---
title: "27 april 2006 · Strafbepaling, administratieve geldboete · Hof van beroep te Brussel"
description: "Strafbepaling, administratieve geldboete, voldoening van de belasting, werkingssfeer, levering van goederen. Hof van beroep te Brussel (België), 27 april 2006."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak/strafbepaling-administratieve-geldboete-voldoening-belasting-hof-van-beroep-brussel-2006-04-27-9a2a"
lang: "nl"
---

# Strafbepaling, administratieve geldboete, voldoening van de belasting, werkingssfeer · Belasting over de toegevoegde waarde

**Rechtscollege**

Hof van beroep

**Zetel**

Brussel

**Datum**

27 april 2006

## Over het document

**Verzameling**

Belgische rechtspraak

**Taal van de tekst**

Nederlands

## Tekst

208 paragrafen

### Fiche van de FOD Financiën

Arrest van het Hof van beroep te Brussel d.d. 27.04.2006

Samenvatting niet beschikbaar

**Tekst van het arrest**

### Tekst van de beslissing

**HOF van BEROEP te BRUSSEL, Zesde fiscale kamer**

Nr. van de zaak : **2000/AR/862**

Openbare terechtzitting van 27.04.2006

IN ZAKE VAN :

**DE BELGISCHE STAAT**, vertegenwoordigd door de heer Minister van Financiën, administratie der BTW, registratie en domeinen, in de persoon van de hoofdcontroleur der BTW van Tienen, wiens burelen gevestigd zijn te 3300 Tienen, Goossensvest 3,

**appellant,**

vertegenwoordigd door Mr. **B.** loco **J. H.**, advocaat, …, …

**tegen :**

De BVBA **V. G.**, met zetel te …, …

**geïntimeerde,**

vertegenwoordigd door Meester **H. V.**, advocaat, …, …

---

Het hof, na beraad, spreekt in openbare terechtzitting volgend arrest uit :

## De processtukken

Het verzoekschrift in hoger beroep werd neergelegd ter griffie op 23 maart 2000.

R. 2006/3238 **EINDARREST- Ontvankelijk gegrond**

Het hoger beroep is gericht tegen het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Leuven d.d. 4 januari 2000, waarvan de akte van betekening d.d. 24 februari 2000 wordt voorgelegd. Het beroep is ontvankelijk.

De BVBA **V. G.** had in eerste aanleg de Staat gedagvaard in terugbetaling van een boete van … BEF, verhoogd met de intresten en de kosten.

De eerste rechter heeft de vordering gegrond verklaard om de enige reden dat :

*\** het Arbitragehof op 24 februari 1999 beslist heeft dat *"in zover het in die zin wordt geïnterpreteerd dat het de rechter bij wie een verzet tegen een dwangbevel aanhangig is, niet toestaat op de beslissing een fiscale geldboete op te leggen, een controle met volle rechtsmacht uit te oefenen,* [*artikel 70 van het BTW-Wetboek*](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-70) *de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt"*

*\** *"nu het Arbitragehof besliste dat art. 70 een grondwetschending inhoudt, deze Rechtbank die wetsbepaling buiten toepassing dient te verklaren; dat er alzo geen grond meer bestaat voor oplegging van de litigieuze boete, die derhalve terzake niet diende opgelegd"*

In hoger beroep vraagt de Staat het vonnis te hervormen en de oorspronkelijke eis van de BVBA **V. G.** ongegrond te verklaren.

## De feiten

Geïntimeerde is voor een activiteit als groothandelaar in dranken als BTW-plichtige geregistreerd.

Na een BTW-controle van de periode 1993-1995 werden in een proces-verbaal van 7 juni 1996 de volgende overtredingen vastgesteld :

1\. vernietiging van de leveringsbonnen na de facturatie,

2\. afwezigheid van bons bij leveringen in consignatie,

3\. verkopen zonder facturen,

4\. boeking der contant betaalde verkopen in een kasboek, en

5\. beweerde leveringen aan·"particulieren", voor een totaal bedrag van … BEF zonder uitreiking van facturen. Soms werden … BEF per afname betaald.

Overtreding nr.1 werd gestraft door boeten opgelegd per begane overtreding. Deze boeten worden niet betwist.

Uit het dossier blijkt dat overtredingen nr.2 tot 4 niet gestraft werden.

Wat overtreding nr.5 betreft, heeft de administratie geen BTW gevorderd, omdat geïntimeerde de BTW (… BEF) op die leveringen aan de Schatkist betaald had. De opgelegde administratieve boete van … BEF (200 %) werd tot … BEF herleid op voorwaarde dat deze onmiddellijk betaald zou worden, wat inderdaad gebeurde. Geïntimeerde heeft daarna een eis tot terugvordering van dit bedrag ingesteld; deze eis maakt het voorwerp van huidig geding uit.

