Strafbepaling, administratieve geldboete, vervolging · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Rechtbank van eerste aanleg Gent 17 december 2013

Zoeken

Strafbepaling, administratieve geldboete, vervolgingBelasting over de toegevoegde waarde

https://juriel.be/nl/rechtspraak/strafbepaling-administratieve-geldboete-vervolging-rechtbank-gent-2013-12-17-992c

Rechtscollege
Rechtbank van eerste aanleg
Zetel
Gent
Datum
17 december 2013

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

165 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Gent d.d. 17.12.2013

Samenvatting niet beschikbaar

Tekst van het vonnis

Tekst van de beslissing

RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG TE GENT, ZESDE FISCALE KAMER – OPENBARE TERECHTZlTTlNG VAN 17 DECEMBER 2012.

Rolnummer 09/3549/A

In de zaak van :

1. V. H. M.-L., wonende te …, …

2. D. T. S., overleden op …

3. D. T. A., wonende te …, …

EISERS OP HOOFDVORDERING, VRIJWILLIGE GEDINGHERVATTENDE PARTIJEN, VERWEERDERS OP TEGENVORDERING,

handelend in hun hoedanigheid van wettige erfgenamen van wijlen dhr. L. D. T., oorspronkelijk eerste eiser en overleden op …,

allen hebbende als raad Mter A. D., advocaat te …, … en waarbij keuze van woonst wordt gedaan;

tegen :

DE BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, wiens burelen gevestigd zijn te 1000 Brussel, Wetstraat 12, in de persoon van de Ontvanger van het BTW-Ontvangkantoor Aalst, met kantoren te 9300 Aalst, Graanmarkt 1

VERWEERDER OP HOOFDVORDERING, EISER IN GEDWONGEN GEDINGHERVATTING,

hebbende als raad Mter J.-P. W., advocaat te …, …

mede in zake :

C. C., wonende te …, …, handelend in haar hoedanigheid van ouder, wettige beheerder over de persoon en de goederen van haar twee minderjarige kinderen D. T. M. en D. T. L., beiden erfgenamen van de tweede eiser in vrijwillige gedinghervatting

VERWEERSTER IN GEDWONGEN GEDINGHERVATTING,

hebbende als raad Mter A. D., advocaat te …, …

Vonnist de rechtbank als volgt :

1. DE RECHTSPLEGING

Na de initiële dagvaarding in verzet, aan verweerder betekend op 16 juni 1978, nam de verweerder op 22 juli 2009 het initiatief tot betekening van een dagvaarding in gedinghervatting, waarna de Rechtbank van Eerste Aanleg te Dendermonde zich bij vonnis van 25 september 2009 onbevoegd verklaarde om van het geschil kennis te nemen en de zaak vervolgens naar deze rechtbank verzond.

Door deze rechtbank en kamer werd vervolgens bij beschikking d.d. 8 november 2010 een conclusiekalender en pleitdatum bepaald op grond van artikel 747, § 2 Ger. Wb. Conform de bedoelde kalender dienden eisers en de verweerster in gedwongen tussenkomst als eerste een conclusie in te dienen op 20 februari 2011.

Door eisers en de verweerster in gedwongen tussenkomst werd vervolgens op 20 januari 2011 een verzoekschrift overeenkomstig artikel 19, § 2 Ger. Wb. ingediend.

De partijen werden hieromtrent gehoord in hun middelen op de openbare terechtzitting van 4 april 2011, waarna de debatten werden gesloten en de zaak in beraad werd genomen.

Bij tussenvonnis van 2 mei 2011 oordeelde deze rechtbank en kamer vervolgens reeds als volgt :

"Legt aan de Belgische Staat het bevel op om uiterlijk binnen de 20 werkdagen na datum van uitspraak van onderhavig vonnis over te gaan tot de afgifte aan V. H. M.-L., D. T. A. en C. C. van een afschrift het volledige en behoorlijk geïnventariseerde administratieve dossier, met dien verstande dat de afgifte aan voornoemde partijen samen dient te worden verricht door het bedoelde dossier over te maken aan hun raadsman, bij wie keuze van woonplaats wordt gedaan, op het in het aanhef van dit vonnis vermelde kantooradres en dit onder verbeurte van een dwangsom van 500,00 EUR per dag vertraging.

Beveelt in afwachting van de overlegging van dergelijk afschrift de schorsing van de rechtspleging en staat dienvolgens een verlenging toe van de eerder door deze rechtbank bij beschikking van 8 november 2010 bepaalde conclusietermijnen conform de modaliteiten zoals bepaald in de motieven van dit vonnis.

Verklaart huidig tussenvonnis uitvoerbaar te verklaren bij voorraad, niettegenstaande elk rechtsmiddel, zonder borgstelling en met uitsluiting van kantonnement.

Houdt de beslissing over de kosten ambtshalve aan."

