnen aanrekenen (arrest nr. 15/2003, 28/01/2003). Het onderscheid tussen geregistreerde en niet geregistreerde aannemer berust immers op een objectief criterium (al dan niet geregistreerd zijn) dat bovendien relevant is (registratie kan doen vermoeden dat de aannemer zijn fiscale en sociale verplichtingen zal kwijten).

De procedure is overigens niet zwaarwegend. Er kan trouwens aan buitenlandse aannemers geen gunstiger regime toegekend worden dan aan Belgische.

*7.* *Vrij verkeer van diensten (artikel 56 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, voorheen art. 49 EG-verdrag)*

7.1. Zoals verweerder terecht opmerkt kan het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 09/11/2006 niet geacht worden over de thans ter discussie staande regeling uitspraak gedaan te hebben. Ten eerste was dit arrest beperkt tot de vraag naar de verenigbaarheid met het vrij verkeer van diensten van de toenmalige regeling omtrent de inhouding en de hoofdelijke aansprakelijkheid. Bovendien heeft het hof in dit arrest expliciet (randnummers 13 en 14) de 'registratieplicht' losgekoppeld van het onderzoek naar de inhoudingsplicht en de hoofdelijke aansprakelijkheid.

Desalniettemin dient vastgesteld te worden dat het Hof van Justitie van de Europese Unie in het aangehaalde arrest reeds ondubbelzinnig het argument van verweerder heeft verworpen dat er geen sprake zou zijn van een beperking van het recht op vrij verkeer van diensten nu de kwestieuze regeling op gelijke wijze van toepassing zou zijn op binnenlandse en buitenlandse aannemers (zie randnummers 28 en 29). Het Hof stelde reeds, in het verlengde van vaste rechtspraak, dat niet alleen een verbod op discriminatie van een in een andere lidstaat gevestigde belastingplichtige wordt beoogd door artikel 49 EG (thans artikel 56 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie), doch iedere beperking ­ ook indien deze zonder onderscheid geldt voor binnenlandse dienstverrichters en dienstverrichters uit andere lidstaten die in hun lidstaat van herkomst rechtmatig gelijksoortige diensten verrichten - die ·het intracommunautair aanbieden van diensten verbiedt, belemmert of minder aantrekkelijk maakt.

7.2. In het aangehaalde arrest werd reeds duidelijk gesteld dat de inhoudingsplicht en hoofdelijke gehoudenheid een beperking van de vrijheid van dienstverrichting inhouden (randnummer 32). Het is duidelijk dat ook de regeling waarbij geen verminderd BTW-tarief van 6 % kan worden gehanteerd een beperking is van het vrij verkeer van dienstverrichtingen. Door een hoger BTW-tarief te moeten hanteren komt de buitenlandse dienstverrichter die geen in België geregistreerde aannemer is, in een minder gunstige concurrentiepositie.

De vraag is evenwel of deze maatregel (met name het beperken van het gunstregime van 6 % BTW tot werken uitgevoerd door in België geregistreerde aannemers) te verantwoorden valt door een dwingende reden van algemeen belang, geschikt is om het beoogde doel te verwezenlijken en niet verder gaat dan noodzakelijk is (randnummer 33 van het aangehaalde arrest).

Nu artikel 56 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (voorheen artikel 49 EG-verdrag) rechtstreekse werking heeft in de Belgische rechtsorde en als dusdanig desgevallend. voorrang dient te krijgen op de hiermee strijdige bepalingen van Belgische recht, is een uitspraak over deze vraag noodzakelijk voor het wijzen van een vonnis.

7.3. Maar eiseres gaat verder. Niet enkel wordt onverenigbaarheid met artikel 49 EG-verdrag (thans artikel 56 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie) van de regeling inzake BTW (6 % enkel voor werken door geregistreerde aannemers) opgeworpen, doch de gehele regeling en procedure inzake de registratie van aannemers wordt in twijfel getrokken.