## Voorwerp van het geschil

Geïntimeerde beweert dat haar ten onrechte een boete van … BEF opgelegd werd omdat zij niet gehouden was een factuur uit te reiken aan de particulieren die dranken kwamen afnemen.

## De beoordeling

a/ betreffende de plicht van geïntimeerde facturen uit te reiken

1\. Belastingplichtigen zijn gehouden een factuur uit te reiken van de door hen verrichte leveringen van goederen (artikel 53, lid 1, 2° Wetb.BTW).

Facturen moeten niet opgemaakt worden wanneer de goederen geleverd worden *"aan natuurlijke personen die ze bestemmen voor hun privé-gebruik"* ([art. 1, § 2 lid 1, van het KB nr. 1](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-1-artikel-a7a5)), behalve indien de leveringen verricht worden *"door voortbrengers-of grossiersbedrijven"* ([art. 1, § 2, lid 2, 8° van het KB nr. 1](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-1-artikel-a7a5)).

2\. Geïntimeerde vergenoegt zich te beweren dat zij niet alleen een grossiersbedrijf is in de zin van [artikel 1, § 2, lid 2, 8° van het KB nr. 1](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-1-artikel-a7a5), maar dat zij ook een kleinhandelaar in dranken is, maar bewijst dit geenszins.

Wanneer de verbalisanten haar vragen om aan de hand van folders, advertenties of andere documenten aan te tonen dat de winkel ook vrij toegankelijk is voor particulieren, kan zij geen enkel bewijs hiervan voorleggen. Ook kon geïntimeerde geen enkele publiciteit voorleggen die op potentiële particuliere klanten gericht was, of geen enkel stuk neerleggen betreffende de volgens hem jaarlijks gehouden "opendeurdagen".

Er worden geen stukken van de boekhouding bijgebracht waaruit zouden blijken dat geïntimeerde over twee aparte bedrijfsafdelingen in de zin van art.11 Wetb.BTW zou beschikken. Er zijn geen aparte prijslijsten voor de groothandel en de zogezegde kleinhandel.

Geïntimeerde is uitsluitend als groothandelaar geregistreerd.

3\. Zij stelt ten onrechte dat de administratie zou aanvaard hebben dat zij tevens een kleinhandelaar was, om de enige reden dat in het proces-verbaal van vaststelling boven de lijst der door geïntimeerde ontvangen kwestieuze bedragen, die geïntimeerde als "verkopen particulieren" geboekt heeft, de verbalisanten geschreven hebben *"aldus werden voor de verkopen particulieren voor de periode 1/93 tot en met 31/12/95 de volgende bedragen geboekt, BTW inbegrepen, die niet werden gefactureerd"*.

Deze laatste zin houdt niet in dat de verbalisanten zelf zouden geacht hebben dat de goederen aan particulieren verkocht werden, en nog minder dat zij aanvaard zouden hebben dat dranken, voor een waarde van … BEF, in het kader van een "kleinhandel" verkocht werden.

4\. Uit wat voorafgaat volgt dat zelfs indien voor … BEF dranken aan natuurlijke personen voor hun privé-gebruik geleverd werden - wat absoluut niet vaststaat - geïntimeerde, op grond van art.53 Wetb.BTW en art.[1, § 2, lid 2, 8°](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-1-artikel-a7a5) van het KB nr.1, facturen aan alle klanten moest uitreiken omdat zij een grossiersbedrijf is.

5\. Er kan terzake geen sprake van discriminatie in de factureringsplicht zijn tussen een kleinhandelaar die alleen kleinhandel voert, en een kleinhandelaar die ook groothandelaar is - zoals geïntimeerde het voorhoudt - gezien deze laatste uitsluitend een groothandelaar is.

6\. Geïntimeerde haalt aan dat in een antwoord op een parlementaire vraag van 8 april 1997, de Minister van Financiën zou gezegd hebben dat indien een groothandelaar tevens kleinhandelaar was, hij niet gehouden was te factureren in het kader van zijn kleinhandel. Zij stelt dat door deze "regel" terzake niet gevolgd te hebben de administratie het vertrouwensbeginsel schendt.

Deze grief is zonder voorwerp gezien het hof hierboven beslist heeft dat geïntimeerde niet aantoont dat zij tevens kleinhandelaar is.

b/ betreffende de door geïntimeerde verschuldigde boete

7\. Bij het niet uitreiken van een factuur wordt een geldboete opgelegd gelijk aan het dubbel van de op de handeling verschuldigde belasting (art. 70, § 2, lid 1 Wetb.BTW).