De partijen werden vervolgens opnieuw gehoord in hun middelen en conclusies op de openbare terechtzitting van 12 november 2012 waarna de debatten gesloten werden en de zaak in beraad werd genomen. Het dossier van rechtspleging en de overtuigingsstukken werden ingezien, in het bijzonder het vonnis tot verwijzing van de Rechtbank van eerste aanleg te Dendermonde van 25 september 2009, het tussenvonnis van deze rechtbank en kamer van 2 mei 2011, de conclusies van de partijen en hun stukkenbundels.

2. DE VORDERINGEN

2.1. De hoofdvordering van eisers strekt er in de huidige stand van het geding achtereenvolgens toe :

- te zeggen voor recht dat 2e en 3e eisers ten onrechte in gedingshervatting gedagvaard werden als erfgenamen van wijlen de heer L. D. T.;

- te zeggen voor recht dat het dwangbevel van 30 mei 1978 op naam van de heer L. D. T., betekend door het ambt van gerechtsdeurwaarder V. V. onterecht gevestigd werd en geen enkel rechtsgevolg kan ressorteren;

- de tegenvordering van verweerder als onontvankelijk en ongegrond af te wijzen;

- verweerder te veroordelen tot de kosten van het geding, aan de zijde van eisers begroot op de basisrechtsplegingsvergoeding van 11.000,00 EUR,

Dit alles bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, niettegenstaande elk rechtsmiddel en met uitzondering van het vermogen tot borgstelling of kantonnement.

2.2. De tegenvordering van verweerder strekt er achtereenvolgens toe :

- de hoofdvordering van eisers ontvankelijk doch ongegrond te verklaren;

- te stellen voor recht dat de 2e en 3e eisers terecht in gedinghervatting gedagvaard werden als erfgenamen van de heer L. D. T.;

- akte te nemen van het feit dat de boete verschuldigd op grond van artikel 70, § 2 W.BTW door de administratie niet meer wordt gevorderd en dat rubriek III van het proces-verbaal van 2 februari 1978 bijgevolg komt te vervallen;

- eisers te veroordelen tot betaling van de fiscale schuld, gedetailleerd in het proces-verbaal van 2 februari 1978, ten bedrage van :

als BTW : 37.076,05 EUR

als geldboete krachtens artikel 70, §1 W. BTW : 74.152,09 EUR

als intresten : p.m.

- eisers te veroordelen tot de kosten van het geding, aan de zijde van verweerder te begroten op de rechtsplegingsvergoeding aan het basisbedrag van 5.500,00 EUR;

3. DE RELEVANTE FEITEN EN HET GESCHIL

Op 13 september 1977 begaven 2 ambtenaren, verbonden aan de inspectie BTW, zich naar wijlen de heer L. D. T. (handelaar in minerale oliën) te …, …, voor de uitvoering van een controle.

De overtredingen welke door deze ambtenaren zouden zijn vastgesteld, werden vervat in een proces-verbaal van 2 februari 1978.

Wegens niet-betaling van de daarin aangehaalde bedragen, vaardigde de administratie op 19 mei 1978 een dwangbevel uit dat werd geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 25 mei 1978. Dit dwangbevel werd bij deurwaardersexploot van 30 mei 1978 betekend aan wijlen L. D. T..

Deze tekende vervolgens op 15 juni 1978 voor de Rechtbank van Eerste Aanleg te Dendermonde verzet aan tegen het bedoelde dwangbevel.

Hangende deze procedure, met name op …, overleed L. D. T.. Eerste en derde eiseres betreffen respectievelijk de weduwe en dochter van de heer D. T. M. en L. D T., beiden rechtsgeldig vertegenwoordigd door hun moeder C. C., zijn de kleinkinderen van L. D. T.. Hun vader, S. D. T. (tweede eiser), is op zijn beurt overleden op ….

Ten aanzien van wijlen L. D. T. werd tevens een strafprocedure gevoerd. Betrokkene werd bij vonnis van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Oudenaarde van 27 september 1979 veroordeeld op grond van twaalf fictieve facturen voor levering van superbenzine en gasoil diesel, welke hem op zijn verzoek zouden zijn uitgereikt door R. C..

Dit dossier koppelde deels terug naar een onderzoek van de Administratie der Douane en Accijnzen, wiens bevindingen werden samengevat in een proces­verbaal van 16 mei 1977.

Bij arrest van 28 mei 1980 oordeelde het Hof van Beroep te Gent evenwel dat de strafvordering was komen te vervallen door verjaring.

Namens verweerder werd op 14 september 2000 machtiging tot inzage en afschrift van het strafdossier werd gevraagd aan de Procureur-generaal te Gent. De gevraagde machtiging werd verleend op 6 oktober 2000 en vervolgens nogmaals op 31 januari. 2002.

Op 25 maart 2002 nam verweerder inzage van het dossier en nam hij tevens een afschrift van de relevante stukken hieruit (dixit verweerder).

