---
title: "25 oktober 2006 · Strafbepaling, administratieve geldboete · Rechtbank van eerste aanleg te Hasselt"
description: "Strafbepaling, administratieve geldboete, vervolging, geding. Rechtbank van eerste aanleg te Hasselt (België), 25 oktober 2006."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak/strafbepaling-administratieve-geldboete-vervolging-geding-rechtbank-hasselt-2006-10-25-bfa0"
lang: "nl"
---

# Strafbepaling, administratieve geldboete, vervolging, geding, rechten en voorrechten schatkist · Belasting over de toegevoegde waarde

**Rechtscollege**

Rechtbank van eerste aanleg

**Zetel**

Hasselt

**Datum**

25 oktober 2006

## Over het document

**Verzameling**

Belgische rechtspraak

**Taal van de tekst**

Nederlands

## Tekst

96 paragrafen

### Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Hasselt d.d. 25.10.2006

Samenvatting niet beschikbaar

**Tekst van het vonnis**

### Tekst van de beslissing

**DE BURGERLIJKE RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG, ZITTING HOUDENDE TE HASSELT, ELFDE KAMER, HEEFT HET VOLGENDE VONNIS UITGESPROKEN :**

**INZAKE A.R. nr. 05/1542/A**

**H. W.**, architect, wonende te …, ….

**eiser,**

in persoon verschijnend, bijgestaan door Mr. **A. L.**, advocaat te …, …, ….

**tegen :**

**ADMINISTRATIE VAN DE ONDERNEMINGS-EN INKOMENSFISCALITEIT**, in de persoon van de gewestelijk directeur, met burelen gevestigd te 3500 Hasselt, Voorstraat 43.

**DE BELGISCHE STAAT, FEDERALE OVERHEIDSDIENST FINANCIËN**, Kabinet van de Minister van Financiën, 1000 Brussel, Wetstraat 12.

**verweerder,**

vertegenwoordigd door Mr. **D.** loco Mr. **R.**, advocaat te …, ….

**EN INZAKE A.R. nr. 05/2054/A**

**H. W.**, architect, wonende te …, ….

**eiser,**

in persoon verschijnend, bijgestaan door Mr. **A. L.**, advocaat te …, …, ….

**tegen :**

**ADMINISTRATIE VAN DE ONDERNEMINGS-EN INKOMENSFISCALITEIT**, in de persoon van de gewestelijk directeur, met burelen gevestigd te 3500 Hasselt, Voorstraat 43.

**DE BELGISCHE STAAT, FEDERALE OVERHEIDSDIENST FINANCIËN**, Kabinet van de Minister van Financiën, 1000 Brussel, Wetstraat 12.

**verweerder**, vertegenwoordigd door Mr. **D.** loco Mr. **R.**, advocaat te …, ….

Gelet op :

**VOLGT HET VONNIS :**

\- Het verzoekschrift op tegenspraak neergelegd ter griffie van deze rechtbank op 19.7.2005, waarbij eiser fiscaal verhaal aantekent tegen de administratieve beslissing van 19.4.2005 van de waarnemend gewestelijk directeur van de Administratie van de Ondernemings- en Inkomstenfiscaliteit Directie BTW te Hasselt, waarbij het verzoekschrift van eiser tot kwijtschelding van de boete en intresten opgelegd naar aanleiding van de BTW-controle van 22.12.1993, invordering met RCIV-nr. …, wordt afgewezen en het verzoekschrift op tegenspraak neergelegd ter griffie van deze rechtbank op 28.9.2005 waarbij eiser fiscaal verhaal aantekent tegen de administratieve beslissing van 9.9.2005 van de gewestelijk directeur a.i. van de Administratie van de Ondernemings- en Inkomstenfiscaliteit Directie BTW te Hasselt, waarbij het verzoekschrift van eiser tot omkering van de toerekeningsvolgorde van de betalingen van R.C.I.V. nr. … naar aanleiding van de BTW-controle van 22.12.2003 werd afgewezen;

\- de conclusies en stukken van partijen.