De boete is evenwel niet verschuldigd wanneer de overtredingen als louter toevallig kunnen worden aangemerkt of wanneer de leverancier *"geen ernstige reden had om te twijfelen aan de niet­belastingplicht van de medecontractant"* (art. 70, § 2, lid 2).

8\. Bij nazicht van de bankuittreksels van geïntimeerde is gebleken dat er grote bedragen werden ontvangen gaande tot … BEF voor afname van dranken zonder uitreiking van een factuur (proces-verbaal van vaststelling blz.1 nr.4).

In deze gevallen, had geïntimeerde welteverstaan ernstige reden om te twijfelen aan de niet-belastingplichtigheid van de afnemers.

Zij stelt dat het voornamelijk over leveringen aan notarissen, advocaten en geneesheren gaat, maar dit zijn loutere beweringen die door geen enkel stuk gestaafd zijn.

9\. De bankuittreksels hebben betrekking op "slechts" ongeveer … BEF in 1993, … BEF in 1994 en … BEF in 1995, op een totaal van … BEF (93), … BEF (94) en … BEF(95). Het verschil werd van hand tot hand betaald.

Geïntimeerde verkeert in de onmogelijkheid te bewijzen wie de afnemers waren, en hoeveel elke afname bedroeg. Zij heeft ook alles gedaan om elke spoor van die afnamen uit te wissen, gezien zij o.m. de leveringsbonnen na facturatie vernietigde en geen consignatiebons afleverde.

Geïntimeerde, op wie de bewijslast rust dat zij de voorwaarde vervulde om aan de boete te ontsnappen, blijft in gebreke aan te tonen dat zij voor elke kwestieuze levering geen ernstige reden had om aan de niet-belastingplichtigheid van de afnemers te twijfelen.

De boete werd terecht opgelegd.

10\. Het gaat niet om een strafrechtelijke boete zodat de strafrechtelijke regel van eenheid van opzet tussen de verschillende feiten niet toepasselijk is.

Er werd terzake een administratieve boete opgelegd, die als een strafsanctie bedoeld wordt. Het hof is van mening dat de administratie redelijk gehandeld heeft en geenszins het evenredigheidsbeginsel in het nadeel van geïntimeerde geschonden heeft, door de wettelijke boete van … BEF tot … BEF te herleiden.

Het door de Staat ingesteld hoger beroep is gegrond.

**OM DEZE REDENEN,**

**HET HOF**, rechtsprekend na tegenspraak,

Gelet op art 24 van de wet van 15 juni 193 5 op het gebruik der talen in gerechtszaken;

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gegrond.

Dientengevolge, vernietigt het vonnis a quo,

Opnieuw rechtdoende,

Verklaart de oorspronkelijke vordering van geïntimeerde ontvankelijk maar ongegrond,

Veroordeelt geïntimeerde tot de kosten van beide aanleggen, in graad van beroep begroot op … EUR voor appellant en op … EUR voor geïntimeerde.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van de zesde fiscale kamer van het hof van beroep te Brussel, op 27-04-2006

alwaar aanwezig waren en zitting namen :

\- **K. V. H.**, voorzitter,

\- **J. V.**, raadsheer,

\- **B. d. C.**, plaatsvervangend raadsheer,

\- **C. D. N.**, griffier.

**C. D. N.** **B. d. C.** **J. V.** **K. V. H.**

**Rol 98/2255/A**

BVBA **F. V. G.**, … te …, geregistreerd als belastingplichtige onder het nummer BE …, ingeschreven in het handelsregister te Leuven onder nummer …,

**eiseres,**

ter zitting vertegenwoordigd door meester H. V., advocaat, kantoorhoudende te …, …

**tegen :**

**DE BELGISCHE STAAT**, Ministerie van Financiën, Administratie van de B.T.W., Registratie en domeinen, BTW-controle Tienen, in de persoon van de heer hoofdcontroleur, wiens kantoren gevestigd zijn te 3300 Tienen, RAC­ Goossensvest 3,

**verweerder,**

ter zitting vertegenwoordigd door meester **D. B.**, kantoorhoudende te …, ….

---

De Rechtbank spreekt het vonnis uit in deze zaak die ter zitting van 9 november 1999 op tegenspraak werd gepleit en in beraad genomen en waarvan de uitspraak van het vonnis vastgesteld werd op de zitting van 7 december 1999.

De uitspraak van het vonnis werd echter wegens bijzondere omstandigheden verdaagd naar de zitting van heden, 4 januari 2000.