Bij vonnis van 25 september 2009 verzond de Rechtbank van Eerste Aanleg te Dendermonde het dossier op verzoek van de partijen naar deze rechtbank.

Bij tussenvonnis van 2 mei 2011 beval deze rechtbank en kamer de overlegging van een afschrift van het administratief dossier aan eisers. Het bedoelde afschrift werd op 18 mei 2011 toegezonden aan de raadsman van eisers.

4. BEOORDELING

4.1. Met betrekking tot de ontvankelijkheid

4.1.1. Verweerder voert zelf geen redenen aan die tot de onontvankelijkheid van de hoofdvordering kunnen leiden.

Nu de rechtbank evenmin enige ambtshalve op te werpen gronden van onontvankelijkheid kan aantreffen, moet de hoofdvordering van eisers alvast ontvankelijk worden bevonden.

4.1.2. Wat de tegenvordering van verweerder betreft, beroepen eisers zich op de exceptie obscuri libelli, nu het hen naar eigen zeggen volstrekt onduidelijk zou zijn waarom deze vordering wordt ingesteld. Zo vragen zij zich af of deze vordering inhoudt dat verweerder verzaakt aan het dwangbevel of integendeel impliceert dat men tracht hetzelfde bedrag twee maal te vorderen.

Minstens zou deze tegeneis onontvankelijk zijn door verjaring.

De vordering van verweerder zou immers zijn ontstaan op 20 april 1974, 20 dagen na het kwartaal waarin de laatste factuur uitgereikt zou zijn. De verjaring van dergelijke vordering wordt volgens eisers beheerst door de artikelen 81 en 83 W.BTW, zoals van toepassing voor de wijziging door de wet van 15 maart 1999.

De vordering zou derhalve in principe verjaard zijn op 20 april 1979, met als enige mogelijke relevante daad van stuiting de tegenvordering zelf die pas werd ingesteld bij conclusies van 18 april 2012.

4.1.3. Verweerder meent deze tegenvordering wel degelijk gemotiveerd te hebben, dit aan de hand van de verwijzing naar de artikelen 14 en 809 Ger. Wb.

De conclusie van verweerder staat volgens hem gelijk aan een dagvaarding in rechte en zou om die reden de verjaring van de vordering tot het voldoen van de schuld stuiten. Het schorsend effect van deze procedure zou voortduren tot aan de sluiting van het geding.

Volgens verweerder is er dan ook geen sprake van een verzaking aan het dwangbevel of het twee maal invorderen van hetzelfde bedrag. De vordering zou enkel de stuiting van de verjaring beogen.

Verweerder is het er verder niet mee eens dat de verjaring van deze vordering is ingetreden. De vordering tot voldoening van de BTW zou ten vroegste ontstaan zijn op 20 juli 1972 en de verjaring zou ten vroegste ingetreden zijn op 31 december 1978. Ingevolge een op 11 maart 1978 door wijlen L. D. T. ondertekende afstand van verjaring zou de verjaring evenwel zijn gestuit waardoor deze ten vroegste op 12 maart 1980 kon intreden. Deze verjaring zou dan opnieuw gestuit zijn door de betekening van een dwangbevel op 30 maart 1978. Het per 15 juni 1978·aangetekende verzet heeft dan weer een schorsend effect tot wanneer de rechterlijke beslissing in kracht van gewijsde is getreden, aldus verweerder.

Verweerder benadrukt bij dit alles nog dat de verjaringstermijn voor de vordering tot voldoening van de BTW, interesten en boeten voor 1 januari 1978 6 jaar bedroeg en niet 5 jaar zoals ten onrechte door eisers wordt gesteld.

4.1.4. De verweerder die een tegenvordering instelt, is, in tegenstelling tot de (oorspronkelijke) eiser, niet gehouden om het voorwerp en de korte samenvatting van de middelen te vermelden in zijn conclusie.

Conform de artikelen 702, sub 3°, 813,·1026, sub 3°, 1034ter, sub 4° en 1344bis, sub 4° Ger. Wb. moet de eiser in de geding inleidende akte het voorwerp en de korte samenvatting van de middelen van de hoofdvordering vermelden.

Deze beperking ontbreekt evenwel voor de tegenvordering, bij gebrek aan een uitdrukkelijke wetsbepaling die de verweerder eveneens verplicht om het voorwerp en de oorzaak van zijn tegenvordering in de conclusie aan te geven. Zolang het Gerechtelijk Wetboek niet (explicieter) bepaalt dat artikel 807 Ger. W. ook van toepassing is op de tegenvordering, kan van de verweerder niet worden geëist dat hij zijn uitgebreide of gewijzigde vordering laat steunen op een feit of een handeling in de initiële conclusie aangevoerd.·Bij de formulering van de tegenvordering blijft de verweerder echter wel gehouden om zijn vordering te structureren door rechtsfeiten aan te voeren, doch dit houdt veeleer verband met de aanvoeringslast als bewijsvereiste (cf. S. MOSSELMANS, Art. 14 Ger. W., in X, Gerechtelijk recht. Artikelsgewijze commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer).

