Tarief van de belasting, bewijs, controlemaatregel · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Rechtbank van eerste aanleg Gent 21 mei 2013

Zoeken

Tarief van de belasting, bewijs, controlemaatregelBelasting over de toegevoegde waarde

https://juriel.be/nl/rechtspraak/tarief-belasting-bewijs-controlemaatregel-rechtbank-gent-2013-05-21-6054

Rechtscollege
Rechtbank van eerste aanleg
Zetel
Gent
Datum
21 mei 2013

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

92 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Gent d.d. 21.05.2013

Samenvatting niet beschikbaar

Tekst van het vonnis

Tekst van de beslissing

RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG TE GENT - ZESDE FISCALE KAMER - OPENBARE TERECHTZITTING VAN 21 MEI 2013

Rolnummer AR 12/352/A

In de zaak van :

R. J. NV, met maatschappelijke zetel gevestigd te …, …, hebbende als ondernemingsnummer …;

eiseres,

hebbende als raadslieden Mter J. V. A., advocaat, met kantoor te …, …, en Mter M. M., advocaat met kantoor te …, …;

tegen :

DE BELGISCHE STAAT, Federale Overheidsdienst Financiën, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, wiens burelen gevestigd zijn te 1000 Brussel, Wetstraat 12-14, op vervolging en benaarstiging van de Ontvanger van het BTW-ontvangkantoor Gent 5 (bouwcel), met burelen te 9050 Gent, G. Crommenlaan 6 bus 310

verweerder,

voor wie optreedt mevr. K. V. en dhr. P. W., beide inspecteur bij een fiscaal bestuur;

Vonnist de rechtbank als volgt :

1. De rechtspleging

De partijen werden gehoord in hun middelen op de openbare terechtzitting van 9 april 2013 waarna het debat gesloten werd en de zaak in beraad genomen. Het dossier van de rechtspleging en de overtuigingsstukken werden ingezien in het bijzonder het gedinginleidende verzoekschrift d.d. 30 december 2011 en de laatste regelmatig neergelegde conclusies (artikel 748bis Ger.W.).

2. De vordering

De eiseres formuleert haar vordering als volgt :

"Het proces-verbaal nietig, minstens ongegrond, te verklaren, en te zeggen voor recht dat de in het proces-verbaal gevorderde bedragen niet verschuldigd zijn;

Minstens volgende prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof;

"Schenden de bepalingen van artikel 37 W.BTW, gelezen in samenhang met artikel 1bis, § 1, 1° en tabel A, XXXI van het KB nr. 20 van 20 juli 1970 tot vaststelling van de tarieven van de BTW en tot indeling van de goederen en diensten bij die tarieven en gelezen in samenhang met artikel 1 Eerste Protocol bij het EVRM de artikelen 170 en 172 van de Grondwet, in die zin dat de voormelde bepalingen voorzien dat een BTW-tarief van 6 % wordt toegepast op de werken in onroerende staat bestaande uit onder meer de omvorming en renovatie van een woning die reeds meer dan vijf jaar in gebruik is genomen, daar waar de administratie renovatiewerken als nieuwbouw aanmerkt en dus uitsluit van de toepassing van het verlaagd BTW-tarief : wanneer de bouwwerkzaamheden betrekking hebben op de bouw van een of meer bijkomende appartementen in een appartementsgebouw door bovenbouw of op een andere wijze, wanneer deze nieuwe appartementen, onder toepassing van het stelsel van mede-eigendom, vervreemdbaar zijn met toepassing van de BTW en zodoende de toepassing van het verlaagd BTW-tarief afhankelijk stelt van algemene voorwaarden die niet in de wet zijn geregeld en die tegenstrijdig zijn met de wil van de wetgever, hetgeen ingaat tegen het fiscaal legaliteitsbeginsel zoals beschermd door de artikelen 170 en 172 van de Grondwet?"

