Strafbepaling, strafrechtelijke sanctie · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Rechtbank van eerste aanleg Gent 1 februari 2001

Zoeken

Strafbepaling, strafrechtelijke sanctieBelasting over de toegevoegde waarde

https://juriel.be/nl/rechtspraak/strafbepaling-strafrechtelijke-sanctie-rechtbank-gent-2001-02-01-0fc8

Rechtscollege
Rechtbank van eerste aanleg
Zetel
Gent
Datum
1 februari 2001

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

75 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Gent d.d. 01.02.2001

Samenvatting niet beschikbaar

Tekst van het vonnis

Tekst van de beslissing

DERDE KAMER - OPENBARE TERECHTZITTING VAN 1 FEBRUARI 2001

96/3107/A

In de zaak :

D. V. D. S., autohandelaar, handeldrijvende onder de benaming "V.D.S.-CARS", wonende en handeldrijvende te …, …, ingeschreven in het H.R. te Gent onder nr. …,

eiser,

voor wie optreedt mr. J. V. D. S., advocaat te …, …,

tegen :

DE BELGISCHE STAAT, Ministerie van Financiën, Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen, vertegenwoordigd door de heer Ontvanger van het Tweede BTW-Ontvangkantoor te Gent, waarvan de burelen thans gevestigd zijn te 9000 Gent, Martelaarslaan 23,

verweerder,

voor wie optreedt mr. W. D. V., advocaat te …, …,

Vonnist de rechtbank als volgt :

De partijen werden gehoord in hun middelen en conclusies op de openbare terechtzitting van 15 juni 2000, waarna de debatten werden gesloten en de zaak in beraad werd genomen.

De stukken werden ingezien, inzonderheid de verzetsakte van 14 oktober 1996, de conclusies namens eiser neergelegd te griffie op 10 mei 1999 en op 14 maart 2000, de conclusies namens verweerder neergelegd ter griffie op 24 augustus 1995 en op 1 juni 1999, de overtuigingsstukken neergelegd door de eiser en deze neergelegd door de verweerder, en het schriftelijk advies van het Openbaar Ministerie d.d. 7 december 2000, neergelegd ter terechtzitting van 18 januari 2001.

1. De vordering

De vordering van eiser strekt ertoe :

a) het verzet tegen het dwangbevel van 4 september 1996 geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 9 september 1996 en aan eiser betekend op 17 september 1996 gegrond te horen verklaren en dit dwangbevel teniet te doen,

b) het uitvoerend beslag van 3 oktober 1996 op te heffen, nu de administratie over geen uitvoerbare titel beschikt.

De Belgische Staat te veroordelen tot de kosten van het geding.

Bij conclusie van 10 mei 1999 breidt eiser zijn vordering uit en vordert de veroordeling van de Belgische Staat tot een schadevergoeding ex aequo et bono begroot op 150.000 frank wegens tergend en roekeloos geding, te vermeerderen met de intrest vanaf 23 januari 1996.

2. Feiten en retro-akten

Eiser is als belastingplichtige gekend onder het BTW-identificatienummer BE … met als activiteit handel in tweedehandswagens.

Vertrekkend van gegevens uit een gerechtelijk dossier lastens H. V. L. e.a. waarin A. M., een leverancier van eiser, verklaarde in een BTW-carrousel van auto's te zijn betrokken, zijn fiscale verplichtingen niet te voldoen en op te treden als scherm om de controle van het verloop van de transacties te bemoeilijken, deed de administratie op 11 mei 1995 nazicht in de boekhouding van eiser wat resulteerde in een PV van 22 maart 1996.

Er werd vastgesteld dat in de periode van 4/8/1992 tot 26/11/1994 voor 63.429.000 frank + 12.559.100 frank BTW aan facturen werden ontvangen van A. M., autohandelaar.

De administratie besloot dat de aankopen door eiser bij M. fictief zijn en vordert terugbetaling van de ten onrechte afgetrokken BTW t.b.v. 12.559.100 frank.

Gelet op de niet-betaling van de verschuldigde sommen wordt op 4 september 1996 een dwangbevel nr. … uitgevaardigd, uitvoerbaar verklaard op 9 september 1996, en betekend op 17 september 1996.