---

## Feiten en voorgaanden in de zaak met AR nr. 05/1542/A en in de zaak met AR nr. 05/2054/A

Eiser was ingevolge de door hem uitgeoefende activiteit van architect geregistreerd als BTW-plichtige (BTW-nr. …) en onderworpen aan de BTW-wetgeving en de ter uitvoerig daarvan genomen besluiten.

Naar aanleiding van een BTW-controle op 22.12.1993, die betrekking had op de periode tussen 1 januari 1989 en 31 december 1992, ondertekende eiser op 4.3.1994 een correctieopgave waarin hij verklaarde de som van … BEF (… €) schuldig te zijn aan BTW, te verhogen met wettelijke intresten en boete. Verweerder zet uiteen dat nog andere correctieopgaves voor akkoord door eiser ondertekend werden.

Wat de oorsprong van deze BTW-schuld betreft, zet eiser uiteen dat zij hun grondslag vinden in het feit dat hij opdrachten uitvoerde als architect voor het **S.-F.** te …, waarvan de erelonen die hem toekwamen lange tijd niet betaald werden ingevolge een geschil met het **S.-F.** daarover. Evenwel maakt de vraag of de BTW op die erelonen al dan niet verschuldigd was, geen voorwerp meer uit van een betwisting tussen partijen hierover, gezien voormelde correctieopgaves waarmee eiser zich akkoord verklaard heeft.

Eiser zet bovendien uiteen dat hij geschillen heeft met de belastingadministratie, wat de directe belastingen betreft, over de omvang van zijn fiscale schulden, zodat hij nog geen kennis heeft over de uiteindelijke omvang van die schulden.

Dat geschil inzake directe belastingen maakt echter op zich geen voorwerp uit van de huidige betwisting.

Eiser zet uiteen dat hij zich ten gevolge van die betwistingen en die met het **S.-F.**, in financiële moeilijkheden bevindt.

Tot slot zet eiser uiteen dat hij maandelijkse aflossingen doet van … € op de schulden inzake BTW, die echter door verweerder niet toegerekend worden op het kapitaal van de uitstaande BTW-schuld.

Eiser diende op 9.3.1994 een verzoekschrift in bij verweerder tot kwijtschelding van de administratieve boete en vrijstelling van de intresten, dat bij administratieve beslissing van 19.5.1994 werd verworpen.

Op 30.11.1994 werd er tegen eiser een dwangbevel uitgevaardigd gesteund op de voormelde door eiser ondertekende correctieopgave, waarin de volgende bedragen gevorderd werden :

\- … BEF (… €) aan BTW;

\- … BEF (… €) aan wettelijke proportionele geldboete op grond van artikel 70, § 1 en 70, § 1bis W.BTW, verminderd overeenkomstig K.B. nr. 41 van 30.1.1987;

\- de wettelijke intresten, de moratoire intresten en de vervolgingskosten.

Het dwangbevel werd geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 2.12.1994.

Het dwangbevel werd op 5 december 1994 ter kennis gebracht van eiser.

Het werd op 27.9.2004 bij deurwaardersexploot betekend aan eiser.

Op 19.1.2005 diende eiser nogmaals een verzoekschrift in tot kwijtschelding van de administratieve boete en vrijstelling van intresten dat bij administratieve beslissing van 19.4.2005, hoger vermeld, werd verworpen.

Bij verzoekschrift in de zaak 05/1542/A neergelegd ter griffie van de rechtbank op 19.7.2005 tegen deze administratieve beslissing van 19.4.2005, maakte eiser het geding in de zaak 05/1542/A aanhangig.

Bij verzoekschriften van 16.8.2005 en 18.7.2005 heeft eiser verweerder tot slot verzocht om in toepassing van [artikel 19, lid 1 K.B. nr. 24](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-24-december-betrekking-voldoening-belasting-toegevoegde-9d45#ar24-art19) BTW de toerekeningsvolgorde van de door eiser reeds aan verweerder gedane betalingen in uitvoering van voormelde correctieopgave te doen wijzigen, in de zin dat de betalingen aangerekend zouden worden eerst op de uitstaande hoofdsom der BTW.

