---
title: "24 december 2002 · Strafbepaling, administratieve geldboete · Hof van beroep te Antwerpen"
description: "Strafbepaling, administratieve geldboete, vrijstelling, uitvoer, invoer, intracommunautaire handeling. Hof van beroep te Antwerpen (België), 24 december 2002."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak/strafbepaling-administratieve-geldboete-vrijstelling-hof-van-beroep-antwerpen-2002-12-24-f5ae"
lang: "nl"
---

# Strafbepaling, administratieve geldboete, vrijstelling, uitvoer, invoer, intracommunautaire handeling · Belasting over de toegevoegde waarde

**Rechtscollege**

Hof van beroep

**Zetel**

Antwerpen

**Datum**

24 december 2002

## Procesverloop

2 stappen · 9 maanden

1. [Bestreden beslissing Rechtbank van eerste aanleg te Hasselt 06.03.2002](https://juriel.be/nl/rechtspraak/werkingssfeer-levering-goederen-plaats-voldoening-rechtbank-hasselt-2002-03-06-3b05)
2. Weergegeven beslissing Hof van beroep te Antwerpen 24.12.2002

## Over het document

**Verzameling**

Belgische rechtspraak

**Taal van de tekst**

Nederlands

## Tekst

132 paragrafen

### Fiche van de FOD Financiën

Arrest van het Hof van beroep te Antwerpen d.d. 24.12.2002

Samenvatting niet beschikbaar

**Tekst van het arrest**

### Tekst van de beslissing

**DE BURGERLIJKE RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG, ZITTING HOUDENDE TE HASSELT - 11° KAMER HEEFT HET VOLGENDE VONNIS UITGESPROKEN :**

**06.03.2002**

INZAKE AR **98/1529/A**

**V. A. R. M.**, autohandelaar, geboren op 04/11/1970 te …, ingeschreven in het HR te … nr. …, wonende te … (…), …;

**eiser,**

vertegenwoordigd door Mr. **P. L.**, advocaat te …, …;

**tegen :**

**DE BELGISCHE STAAT**, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, Administratie van de BTW, Registratie & Domeinen, in de persoon van de Ontvanger, thans genaamd E.A. Inspecteur A.I. van het BTW-Ontvangkantoor Hasselt I, met burelen gevestigd te 3500 Hasselt, Koning Boudewijnlaan 4;

**verweerder,**

vertegenwoordigd door Mr. **A. V. L. d. J.**, advocaat te …, …;

**VOLGT HET VONNIS :**

## Feiten en voorgaanden

Eiser is BTW-belastingplichtige, geregistreerd onder BTW-nr. … en heeft als autohandelaar op 20 december 1996 een levering van een personenauto Porsche Baxter gefactureerd aan de firma "**A. S.** LDA" te Portugal met Portugees BTW­nr. ….

De wagen werd aan de koper gefactureerd zonder aanrekening van BTW. Er werd op de factuur nr. … van 20.12.1996 geen melding gemaakt van de precies beoogde vrijstelling van [art. 39bis BTW-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-39bis) uit hoofde van intracommunautaire leveringen, zoals nochtans voorgeschreven door [art. 5, § 1, 10° KB nr. 1](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-1-artikel-6caa) inzake BTW.

Een controleambtenaar van de BTW-administratie deed hierover vaststellingen, die werden vastgelegd in een proces-verbaal van 6 maart 1997.

Op 26 mei 1998 werd, na voorafgaande verwittiging, door de ambtenaren van het Nationaal Controlecentrum ter bestrijding van de BTW-carrousels bij eiser overgegaan tot een grondige controle met betrekking tot de periode van 1 januari 1996 tot 31 december 1997 teneinde de naleving van de BTW-wetgeving en de ter uitvoering ervan genomen besluiten na te gaan.

Bij deze controle stelden de ambtenaren vast dat eiser niet de nodige bewijsstukken van intracommunautaire levering kon overleggen zoals voorzien in het KB nr. 52 van 29 december 1992 ter uitvoering van [art. 39bis BTW-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-39bis).

Verweerder vorderde derhalve de door eiser niet aangerekende BTW na t.b.v. … EUR (voorheen … fr.), meer een boete van 200 % t.b.v. … EUR (voorheen … fr.) en de intresten te berekenen aan 0,8 % per maand vanaf 21.12.1998.