De tegenvordering kan dus alvast niet op grond van de exceptie obscuri libelli als onontvankelijk worden afgewezen.

4.1.5. De rechtbank zal zich thans buigen over de vraag of deze tegenvordering als verjaard moet worden beschouwd.

De vordering tot voldoening van de BTW, van de interesten en van de administratieve geldboete, ontstaan voor 1 januari 1978, verjaart door verloop van zes jaar, te rekenen van de dag waarop zij is ontstaan.

De Wet 22 december 1977 (Wet betreffende de budgettaire voorstellen 1977-1978) heeft de verjaringstermijn van de vorderingsprocedure inzake BTW immers van 6 jaar op 5 jaar gebracht, door de wijziging van artikel 81 W.BTW (cf. Rb. Antwerpen 26 september 1986 BTW-Revue 1987, 298 en Rb. Charleroi 20 september 1988 FJF 1989, 123).

Uit de uiteenzetting van beide partijen blijkt dat de vordering in elk geval ontstaan is voor deze datum, zodat deze beheerst werd door de verjaringstermijn van 6 jaar, met dien verstande dat de termijn niet langer mocht lopen dan 31 december 1982.

Deze verjaring wordt gestuit op de wijze en onder de voorwaarden zoals bepaald in artikel 2244 en volgende B.W. Een nieuwe verjaring, die op dezelfde wijze kan worden gestuit, wordt in dat geval verkregen zes jaar na de laatste stuiting van de verjaring, indien geen rechtsgeding hangende is. Afstand van de verlopen tijd der verjaring wordt gelijkgesteld met de bedoelde stuiting (artikel 83 oud W.BTW).

Krachtens artikel 53, § 1, 3° van het W.BTW zijn belastingplichtigen gehouden de verschuldigd geworden belasting te voldoen binnen de termijn van indiening van de BTW-aangifte, hetzij in dit geval uiterlijk de 20e dag van de maand die volgt op het betrokken kalenderkwartaal.

Gezien het feit dat de laatst uitgereikte factuur, vermeld in het proces-verbaal van 2 februari 1978, dateert van 17 januari 1973, diende de kwartaalaangifte uiterlijk op 20 april 1973 (en dus niet 1974, zoals eisers stellen) te worden ingediend, datum welke meteen als aanvang geldt voor de verjaringstermijn van zes jaar.

Deze verjaringstermijn van zes jaar werd evenwel rechtsgeldig gestuit door de op 11 maart 1978 ondertekende afstand van verjaring door wijlen L. D. T. (bewijsstuk nr. 9).

Derhalve is per 11 maart 1978 de verjaringstermijn verlengd met twee jaar, gezien de termijn van de verjaring die vanaf de laatste stuitingsdaad opnieuw begint te lopen pas door de invoering van artikel 66 van de Wet van 8 augustus 1980 op vijf jaar werd gebracht, zoals verweerder zelf bij conclusies onderstreept.

Deze verjaringstermijn werd een volgende maal gestuit door de betekening van het dwangbevel op 30 mei 1978 en vervolgens geschorst door het door wijlen L. D. T. ingestelde verzet voor de Rechtbank van Eerste Aanleg te Dendermonde op 15 juni 1978. Bij gebrek aan enige sinds de aanvang van deze procedure tussengekomen rechterlijke beslissing over de grond van de zaak, is de verjaringstermijn op heden nog steeds geschorst zodat de tegenvordering van verweerder niet door verjaring is komen te vervallen.

4.2. Met betrekking tot de grond van de zaak

- Betreffende de hoedanigheid van derde eiseres en de verweerster in gedwongen tussenkomst als potentieel belastingplichtige

4.2.1. Op 22 juli 2009 werden derde eiseres en de verweerster in gedwongen tussenkomst op verzoek van verweerder in hervatting van geding gedagvaard, doch volgens hen zonder dat daartoe enige rechtsgrond voorhanden was.

Wijlen D. T. L. en eerste eiseres zouden immers gehuwd zijn geweest onder het stelsel van algehele gemeenschap van goederen, in welk geval alle schulden conform artikel 1453, 2e lid B.W. bij overlijden in het gemeenschappelijk vermogen vallen. Artikel 2 van het huwelijkscontract van betrokkenen zou tevens een beding van aanwas bevatten. Bijgevolg zou verweerder zijn·aanspraken enkel ten aanzien van eerste eiseres kunnen doen gelden.

De regels van het erfrecht spelen pas na de toepassing van het huwelijksvermogensrecht, aldus eisers. Dus zelfs al zou er ooit sprake zijn geweest van een aanvaarding, zo stellen eisers, dan was deze in elk geval zonder voorwerp, omdat er niets te aanvaarden viel.