Bij administratieve beslissing van 9.9.2005 heeft verweerder dit aan eiser geweigerd, ingevolge welk feit eiser op 28.9.2005 ter griffie van de rechtbank een verzoekschrift in fiscale zaken neerlegde, dat het geding gekend onder AR. nr. 05/2054/A bij de rechtbank aanhangig maakte.

## Samenvoeging

De twee vorderingen in rechte ter griffie gekend onder A.R. nr. 05/2054/A en AR. nr. 05/1542/A hebben beide, wat de hoofdsom der uitstaande schulden betreft, dezelfde schuld inzake de belasting over de toegevoegde waarde tot voorwerp.

Aangezien het in beide zaken om samenhangende vorderingen gaat, is het ter wille van een goede rechtsbedeling aangewezen om de zaken met A.R. nr. 05/2054/A en AR. nr. 05/1542/A samen te voegen.

## In rechte : beoordeling

## Ontvankelijkheid

Er worden door verweerder geen middelen van niet-ontvankelijkheid opgeworpen en de rechtbank bemerkt geen ambtshalve op te werpen excepties met betrekking tot haar bevoegdheid en de ontvankelijkheid van de vorderingen, zowel wat de vorderingen van eiser in de zaak met A.R. nr. 05/2054/A betreft, als wat de vorderingen van eiser in de zaak met A.R. nr. 05/1542/A betreft.

De vorderingen in beide zaken zijn dan ook ontvankelijk.

## Ten gronde

## In de zaak met A.R. nr. 05/1542/A

## a. Verzoek tot vermindering van de administratieve boete

In het dwangbevel van 30.11.1994, aan eiser ter kennis gebracht op 5.12.1994, vordert verweerder, naast de BTW ten bedrage van … BEF (… €) waarmee eiser zich akkoord verklaarde ingevolge ondertekening van de correctieopgave van 4.3.1994 (stuk 1 van verweerder), de betaling van een administratieve geldboete ... BEF (… €) *"krachtens artikel 70, § 1 en 70, § 1bis van het W.BTW"*, verminderd overeenkomstig K.B. nr. 41.

Verweerder zet uiteen dat deze administratieve geldboete van rechtswege wordt opgelopen, dat zij al verminderd werd ingevolge toepassing van de schaal van K.B. nr. 41, gezien in hoofde van eiser geen kwade trouw werd weerhouden.

Eiser verzoekt om kwijtschelding, minstens vermindering van de door verweerder berekende boete.

De boete zoals voorzien in het dwangbevel van 30.11.1994, is, gezien de omvang, strafrechtelijk van aard (vgl. A.H. 17 maart 1999, B.S. 19 juni 1999; Cass. 5.2.1999, *F.J.F.* nr. 99/92).

Bij het beoordelen van de gegrondheid en de omvang van een dergelijke sanctie, beschikt de rechtbank over een volle rechtsmacht, ondermeer aangaande de evenredigheid tussen de inbreuk en de sanctie (vgl. Cass. 24.1.2002, *F.J.F.* nr. 2002/147; ibidem, nr. 2002/150; ibidem, nr. 2002/92; vgl. A.H. 24 februari 1999, B.S. 30 april 1999; A.H. 17.3.1999, *F.J.F.* nr. 99/181), zonder evenwel om loutere redenen van opportuniteit en tegen wettelijke regels in, de sanctie te kunnen kwijtschelden of verminderen. Evenwel mag niets wat onder de beoordeling van de fiscale administratie valt, aan de controle van de rechtbank ontsnappen (vgl. A.H. 24 februari 1999, B.S. 30 april 1999). Het behoort tot de bevoegdheid van de fiscale administratie boeten te verminderen of kwijt te schelden (art. 141, lid 2 W. Succ., art. 9 Organiek besluit 18 maart 1831 van het bestuur van 's lands middelen, *Bull. Off.* Nr. XXVI).

Het opleggen van een boete, strafrechtelijk van aard, vereist vanwege de overheid die de boete oplegt, een motivering en redengeving op grond waarvan de beboete persoon kan nagaan wat de redenen zijn die aanleiding hebben gegeven tot het opleggen van de administratieve geldboete van strafrechtelijke aard.

