---
title: "18 oktober 2006 · Strafbepaling, administratieve geldboete · Rechtbank van eerste aanleg te Hasselt"
description: "Strafbepaling, administratieve geldboete, vervolging, geding. Rechtbank van eerste aanleg te Hasselt (België), 18 oktober 2006."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak/strafbepaling-administratieve-geldboete-vervolging-geding-rechtbank-hasselt-2006-10-18-a1ee"
lang: "nl"
---

# Strafbepaling, administratieve geldboete, vervolging, geding, rechten en voorrechten schatkist · Belasting over de toegevoegde waarde

**Rechtscollege**

Rechtbank van eerste aanleg

**Zetel**

Hasselt

**Datum**

18 oktober 2006

## Over het document

**Verzameling**

Belgische rechtspraak

**Taal van de tekst**

Nederlands

## Tekst

100 paragrafen

### Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Hasselt d.d. 18.10.2006

Samenvatting niet beschikbaar

**Tekst van het vonnis**

### Tekst van de beslissing

**DE BURGERLIJKE RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG, ZITTING HOUDENDE TE HASSELT, ELFDE KAMER, HEEFT HET VOLGENDE VONNIS UITGESPROKEN :**

**INZAKE A.R. nr. 04/1793/A**

**A. G. S. P.**, (ondernemingsnummer …) met zetel gevestigd te …, ….

**eiseres,**

vertegenwoordigd door Mr. **V.**, advocaat te …, ….

**tegen :**

**ADMINISTRATIE VAN DE BTW, REGISTRATIE EN DOMEINEN**, in de persoon van het hoofd van de Controle BTW Bree, met burelen gevestigd te 3960 Bree, Grauwe Torenwal 2.

**DE BELGISCHE STAAT**, FEDERALE OVERHEIDSDIENST FINANCIËN, Kabinet van de Minister van Financiën, 1000 Brussel, Wetstraat 12.

**verweerder,**

vertegenwoordigd door Mr. **L.** loco Mr. **R.**, advocaat te …, ….

**EN INZAKE A.R. nr. 05/0696.A/**

AGR "**S. P.**", … te ….

**eiseres,**

vertegenwoordigd door Mr. **V.**, advocaat te …, ….

**tegen :**

**ADMINISTRATIE VAN DE BTW, REGISTRATIE EN DOMEINEN**, in de persoon van de e.a. inspecteur van het tweede BTW-ontvangkantoor te Hasselt, Thonissenlaan 20 en de e.a. inspecteur van het BTW-controlekantoor te 3960 Bree, Grauwe Torenwal 2.

**DE BELGISCHE STAAT**, FEDERALE OVERHEIDSDIENST FINANCIËN, Kabinet van de Minister van Financiën, 1000 Brussel, Wetstraat 12.

**verweerder,**

vertegenwoordigd door Mr. **L.** loco Mr. **R.**, advocaat te …, ….

**VOLGT HET VONNIS :**

Gelet op :

\- het exploot van gerechtsdeurwaarder **P. V. E.** te … van 12.07.2004 waarbij gevorderd wordt verweerder te veroordelen tot teruggave van een BTW-tegoed van … euro meer de intresten vanaf de inhouding, minstens vanaf de dagvaarding, in voorkomend geval te vermeerderen met de sommen die in de loop van de procedure ten onrechte worden geïnd of ingehouden op basis van de bestreden vordering (A.R. nr. 04/1793/A) en het verzoekschrift op tegenspraak, neergelegd ter griffie van deze rechtbank op 18.03.2005, inhoudende het verzet tegen het dwangbevel uitgevaardigd door **O. S.**, waarnemend eerstaanwezend inspecteur van het tweede BTW-ontvangkantoor van Hasselt, op 18.10.2004, geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 29.10.2004 door **R. C.**, eerstaanwezend inspecteur van de BTW te Bree aangewezen door de gewestelijke directeur van de Administratie van de BTW, registratie en domeinen te Hasselt (A.R. nr. 05/696/A);

\- de conclusies, aanvullende conclusies en stukken van verweerder en de conclusies van de eiseres.