Op 3 juli 1998 werd een dwangbevel uitgevaardigd, uitvoerbaar verklaard eveneens op 3 juli 1998, met bijkomend een vordering van intresten over de geldboete en een vordering van de vervolgingskosten.

Eiser ging in verzet tegen dit dwangbevel bij exploot van **B. H.**, gerechtsdeurwaarder te … van 11 augustus 1998.

## Ontvankelijkheid

De ontvankelijkheid van de voorziening wordt niet betwist en de rechtbank bemerkt geen reden die tot ambtshalve op te werpen onbevoegdheid of onontvankelijkheid aanleiding zou kunnen geven, zodat het verzet ontvankelijk dient te worden verklaard.

## Ten gronde

De rechtbank merkt vooreerst op dat de verwijzingen in besluiten van eiser naar andere gerechtelijke procedures niet dienend zijn ter beoordeling van het huidige geding.

## 1. [Art. 39bis BTW-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-39bis) en KB nr. 52 inzake BTW

1\. Ten gronde draagt eiser in toepassing van [art. 39bis BTW-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-39bis) de bewijslast dat hij voldeed aan de voorwaarden om de personenauto Porsche Boxter te factureren met vrijstelling van de Belgische BTW in het kader van een intracommunautaire levering.

Eiser dient hiertoe een dubbel bewijs te leveren :

\- enerzijds dat de goederen die het voorwerp vormen van de beweerde intracommunautaire levering (ingevolge de verkoop), het Belgische grondgebied hebben verlaten en aangekomen zijn op het grondgebied van een andere lidstaat, en

\- anderzijds dat de levering is geschied voor een belastingplichtige of een niet-belastingplichtige rechtspersoon, die voor BTW doeleinden is geïdentificeerd in een andere lidstaat (zie [art. 1](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-52-vrijstellingen-intracommunautaire-gelijkgestelde-handelingen-b8b9#ar52-art1) en [2](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-52-vrijstellingen-intracommunautaire-gelijkgestelde-handelingen-b8b9#ar52-art2) van het KB nr. 52 inzake BTW).

De rechtbank stelt vast dat verweerder geen argumenten aanvoert inzake de tweede bewijsvoorwaarde, met name dat de levering is geschied voor een belastingplichtige of een niet-belastingplichtige rechtspersoon, die voor BTW doeleinden is geïdentificeerd in een andere lidstaat.

Verweerder houdt wel voor dat eiser niet aantoont dat de goederen werkelijk naar een andere lidstaat en met name het land van de koper zijn vervoerd.

2\. De bewijsinvulling wordt wettelijk afhankelijk gesteld van het voorleggen van stukken, waarvan KB nr. 52 inzake BTW exemplatief maar niet exhaustief opsomming geeft (zie [art. 3 van het KB nr. 52](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-52-vrijstellingen-intracommunautaire-gelijkgestelde-handelingen-b8b9#ar52-art3) inzake BTW). Binnen dat kader is de bewijsvoering verder vrij.

De door eiser aangeboden bewijsstukken volstaan niet voor de concrete invulling van die bewijslast.

De opsomming door verweerder van de elementen die aantonen dat de bewijslast niet zou zijn ingevuld in het proces-verbaal van 1 juli 1998 (p. 3 t/m 5) en hernomen in besluiten van verweerder, wordt door de rechtbank bijgetreden. Deze elementen wijzen op het kennelijk inconsistente van de door eiser aangeboden bewijsvoering.

In het proces-verbaal van 1 juli 1998 staat te lezen dat eiser buiten de verkoopfactuur gericht aan de Portugese firma, geen stukken kon voorleggen die de echtheid van verzending of vervoer van de personenauto Porsche Baxter aannemelijk maken. Eiser zou de vervoerbewijzen alsnog opvragen bij "Portugezen in Anderlecht".

Eiser houdt voor dat de hierna vermelde stukken meer dan voldoende aantonen dat de personenauto Porsche Boxter werd vervoerd naar Portugal :

\- de aankoopfactuur nr. … van 30.12.1996 van de BVBA **A. V. R.**;

\- de verkoopfactuur nr. … van 20.12.1996 van **A. V.**;

\- een vignet 705;

\- een inschrijvingsbewijs van het voertuig in Portugal van 19.05.1997;

\- de identificatiegegevens van de firma **A. S.** in Portugal.