Gelet op de artikelen 2, 9, 34, 36, 37 en 41 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken;

Gehoord partijen bij monde van hun raadsman in hun middelen ter zitting van 9 november 1999, datum waarop de zaak was vastgesteld overeenkomstig artikel 747, § 2 van het gerechtelijk wetboek, bij beschikking van 23 februari 1999;

Gelet op hun conclusies en stukken;

Overwegende dat de eis, regelmatig ingeleid bij geboekt dagvaardingsexploot de dato 24 september 1998 door het ambt van plaatsvervangend gerechtsdeurwaarder **A. I.**, loco gerechtsdeurwaarder **Ch. V.** met standplaats te …, ertoe strekt de Belgische staat te horen veroordelen tot terugbetaling van … frank, meer wettelijke intresten en kosten;

Dat verweerder de afwijzing der eis vraagt;

---

In feite :

Overwegende dat blijkt dat een BTW-controle doorging op 12 oktober 1995 en 12 april 1996, bij eiseres, geregistreerd onder haar BTW-nummer voor de activiteit van groothandel in dranken;

Dat de boekhouding met betrekking tot de beroepswerkzaamheden, tijdens de periode van 1 januari 1993 tot en met 31 december 1995, ter inzage werd gevraagd en uitleg diende verstrekt nopens de wijze van bestellen, afleveren en factureren van goederen door eiseres;

Dat 5 overtredingen werden vastgesteld, namelijk :

1\. Elke bestelling en/of verkoop werd genoteerd in een agenda of er werd een leveringsbonnetje in meervoud opgemaakt, die na facturatie werden vernietigd, terwijl ze volgens de BTW-administratie, dienen bewaard;

2\. Er werden leveringen in consignatie geplaatst zonder consignatiebon;

3\. Voor een deel van de verkopen werden er geen facturen opgemaakt, als voorzien in artikel 1, § 1 KB nummer 1 van 29 december 1992 met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de BTW;

4\. De BVBA ontving grote sommen, gaande tot … frank, voor afname van dranken, zonder uitreiking van een factuur;

Deze goederen waren bestemd voor particulier gebruik, voornamelijk leveringen aan notarissen, advocaten en geneesheren;

Overeenkomstig artikel 1, § 2 , 8° van het KB nummer 1 van 29 december 1992 is de ontheffing om een factuur uit te reiken voor leveringen van goederen verstrekt aan natuurlijke personen, die ze bestemmen voor hun privé-gebruik, niet van toeassing voor de BVBA, daar deze groothandelaar is in wijnen en likeuren;

De zaakvoerder reageert hierop door te stellen dat de BVBA groot- én kleinhandel is, omdat :

a) de BVBA beschikt over een winkelruimte met aanpalend degustatiezaak, voor iedereen toegankelijk, … te …;

b) in het handelsregister en in de statuten van de B.V.B.A. is klein- en groothandel vermeld;

De zaakvoerder kan echter niet aantonen dat de winkel in Tienen vrij toegankelijk is voor particulieren, noch kon hij publiciteit voorleggen, gericht op potentiële particuliere klanten. Wel werden "opendeurdagen" gehouden;

5\. de verkopen, contant betaald, in de winkel, werden geboekt in een kasboek; deze waarvan de verkoopsom via financiële instelling werden overgeschreven, werden geboekt in de respectievelijke financiële journalen;

Zo werden, voor de verkopen aan particulieren voor de periode van 1/93 tot en met 31 december 1995, volgende bedragen geboekt, BTW incluis, die niet werden gefactureerd :

in 1993 in 1994 in 1995

… F BTW … F … F

BTW ; … F … F … F

Totaal aan BTW : … frank;

Uit het voorafgaande blijkt dat de BVBA verschuldigd is aan verweerder, als boeten :

a) overeenkomstig artikel 70, § 4 BTW-WB, wegens niet bewaren van leveringsbons : … frank tot … frank per overtreding;

b) overeenkomstig artikel 70, § 2, wegens niet uitreiken van facturen, het dubbel van de op deze handelingen verschuldigde BTW of … frank x 2 = … frank;

Dat het P.V. van vaststelling aan eiseres aangetekend werd toegezonden op 7 juni 1996;

Dat op 9 oktober 1996, accountant **P.** namens de BVBA, in aansluiting op een mondeling onderhoud, schreef dat ze eventueel akkoord ging met een minnelijke regeling, hetzij 20 % op de eventueel verschuldigde BTW der kas­ en dagontvangsten (waarvan de naam van de klant onbekend is);