## FEITEN EN VOORGAANDEN

**A.R. nr. 04/1793/A**

Eiseres, het autonoom gemeentebedrijf "**S. P.**", is geregistreerd als BTW-belastingplichtige (BTW-nummer …) voor de activiteit van projectontwikkeling en handel in onroerende goederen. Ingevolge deze activiteiten is zij onderworpen aan de BTW-wetgeving en aan de ter uitvoering ervan genomen besluiten.

Op 01.06.2004 heeft een e.a. inspecteur bij de FOD Financiën, Administratie van de BTW, registratie en domeinen, verbonden aan het BTW-kantoor te Bree een gedeeltelijke controle doorgevoerd met betrekking tot de toepassing van de BTW-wetgeving en de ter uitvoering ervan getroffen besluiten betreffende de periode 01.03.2004 tot en met 31.03.2004 (1ste kwartaal 2004) (zie stuk 7, overtuigingsstukken verweerder).

De controle behelsde twee contracten van onroerende financieringshuur, te weten :

\- een leasingovereenkomst tussen eiseres als leasinggever en de VZW **D.** als leasingnemer, verleden voor notaris **G. B.** met standplaats te … op 20.06.2002 (zie stuk 11, overtuigingsstukken verweerder);

\- een leasingovereenkomst tussen eiseres als leasinggever en de VZW **G. B.G.J.G. L.**, verleden voor notaris **G. B.** met standplaats te … op 15.10.2002 (zie stuk 12, overtuigingsstukken verweerder).

De controleambtenaar was de mening toegedaan dat de overeenkomsten van onroerende financieringshuur afgesloten tussen enerzijds eiseres en anderzijds de VZW **D.** en de VZW **G. B.G.J.G. L.** niet aangemerkt konden worden als met BTW belaste overeenkomsten van onroerende financieringshuur in de zin van art. 44, § 3, 2° W.BTW. Derhalve werd de BTW met betrekking tot deze verrichtingen ten onrechte in vak 59 van de BTW-aangifte in aftrek gebracht.

Deze controle resulteerde in een correctieopgave van 09.06.2004 waarbij het voorstel werd geformuleerd om over te gaan tot betaling van :

\- de belastingschuld ten bedrage van … euro aan BTW;

\- … euro proportionele geldboete

(zie stuk 1, overtuigingsstukken verweerder).

Bij gemotiveerde brief van 07.06.2004 stelde eiseres dat zij zich niet kon akkoord verklaren met de voorgestelde regularisatie (zie stuk 2, overtuigingsstukken verweerder).

Op 24.06.2004 werd door de wnd. e.a. inspecteur van het Tweede BTW-kantoor te Hasselt, dienst invorderingen sector BTW, een akte van inhouding opgesteld voortvloeiend uit de correctieopgave van 09.06.2004. De inhouding heeft betrekking op een som van … euro in het voordeel van eiseres, die blijkt uit het saldo van de rekening-courant op datum van 30.04.2004, De akte van inhouding werd bij aangetekend schrijven van 24.06.2004 ter kennis gebracht van eiseres (zie stuk 3, overtuigingsstukken verweerder).

Op 25.06.2004 werd door de e.a. inspecteur van de BTW-controle te Bree een verklaring van derde beslagene opgesteld, die bij aangetekend schrijven van 25.06.2004 ter kennis werd gebracht aan eiseres (zie stuk 4, overtuigingsstukken verweerder).

Bij exploot van gerechtsdeurwaarder **P. V. E.** te … van 12.07.2004 vordert eiseres verweerder te veroordelen tot teruggave van het BTW-tegoed van … euro meer de intresten vanaf de inhouding, minstens vanaf de dagvaarding, in voorkomend geval te vermeerderen met de sommen die in de loop van de procedure ten onrechte worden geïnd of ingehouden op basis van de bestreden vordering.

