---
title: "e1f02167 · 12 december 2007 · Strafbepaling, administratieve geldboete · Rechtbank van eerste aanleg te Hasselt"
description: "Strafbepaling, administratieve geldboete, vervolging, geding. Rechtbank van eerste aanleg te Hasselt (België), 12 december 2007. Ref. e1f02167."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak/strafbepaling-administratieve-geldboete-vervolging-geding-rechtbank-hasselt-2007-12-e1f0"
lang: "nl"
---

# Strafbepaling, administratieve geldboete, vervolging, geding, rechten en voorrechten schatkist · Belasting over de toegevoegde waarde

**Rechtscollege**

Rechtbank van eerste aanleg

**Zetel**

Hasselt

**Datum**

12 december 2007

## Over het document

**Verzameling**

Belgische rechtspraak

**Taal van de tekst**

Nederlands

## Tekst

62 paragrafen

### Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Hasselt d.d. 12.12.2007

Samenvatting niet beschikbaar

**Tekst van het vonnis**

### Tekst van de beslissing

**DE BURGERLIJKE RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG, ZITTING HOUDENDE TE HASSELT, ELFDE KAMER B, HEEFT HET VOLGENDE VONNIS UITGESPROKEN :**

IN ZAKE AR nr. **05/97/A**

**R. D. BVBA**, met maatschappelijke zetel te …, …, en met als ondernemingsnummer ….

**eiseres,**

vertegenwoordigd door mr. **H. A.** loco mr. **S. J.**, advocaat te …, ….

**tegen :**

**TWEEDE BTW-ONTVANGKANTOOR HASSELT**, in de persoon van de Ontvanger van het 2 de Ontvangkantoor te Hasselt, met kantoren te 3500 Hasselt, Thonissenlaan 20.

**DE BELGISCHE STAAT, FEDERALE OVERHEIDSDIENST FINANCIËN**, Kabinet van de Minister van Financiën, 1000 Brussel, Wetstraat 12.

**verweerder,**

vertegenwoordigd door mr. **R. F.**, advocaat te …, ….

**VOLGT HET VONNIS :**

Gelet op :

\- Het verzoekschrift op tegenspraak, neergelegd ter griffie van deze rechtbank op 04.01.2005;

\- de conclusies en stukken van verweerder;

\- de conclusie van eiseres.

---

## I. FEITEN EN VOORGAANDEN

Eiseres is ingevolge de door haar uitgeoefende activiteit van exploitant van recreatie­ en lunaparken geregistreerd als BTW-belastingplichtige (BTW-nummer …) en zodoende onderworpen aan de BTW-wetgeving en aan de ter uitvoering daarvan genomen besluiten.

Op 11.05.2004 en 06.07.2004 heeft de heer **S. W.**, e.a. inspecteur bij de Administratie van de BTW, registratie en domeinen, ter beschikking gesteld van de AOIF en verbonden aan het controlecentrum Hasselt-Beringen, ter plaatse op de maatschappelijke zetel van eiseres een BTW-controle doorgevoerd over de periode van 01.01.2001 tot 30.09.2003.

Bij nazicht van de voorgelegde stukken uit de boekhouding van de belastingplichtige en van de verstrekte inlichtingen stelde de controleambtenaar onder meer vast dat er een aantal onregelmatigheden werden begaan inzake de toepassing van de BTW­wetgeving.

De controleverrichtingen en hun resultaten werden vastgelegd in een proces-verbaal van 07.12.2004 waarin gesteld werd dat eiseres de hierna volgende bedragen verschuldigd is :

\- 37.301,58 euro aan BTW;

\- 3.730,00 euro aan proportionele geldboete in toepassing van art. 70, § 1bis W.BTW bepaald op 200 % wegens onrechtmatige aftrek en verminderd en afgerond overeenkomstig het KB nr. 41 van 30.01.1987 (tabel H en art. 4, § 1);

\- 500,00 euro aan niet-proportionele geldboete in toepassing van art. 70, § 4, eerste lid W.BTW en vastgesteld overeenkomstig de bijlage XVI van het KB nr. 44 van 21.10.1993 en bijlage VIII van de [circulaire AFZ nr. 19/2002 van 11.09.2002](https://juriel.be/nl/omzendbrieven/19-2002-afz-amende-fiscale-proportionele-boete-784c);

\- wettelijke intresten aan 0,8 % per maand vanaf 21.10.2003 over de som van 37.300,00 euro overeenkomstig art. 91, § 1 W.BTW

(zie stuk 1, bundel overtuigingsstukken verweerder).

Op 13.12.2004 werd er tegen eiseres een dwangbevel uitgevaardigd, gesteund op het proces-verbaal van 07.12.2004. Het dwangbevel werd op 15.12.2004 geviseerd en uitvoerbaar verklaard door de gewestelijke directeur a.i. van de Administratie van de BTW, registratie en domeinen te Hasselt (zie stuk 2, bundel overtuigingsstukken verweerder).

Dit dwangbevel werd, samen met het proces-verbaal van 07.12.2004, bij exploot van gerechtsdeurwaarder **F. M.**, plaatsvervanger van gerechtsdeurwaarder **D. V.** te Hasselt op 27.12.2004 betekend aan eiseres (zie stuk 3, bundel overtuigingsstukken verweerder).