Waar verweerder voor deze aanvaarding verwijst naar besluiten van 30 juni 1998, zouden deze alvast irrelevant zijn voor wat de verweerster in gedwongen tussenkomst betreft, nu hun vader S. D. T. op dat ogenblik nog in leven was.

4.2.2. De erfgenamen zetten de persoon van de erflater voort wat al zijn rechten en verplichtingen betreft.

In besluiten van 30 juni 1998, neergelegd voor de Rechtbank van Eerste Aanleg te Dendermonde, zou de toenmalige raadsman de weduwe en kinderen van wijlen L. D. T. als diens erfgenamen en derhalve geding hervattende partijen hebben aangeduid. Na het overlijden van S. D. T. werd een akte van gedinghervatting ingediend voor de beide minderjarige kinderen, de huidige verweerster in gedwongen tussenkomst.

De huidige stelling van eisers zou hiermee volkomen in tegenspraak zijn.

Bovendien zouden de verhaalsrechten van de schuldeisers, zoals omschreven in de artikelen 1409 en volgende niet gewijzigd kunnen worden. De schuld zou derhalve verhaalbaar zijn op het eigen vermogen van wijlen L. D. T. en op het gemeenschappelijk vermogen. Uit de aangifte van de nalatenschap van 17 mei 1994 leidt verweerder tot slot af dat de erfenis door geen van de wettelijke erfgenamen werd verworpen.

4.2.3. Het huwelijksvermogensstelsel wordt ontbonden in de gevallen door de wet bepaald, namelijk het overlijden van één der echtgenoten, de echtscheiding of de scheiding van tafel en bed, de gerechtelijke scheiding van goederen en de overgang naar een ander huwelijksvermogensstelsel (art. 1427 B.W.).

Indien evenwel in het voordeel van de langstlevende echtgenoot bij huwelijkscontract een verblijvingsbeding werd ingelast, komt het gemeenschappelijk vermogen reeds bij de ontbinding van het huwelijksvermogen in zijn totaliteit aan de langstlevende toe. Echter, in dit geval is nog steeds een vereffening en verdeling noodzakelijk om uit te maken wat nu precies tot het gemeenschappelijk vermogen behoorde en wat eigen was aan de voor overleden echtgenoot.

Het actief en het passief van de onverdeeldheid bestaan uitsluitend uit de goederen en de schulden van het gemeenschappelijk vermogen die voorhanden waren op het ogenblik van de ontbinding. Het gemeenschappelijk vermogen wordt als het ware op de dag van zijn ontbinding bevroren.

Overeenkomstig artikel 1431 B.W. hebben de erfgenamen en de erfopvolgers van de echtgenoten dezelfde rechten en plichten als de echtgenoot die ze vertegenwoordigen.

Het huwelijkscontract van wijlen L. D. T. en eerste eiseres toont aan dat zij gehuwd zijn onder algehele gemeenschap van goederen, tegenwoordig en toekomstig, niets uitgezonderd.

Deze algemene gemeenschap werd gecombineerd met een zogenaamd verblijvingsbeding, waarbij in geval van overlijden de gehele gemeenschap in volle eigendom toekomt aan de overlevende echtgenoot, evenwel onder last om onder meer alle schulden van de gemeenschap te dragen.

Het stelsel van de algehele gemeenschap van goederen belet evenwel niet dat toch sprake zou zijn van een (weliswaar zeer beperkt) eigen vermogen, alsook van eigen schulden, met name deze bepaald in artikel 1407 B.W. In die zin kan een aanvaarding van de nalatenschap wel degelijk zinvol zijn en ook rechtsgevolgen sorteren, zelfs wanneer er een huwelijkscontract voorhanden is dat voorziet in de algehele gemeenschap van goederen en in een verblijvingsbeding.

Voor de schulden die eigen blijven, beschikken de persoonlijke schuldeisers slechts over een beperkt verhaalsrecht. Zij hebben [n beginsel enkel verhaal op de inkomsten en het eigen vermogen van de echtgenoot, hetgeen in het stelsel van algehele gemeenschap zeer gering is (artikel 1409 B.W.).

Omtrent de BTW-schuld werd evenwel reeds terecht geoordeeld dat het gaat om een gemeenschappelijke schuld van de echtgenoten, verhaalbaar op hun gemeenschappelijk vermogen alsook op het eigen vermogen van de BTW­plichtige echtgenoot.

In dit geval ontbreekt evenwel elke aanwijzing van het bestaan van een eigen vermogen van de vooroverleden BTW-plichtige echtgenoot. Dergelijk eigen vermogen is trouwens, gezien het conventioneel huwelijksvermogensstelsel waar de betrokken echtgenoten in dit geval voor opteerden, geenszins voor de hand liggend (cf. BOONE, K., Artikel 1453 B.W, in X, Personen- en familierecht. Artikelsgewijze commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer).