Dat ze tevens het nodige deed om haar interne organisatie en administratie aan te passen om in orde te zijn met KB nummer 1 van 29 december 1992;

Dat op 27 mei 1997 verweerder aan de BVBA schriftelijk mededeelde dat de directeur van de BTW Hasselt op 13 mei 1997 besliste :

\- kwijtschelding van de boete opgelopen wegens het niet voorleggen van de leveringsbons,

\- vermindering van de boete, wegens niet uitreiken van facturen, tot 30 % van de BTW, geheven op de kasontvangsten met betrekking tot de jaren '93, '94 en '95, tot … frank (afgerond), op voorwaarde dat de BVBA die schuld voldoet volgens een stipt te volgen afbetalingsplan;

Dat de BVBA die boete, zo herleid, voldeed;

---

In rechte :

I. De BVBA diende niet te factureren aan particulieren, nu ze niet alleen groothandelaar is, zoals verweerder meent, maar ook aan kleinhandel doet :

Dat groot- en kleinhandel, wat betreft de bedrijfsruimte, volledig van elkaar gescheiden zijn;

Dat, wat betreft de groothandel, er een opslagruimte is, wat betreft de kleinhandel, een winkelruimte met aanpalend degustatiezaal, voor iedereen toegankelijk;

Dat er, met andere woorden, twee bedrijfsafdelingen zijn, in de zin van .artikel 11 BTW-W.B. en de BVBA binnen haar onderneming, doch onafhankelijk van elkaar, zowel een groot- als kleinhandel uitbaat, die beide in staat zijn door eigen middelen te functioneren;

Dat de bepaling van artikel 1, § 2, 8° BTW-W.B., waarbij de ontheffing van facturatieplicht niet wordt toegekend aan onder meer grossiersbedrijven, dus niet van toepassing is op de activiteit van eiseres als kleinhandelaar;

Dat ze dan ook correct handelde door, met betrekking tot deze activiteit, niet te factureren aan particulieren;

Dat, met het oog op de beoordeling van het al dan niet bestaan van twee afzonderlijke bedrijfsafdelingen, de administratie in concreto elke bijzondere situatie dient te onderzoeken, haar voorgelegd, rekening houdend met alle omstandigheden, eigen aan de zaak;

Overwegende dat verweerder erkent dat een afwijking werd toegestaan op de wettelijke facturatieplicht van een grossiersbedrijf, in zover de onderneming uit twee afdelingen bestaan, in de zin van artikel 11 BTW-WB en de ondernemer binnen zijn onderneming, doch onafhankelijk van elkaar, zowel een "groothandel" als "kleinhandel" uitbaat die, van technisch oogpunt, beiden in staat zijn door eigen middelen te functioneren (cfr. Parl. Vraag nummer 232 de dato 8 april 1997 door Senator Vandenberghe, BTW-revue nummer 133, 1998, blz. 25 e.v.);

Dat het dan nog leveringen van goederen aan natuurlijke personen voor privégebruik moet betreffen, gebeurd in de kleinhandelsafdeling;

Dat volgens verweerder, eiseres dit alles dient aan te tonen, en niet bewijst;

Dat verweerder er ook op wijst dat eiseres de herleide boete betaalde en schreef haar administratie aan te zullen passen, ten einde zich in orde te stellen met KB nummer 1 van 29 december 1992; dat zulks betekent dat eiseres zich bewust was van haar fouten en ze wilde herstellen;

Overwegende dat eiseres tegenwerpt dat ze in verwarring was gebracht nopens haar BTW-verplichtingen, na de controle, en daarom meende verkeerd te hebben gehandeld, terwijl echter het standpunt van de verbalisanten in het PV niet overeenkomt met het standpunt, ingenomen door de Minister van Financiën (cfr. zijn antwoord op de parlementaire vraag van 8 april 1997);

Dat eiseres nog stelt dat ze alle voorwaarden wel degelijk bewijst, nodig om te genieten van ontheffing van de wettelijke facturatieplicht, namelijk :

1) dat ze een onafhankelijke afdeling kleinhandel heeft;

2) dat zij, in die kleinhandel, leverde aan natuurlijke personen, voor privégebruik;

Dat erop dient gewezen dat de BTW-ambtenaren, die eiseres controleerden, zelf in het PV op p. 2, noteerden dat het ging om "verkopen particulieren", niet gefactureerd;

Dat het om verkopen in de winkel- dit wil zeggen kleinhandel- ging, onder meer contant betaald en geboekt in een kasboek, of betaald via financiële instelling, geboekt in de respectievelijke financiële journalen;

Dat verkopen aan particulieren in principe steeds voor privégebruik zijn;