In ondergeschikte orde

De administratie zich te zien en te horen veroordelen tot een schadevergoeding gelijk aan de verschuldigde belasting.

De administratie zich te zien en te horen zeggen voor recht dat de administratieve geldboete gevestigd op naam van verzoeker volledig dient te worden kwijtgescholden of gepaard te laten gaan met uitstel. Kosten lastens de administratie, met inbegrip van de geïndexeerde "rechtsplegingsvergoeding ten bedrage van … euro.

“

3. De relevante feiten en het geschil

3.1.

De eiseres is de eigenares van het onroerend goed gelegen aan de …, …. Op 21 juni 2007 werd aan de eiseres een bouwvergunning verleend voor het verbouwen van een woning tot een woning met 3 slaapkamers en 2-slaapkamerappartementen gelegen te …, ….

De eiseres licht toe dat dit gebouw voordien bestond uit een gelijkvloers, een eerste verdieping en een zolderverdieping. De zolderverdieping werd vroeger verhuurd als studentenwoning. De zolderverdieping en het dak werd afgebroken. Ook de draagvloer werd vernieuwd. De voorgevel, de draagmuren en de vensters van deze verdieping werden volgens de eiseres behouden. Op de zolderverdieping werd één verdieping opgetrokken.

3.2.

Op 16 juli 2010 werd door dossier eiseres de bouwaangifte ingediend.

Het kadastrale inkomen werd haar betekend op 13 november 2009.

Tevens werden de facturen en het bouwplan overgemaakt.

Bij nazicht van deze aangifte en de voorgelegde bouwplannen werd door de heer W., verbonden aan het BTW-controlekantoor Gent 5 (bouwcel), dat een aantal facturen inzake werk in onroerende staat werden opgemaakt met toepassing van het BTW-tarief van 6 %.

Naar aanleiding van een nazicht van de aangifte, oordeelde de fiscale administratie dat de uitgevoerde werken in onroerende staat dienden op grond van artikel 37 en 38 W.BTW en van artikel 1 van het K.B. nr. 20 gefactureerd te worden met toepassing van het normale BTW-tarief van 21 %.

Het verschil tussen 21 % en 6 % wordt gevorderd lastens de eiseres, die zich middels de huidige vordering daartegen verzet.

4. Beoordeling

4.1. Met betrekking tot de nietigheid van het proces-verbaal wegens miskenning van de rechten van de verdediging, de materiële motiveringsplicht en de Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen gelezen in samenhang met de exceptie obscuri libelli.

De eiseres voert aan dat de taxatie nietig is omdat de tenlastelegging in het proces-verbaal op zodanige wijze onduidelijk is dat de eiseres niet in de mogelijkheid wordt gesteld om zich met kennis van zaken tegen de vordering van de administratie te verweren.

Uit de lezing van het proces-verbaal blijkt dat het zowel de feitelijke als juridische overwegingen bevat op basis waarvan de verbaliserende ambtenaar zijn beoordeling heeft gesteund. De eiseres kon op basis van de inhoud van het proces-verbaal opmaken dat de administratie niet akkoord was met het toegepaste BTW-tarief en haar rechten naar behoren uitoefenen, waaronder de opportuniteit beoordelen van de inhoud en het al dan niet betwisten ervan.

Uit de feitelijke overwegingen aangehaald in het proces-verbaal blijkt dat het belastbaar feit, de omvang en de oorzaak van de fiscale schuld zijn vermeld. Het proces-verbaal maakt aldus melding van de afdoende motieven waarop het is gesteund.

4.2. Betreffende de bewijsmiddelen en de bewijslast.

4.2.1.

De eiseres is van oordeel dat de stelling van de administratie, namelijk dat er sprake zou zijn van nieuwbouw, louter een deductie betreft die de administratie gemaakt heeft uit de door haar verrichte vaststellingen. Deze deductie betreft volgens de eiseres geen bewijskrachtige materiële vaststelling. Volgens de eiseres levert het proces-verbaal niet het bewijs van het standpunt van de administratie.