Deze zaak is thans gekend onder AR. nr. 04/1793/A.

**A.R. nr. 05/696/A**

De controlevaststellingen bij eiseres van 01.06.2004 door een e.a. inspecteur bij de FOD Financiën, Administratie van de BTW, registratie en domeinen, verbonden aan het BTW-kantoor te Bree met betrekking tot de toepassing van de BTW-wetgeving en de ter uitvoering ervan getroffen besluiten betreffende de periode 01.03.2004 tot en met 31.03.2004 (1 ste kwartaal 2004), leidden tevens tot een proces-verbaal van 13.10.2004 waarin gesteld werd dat eiseres de hierna volgende bedragen verschuldigd is :

\- … euro aan BTW;

\- … euro geldboete in toepassing van artikel 70, § 1 W.BTW en verminderd en afgerond overeenkomstig [art. 1 van het KB nr. 41](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-41-januari-vaststelling-bedrag-proportionele-fiscale-d48c#ar41-art1) van 30.01.1987 (tabel H) tot vaststelling van het bedrag van de proportionele fiscale geldboeten op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde;

\- wettelijke intresten overeenkomstig artikel 91, § 1 W.BTW aan 0,8 % per maand vanaf 21.04.2004 over de som van … euro;

(zie stuk 7, overtuigingsstukken verweerder).

Op 18.10.2004 werd er tegen eiseres een dwangbevel uitgevaardigd, gesteund op het proces-verbaal van 13.10.2004. Het dwangbevel werd geviseerd en uitvoerbaar verklaard door de e.a. inspecteur van de BTW te Bree aangewezen door de gewestelijke directeur van de Administratie van de BTW, registratie en domeinen te Hasselt op 29.10.2004 (zie stuk 8, overtuigingsstukken verweerder).

In dit dwangbevel werden de hoger vermelde bedragen gevorderd alsook moratoire intresten over de nog verschuldigde geldboeten vanaf de eerste kennisgeving of betekening van het dwangbevel in toepassing van artikel 91, § 4 W.BTW alsmede de vervolgingskosten.

Bij aangetekende brief van 07.03.2005 werd aan eiseres een kennisgeving van dwangbevel betekend (zie stuk 9,overtuigingsstukken verweerder).

Bij verzoekschrift op tegenspraak, neergelegd ter griffie van deze rechtbank op 18.03.2005, werd er door eiseres verzet aangetekend tegen het dwangbevel uitgevaardigd op 18.10.2004 en geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 29.10.2004 door **R. C.**, eerstaanwezend inspecteur van de BTW te Bree aangewezen door de gewestelijke directeur van de Administratie van de BTW, registratie en domeinen te Hasselt.

Deze zaak is thans gekend onder A.R. nr. 05/696/A.

## SAMENVOEGING

Het exploot van rechtsingang van 12.07.2004 en het verzoekschrift op tegenspraak, neergelegd ter griffie van deze rechtbank op 18.03.2005 hebben éénzelfde BTW-discussie tot voorwerp.

Aangezien het in beide zaken om samenhangende vorderingen gaat is het ter wille van een goede rechtsbedeling aangewezen om de zaken met A.R. nr. 04/1793/A en A.R. nr. 05/696/A samen te voegen.

## BEOORDELING

## 1. Ontvankelijkheid

Verweerder betwist de ontvankelijkheid van de vorderingen niet en de rechtbank bemerkt geen reden die tot ambtshalve op te werpen onbevoegdheid of onontvankelijkheid aanleiding zou kunnen geven, zodat de vorderingen ontvankelijk dienen te worden verklaard.

## 2. Ten gronde

Op 20.06.2002 en 15.10.2002 werden door eiseres overeenkomsten van onroerende leasing afgesloten met respectievelijk de VZW **D.** en de VZW **G. B.G.J.G. L.** (zie stukken 11 en 12, overtuigingsstukken verweerder).