De aangifte van nalatenschap. gevoegd als het stuk nr. 24 van verweerder, toont integendeel aan dat het actief van het eigen vermogen van wijlen L. D. T. uitsluitend bestaat uit diens netto-helft van de ontbonden huwgemeenschap, een actief dat evenwel door de werking van het verblijvingsbeding ten voordele van eerste eiseres thans in volle eigendom exclusief aan betrokkene toebehoort.

Bijgevolg hebben eisers het bij het rechte eind waar zij stellen dat er ten aanzien van derde eiseres en de verweerster in gedwongen tussenkomst geen enkele rechtsgrond voorhanden is om hen als potentieel belastingplichtigen in onderhavig geding te betrekken.

Het feit op zich dat eisers hangende de procedure, initieel opgestart voor de Rechtbank van Eerste Aanleg te Dendermonde, zichzelf allen als erfgenamen omschreven en in deze hoedanigheid verklaarden het geding te willen hervatten, doet hieraan geen afbreuk.

Deze redenering blijkt immers duidelijk te berusten op een verkeerde rechtsopvatting omtrent de verhaalbaarheid van de BTW-schuld, een visie waarvan eisers thans hebben ingezien dat zij niet correct was. Wat in het bijzonder de verweerster in gedwongen tussenkomst betreft, werd voorheen zelfs nooit enig standpunt ingenomen.

Uit het bovenstaande volgt dat derde eiseres en de verweerster in gedwongen tussenkomst in elk geval niet als belastingschuldigen aanzien kunnen worden.

- Betreffende de vermeende schending van de rechten van verdediging

4.2.4. Eisers laten gelden dat de rechten van verdediging vooreerst geschonden zijn door het verloop van de tijd. Dit tijdsverloop zou tot gevolg hebben dat eisers zich niet meer adequaat kunnen verdedigen ten aanzien van de BTW-schuld. boete en interesten.

Op de bladzijden 5 en volgende van hun syntheseconclusie citeren eisers uitvoerig uit allerhande uitspraken van hoven en rechtbanken waarin dit standpunt wordt gevolgd.

De temporele schending van de rechten van verdediging is volgens eisers tweeledig :

- schending wegens de tijd verlopen tussen de vermeende overtredingen in de periode 1972-73 en het opstellen van het proces-verbaal op 2 februari 1978;

- schending wegens de sedert de inbreuken verlopen periode van niet minder dan 40 jaar.

Door zes jaar te wachten met het opstellen van een proces-verbaal zou de verdediging al van in het begin gefnuikt zijn.

Wat het globale tijdsverloop sedert de inbreuken betreft, wordt vooreerst aangehaald dat de oorspronkelijke belastingplichtige intussen overleden is en zijn kennis van de feiten een cruciaal gegeven was.

Het afschrift van het administratief dossier, dat eisers bovendien pas per 18 mei 2011 bereikte. zou maar weinig duidelijkheid hebben verschaft.

4.2.5. Verweerder meent dat van enig stilzitten van zijn kant geen sprake is.

Voor het tussenvonnis van 2 mei 2011 zou verweerder niet minder dan vier besluiten hebben neergelegd. terwijl eisers op hun beurt vijf conclusies neerlegden, waarin zij hun rechten van verdediging ten volle zouden kunnen hebben uitoefenen.

Niets zou eisers belet hebben de procedure te activeren en op fixatie aan te sturen indien zij van mening waren dat het te lang aansleepte.

Het proces-verbaal werd opgesteld binnen de vijf maanden na het. controletoezicht ter plaatse, wat volgens verweerder eveneens tijdig was.

Nu eisers zouden beschikken over alle stukken waarop de taxatie gesteund is, kan volgens verweerder al evenmin sprake zijn van een schending van de rechten van verdediging.

4.2.6. Het proces-verbaal van 2 februari 1978 beschrijft het resultaat van een controle ter plaatse, verricht op 13 september 1977 en werd dus alleszins tijdig op schrift gesteld. De administratie heeft evenmin getalmd met het verzenden van dit proces-verbaal aan de belastingplichtige.

Het feit op zich dat deze controle betrekking had op facturen van de jaren 1972 en 1973 volstaat voor deze rechtbank niet om te besluiten tot een schending van de rechten van verdediging. Het door de oorspronkelijke belastingplichtige aangetekende verzet en de conclusies die bij leven van de heer D. T. werden ingediend tonen alvast aan dat het tijdsverloop voor betrokkene geen handicap was en hij voldoende in staat was om deze facturen te kaderen en hierover verweer te voeren.

Uit het verloop van de procedure voor de Rechtbank van Eerste Aanleg te Dendermonde blijkt tevens dat namens de administratie steeds binnen een redelijke tijdspanne werd geconcludeerd en zij ook bij herhaling het initiatief heeft genomen om een verzoek tot fixatie in te dienen.