In dit dwangbevel werden de hoger vermelde bedragen gevorderd alsook de wettelijke intresten over de verschuldigde geldboete vanaf de betekening van het exploot, alsmede de vervolgingskosten.

Bij verzoekschrift op tegenspraak neergelegd ter griffie van deze rechtbank op 04.01.2005, werd door eiseres verzet aangetekend tegen het dwangbevel van 13.12.2004.

## Il. BEOORDELING

### 1. Ontvankelijkheid

Er worden door verweerder geen middelen van niet-ontvankelijkheid opgeworpen en de rechtbank bemerkt geen ambtshalve op te werpen excepties met betrekking tot haar bevoegdheid en de ontvankelijkheid van de vordering.

De vordering is dan ook ontvankelijk.

### 2. Ten gronde

#### 2.1. Aangaande de verjaring

Eiseres heeft in haar BTW-aangifte over het 4e kwartaal 1998 - volgens verweerder - ten onrechte de BTW geheven over de inrichtingswerken in aftrek gebracht. Deze aangifte werd ingediend in de maand januari 1999. De oorzaak van de opeisbaarheid van de BTW, zijnde de onrechtmatige aftrek, heeft zich derhalve ook in januari 1999 voorgedaan.

Eiseres houdt voor dat de vordering van de fiscus verjaard is op grond van art. 81 W.BTW.

Krachtens art. 81 W.BTW begint de vordering tot voldoening van de belasting, van de intresten en van de administratieve geldboete te verjaren vanaf de dag waarop deze vordering is ontstaan.

Overeenkomstig art. 81bis, § 1, eerste lid W.BTW is er verjaring voor de vordering tot voldoening van de belasting, van de intresten en van de administratieve geldboeten, na het verstrijken van het derde kalenderjaar volgend op dat waarin de oorzaak van de opeisbaarheid van die belasting, intresten en administratieve geldboeten zich heeft voorgedaan.

Vermits de oorzaak van opeisbaarheid zich heeft voorgedaan in januari 1999 zou de verjaring overeenkomstig art. 81bis, § 1, eerste lid W.BTW intreden op 31.12.2002, behoudens in geval van stuiting of schorsing van de verjaringstermijn. Art. 83, § 1 W.BTW bepaalt dat zowel ten aanzien van de voldoening als ten aanzien van de teruggaaf van de belasting, de intresten en de administratieve geldboeten, de verjaring wordt gestuit op de wijze en onder de voorwaarden bepaald bij de artikelen 2244 en volgende van het Burgerlijk Wetboek.

Derhalve dient onderzocht te worden of er een rechtsgeldige stuiting was van de verjaring overeenkomstig de bepalingen van de artikelen 2244, e.v. van het Burgerlijke Wetboek binnen de drie jaar te rekenen vanaf de dag waarop de vordering is ontstaan.

De administratie beroept zich op een verjaringsstuitende schulderkenning overeenkomstig art. 2248 BW. Eiseres heeft in haar boekhouding in de rubriek “te betalen BTW” op de passiefzijde het bedrag opgenomen dat overeenstemt met de volgens verweerder ten onrechte in aftrek gebrachte BTW over de inrichtingswerken. Verweerder stelt dat de uitdrukking van de BTW-schuld in de balans en de goedkeuring van de jaarrekening door de zaakvoerder en de algemene vergadering, een uitdrukkelijke schriftelijke erkenning van de BTW-schuld.

De rechtbank stelt vast dat overeenkomstig art. 1330 BW boeken van kooplieden bewijs opleveren tegen hen. De BTW-schuld werd uitdrukkelijk opgenomen in de balans als "te betalen BTW" en werd niet geboekt als een voorziening.

De vermeldingen in de balans en in de jaarrekening van eiseres kunnen in casu beschouwd worden als een valabele (overeenkomstig art. 2248 BW) verjaringsstuitende schulderkenning vanwege eiseres.

Rekening houdend met het voorgaande is de rechtbank dan ook van oordeel dat de vordering van verweerder niet verjaard is.

#### 2.2. Heropening der debatten

Bij besluiten neergelegd ter griffie op 27.10.2006 stelt eiseres dat zij zich het recht wenst voor te behouden om, na uitspraak omtrent de verjaringsproblematiek, nader te concluderen omtrent de grond van de zaak.

Op dit verzoek kan worden ingegaan.

---

De voorschriften van de artikelen 2-30 tot 37 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken werden nageleefd.

---

### Beschikkend gedeelte

**OM DEZE REDENEN,**

**De rechtbank,** rechtdoende op **tegenspraak**,

Verklaart de vordering van eiseres ontvankelijk.

Zegt voor recht dat de BTW-vordering van verweerder niet verjaard is.

Alvorens verder te oordelen ten gronde, beveelt bij toepassing van art. 774 Ger.W. **een heropening der debatten** teneinde partijen toe te laten te concluderen, op de zitting van **woensdag 11.06.2008 te 14:00 uur, zaal 1, 11****de** **kamer B, gerechtshof, Thonissenlaan 75 te 3500 Hasselt**.

Houdt de uitspraak met betrekking tot de kosten aan.

Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare zitting van de **elfde kamer B** op het gerechtshof te Hasselt op **12.12.2007**, alwaar aanwezig waren :

Mevrouw **M. C.**, enige rechter,

De heer **L. P.**, e.a. adjunct-griffier.

## L. P. M. C