De rechtbank is van oordeel dat de door eiser bijgebrachte stukken niet afdoend zijn.

Vooreerst bewijst de beweerde inschrijving van het voertuig in Portugal op 19.05.1997 niet dat het voertuig ingevolge de verkoop van 20.12.1996 door de eiser, door de Portugese koper of voor hun rekening naar een land buiten België maar binnen de Gemeenschap werd vervoerd. Het voertuig kan in een latere handelsfase zijn vervoerd naar Portugal.

De aan- en verkoopfactuur van het kwestieuze voertuig leveren evenmin het nodige bewijs op. Integendeel, de rechtbank stelt vast dat eiser conform de bijgebrachte aankoopfactuur, het voertuig zou hebben aangekocht op 30.12.1996, doch hetzelfde voertuig reeds zou hebben verkocht op 20.12.1996 !

Ook het bijgebrachte douanevignet 705 levert niet het nodige bewijs op nu dit vignet een door de Belgische autoriteiten opgesteld document is waaruit enkel blijkt dat het voertuig vanuit Duitsland in België werd ingevoerd.

De rechtbank stelt vast dat eiser geen bestelbons, overeenkomsten noch overtuigende betalingsbewijzen kan voorleggen met betrekking tot de beweerde intracommunautaire. levering ván het voertuig Porsche Boxter. De bewering dat de Portugese verkoper met het voertuig naar Portugal zou zijn gereden, overstijgt het niveau van de loutere bewering niet en is geen afdoend bewijs.

Het staat vast dat eiser geen bewijs aanbrengt voor het bekomen van de vrijstelling onder [art. 39bis BTW-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-39bis) en dat hij derhalve een belastbare levering heeft verricht zodat hij de belasting verschuldigd is als verkoper.

## 2. Toepassing van de van rechtswege verschuldigde boete gelijk aan tweemaal het recht

De administratie vestigde de boete op grond van [art. 70, § 1 BTW-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-70).

De rechtbank heeft de rechtsmacht om te oordelen over de wettelijke aangepastheid van de aan eiser opgelegde boete.

Eiser dient als gespecialiseerd autohandelaar de gevolgen te dragen van zijn handelingen die overduidelijk zijn ingegeven met de bedoeling belastingen te ontduiken, minstens de ontduiking ervan mogelijk te maken.

De rechtbank stelt vast dat er zich in het dossier voldoende aanwijzingen bevinden dat de overtredingen op de BTW-Wetgeving zijn begaan met de bedoeling de belasting te ontduiken zoals o.a. de datering van de aan- en verkoopfactuur van het voertuig Porsche Boxter, de vele tegenstrijdigheden i.v.m. de betalingswijze, het gebrek aan ook maar enig bewijs van vervoer, enz....

De rechtbank is van oordeel dat de geldboete werd opgelegd conform de wettelijke en reglementaire bepalingen van [art. 70, § 1 BTW-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-70) en het KB nr. 41 en in de gegevens omstandigheden verantwoord is en bij de feiten aansluit.

## 3. Betreffende de intresten

De rechtbank is van oordeel dat de door de administratie gevorderde intresten conform de wettelijke en reglementaire bepalingen ter zake zijn.

---

De voorschriften van de artikelen 2-30 tot 37 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken werden nageleefd.

### Beschikkend gedeelte

## OM DEZE REDENEN :

**De rechtbank**, rechtdoende op **tegenspraak**;

Verklaart het verzet tegen het dwangbevel van 1 juli 1998 ontvankelijk doch ongegrond.

Wijst eiser op verzet af, veroordeelt hem tot de kosten van het geding en begroot deze aan de zijde van verweerder op … EUR rechtsplegingsvergoeding en voor zoveel als nodig aan de zijnde van eiser op … EUR dagvaardingskosten en … EUR rechtsplegingsvergoeding.

Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare zitting van de **elfde kamer** op het gerechtshof te Hasselt op **6 MAART 2002** alwaar aanwezig waren :

Mevrouw **K.**, rechter, waarnemend voorzitter;

De Heer **J.-M. J.** en Mevrouw **C.**, rechters;

De Heer **A. T.**, griffier.