De verhuur die een uit hun aard onroerend goed tot voorwerp heeft, is bedoeld in art. 18, § 1, tweede lid, 4° W.BTW, met dien verstande dat deze verhuur in de regel is vrijgesteld van de BTW op grond van art. 44, § 3, 2° W.BTW.

Sommige handelingen die volgens het burgerlijk recht als een onroerende verhuur kunnen worden aangemerkt, vallen echter buiten het toepassingsgebied van voornoemde vrijstelling van BTW en zijn derhalve aan BTW onderworpen.

Dit is onder meer zo voor wat betreft de onroerende financieringshuur zoals bepaald in art. 44, § 3, 2°, b) W.BTW.

De discussie betreft derhalve de vraag of de door eiseres afgesloten leasingovereenkomsten kunnen aangemerkt worden als een met BTW belastbare overeenkomst van onroerende financieringshuur in de zin van art. 44, § 3, 2°, b) W.BTW.

Uit art. 44, § 3, 2°, b) W.BTW blijkt dat de onroerende financieringshuur, toegestaan door een onderneming gespecialiseerd in onroerende financieringshuur of zogenaamde onroerende leasing, buiten de vrijstelling bedoeld in art. 44, § 3, 2° W.BTW valt wanneer het contract betrekking heeft op gebouwen die deze onderneming heeft opgericht, heeft laten oprichten of heeft verkregen met betaling van de belasting indien de huurder de gebouwen huurt om deze te gebruiken in de uitoefening van een activiteit van belastingplichtige.

Overeenkomstig [art. 1 van het KB nr. 30](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-30-december-betrekking-toepassing-belasting-toegevoegde-d28a#ar30-art1) van 29.12.1992 moeten er een aantal voorwaarden vervuld zijn voor de toepassing van art. 44, § 3, 2° b) W.BTW, te weten :

1\. het contract moet betrekking hebben op gebouwde onroerende goederen die opgericht of verkregen worden door de onderneming die gespecialiseerd is in onroerende financieringshuur overeenkomstig de gespecificeerde aanwijzingen van de toekomstige leasing nemer om door hem in de uitoefening van zijn activiteit van belastingplichtige te worden gebruikt;

2\. het genot van de gebouwen en van de grond waarop ze zijn opgericht moet aan de leasingnemer worden toegestaan op grond van een niet opzegbaar en niet eigendom overdragend contract;

3\. de leasingnemer moet de mogelijkheid hebben om bij het einde van het contract van financieringshuur, tegen een prijs waarvan de vaststellingscriteria in dat contract zijn bepaald, de zakelijke rechten over te nemen die de leasinggever bezit op de goederen die het voorwerp zijn van de overeenkomst;

4\. het totale bedrag van de sommen die door de leasingnemer moeten worden betaald tijdens de duur van het contract en ingevolge de eventuele lichting van de in 3° bedoelde optie, moet het de leasinggever mogelijk maken het geïnvesteerde kapitaal, verhoogd met de intresten en de financiële lasten van de verrichting, integraal weder samen te stellen.

Volgens verweerder voldoen de kwestieuze leasingovereenkomsten niet aan [art. 1, 4° van het KB nr. 30](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-30-december-betrekking-toepassing-belasting-toegevoegde-d28a#ar30-art1) van 29.12.1992.

Uit onderzoek van de overeenkomsten inzake de onroerende leasing gesloten tussen enerzijds eiseres en anderzijds de VZW **D.** en de VZW **G. B.G.J.G. L.** blijkt dat het totale bedrag van de-tijdens de duur van het contract verschuldigde huurtermijnen niet eens het door de leasinggever geïnvesteerde kapitaal weder samenstellen.