Inderdaad heeft het feit van niet geregistreerd te zijn als aannemer conform de artikelen 400 en 401 WIB '92 gevolgen voor de aangehaalde BTW-regeling. Zoals door verweerder aangehaald zal dit ook van belang zijn op andere domeinen. Zo moet een inschrijver op een overheidsopdracht geregistreerd zijn als aannemer (voorheen artikel 15, § 7 KB 22/04/1997; hieromtrent werd bij arrest van het Hof van Cassatie van 22/01/2009 reeds een prejudiciële vraag gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Unie). Allerhande premies en belastingaftrekken zijn gekoppeld aan de voorwaarde dat de werken uitgevoerd worden door een geregistreerd aannemer (zie besluiten verweerder, p. 9).

De vraag is dan ook of het feit dat de regeling tot registratie van aannemers die identiek van toepassing is op binnenlandse en buitenlandse aannemers, het vrij verkeer van diensten van deze laatste niet ontmoedigt.

Met name zal voor buitenlandse aannemers, zelfs zo deze voldoen aan alle wettelijke verplichtingen van het land van vestiging, tevens vereist worden dat deze specifiek in België geregistreerd zijn als aannemer conform de aangehaalde bepalingen. Zoals eiseres terecht opwerpt kan dit, hoewel hieraan geen bijkomende kosten verbonden zijn, gelet op de administratieve rompslomp vooral voor aannemers die slechts occasioneel in België werken zouden (willen) uitvoeren, een hinderpaal zijn.

Ook op dit punt kan de hierna volgende prejudiciële vraag gesteld worden. In het aangehaalde arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 09/11/2006 is deze problematiek immers expliciet uitgesloten (zie hoger).

7.4. De hierna volgende prejudiciële vragen dringen zich dan ook op (art. 267 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, voorheen art. 234 BO. verdrag) :

> *"1. Verzet het gemeenschapsrecht, met name het principe van het vrij verkeer van diensten zoals neergelegd in artikel 56 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (voorheen artikel 49 EG­verdrag), zich tegen de regeling zoals opgenomen in de artikelen* [*1*](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-20-juli-vaststelling-tarieven-belasting-toegevoegde-52d3#ar20-art1) *en* [*1bis*](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-20-artikel-1bis-20cc) *van het Koninklijk Besluit nr. 20 van 20/07/1970 waarbij enkel kan genoten worden van het verlaagd BTW-tarief voor werken in onroerende staat in zoverre de dienstverrichter in België geregistreerd is als aannemer conform de artikelen 400 en 401 van het Wetboek van Inkomstenbelastingen 1992.*
>
> *2.* *Verzet het gemeenschapsrecht, met name het principe van het vrij verkeer van diensten zoals neergelegd in artikel 56 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (voorheen artikel 49 EG­verdrag), zich tegen de regeling zoals opgenomen in de artikelen 400 en 401 van het wetboek van Inkomstenbelastingen 1992 en het Koninklijk Besluit van 26/12/1998 doordat de registratie als aannemer in België onverkort en identiek van toepassing is op Belgische dienstverrichters en dienstverrichters gevestigd in een ander land van de Europese Unie."*

De zaak wordt, in afwachting van de beantwoording van vernoemde prejudiciële vragen, naar de rol verzonden.

### Beschikkend gedeelte

**OM DEZE REDENEN,**

**DE RECHTBANK,**

Gelet op de artikelen 4, 37, 41 en 42 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken,

Rechtsprekend in eerste aanleg en op tegenspraak,

Verklaart de vordering van eiseres ontvankelijk, doch alvorens over de gegrondheid ervan uitspraak te doen, stelt bij toepassing van artikel 267 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (voorheen artikel 234 EG-Verdrag) de hierna volgende vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie :

> *"1. Verzet het gemeenschapsrecht, met name het principe van het vrij verkeer van diensten zoals neergelegd in artikel 56 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (voorheen artikel 49 EG­verdrag), zich tegen de regeling zoals opgenomen in de artikelen* [*1*](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-20-juli-vaststelling-tarieven-belasting-toegevoegde-52d3#ar20-art1) *en* [*1bis*](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-20-artikel-1bis-20cc) *van het Koninklijk Besluit nr. 20 van 20/07/1970 waarbij enkel kan genoten worden van het verlaagd BTW-tarief voor werken in onroerende staat in zoverre de dienstverrichter in België geregistreerd is als aannemer conform de artikelen 400 en 401 van het Wetboek van Inkomstenbelastingen 1992.*
>
> *2.* *Verzet het gemeenschapsrecht, met name het principe van het vrij verkeer van diensten zoals neergelegd in artikel 56 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (voorheen artikel 49 EG­verdrag), zich tegen de regeling zoals opgenomen in de artikelen 400 en 401 van het wetboek van inkomstenbelastingen 1992 en het Koninklijk Besluit van 26/12/1998 doordat de registratie als aannemer in België onverkort en identiek van toepassing is op Belgische dienstverrichters en dienstverrichters gevestigd in een ander land van de Europese Unie."*

Verzendt de zaak in afwachting van de beantwoording van de vernoemde prejudiciële vragen naar de rol.

Houdt de uitspraak over de kosten aan.

Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de **36****ste** **kamer** van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel op **23 december 2009**.

Waar aanwezig waren en zitting namen :

De heer **J. V. B.**, toegevoegd rechter

Mevrouw **I. D.**, griffier

**I.D.** **J. V. B.**

## Aangehaalde teksten

10

VWEU art. 56 11 voorkomens

EG-Verdrag art. 49 9 voorkomens

[KB nr. 20 art. 1bis](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-20-artikel-1bis-20cc) 4 voorkomens

[KB nr. 20 art. 1](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-20-juli-vaststelling-tarieven-belasting-toegevoegde-52d3) 3 voorkomens

EG-Verdrag art. 49 2 voorkomens

VWEU art. 267 2 voorkomens

[WBTW art. 37](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-37) 1 voorkomen

[WBTW art. 38](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-38) 1 voorkomen

EG-Verdrag art. 234 1 voorkomen

[C-433/04, arrest van 9 november 2006](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-433-04-arrest) 2 voorkomens

## Vergelijkbare beslissingen

8

[Intracommunautaire handeling, tarief van de belasting, vrijstelling, uitvoer, invoer](https://juriel.be/nl/rechtspraak/intracommunautaire-handeling-tarief-belasting-vrijstelling-rechtbank-brussel-2010-01-29-127f) 3 gemeenschappelijke bepalingen

[Verlaagd tarief, vertrouwensbeginsel, levering van goederen](https://juriel.be/nl/rechtspraak/verlaagd-tarief-vertrouwensbeginsel-levering-goederen-rechtbank-gent-2022-06-13-1e62) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Werk in onroerende staat, Verlaagd tarief, Geluidswerende panelen, Principekwestie](https://juriel.be/nl/rechtspraak/werk-in-onroerende-staat-verlaagd-rechtbank-antwerpen-2022-03-16-3c8e) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Schuldenaar van de belasting, Verlegging van de btw-heffing -Verjaring](https://juriel.be/nl/rechtspraak/schuldenaar-belasting-verlegging-btw-heffing-rechtbank-brussel-2019-12-05-6dc1) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Aard van de verrichte werken in onroerende staat, Nieuwbouw](https://juriel.be/nl/rechtspraak/aard-verrichte-werken-in-onroerende-rechtbank-bergen-2024-01-09-1785) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Cateringdienst](https://juriel.be/nl/rechtspraak/hotel-cateringdienst-rechtbank-2026-04-20-227b) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Verlaagd btw-tarief 6%, Artikel 44, §2, 4°, a) WBTW](https://juriel.be/nl/rechtspraak/verlaagd-btw-tarief-artikel-44-cassatie-brussel-2026-01-22-274a) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Werk in onroerende staat, Tarief, Verlaagde btw-tarief van 6%](https://juriel.be/nl/rechtspraak/werk-in-onroerende-staat-tarief-rechtbank-2024-07-09-302a) 2 gemeenschappelijke bepalingen