**A. T.** **M. C.** **J.-M. J.** **L. K.**

### Door de FOD bijgevoegde beslissing

**Het Hof van beroep te Antwerpen, zitting houdend te Antwerpen, ZESDE KAMER, recht doende in burgerlijke zaken, heeft het volgende arrest uitgesproken :**

Zitting van : **24/12/2002**

## Dwangbevel - BTW

Inzake : **2002/AR/1108**

**A. V.**, HR te … nr. …, autohandelaar, wonende te …, …;

**appellant,**

tegen het vonnis gewezen door de rechtbank van eerste aanleg te Hasselt van 6 maart 2002;

vertegenwoordigd door Meester **P. L.**, advocaat te …, …;

**tegen :**

**De BELGISCHE STAAT**, Ministerie van Financiën, Administratie van de BTW, registratie en domeinen, in de persoon van de heer Minister van Financiën, wiens kabinet gevestigd is te Brussel, Wetstraat 12, vertegenwoordigd door de e.a. inspecteur van het eerste BTW-ontvangkantoor te Hasselt, met kantoor te 3500 Hasselt, Koning Boudewijnlaan 4;

**geïntimeerde,**

vertegenwoordigd door Meester **A. v. L. d. J.**, advocaat te …, …;

---

Gelet op de door de wet vereiste processtukken in behoorlijke vorm overgelegd waaronder het bestreden vonnis van de rechtbank van eerste aanleg van Hasselt van 6 maart 2002, waarvan geen betekening voorligt, alsmede het verzoekschrift tot hoger beroep neergelegd ter griffie van dit Hof op 6 mei 2002, waarbij een naar vorm en termijn regelmatig hoger beroep wordt ingesteld.

Het hoger beroep van appellant strekt ertoe het bestreden vonnis te horen te niet doen en opnieuw recht doende het dwangbevel uitgevaardigd op 3 juli 1998, en uitvoerbaar verklaard op 3 juli 1998 nietig te horen verklaren, minstens als ongegrond te horen afwijzen.

In ondergeschikte orde, vordert appellant dat de opgelegde administratieve boete en de gevorderde intresten conform de wettelijke en reglementaire bepalingen af te wijzen als ongegrond, minstens te herleiden tot een billijk saldo.

## FEITEN EN VOORGAANDEN

De feiten werden op juiste wijze door de eerste rechter uiteengezet en het hof verwijst ernaar.

Appellant had uit hoofde van zijn beroepswerkzaamheid als kleinhandel in auto's de hoedanigheid van belastingplichtige bij toepassing van art. 4 van het W.BTW en was derhalve onderworpen aan de BTW-wetgeving;

Appellant factureerde op 20 december 1996 de levering van een wagen Porsche Boxter aan **A. S.** LDA in Portugal, zonder dat op dit document BTW aangerekend werd, omwille van export.

Geïntimeerde vorderde krachtens art. 15, § 7 en art 51, § 1, 1° W.BTW de over deze handeling verschuldigde BTW ad … BF (… EUR).

Op 3 juli 1998 werd door de bevoegde e.a. inspecteur van het eerste BTW-ontvangkantoor te Hasselt een dwangbevel uitgevaardigd dat samen met het proces-verbaal van 1 juli 1998 aan appellant bij exploot van gerechtsdeurwaarder **J. K.** te … op 3 juli 1998, overeenkomstig art. 85 W.BTW werd betekend.

De eerste rechter heeft vastgesteld dat huidige appellant geen bewijs aanbrengt voor het bekomen van de vrijstelling onder [art. 39bis BTW-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-39bis) en dat hij derhalve een belastbare levering heeft verricht zodat hij de belasting verschuldigd is als verkoper.

De eerste rechter heeft het verzet van huidige appellant tegen het dwangbevel ontvankelijk, doch ongegrond verklaard.

## BEOORDELING

Op grond van art. 39bis, eerste lid, 1° van het W.BTW zijn van de belasting vrijgesteld de leveringen van goederen door de verkoper, andere dan een belastingplichtige die de regeling geniet bepaald in art. 56, § 2, door de afnemer of voor hun rekening verzonden of vervoerd buiten België maar binnen de Gemeenschap, die worden verricht voor een andere belastingplichtige, of voor een niet-belastingplichtige rechtspersoon, die als zodanig optreden in een andere Lid-Staat en die er aldaar toe gehouden zijn hun intracommunautaire verwervingen van goederen aan de belasting te onderwerpen.