Bij exploot van 3 oktober 1996 werd uitvoerend beslag gelegd op aan eiser toebehorende roerende goederen.

Eiser ging tegen dit dwangbevel in verzet bij exploot van 14 oktober 1996.

Op 6 mei 1998 werd een nieuw dwangbevel nr. … uitgevaardigd ter vervanging van het dwangbevel van 4 september 1996; dit wordt uitvoerbaar verklaard op 14 mei 1998 en aan eiser betekend op 20 mei 1998. Dit nieuwe dwangbevel werkt terug tot 4 september 1996, datum van uitvaardiging van het vorige dwangbevel.

Op grond van voornoemde vaststellingen zou blijken dat eiser aan de Administratie de som van 12.559.100 frank aan BTW-rechten verschuldigd is, meer een boete van 25.118.200 frank en de intresten.

3. Standpunt van de partijen

Eiser roept de nietigheid van de procedure in, nu :

a) de fiscus op onwettige en onregelmatige wijze inzage in het strafdossier heeft verkregen;

b) het proces-verbaal van de administratie opgesteld op 22 maart 1996 nietig is, daar het met schending van de taalwetgeving is opgemaakt door het vermelden van franse teksten zonder enige eensluidende vertaling.

Bovendien zou door enkel voorlegging te doen van één stuk uit het strafdossier de rechten op verdediging van eiser zij n geschonden en dient het volledige strafdossier te worden voorgelegd.

Eiser betwist met klem het standpunt van verweerder. De BTW kon wel in aftrek worden gebracht, nu het in casu om een reële aankoop van voertuigen ging, er aankoopfacturen en bewijzen van betaling zijn en dat de voertuigen nadien verder werden verkocht met een verkoopfactuur. Bovendien blijkt uit de verklaringen van M. dat eiser steeds ter goeder trouw heeft gehandeld.

Eiser stelt dat uit het verzet d.d. 7/10/1996 blijkt dat de administratie niet over een uitvoerbare titel beschikte, zodat het uitvoerend beslag moet worden opgeheven.

Er is een schending van de taalwetgeving, nu geen eensluidende vertaling van het door verweerder aangewende Franstalig proces-verbaal uit het strafdossier voorligt.

Verweerder stelt dat eiser zijn recht op aftrek niet kan uitoefenen omdat terzake niet voldaan is aan de wettelijke voorwaarden :

1.De leverancier M. heeft geen voertuigen geleverd.

2. Indien er dan toch al auto's geleverd werden dan is dit gebeurd door een ander persoon dan M. zodat de op de factuur vermelde leverancier vals is.

3. Voorts zijn de bewuste facturen nog behept met een aantal andere vormgebreken die stuk voor stuk voldoende zijn om het recht op aftrek te weigeren voor die facturen.

4. Bespreking

Het proces-verbaal van 22 maart 1996 ondertekend door G. Faket, verificateur bit de Administratie van de BTW, registratie en domeinen, in die hoedanigheid ter beschikking gesteld van de 4de Bijzondere Belastinginspectie van Gent, moet voldoen aan de voorschriften van de taalwetgeving in bestuurszaken en in het Nederlands worden opgesteld, wat in casu niet het geval is. (zie Fiscale documentatie VANDEWINCKELE, XIV, 59/133, nr. 27)

De sanctie van deze naar de vorm onwettige akte is de nietigheid (art. 58, lid 1) zolang in de vervanging niet is voorzien (art. 58, lid 3).

Aangezien het proces-verbaal een bijlage is van het dwangbevel en onontbeerlijk is om de juiste draagwijdte van het dwangbevel te bepalen, brengt de nietigheid van het proces-verbaal de nietigheid van het dwangbevel met zich mee.

Hangende de procedure, heeft de betrokken overheid conform de Wetten van 18 juli 1966 op het gebruik van de talen in bestuurszaken zelf de nietigheid vastgesteld door de akten m.n. het proces-verbaal en het dwangbevel uitdrukkelijk te vervangen door nieuwe akten opgesteld in de wettelijk voorgeschreven taal. (zie Renard, Talen, APR, p. 174 e.v.)

Overeenkomstig art. 58, 3de lid, werkt deze vervanging terug tot 4 september 1996, datum van uitvaardiging van het eerste dwangbevel.