Aan de zijde van de belastingplichtige lieten de conclusies wel eens op zich wachten.

Aan de zijde van de belastingplichtige moet daarentegen wel rekening gehouden worden met de concrete omstandigheden van de zaak, die nopen tot enige mildheid en zin voor nuance. Vooral het overlijden van de oorspronkelijke belastingplichtige in november 1993 mag daarbij niet uit het oog worden verloren. Gezien de aard van de discussie (BTW op facturen uitgereikt in het kader van de beroepswerkzaamheden van wijlen L. D. T.) kan niet ernstig worden betwist dat de persoonlijke kennis van de belastingplichtige over deze facturen van cruciaal belang is. Los van de praktische en procedurele beslommeringen die met elk overlijden gepaard gaan, verloren huidige eisers op dat moment in elk geval een belangrijke bron van informatie, nodig om het verweer tegen de administratie te toetsen.

Dit kan op zich mede verklaren waarom de eerste conclusie voor de huidige eisers, na het overlijden van L. D. T. als oorspronkelijke belastingplichtige, pas op 3 juli 1998 werden ingediend.

Frappant is echter wel dat in deze conclusies meteen werd besloten tot een schending van de rechten van verdediging wegens gebrek aan voorlegging van het volledig administratief dossier (cf. o.a. blz. 16 en 18 van deze conclusie). Volgens de rechtbank moet de tijd gespendeerd aan het voorbereiden van een eerste conclusie dan ook vooral aan deze "handicap" worden gekoppeld.

Eisers hebben deze grief sindsdien consequent herhaald. Voor de goede orde merkt de rechtbank op dat het verder uit geen enkel stuk blijkt dat wijlen L. D. T. bij leven een afschrift van het administratief dossier had bekomen.

Wat de facturen zelf betreft, hebben eisers aanvankelijk nog voor een deel voortgebouwd op de argumenten die werden ontwikkeld in de conclusies die nog bij leven van L. D. T., mede op basis van diens persoonlijke kennis, werden opgesteld. Met het verstrijken van de tijd is echter niet alleen de oorspronkelijke belastingplichtige als bron van informatie teloor gegaan, doch ook de raadsman die oorspronkelijk in de jaren '70 en '80 met het dossier belast was, is niet langer professioneel actief en werd om die reden door de huidige raadsman opgevolgd. Het dossier van eisers is dan ook in die zin geëvolueerd dat zij thans enkel nog procedurele grieven aanhalen doch in conclusies niet meer uitwijden over de facturen zelf. Evenmin worden enige stukken dienaangaande bijgebracht. Het bundel van eisers blijkt, in tegenstelling tot dat van verweerder, opvallend dun.

Naar het oordeel van de rechtbank is dit een door de nood ingegeven houding. Pas nadat de administratie daartoe bij tussenvonnis van 2 mei 2011 door deze rechtbank verplicht werd, bekwamen eisers eindelijk een volledig afschrift van het administratief dossier. Hiermee werd gevolg. gegeven aan een verzoek dat al ruim dertien jaar (!) aansleepte. Wat de mededeling van het dossier betreft, heeft de administratie blijk gegeven van een zelden geziene hardnekkigheid. Zelfs het advies van de Commissie voor de toegang tot en het hergebruik van bestuursdocumenten heeft verweerder zonder meer naast zich neergelegd. Klaarblijkelijk kon enkel de dreiging van een dwangsom verweerder op andere gedachten brengen.

De vraag rijst evenwel in welke mate het administratief dossier nog nuttig kan worden aangewend door de nabestaanden van een belastingplichtige om zich te verweren tegen een BTW-schuld, geënt op facturen die nagenoeg 40 jaar oud zijn. De inhoud van de huidige besluiten voor eisers is hiervan het treffende bewijs. Bij gebrek aan enige persoonlijke kennis van de feitelijke grondslag van de belastingschuld, is het voeren van een verweer in dergelijke mate gehypothekeerd dat men daadwerkelijk van een schending van de rechten van verdediging mag spreken.

Van de nabestaanden van de belastingplichtige kan in dergelijke omstandigheden worden aangenomen dat zij hun belangen niet meer adequaat kunnen vrijwaren. Vooreerst is de persoonlijke kennis van de oorspronkelijke belastingplichtige en diens raadsman niet langer beschikbaar. De rechtbank kan niet genoeg benadrukken hoe cruciaal deze informatie in geschillen als deze is. Wat meer is, voor zover aan de zijde van eerste eiseres, als echtgenote van de oorspronkelijke belastingplichtige, al sprake was van enige eigen kennis van de feiten, zal het verloop van de tijd de instandhouding van deze herinneringen geenszins goed hebben gedaan. Het is verder ook eigen aan het verstrijken van de tijd dat documenten verloren gaan. Dit geldt des te meer ten aanzien van eerste eiseres nu zij, veel minder dan de oorspronkelijke belastingplichtige, in staat was uit te maken welke papieren al dan niet relevant waren of konden zijn voor het dossier en dus bijgehouden moesten worden. Het gedurende lange tijd ontbreken van een volledig administratief dossier is daarbij een bijkomend struikelblok, nu deze stukken minstens hadden kunnen dienen om bepaalde kennis "levend" te houden en/of een eigen dossier samen te stellen. Het is onredelijk van eerste eiseres te verlangen dat zij, na dertien jaar onwetendheid over de inhoud van het administratief dossier, zich alsnog volledig in het debat kan inwerken en met kennis van zaken een verweer kan voeren.