In casu moet worden vastgesteld dat verweerder alleen aan eiser het bedrag van de opgelegde boete heeft meegedeeld, doch niet heeft uiteen gezet, welke voor hem de redenen waren die het opleggen van de boete rechtvaardigden.

Het feit dat eiser in de correctieopgave van 4.3.1994 verklaarde zich rekenschap te geven van het feit dat een proportionele geldboete ten bedrage van, in concreto, … BEF (… €) verschuldigd zou kunnen zijn, die in geval van betekening van dwangbevel kon verhoogd worden tot … BEF (… €), volstaat niet als motivering voor de administratieve geldboete van strafrechtelijke aard zoals die in het dwangbevel van 30.11.1994 aan eiser werd opgelegd. Ten overvloede moet worden vastgesteld dat men geen strafrechtelijke administratieve boete kan opleggen aan zichzelf, noch zelf daarvoor de motivering kan verstrekken.

Gezien deze geldboete strafrechtelijk van aard is en maar verschuldigd kan zijn mits oplegging daartoe door verweerder, vereiste het rechtsgeldig opleggen daarvan dat verweerder zelf zijn redenen kenbaar maakte op grond waarvan hij van mening was dat de administratieve geldboete van strafrechtelijke aard verschuldigd was.

Een van verweerder uitgaande motivering, voorafgaand aan het opleggen van de sanctie in het dwangbevel van 30.11.1994, wordt niet voorgelegd.

De boete werd derhalve niet rechtsgeldig opgelegd.

De vordering van eiser op dit punt moet dan ook gegrond verklaard worden.

## b. Het verzoek tot kwijtschelding van de nalatigheidsintresten

Eiser verzoekt de rechtbank over te gaan tot kwijtschelding van lastens hem lopende nalatigheidsintresten op de BTW-schuld zoals die blijkt uit de door hem ondertekende correctieopgaves van 4.3.1994 en van een andere datum, en zoals opgenomen in het aan hem betekend bevel tot betalen bij exploot van gerechtsdeurwaarder **D. V.** van 27.9.2004.

Eiser zet daarbij uiteen dat volgens hem, gelet op de mogelijkheid voor verweerder om in toepassing van artikel 84 en 84bis W.BTW over te gaan tot kwijtschelding van gelopen intresten als bedoeld in artikel 91, § 1 en § 2 W.BTW, de rechtbank, gezien de weigering van verweerder van een vraag daartoe in een aldus door eiser aan verweerder gedaan verzoek, volle rechtsmacht heeft om over een dergelijk verzoek te oordelen.

De rechtbank kan zich daarmee niet akkoord verklaren.

Het BTW-recht, zijnde fiscaal recht, is publiekrechtelijk van aard.

De bevoegdheid voor verweerder te beslissen zoals voorzien door artikel 84 en 84bis W.BTW is geen beslissing van jurisdictionele aard doch behoort tot de vrijwillige rechtspraak. De rechtbank kan de wettigheid van de door verweerder genomen beslissing beoordelen, die in casu op zichzelf niet wordt aangevochten, terwijl geen redenen voorliggen die zouden toelaten de wettigheid van de door verweerder terzake genomen beslissingen af te wijzen.

Er is echter in de wet geen rechtsgrond voorhanden die de rechtbank zou toelaten, louter om redenen van opportuniteit of billijkheid, aan eiser een kwijtschelding van nalatigheidsintresten toe te staan (Antwerpen, 29.11.2005).

Bovendien voert eiser geen rechtsgrond aan die zulke beoordelingsbevoegdheid, wat de concrete omvang van de verschuldigde nalatigheidsintresten betreft, aan de rechtbank zou verlenen.

De rechtspraak waarnaar eiser verwijst (nl. A. H. nr. 22/99, 24.2.1999, B.S. 30.4.1999) heeft betrekking op de beoordelingsbevoegdheid van de fiscale rechter over een sanctie van strafrechtelijke aard, ingevolge art. 6.1. E.V.R.M.