Dat eiseres het voorbeeld geeft van verkopen aan advocaten, notarissen, geneesheren, voor de eigen wijnkelder;

---

Overwegende dat verweerder, wat betreft de eerste voorwaarde, blijft ontkennen dat eiseres over een afdeling kleinhandel beschikt, naast de afdeling groothandel, en onafhankelijk ervan;

Dat eiseres, aan de hand van een grondplan van haar bedrijf, van een folder en foto's, aantoont dat er inderdaad een aparte winkel, degustatiezaal, magazijnen en bureau' s voorhanden zijn, naast een keuken, in het bedrijf;

Dat de winkel vooraan gelegen is en van op de parking rechtstreeks wordt betreden;

Dat deze winkel als dusdanig is ingericht, met uitstalraam met reclame, tentoonstelling van de wijnen en likeuren en kassa op de winkeltoog, om af te rekenen;

Dat de degustatiezaal is ingericht als een taverne of herberg, en vanuit de winkel betreden wordt;

Dat, in tegenstelling met wat in het PV van vaststelling van 7 juni 1996 staat, de winkel wél vrij toegankelijk lijkt voor particulieren;

Dat er jaarlijks "Opendeurdagen" doorgaan;

Dat verweerder er echter op wijst dat ook comptabiliteitsstukken zouden dienen te worden bijgebracht, waaruit blijkt dat er twee aparte bedrijfsafdelingen bestaan, in de BVBA;

Dat bijvoorbeeld door facturatie van goederen, komend uit de groothandel, en bestemd voor de kleinhandel, zou dienen te bestaan, twee aparte prijslijsten enz ......, waaruit zou blijken dat de twee bedrijfsafdelingen afzonderlijk werken;

Dat eiseres dergelijke stukken niet voorlegt, terwijl ze nochtans kennis bad van de aanvullende conclusie van verweerder de dato 27 augustus 1999;

Dat hieruit dient afgeleid dat ze niet daarover beschikt, met andere woorden dat verweerder het bij het rechte eind heeft en de twee bedrijfsafdelingen niet onafhankelijk van elkaar werken, doch 1 bedrijf vormen;

Dat eiseres dan ook niet van de ontheffing kan genieten en diende te factureren, ook wat betreft de verkopen in haar afdeling kleinhandel, aan particulieren, voor privédoeleinden;

Overwegende dat eiseres nog voorhoudt dat er een schending bestaat van het gelijkheidsbeginsel, omdat een handelaar met twee activiteiten, groothandel en kleinhandel, in zijn activiteit van kleinhandel niet anders dient behandeld dan een handelaar die alleen aan kleinhandel doet;

Dat dit een onterechte discriminatie vormt;

Dat eiseres verwijst naar de rechtsspraak van het Arbitragehof en meent dat het verschil in behandeling een schending uitmaakt van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet;

Dat ze een prejudiciële vraag wenst te zien stellen, in verband met de schending van deze twee artikelen van de Grondwet;

Overwegende dat ze echter van een verkeerd uitgangspunt vertrekt in haar redenering, namelijk dat de BVBA twee activiteiten zou hebben van groot- en kleinhandel, beide apart, terwijl ze het tweede niet aantoont;

Dat om die reden de hele verdere redenering niet opgaat;

---

## II. Vertrouwensbeginsel

Overwegende dat eiseres vervolgens stelt reeds vaak controle te hebben gehad, voorheen, van de BTW-administratie, waarbij deze nooit een opmerking maakte over de werkwijze van de BVBA;

Dat eiseres dan ook gerechtigd was erop te vertrouwen dat haar handelswijze van niet-factureren aan particulieren, correct was;

Dat de rechtbank er begrip voor heeft dat eiseres zich kon vergissen, temeer de BTW-materie kompleks is en wisselend in de tijd, wat voor de rechtsonderhorige en belastingplichtige de zaak erg bemoeilijkt, zelfs met deskundige hulp van een accountant;

Dat verweerder hierop echter reageert door te verwijzen naar het feit dat de wet slechts slechts 1 januari 1993 voorziet dat alle leveringen van grossiersbedrijven dienen gefactureerd;

Dat de controle, aanleidinggevend tot oplegging van de boetes terzake, de eerste nà die wetswijziging was en precies de periode van 1 januari 1993 tot en met 31 december 1995 betrof; dat de BTW-administratie dus niets gedoogde;

Dat het gedrag van de BTW-administratie voor de controles van oktober 1995 en april 1996, derhalve logischerwijze anders was dan na 1 januari 1993; dat ze toen geen opmerking hierover diende te maken;