Terecht stelde verweerder dat ten aanzien van de onroerende leasing ratio legis is dat het bedrag van het geïnvesteerd kapitaal, met andere woorden de inputverrichtingen waarvan de geheven BTW in regel in aftrek wordt gebracht, vervat is in de tijdens de duur van het contract verschuldigde en belastbare huurtermijnen.

Aan de voorwaarde van [art. 1, 4° van het KB nr. 30](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-30-december-betrekking-toepassing-belasting-toegevoegde-d28a#ar30-art1) van 29.12.1992 is voldaan wanneer de door de leasingnemer te betalen sommen worden vastgesteld op grondslag van een percentage van het door deze laatste bereikte exploitatieresultaat met als minimum een vast bedrag dat het de leasinggever tijdens de duur van het contract moet mogelijk maken om ten minste het geïnvesteerde kapitaal, verhoogd met de intresten en de financiële lasten weder samen te stellen (zie BTW-REVUE nr. 49, blz. 476, nr. 755).

Eiseres blijft in gebreke te bewijzen dat de voorwaarde gesteld in [art. 1, 4° van het KB nr. 30](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-30-december-betrekking-toepassing-belasting-toegevoegde-d28a#ar30-art1) van 29.12.1992 is vervuld, zodat er bijgevolg in haar hoofde geen recht op aftrek van BTW, overeenkomstig art. 45, § 1 W.BTW, kan bestaan.

De vorderingen van eiseres zijn dan ook ongegrond.

Eiseres haalt in besluiten aan dat verweerder ten onrechte zou zijn overgegaan tot het uitvaardigen van een dwangbevel inzake BTW omdat er geen BTW-schuld zou bestaan. In besluiten vermeldt eiseres evenwel niet welk belang zij heeft met dit argument noch welke sanctie hierop zou staan.

De rechtbank is evenwel van oordeel dat verweerder, gezien de concrete omstandigheden, terecht kon overgaan tot het uitvaardigen van een dwangbevel.

De voorschriften van de artikelen 2-30 tot 37 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken werden nageleefd.

### Beschikkend gedeelte

## OM DEZE REDENEN :

De rechtbank, rechtdoende op tegenspraak;

Voegt de zaken A.R. nr. 04/1793/A en A.R. nr. 05/696/A samen.

Verklaart de vorderingen van eiseres ontvankelijk, doch ongegrond.

Veroordeelt eiseres tot de kosten van het geding, begroot aan de zijde van verweerder op ….euro, rechtsplegingsvergoeding.

Aldus gedaan en uitgesproken in openbare terechtzitting van de elfde kamer op het gerechtshof te Hasselt op **18 OKTOBER 2006**

alwaar aanwezig waren :

De Heer **L. B.**, rechter, waarnemend voorzitter,

Mevrouw. **M. C.**, rechter,

De Heer **J. S.**, plaatsvervangend rechter,

De Heer **PH. N.**, griffier,

**PH. N.** **J. S.** **M. C.** **L. B.**

Lasten en bevelen dat alle daartoe gevorderde gerechtsdeurwaarders dit vonnis, deze beschikking ten uitvoer zullen leggen;

Dat Onze procureurs-generaal en Onze procureurs des Konings bij de rechtbanken van eerste aanleg daaraan de hand zullen houden en dat alle bevelhebbers en officieren van de openbare macht daartoe de sterke hand zullen bieden wanneer dit wettelijk van hen gevorderd wordt;

Ten blijke waarvan dit vonnis, deze beschikking is ondertekend en gezegeld met het zegel van de rechtbank.

VOOR EENSLUIDENDE UITGIFTE, afgeleverd aan verweerder.

Hasselt, 08 NOV. 2006

De Hoofdgriffier,

**L. B.**

## Aangehaalde teksten

2

[KB nr. 30 art. 1](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-30-december-betrekking-toepassing-belasting-toegevoegde-d28a) 4 voorkomens

[KB nr. 41 art. 1](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-41-januari-vaststelling-bedrag-proportionele-fiscale-d48c) 1 voorkomen