Krachtens [art. 1 van het KB nr. 52](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-52-vrijstellingen-intracommunautaire-gelijkgestelde-handelingen-b8b9#ar52-art1) van 29 december 1992 met betrekking tot de vrijstellingen betreffende de intracommunautaire leveringen van goederen en de ermee gelijkgestelde handelingen, op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde genomen in uitvoering van art. 39bis van het W.BTW zijn de in art. 39bis van het W.BTW bedoelde vrijstellingen afhankelijk van het bewijs dat de goederen verzonden of vervoerd zijn buiten België maar binnen de Gemeenschap.

Op grond van art. 2 van hetzelfde KB is de in art. 39bis, eerste lid, 1° W.BTW bedoelde vrijstelling bovendien afhankelijk van het bewijs dat de levering geschiedt voor een belastingplichtige of voor een niet-belastingplichtige rechtspersoon, die voor de belasting over de toegevoegde waarde geïdentificeerd is in een andere Lid­Staat.

Op grond van art. 3 van hetzelfde KB moet de verkoper ten allen tijde in het bezit zijn van alle stukken waaruit de echtheid van de verzending of het vervoer van de goederen blijkt; hij moet ze op ieder verzoek van de met de controle van BTW belaste ambtenaren overleggen. Die stukken zijn ondermeer de contracten, de bestelbons, de vervoerdocumenten en de betalingsstukken.

Uit het proces-verbaal opgesteld door de ambtenaren van de administratie van de BTW, gehecht aan het Nationaal controlecentrum ter bestrijding van de BTW-carrousels, op 1 juli 1998 blijkt dat appellant geen vervoerbewijs kon voorleggen met betrekking tot de vermeende vrijgestelde intracommunautaire levering op 20.12.1996 van de voormelde Porsche Boxter, en dat hij deze bewijzen nog steeds in huidige stand van het geding niet kan voorleggen.

Appellant tracht aan de hand van het inschrijvingsbewijs van het voertuig in Portugal aan te tonen dat het voertuig wel degelijk werd ingevoerd, doch de voormelde wettelijke bepalingen voorzien wel degelijk de voorlegging van de stukken van verzending of vervoer van de goederen, teneinde van een vrijstelling te kunnen genieten.

Appellant stelt in zijn verzoekschrift in hoger beroep dat hij als BTW-plichtige de BTW op de aankoop van de wagen BOXTER, zijnde 21 % aan zijn leverancier heeft betaald, doch gezien de wagen in Portugal geleverd werd, de BTW diende teruggegeven te worden overeenkomstig art. 39bis van het W.BTW.

Geïntimeerde stelt terecht dat appellant geen bewijs levert dat hij een intracommunautaire levering heeft verricht; Hij levert niet het bewijs dat het voertuig door hemzelf of door de koper, of een aangestelde van de koper naar een land buiten België maar binnen de gemeenschap werd vervoerd.

Indien het desbetreffende voertuig in Portugal effectief ingeschreven is, levert appellant hierdoor niet het bewijs dat in de relatie met zijn koper er een intracommunautaire levering zou plaats gegrepen hebben.

Er wordt geen bewijs geleverd dat het goed in de relatie appellant en koper intracommunautair werd verkocht; Het eventueel ingeschreven zijn van het voertuig in Portugal vormt geen bewijs van het feit dat de voorwaarde van art. 39bis in zijne hoofde is voldaan, nl. dat het desbetreffende voertuig door de verkoper, door de afnemer of voor hun rekening verzonden of vervoerd is buiten België maar binnen de Gemeenschap.

Appellant betwist eveneens de administratieve boete die werd opgelegd.

Geïntimeerde stelt terecht dat de factuur een essentieel bestanddeel is in de belasting op de toegevoegde waarde en noodzakelijkerwijze aan strenge vereisten is onderworpen.

De niet-naleving ervan wordt door de nationale wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen streng bestraft.