4.2.3.

Krachtens artikel 59, § 1, tweede lid W.BTW. leveren de processen-verbaal bewijs op zolang het tegendeel niet bewezen is. Dit houdt in dat alle materiële vaststellingen waarvan de verbalisant verklaart getuige geweest te zijn en dat alle handelingen die de verbalisant verklaart gesteld te hebben en die in het proces-verbaal opgenomen zijn, als waarachtig moeten worden beschouwd zolang hun onjuistheid niet is bewezen.

Artikel 1 van het Koninklijk besluit nr. 20 van 1970 luidt als volgt :

"Het normale tarief van de belasting over de toegevoegde waarde voor goederen en diensten bedoeld in het Wetboek bedraagt 21 pct.

In afwijking van het eerste lid wordt de belasting geheven tegen het verlaagd tarief van :

a) 6 pct. Voor de goederen en diensten opgenomen in tabel A van de bijlage bij dit besluit.

Dit verlaagd tarief mag evenwel niet toegepast worden als de diensten bedoeld in tabel A bijkomstig deel uitmaken van een complexe overeenkomst die hoofdzakelijk andere diensten tot voorwerp heeft; (...)".

Uit de tekst van artikel 1 van het Koninklijk Besluit nr. 20 van 20 juli 1970 volgt dat het normale BTW-tarief van 21 % van toepassing is, tenzij de BTW belastingplichtige/hoofdelijke medecontractant het bewijs levert dat een lager BTW-tarief van toepassing is.

Krachtens artikel 1 van het Koninklijk Besluit nr. 20 van 20 juli 1970 draagt de eiseres de bewijslast van de stelling dat het BTW-tarief van 6 % van toepassing is. De administratie merkt terecht op dat de toepassing van het verlaagd BTW­tarief van 6 % is een uitzondering op een algemene regel.

4.3. Ten gronde

4.3.1.

Tabel A van de bijlage bij het K.B. nr. 20 geeft een opsomming van de goederen en diensten die onderworpen zijn aan het tarief van 6 %.

Rubriek XXXI, § 1, 1° van deze tabel A luidt als volgt :

"XXXI. Werk in onroerende staat met betrekking tot privé-woningen.

§ 1. Het werk in onroerende staat en de andere handelingen bedoeld in § 3 worden onderworpen aan het verlaagd tarief, voor zover de volgende voorwaarden zijn vervuld :

1° de handelingen moeten de omvorming, renovatie, rehabilitatie, verbetering, herstelling of het onderhoud, met uitsluiting van de reiniging, geheel of ten dele van een woning tot voorwerp hebben; ... "

De wettelijke bepalingen verstrekken geen verdere omschrijving van de begrippen omvorming en renovatie.

4.3.2.

Aan de hand van de concrete feitelijke vaststellingen en de overgelegde stukken dient te worden nagegaan of de uitgevoerde werken een verbouwing of omvorming in de zin van de wet hebben beoogd, dan wel of deze werken hoofdzakelijk hebben geleid tot het tot stand brengen van een nieuw appartement. De werkelijke aard van de werken en het uiteindelijke resultaat primeren.

Door de verbaliserende ambtenaar werden de volgende vaststellingen verricht die werden geacteerd in zijn proces-verbaal van 14 oktober 2011 (bewijsstuk 1 van de administratie) :

- Het betreft een bouw van een nieuwe woning boven een bestaande gebouw na afbraak van het plat dak en bijhorende roostering, evenals de achtergevel van het oorspronkelijke tweede verdiep.

- In dat geval kan de aanbouw niet als uitbreiding van een woning aanzien worden omdat in geval van appartementsgebouwen de toestand appartement per appartement moet worden beoordeeld.

- Bijgevolg werd op het bestaand gedeelte (gelijkvloers en eerste verdieping) een nieuw appartement opgetrokken. Dit nieuw appartement wordt ook als nieuwe entiteit verhuurd.