De rechtbank gaat evenwel nog een stap verder. Men kan zich immers ook afvragen hoe eerste eiseres in staat kan zijn om thans na de ontvangst van het administratief dossier, uit te maken of dit bundel al dan niet volledig is. De oorspronkelijke belastingplichtige is er immers niet meer om één en ander te verifiëren.

Het lang aanslepen van procedures brengt het onvermijdelijke risico met zich mee dat essentiële stukken teloor gaan. Ook op het niveau van de administratie wordt de zorg voor het bewaren en bijhouden van het papieren dossier noodgedwongen aan individuele personen toevertrouwd, waarbij men zich tal van omstandigheden (personeelswissels, langdurige afwezigheid van de behandelende ambtenaar, verhuis van burelen, ...) kan inbeelden waarbij stukken of, in extreme gevallen, integrale taxatiedossiers verloren gaan. Ook in deze context gezien blijkt het tijdsverloop dus van essentieel belang bij het vrijwaren van de rechten van verdediging.

Het geheel van de bovenstaande omstandigheden in acht genomen, oordeelt de rechtbank dat eerste eiseres op onaanvaardbare wijze in haar rechten van verdediging werd getroffen door het tijdsverloop, evenals het nodeloze talmen van de zijde van de administratie met de mededeling van het (volledig ?) administratief dossier.

Het kan immers niet redelijkerwijze worden betwist, en blijkt anderzijds ook voldoende uit de afwezigheid van enige grieven ten gronde, dat eerste eiseres hierdoor thans niet meer bij machte is zich op een adequate manier en met kennis van zaken te verdedigen.

Nu de overige door eerste eiseres ingeroepen grieven niet tot een ruimer voordeel kunnen leiden, behoeven deze niet nader te worden onderzocht.

De bovenstaande beoordeling van de hoofdvordering brengt tevens met zich mee dat de tegenvordering als ongegrond moet worden afgewezen, nu het inwilligen ervan eveneens een schending van de rechten van verdediging met zich mee zou brengen.

- Voor wat betreft de kosten van het geding

4.2.7. Verweerder dient, als de in het ongelijk gestelde partij, in de kosten te worden verwezen (art. 1017, eerste lid Gerechtelijk Wetboek).

De vordering is in dit geval in geld waardeerbaar en dient gezien het gevorderde bedrag in hoofdsom (dus exclusief de interesten) te worden gesitueerd in de schijf van 100.000,00 EUR tot 250.000,00 EUR, overeenstemmend met een basisrechtsplegingsvergoeding van 5.500,00 EUR (geïndexeerd).

Er worden geen bijzondere redenen aangevoerd die een afwijking van het basisbedrag verantwoorden.

Beschikkend gedeelte

OM DEZE REDENEN,

DE RECHTBANK,

Recht doende op tegenspraak.

Melding makende van het feit dat de bepalingen van artikel 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werden nageleefd.

Alle meeromvattende en strijdige conclusies verwerpend als niet ter zake dienend.

Verklaart de hoofdvordering ontvankelijk en in de hierna bepaalde mate gegrond.

Zegt dienvolgens voor recht dat A. D. T., M. D. T. en L. D. T. niet als belastingplichtigen kunnen worden aangesproken in de hoedanigheid van erfgenamen van wijlen de heer L. D. T..

Zegt tevens voor recht dat het dwangbevel van 30 mei 1978 op naam van de heer L. D. T., betekend door het ambt van gerechtsdeurwaarder V. V., lastens V. H. M.-L. geen enkel rechtsgevolg kan ressorteren wegens schending van de rechten van verdediging.

Verklaart de tegenvordering ontvankelijk, doch wijst deze af als ongegrond.

Veroordeelt verweerder tot de kosten van het geding.

Begroot deze kosten als volgt :

- aan de zijde van eisers en de verweerster in gedwongen tussenkomst : de basisrechtsplegingsvergoeding : 5.500,00 EUR.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting door de zesde fiscale kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Gent, op zeventien december tweeduizend en twaalf, waar aanwezig waren :

mevrouw A. D. C., rechter, voorzitter van deze kamer,

mevrouw G. L., griffier.

G. L. A. D. C.