Dat echter, om het recht op rechtszekerheid van de belastingplichtige te kunnen inroepen, dit het verstrijken van een zekere tijd en het ondergaan van een aantal controles vergt, waarbij de BTW een onwettige praktijk van de belastingplichtige gedoogde en er dan plots, retroactief, op wou terugkomen;

Dat dit hier het geval niet is, zodat dit tweede argument evenmin opgaat;

---

## III. Boete overeenkomstig artikel 70, § 1 BTW-WB is een straf

Overwegende dat, volgens eiseres, de fiscale boete terzake geen vergoedend karakter heeft, doch een straf uitmaakt;

Dat ze wordt opgelegd zodra het materiële feit van de inbreuk op de BTW-wetgeving vaststaat, terwijl met de goede trouw van de overtreder geen rekening dient gehouden, volgens de administratie;

Dat deze ook meent dat de administratieve boete wél een vergoedend karakter heeft, en geen strafsanctie vormt;

Overwegende dat volgens een vaststaande rechtsspraak en rechtsleer administratieve boeten een straf zijn, in de zin van artikel 6 E.V.R.M. (cfr. Luik, 10.9. '86, F.J.F:, n ° 86/188; Rb Antwerpen, 17/11/1987, F.J.F. n° 88/86; Rb. Leuven, 31.10.1988, F.J.F. n° 89/67, Rb. Luik, 8.12.1988, BTW-Revue, 1989, 282; Rb. Leuven, 11.12.89, F.J.F. n° 91/189; Corr. Rb. Oudenaarde, 18.6.1992, F.J.F. n° 93/103; énz. …);

Dat het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, in een arrest de dato 24 februari 1994 benadrukte dat administratieve straffen, zoals belastingverhogingen, niet strekken tot geldelijk herstel van een schade, maar vooral een preventief en repressief doel hebben (cfr. E.V.R.M. 24/2/1994, F.J.F. n° 94/104; commentaar van Alen A., Administratieve geldboeten : hun internationaal- en internrechtelijke kwalificatie, in Liber Amicorum Prof. Dr. G. Baetens, Deurne, Kluwer 1997, p. 369-421);

Dat het Arbitragehof erkende dat een boete strafrechterlijk kan zijn in de zin van artikel 6 E.V.R.M., zelfs al wordt ze in de Belgische wetgeving niet zo beschouwd;

Dat ook, naar intern Belgisch recht, blijkt dat de administratieve boeten op geen enkele wijze een vergoedend karakter hebben, nu ze forfaitair zijn, met andere woorden niet variërend volgens de door verweerder geleden schade, de kosten niet vergoeden, gemaakt om overtredingen op te sporen, noch het geldelijk nadeel compenseren dat de staat heeft, namelijk de intrest die hij had kunnen bekomen op de niet betaalde rechten;

Dat immers dit nadeel wordt gerecupereerd door vordering van nalatigheidsintrest;

Dat Schreuder E. dan ook terecht stelt : "Le but de l'amende est de punir et non d' encaisser" (cfr. Schreuder E., Les impôts sur les revenus, Brussel, 1957, p. 4);

Dat zulks als gevolg heeft dat, bij het opleggen van de boete, rekening dient gehouden te worden met de schuld van de belastingplichtige;

Dat er immers 4 constitutieve elementen van een misdrijf te onderscheiden zijn, namelijk :

1) materieel element,

2) wederrechtelijkheid,

3) schuldelement : de schuld van de dader kan onder de vorm van opzet of onachtzaamheid bestaan,

4) stafwaardigheid;

Dat de stelling van de administratie, dat geen rekening dient gehouden met de schuld of goede trouw van de belastingplichtige en de boeten verschuldigd zijn zodra het materieel feit van de inbreuk op de BTW-wetgeving vaststaat, derhalve verkeerd is;

Dat de boetes opgelegd door artikel 70 BTW-WB strijdig zijn met artikel 144 Grondwet (nieuw), met andere woorden, ongrondwettelijk, omdat ze niet zijn opgelegd door een Rechtbank;

Dat ze dan zouden dienen nietig verklaard, minstens door de Rechtbank herleid tot een passend bedrag, wat eiseres in ondergeschikte orde vraagt;

Dat immers de Rechtbank de opportuniteit van de boete mag onderzoeken, gelet op artikel 6 E.V.R.M. en artikel 14 Verdrag inzake burgerlijke en politieke rechten;

Dat alzo wel rekening kan worden gehouden met de goede trouw van de belastingplichtige, hetgeen in een aanzienlijk gedeelte der Belgische rechtsspraak wordt aanvaard;