Overeenkomstig art. 10 van het E.G.-verdrag dienen de Lid-Staten erop toe te zien dat overtredingen van het gemeenschapsrecht - zoals de regelgeving inzake de belasting op toegevoegde waarde - onder gelijke materiële en formele voorwaarden worden bestraft als vergelijkbare en even ernstige overtredingen van het nationale recht.

[Art. 84, derde lid van het BTW-wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-84) voorziet in de mogelijkheid om de in de wet bepaalde boeten te vervangen door verminderde proportionele boeten, bepaald volgens een schaal waarvan de trappen door de Koning worden vastgesteld.

Die schaal werd vastgesteld bij het Koninklijk Besluit nr. 41 van 30 januari 1987 en maakt het mogelijk dat de boete waarin art. 70, § 1bis voorziet, verminderd wordt tot 10 % van de verkeerdelijk in aftrek gebrachte belasting, wanneer het bedrag van de verkeerdelijk in aftrek gebrachte belasting voor een controleperiode van één jaar meer dan … BF bedraagt.

Volgens art. 1 van het koninklijk besluit is de vermindering evenwel niet van toepassing ten aanzien van overtredingen begaan met het oogmerk de belasting te ontduiken of de ontduiking ervan mogelijk te maken.

Een vermindering van de opgelegde administratieve geldboete, zou gelet op de omvang van het bedrag van de ten onrechte in aftrek genomen BTW, alsmede de gekende praktijken in de sector van tweedehandsauto's niet het ontradende effect hebben dat de wetgever met de in het geding zijnde fiscale geldboeten wil beogen.

Ten overvloede verwijst het Hof nogmaals naar het arrest van het Arbitragehof van 12 juni 2002 (rolnummer 2109/arrest nr. 96/2002) waarin duidelijk gesteld wordt dat indien de rechter van oordeel is dat de administratie de mogelijkheid moet hebben om de omvang van de sanctie te moduleren, niets wat onder de beoordeling van de administratie valt aan de controle van de rechter kan ontsnappen.

Het Arbitragehof oordeelde dat de rechter een controle met volle rechtsmacht kan uitoefenen, doch hierbij de wettelijke bepalingen en de algemene beginselen die de administratie in acht moet nemen, eveneens moet respecteren.

> "Aldus kan de rechter nagaan of de beslissing van de administratie in rechte en in feite verantwoord is en of de wettelijke bepalingen en algemene beginselen die de administratie in acht moet nemen, waaronder het evenredigheidsbeginsel, zijn geëerbiedigd. In voorkomend geval zal hij de boete kunnen moduleren, deze opheffen of verminderen binnen de in de artikelen [70, § 2 en 84, derde lid](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-70) van het BTW-wetboek aan de administratie gestelde grenzen."

Het Hof stelt vast dat de overtredingen werden begaan met het oogmerk om de belasting te ontduiken, zodat zij niet om loutere redenen van billijkheid of opportuniteit de belastingplichtige kan bevrijden van de verplichtingen die hem wettelijk zijn opgelegd en waarvan de sanctionering bij niet naleving werd geregeld bij wet of bij de in uitvoering ervan genomen besluiten.

Bovendien worden er door geïntimeerde geen elementen aangereikt noch verzachtende omstandigheden ingeroepen die zouden verantwoorden dat het Hof het dwangbevel zou vernietigen waarmede een administratieve geldboete van 200 % de ontdoken BTW wordt ingevorderd.

Uit de door appellant voorgelegde documenten, waaronder het douanevignet 705 blijkt dat het desbetreffende voertuig op 10 december 1996 door **D. C. A.** uit Duitsland in België ingevoerd werd. Het desbetreffende voertuig belandde vervolgens bij de BVBA **V. R.**, dewelke het voertuig bij factuur van 30 december 1996 verkocht aan appellant, daar waar appellant dit voertuig reeds verkocht op 20 december 1996; Het voertuig veranderde op nauwelijks 10 dagen vijfmaal van eigenaar.

De eerste rechter stelde dan ook terecht vast dat er zich in het dossier voldoende aanwijzingen bevinden dat de overtredingen op de BTW-wetgeving zijn begaan met de bedoeling de belasting te ontduiken zoals o.a. de datering van de aan- en verkoopfactuur van het voertuig Porsche Boxter, de vele tegenstrijdigheden in verband met de betalingswijze, het gebrek aan ook maar enig bewijs van vervoer.