De vordering tot vrijstelling van nalatigheidsintresten door eiser geformuleerd, heeft evenwel betrekking op zijn fiscale schuld opzichtens verweerder, en is derhalve publiekrechtelijk en niet burgerrechtelijk noch strafrechtelijk van aard (vgl. E.H.R.M. Ferrazzini t. Italië, 12.7.2001) zodat voormelde door eiser geciteerde rechtspraak, thans niet ter zake dienend is.

Deze vordering van eiser kan dan ook niet gegrond verklaard worden.

### In de zaak met A.R. nr. 05/2054/A

In deze zaak verzocht eiser, die uiteenzet afbetalingen aan verweerder te doen, doch zich geconfronteerd ziet met toerekening daarvan op, eerstens, de kosten en, vervolgens, de intresten, om wijziging van de toerekeningsvolgorde van de door hem gedane betalingen ingevolge artikel 19, lid 2 K.B. BTW nr. 24.

De bevoegdheid voor verweerder te beslissen zoals voorzien door art. 19, lid 2 K.B. BTW nr. 24 is geen beslissing van jurisdictionele aard doch behoort tot de vrijwillige rechtspraak. De rechtbank kan de wettigheid van de door verweerder genomen beslissing beoordelen, die in casu op zichzelf niet wordt aangevochten, terwijl geen redenen voorliggen die zouden toelaten de wettigheid van de door verweerder terzake genomen beslissingen af te wijzen.

Er is echter in de wet geen rechtsgrond voorhanden die de rechtbank zou toelaten, louter om redenen van opportuniteit of billijkheid, aan eiser een wijziging van de wettelijk voorziene toerekening van betalingen (cfr. art. 1254 B.W.), toe te staan (Antwerpen, 29.11.2005).

Bovendien voert eiser geen rechtsgrond aan die zulke beoordelingsbevoegdheid aan de rechtbank zou verlenen.

De rechtspraak waarnaar eiser verwijst (nl. A. H. nr. 22/99, 24.2.1999, B.S. 30.4.1999) heeft betrekking op de beoordelingsbevoegdheid van de fiscale rechter over een sanctie van strafrechtelijke aard, ingevolge art. 6.1. E.V.R.M.

De vordering tot wijziging van de toerekeningsvolgorde van de door eiser gedane betalingen, door eiser geformuleerd, heeft evenwel betrekking op zijn fiscale schuld opzichtens verweerder, en is derhalve publiekrechtelijk en niet burgerrechtelijk noch strafrechtelijk van aard (vgl. E.H.R.M. Ferrazzini t. Italië, 12.7.2001) zodat voormelde door eiser geciteerde rechtspraak, thans niet ter zake dienend is. Eiser duidt geen redenen aan op grond waarvan zou kunnen worden aangenomen dat een vordering betreffende de wijze van betaling van een BTW-schuld, niet publiekrechtelijk van aard zou zijn.

Deze vordering van eiser kan dan ook niet gegrond verklaard worden.

Veroordeelt elk der partijen tot de helft van de kosten, deze in hun geheel begroot als volgt :

\- in hoofde van eiser op € … rechtsplegingsvergoeding.

\- in hoofde van verweerder op € … rechtsplegingsvergoeding.

Op het ogenblik van de uitspraak van huidig vonnis, waarover mevr. **M. C.**, rechter in de rechtbank van eerste aanleg te Hasselt, mede beraadslaagd heeft overeenkomstig artikel 778 Ger.W., wordt deze magistraat wettig verhinderd zijnde, vervangen door dhr. **J.-M. J.**, rechter in deze rechtbank, hiertoe aangewezen overeenkomstig artikel 779 Ger.W., bij beschikking van de Heer Voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Hasselt.

Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare zitting van de **elfde kamer** op het gerechtshof te Hasselt op **25.10.2006** alwaar aanwezig waren :

De heer **J.-M. J.**, rechter, waarnemend voorzitter;

Mevrouw **C. V.**, rechter,

De Heer **T. B.**, plaatsvervangend rechter, en,

De Heer **Ph. N.**, griffier.

**Ph. N.** **T. B.** **C. V.** **J.-M. J.**

## Aangehaalde teksten

1

[KB nr. 24 art. 19](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-24-december-betrekking-voldoening-belasting-toegevoegde-9d45) 1 voorkomen