Dat het Arbitragehof bij arrest nummer 22/99 van 24 februari 1999 besliste dat, in zover het in die zin wordt geïnterpreteerd dat het de rechter, bij wie een verzet tegen een dwangbevel aanhangig is, niet toestaat op de beslissing een fiscale geldboete op te leggen, een controle met volle rechtsmacht uit te oefenen, artikel 70 van het BTW-WB de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt, met andere woorden het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel;

Overwegende dat eiseres de Rechtbank vraagt een prejudiciële vraag te stellen aan het Arbitragehof, in verband met de strijdigheid van artikel 70 BTW-WB met artikelen 10 en 11 van de Grondwet;

Dat echter het Arbitrageof reeds uitspraak deed op een vraag met zelfde onderwerp bij arrest van 24 februari 1999, voormeld;

Dat deze Rechtbank dan ook niet verplicht is die prejudiciële vraag te stellen, doch de stelling van het Arbitragehof wel dient over te nemen, met betrekking tot de reeds gestelde prejudiciële vraag;

Dat, nu het Arbitragehof besliste dat artikel 70 BTW-WB een grondwetsschending inhoudt, deze Rechtbank die wetsbepaling buiten toepassing dient te verklaren;

Dat er alzo geen grond meer bestaat voor oplegging van de litigieuze boete, die derhalve terzake niet diende opgelegd;

Dat de Rechtbank de eis dan ook dient in te willigen;

### Beschikkend gedeelte

**OM DEZE REDENEN,**

**DE RECHTBANK**,

Rechtdoende op tegenspraak;

Verklaart de eis ontvankelijk en gegrond;

Veroordeelt verweerder tot terugbetaling aan eiseres van … frank, meer verwijlintresten aan de wettelijke rentevoet van de dagvaarding, 24 september 1998 tot heden, gerechtelijke intresten van heden tot effectieve betalingsdatum, en kosten, voor eiseres begroot op … frank dagvaarding en … frank rechtsplegingsvergoeding;

Aldus gedaan en uitgesproken in de openbare terechtzitting van de zevende kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Leuven, op dinsdag, **4 januari tweeduizend**, waar zitting namen :

\- mevrouw **I. D. K.**, alleenzetelend rechter,

\- mevrouw **M. C.**, griffier.

**M. C.** **I. D. K.**

## Aangehaalde teksten

2

[KB nr. 1 art. 1](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-1-artikel-a7a5) 4 voorkomens

[WBTW art. 70](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-70) 1 voorkomen

## Vergelijkbare beslissingen

8

[Proces-verbaal, Willekeur, Motivering, Omzetberekening](https://juriel.be/nl/rechtspraak/proces-verbaal-willekeur-motivering-omzetberekening-rechtbank-leuven-2022-02-18-6859) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Niet-proportionele geldboete, Klantenlisting, Niet- of laattijdige indiening, Opschorting](https://juriel.be/nl/rechtspraak/proportionele-geldboete-klantenlisting-laattijdige-indiening-rechtbank-luik-2021-01-04-83c7) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Gerechtelijk dossier, Fraude, Expertiseverslag, Computergegevens, Recht van verdediging, Omzetcijfer](https://juriel.be/nl/rechtspraak/gerechtelijk-dossier-fraude-expertiseverslag-computergegevens-rechtbank-luik-2020-02-03-dff9) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Verlegging van de heffing, Toepassingsvoorwaarden, Bewijslast](https://juriel.be/nl/rechtspraak/verlegging-heffing-toepassingsvoorwaarden-bewijslast-rechtbank-brussel-2024-12-06-2b65) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Zwarte aankopen, Wettelijke en feitelijke vermoedens, BTW-boete 200%, Fraude](https://juriel.be/nl/rechtspraak/zwarte-aankopen-wettelijke-feitelijke-vermoedens-rechtbank-antwerpen-2024-11-04-48e9) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Verlegging van de heffing, Toepassingsvoorwaarden, Bewijslast](https://juriel.be/nl/rechtspraak/verlegging-heffing-toepassingsvoorwaarden-bewijslast-rechtbank-brussel-2025-06-26-5c59) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Valse facturen, fraude op de Btw-grondslag, factuur](https://juriel.be/nl/rechtspraak/boete-valse-facturen-fraude-btw-rechtbank-2026-06-24-c1a3) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Grossierbedrijf;facturatie;geldboete, groothandel, facturering](https://juriel.be/nl/rechtspraak/grossierbedrijf-facturatie-geldboete-groothandel-hof-van-beroep-antwerpen-2005-02-08-618f) 2 gemeenschappelijke bepalingen