Verweerder merkt in haar conclusie van 24 augustus 1998 op dat op 6 mei 1998 een nieuw dwangbevel nr. 148/98 werd uitgevaardigd ter vervanging van het dwangbevel van 4 september 1996; dit wordt uitvoerbaar verklaard op 14 mei 1998 en aan eiser betekend op 20 mei 1998.

Uit de houding van partijen hieromtrent blijkt minstens impliciet - dat het oorspronkelijk verzet ook gericht is tegen het tweede dwangbevel.

4.2. Verweerder verwijst in zijn verweer naar de toelating verleend door de Procureur-Generaal bij het Parket van het Hof van Beroep te Luik tot inzage in een gerechtsdossier lastens H. V. L. e.a.. De regelmatigheid van de inzage die door eiser wordt betwist kan door de rechtbank niet worden geverifieerd daar verweerder de nodige stukken niet voorlegt.

Verweerder wordt dan ook gevraagd deze toelating voor te leggen.

4.3. In onderhavig dossier heeft verweerder de inhoud van het Franstalig proces-verbaal uit het strafdossier in het Nederlands weergegeven in haar proces-verbaal van 22 maart 1996, zodat eiser geenszins kan stellen dat de rechten van de verdediging zijn geschonden en er geen reden is om deze stukken nogmaals te vertalen.

4.4. Uit de voorgelegde stukken blijkt dat er een gerechtsdossier met nr. 31/95 bestaat, gehouden door onderzoeksrechter M. te … in hoofde van H. V. L. e.a., waarbij M. van zijn vrijheid .werd beroofd en verhoord.

Ingevolge art. 74, § 4 BTW heeft de strafrechter de verplichting, indien de oplossing van het fiscale geschil voor hem van die aard schijnt te zijn dat ze een invloed kan hebben op de strafvordering, de uitspraak over de tenlasteleggingen uit te stellen.

Bij art. 51 van de wet van 15 maart 1999 (BS 27.03.1999) werd dit artikel opgeheven, zodat thans in fiscale zaken art. 4 van de wet van 17 april 1878 van toepassing is.

Op basis van de thans voorliggende stukken is het de rechtbank onmogelijk uit te maken wat de juiste stand van zaken is in deze strafzaak, waarvoor M. in verdenking werd gesteld, of hij reeds veroordeeld werd, welk zijn aandeel was in de BTW-carrousel, meer specifiek wat zijn relatie is, als leverancier van auto's, tot de eiser.

Teneinde te kunnen oordelen of er al dan niet reden is tot schorsing van onderhavige procedure, zijn meer stukken nodig.

Beschikkend gedeelte

OP DIE GRONDEN,

DE RECHTBANK, rechtdoende op tegenspraak,

met inachtneming van de artikelen 2 en 30 tot 42 van de wet op het taalgebruik in gerechtszaken, en het voormeld schriftelijk advies van het openbaar ministerie;

Verklaart het verzet toelaatbaar;

Alvorens nader te oordelen,

Heropent ambtshalve de debatten.

Beveelt de Ontvanger van de BTW te Gent de toelating verleend door de Procureur-Generaal bij het Parket van het Hof van Beroep te Luik tot inzage in een gerechtsdossier van onderzoeksrechter M. met nr. 31/95 lastens H. V. L. e.a. over te leggen.

Nodigt partijen uit de nodige stukken naar voor te brengen, zodat de rechtbank kan uitmaken waarvoor M. in verdenking werd gesteld, of hij reeds veroordeeld werd, welk zijn aandeel was in de BTW-carrousel, meer specifiek wat zijn relatie is, als leverancier van auto's, tot de eiser.

Stelt de zaak daartoe uit op de terechtzitting van deze kamer op donderdag 7 JUNI 2001 om 9.30 uur.

Houdt de beslissing over/de gedingkosten aan.

Aldus, in tegenwoordigheid van N. V. A., eerste substituut-procureur des Konings, gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting door de derde burgerlijke kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Gent op EEN FEBRUARI TWEEDUIZEND EN EEN.

Heeft de zaak volledig behandeld en erover geoordeeld :

R. T., ondervoorzitter, alleensprekend rechter, bijgestaan door

R. D., griffier.

R. D. R. T.