Fiche van de FOD Financiën
Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Brugge d.d. 29.04.2008
Samenvatting niet beschikbaar
Tekst van het vonnis
Tekst van de beslissing
De Rechtbank van eerste aanleg te Brugge, VIERDE KAMER, heeft het hiernavolgend vonnis verleend :
In de zaak 05/266/A Rep. 2008/6595
de NV B., (Ondernemingsnr. …), met maatschappelijke zetel te …, …,
eiseres,
voor wie is opgetreden Meester J. S. loco Meester F. V., advocaat met kantoor te …, …,
tegen :
De FOD FINANCIËN, Administratie van de Ondernemings- en Inkomensfiscaliteit, in de persoon van :
- de e.a. inspecteur van het BTW-Ontvangkantoor te Brugge, met kantoren gevestigd te 8000 Brugge, G. Vincke Dujardinstraat 4,
- de e.a. inspecteur van het 3e BTW-Controlekantoor te Brugge, met kantoren gevestigd te 8000 Brugge, G. Vincke Dujardinstraat 4,
verweerder,
voor wie optreedt Meester L. D. S., advocaat met kantoor te …, …,
EN
In de zaak 07/609/A
de NV B., (Ondernemingsnr. …), met maatschappelijke zetel te …, …,
eiseres,
voor wie is opgetreden Meester J. S. loco Meester F. V., advocaat met kantoor te …, …,
tegen :
De FOD FINANCIËN, Administratie van de Ondernemings- en Inkomensfiscaliteit, in de persoon van :
- de e.a. inspecteur van het BTW-Ontvangkantoor te Brugge, met kantoren gevestigd te 8000 Brugge, G. Vincke Dujardinstraat 4.
- de e.a. inspecteur van het 3e BTW-Controlekantoor te Brugge, met kantoren gevestigd te 8000 Brugge, G. Vincke Dujardinstraat 4.
verweerder,
voor wie optreedt Meester L. D. S., advocaat met kantoor te …, ….
I. RECHTSPLEGING
Gelet op het fiscaal verzoekschrift ingediend ter griffie van de rechtbank alhier de dato 26 januari 2005 (A.R. nr. 05/266/A).
Gelet op het fiscaal verzoekschrift ingediend ter griffie van de rechtbank alhier de dato 26 februari 2007 (A.R. nr. 07/609/A).
De rechtbank nam kennis van de dossiers van de rechtspleging en van de door partijen overgelegde bundels.
Partijen werden gehoord in hun middelen bij monde van hun raadsman in de openbare terechtzitting van 1 april 2008.
Artikel 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werden in acht genomen.
II. BIJZONDERSTE GEGEVENS VAN DE ZAAK
2.1. Eiseres is ingeschreven als BTW-belastingplichtige onder het BTW-registratienummer …, ingevolge de door haar aangevatte activiteit van groothandel in horecabenodigdheden. Zij is derhalve onderworpen aan de bepalingen van de BTW-wetgeving en de ter uitvoering ervan genomen besluiten.
Op 5 oktober 2004 werd door een ambtenaar bij de administratie van de BTW, Registratie en Domeinen, een controle aangevat over de toepassing van de wetgeving en de reglementering inzake de belasting over de toegevoegde waarde over de periode van 1 januari 2001 tot 31 december 2002. Door de controlerende ambtenaar werd op 10 november 2004·een proces-verbaal opgesteld waarin de door eiseres begane overtredingen werden geacteerd. Op 26 november 2004 werd op basis van dit proces-verbaal door de met de invordering belaste ambtenaar, overeenkomstig artikel 85, § 1 W.BTW, een dwangbevel uitgevaardigd. Voormeld dwangbevel werd op 8 december 2004 geviseerd en uitvoerbaar verklaard door R L., waarnemend gewestelijk directeur bij de administratie van de BTW, Registratie en Domeinen te Brugge en op 14 december 2004 ter kennis gebracht van eiseres.
Op 26 januari 2005 werd door een ambtenaar bij de administratie van de BTW, Registratie en Domeinen, een controle aangevat over de toepassing van de wetgeving. en de reglementering inzake de belasting over de toegevoegde waarde over de periode van 1 januari 2003 tot 31 december 2003. Door de controlerende ambtenaar werd een tweede proces-verbaal opgesteld waarin de door eiseres begane overtredingen werden geacteerd. Op 11 december 2006 werd op basis van dit proces-verbaal door de met de invordering belaste ambtenaar, overeenkomstig artikel 85, § 1 W.BTW, een dwangbevel uitgevaardigd. Voormeld dwangbevel werd op 13 december 2006 geviseerd en uitvoerbaar verklaard door A. C., inspecteur a.i. van het derde BTW-controlekantoor te Brugge, aangewezen door de gewestelijke directeur bij de administratie van de BTW, Registratie en Domeinen te Brugge en op 15 december 2006 ter kennis gebracht van eiseres.
Bij tegensprekelijke verzoekschriften tekent eiseres verzet aan tegen voormelde dwangbevelen.