Het Hof treedt dan ook de oordeelkundige redengeving van de eerste rechter en haar beslissing volledig bij.

Het bestreden vonnis dient dan ook integraal te worden bevestigd en het hoger beroep is dan ook ongegrond.

**OM DEZE REDENEN,**

**HET HOF,**

Recht doende op **tegenspraak**;

Gelet op art. 24 van de wet van 15 juni 1935;

Verklaart het hoger beroep van appellant ontvankelijk, doch ongegrond;

Verwijst appellant in de gedingkosten in hoger beroep aan de zijde van geïntimeerde begroot op … EUR., volgens opgave in conclusie.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het **HOF VAN BEROEP te ANTWERPEN** van **VIERENTWINTIG DECEMBER TWEEDUIZENDENTWEE**,

waar aanwezig waren :

**M. D.**, Raadsheer wd. Voorzitter;

**S. B.**, Raadsheer;

**D. d. H.**, Plaatsvervangend Raadsheer;

**A. v. L.**, Griffier.

**A. V. L.** **D. D. H.** **S. B.** **M. D.**

## Aangehaalde teksten

7

[WBTW art. 39bis](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-39bis) 6 voorkomens

[WBTW art. 70](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-70) 3 voorkomens

[KB nr. 52 art. 1](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-52-vrijstellingen-intracommunautaire-gelijkgestelde-handelingen-b8b9) 2 voorkomens

[KB nr. 1 art. 5](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-1-artikel-6caa) 1 voorkomen

[KB nr. 52 art. 2](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-52-vrijstellingen-intracommunautaire-gelijkgestelde-handelingen-b8b9) 1 voorkomen

[KB nr. 52 art. 3](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-52-vrijstellingen-intracommunautaire-gelijkgestelde-handelingen-b8b9) 1 voorkomen

[WBTW art. 84](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-84) 1 voorkomen

## Vergelijkbare beslissingen

8

[Werkingssfeer, levering van goederen, plaats van de levering](https://juriel.be/nl/rechtspraak/werkingssfeer-levering-goederen-plaats-voldoening-rechtbank-hasselt-2002-03-06-3b05) 4 gemeenschappelijke bepalingen

[Recht op aftrek, Facturen van onderaannemers, Verplichte vermeldingen](https://juriel.be/nl/rechtspraak/recht-aftrek-facturen-onderaannemers-verplichte-rechtbank-bergen-2019-04-09-0896) 3 gemeenschappelijke bepalingen

[Btw-carrousel, Deelname, Weigering van de aftrek](https://juriel.be/nl/rechtspraak/btw-carrousel-deelname-weigering-aftrek-hof-van-beroep-brussel-2020-09-10-35f7) 3 gemeenschappelijke bepalingen

[Recht op aftrek, Verwerping van het recht op aftrek](https://juriel.be/nl/rechtspraak/recht-aftrek-verwerping-diensten-transportdiensten-rechtbank-brussel-2020-04-10-a057) 3 gemeenschappelijke bepalingen

[Transport, Schulden, Weigering BTW-aftrek, vervoer, weigering van de Btw-aftrek](https://juriel.be/nl/rechtspraak/transport-schulden-weigering-btw-aftrek-rechtbank-2026-03-02-0053) 3 gemeenschappelijke bepalingen

[Nietigheid proces-verbaal, Recht op aftrek, Fraude, Boete en intresten](https://juriel.be/nl/rechtspraak/nietigheid-proces-verbaal-recht-aftrek-hof-van-beroep-gent-2024-03-05-5b56) 3 gemeenschappelijke bepalingen

[Aanwijzingen voor fraude, Regularisatieoverzicht, Proces-verbaal, Ontvangstregister](https://juriel.be/nl/rechtspraak/aanwijzingen-fraude-regularisatieoverzicht-proces-verbaal-rechtbank-nijvel-2024-01-08-5c8e) 3 gemeenschappelijke bepalingen

[Recht op aftrek, Algemene onkosten, Diensten door onderaannemers](https://juriel.be/nl/rechtspraak/recht-aftrek-algemene-onkosten-diensten-rechtbank-brussel-2023-09-29-7487) 3 gemeenschappelijke bepalingen