Door de administratie worden op basis van ondermeer het bouwplan de volgende preciseringen verstrekt :

- Het gaat over een rijwoning met een gelijkvloers, een eerste verdieping en een tweede verdieping onder het dak;

- Het tweede verdiep (zijnde voorheen de zolder onder het dak) wordt afgebroken, met uitzondering van de voorgevel;

- Zoals blijkt uit het bouwplan werd boven op de eerste verdieping een nieuw appartement van twee verdiepingen opgericht met een eethoek, keuken, leefruimte op het eerste verdiep en op het tweede verdiep een slaapkamer, badkamer en bureau die als tweede slaapkamers kan gebruikt worden.

Voor de uitvoering van de bouwwerken bestond het gebouw uit vier bouwlagen, namelijk de kelder, gelijkvloers, eerste verdieping met daarboven een dak (zolder).

Ingevolge de uitgevoerde werkzaamheden werd het pand uitgebreid naar twee wooneenheden en naar 5 bouwlagen.

Door de eiseres worden de volgende toelichtingen verstrekt. Door de aanpassing van de dakruimte, waarvan de structuur een grondige wijziging heeft ondergaan, werd er een nieuw appartement gebouwd door bovenbouw. Het nieuwe gedeelte kan onafhankelijk functioneren van het bestaande gedeelte. Er is in casu sprake van een nieuw appartement door de bovenbouw.

De stelling van de eiseres in de voorgestelde prejudiciële vraag vertrekt vanuit de idee dat het nieuw gebouwde appartement valt onder de toepassing van het stelsel van mede-eigendom, en vervreemdbaar moet zijn met toepassing van de BTW, en aldus de toepassing van het verlaagd BTW-tarief afhankelijk zou zijn van algemene voorwaarden die niet in de wet zijn geregeld. Deze premissen worden door de administratie niet gesteld. De administratie heeft zich gesteund op de bovenvermelde wettelijke en uitvoeringsbepalingen zonder daaraan een voorwaarde toe te voegen. De voorgestelde prejudiciële vraag is niet dienend bij de beoordeling van het geschil en hoeft niet te worden voorgelegd aan het Grondwettelijk Hof.

Op grond van de voormelde concrete vaststellingen is de rechtbank van oordeel dat de administratie terecht heeft geoordeeld dat het de bouw van een nieuwe woning betreft boven een bestaande gebouw na afbraak van het plat dak en bijhorende roostering, evenals de achtergevel van het oorspronkelijke tweede verdiep. De administratie merkt terecht op dat het steunen op oude dragende muren bij bovenbouw normaal is.

4.4. Met betrekking tot de gerechtskosten

De eiseres dient, als de in het ongelijk gestelde partij, in de kosten te worden verwezen (art. 1017, eerste lid Gerechtelijk Wetboek).

In toepassing van de artikelen 279 en 162, 4° van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten is geen rolrecht verschuldigd.

Aangezien de Belgische Staat niet wordt vertegenwoordigd door een advocaat, is evenmin een rechtsplegingsvergoeding verschuldigd.

Beschikkend gedeelte

OM DEZE REDENEN,

DE RECHTBANK,

Recht doende op tegenspraak.

Melding makende van het feit dat de bepalingen van artikel 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werden nageleefd.

Alle meeromvattende en strijdige conclusies verwerpend als niet terzake dienend.

Verklaart de vordering ontvankelijk doch ongegrond.

Veroordeelt de eiseres tot de kosten van het geding.

Begroot deze kosten als volgt : … EUR

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting door de zesde fiscale kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Gent, op éénentwintig mei tweeduizend dertien, waar aanwezig waren :

de heer S. R., alleenrechtsprekend rechter, voorzitter van deze kamer,

mevrouw G. L., griffier.

G. L. S. R.

Aangehaalde teksten

1
KB nr. 20 art. 14 voorkomens