2.2. Eiseres vraagt dat, desnoods na het stellen van een prejudiciële vraag, de vorderingen worden samengevoegd en dat zij ontvankelijk en gegrond worden verklaard en dat dienvolgens voor recht wordt gezegd dat de bestreden dwangbevelen nietig zijn en dat eiseres uit hoofde van de dwangbevelen geen BTW is verschuldigd. Verder vordert zij dat verweerder wordt veroordeeld tot terugbetaling aan haar van alle bedragen die op basis van de vernietigde dwangbevelen werden geïnd of ingehouden, dit verhoogd met de moratoire rente. Tenslotte vordert zij dat verweerder wordt veroordeeld tot de gedingkosten, aan haar zijde begroot op het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding en dat het vonnis uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard, niettegenstaande elke voorziening.
2.3. Verweerder vraagt dat de vorderingen worden samengevoegd en dat ontvankelijk en ongegrond worden verklaard en dat eiseres wordt veroordeeld tot de kosten van het geding, in zijn hoofde begroot op het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding.
III. BEOORDELING
3.1. nopens de samenvoeging
De partijen zijn dezelfde en de betwisting is gelijklopend. De zaken zijn samenhangend in de zin van artikel 30 Ger. W. en worden dan ook gevoegd.
3.2. nopens de ontvankelijkheid
Verweerder voert geen redenen aan die tot de onontvankelijkheid van de vorderingen kunnen leiden. Nu de rechtbank evenmin middelen van onontvankelijkheid, die hij ambtshalve zou moeten opwerpen, ontwaart, zijn de vorderingen ontvankelijk.
3.3. nopens de grond
3.3.1. schending van de artikelen 22.3 en 27 van de zesde richtlijn
3.3.1.1. Eiseres stelt dat de veralgemeende verplichting tot het uitreiken van facturen, uitgewerkt door artikel 1, § 2, 2de lid, 1° tot 13° van het KB nr. 1 een schending uitmaakt van de. artikelen 22.3 en 27 van de zesde richtlijn.
3.3.1.2. De maatregelen ter 'fraudevoorkoming' die de Lid-Staten kunnen nemen zonder machtiging van de Raad zijn het 'voorschrijven van andere verplichtingen (zie artikel 22.8 van de zesde richtlijn). De anti-fraudemaatregelen waarvoor wel machtiging van de Raad voorzien is bestaan dan kennelijk uit 'het treffen van bijzondere, van de bepalingen van deze richtlijn afwijkende maatregelen'.
De rechtbank is van oordeel dat het uitbreiden van de facturatieplicht geen 'bijzondere maatregel' is die afwijkt van de maatregelen in de richtlijn. Het uitbreiden van de facturatieverplichting is eerder een 'opleggen van andere verplichtingen' zoals bedoeld in artikel 22.8 van de zesde richtlijn en in elk geval is de facturatieplicht een maatregel die essentieel door de zesde richtlijn voorzien is. Het is slechts de uitbreiding van de groep afnemers aan wie moet gefactureerd worden die een 'andere verplichting' is dan in de richtlijn uitdrukkelijk voorgeschreven.
Hoe dan ook zijn de bepalingen artikel 1, § 2, 2de lid, 6 tot 8 van het KB nr. 1 geen 'algemene' maatregelen om fraude te voorkomen. Ze zijn immers specifiek toepasselijk op de BTW-plichtigen die normaal niet aan particulieren verkopen.
In die omstandigheden stelt de rechtbank vast dat verweerder met reden de bepalingen van artikel 1, § 2, 2de lid, 6 tot 8 van het KB nr. 1 toegepast heeft. Er kan geen schending van de artikelen 22.3 en 27 van de zesde richtlijn worden aangenomen.
Aangezien de toepassing van voormelde bepalingen niet strijdig is met de zesde richtlijn, moet er geen prejudiciële vraag worden gesteld.
3.3.2. het opgewekt vertrouwen
Op basis van de voorliggende stukken toont eiseres niet voldoende aan dat bij haar door de houding van de BTW-administratie het vertrouwen was gewekt dat het niet-factureren aan particulieren was toegestaan.
3.3.3. vermindering van de boete
Boetes voor bedragen van … EUR (dwangbevel van 26 november 2004) en … EUR (dwangbevel van 11 december 2006) hebben een repressief karakter. Het zou strijdig zijn met het gelijkheidsbeginsel mochten de rechtbanken het recht ontzegd worden om op de betwiste administratieve beslissing om een dergelijke·geldboete op te leggen, een toetsing met volle rechtsmacht uit te oefenen. Een toetsing met volle rechtsmacht houdt in dat de rechter moet nagaan of een administratieve beslissing met repressief karakter in rechte en in feite verantwoord is en of zij de wettelijke bepalingen en algemene beginselen die de administratie in acht moet nemen, waaronder het evenredigheidsbeginsel, eerbiedigt (Arbitragehof, 24 februari 1999, rolnr. 1279, arrest nr. 22/99).
Dat kan alleen in die zin begrepen worden dat de rechtbank (onder andere) de macht heeft om na te gaan of de concrete administratieve boete al dan niet in een redelijke verhouding staat tot de feiten waaraan de belastingplichtige zich bezondigd heeft. Een dergelijke toetsing brengt nog niet noodzakelijk met zich dat de rechtbank de belastingplichtige, om loutere redenen van opportuniteit of billijkheid, zou bevrijden van de verplichtingen die hem wettelijk zijn opgelegd door de overheid.
Concreet is de rechtbank in elk geval van oordeel dat een administratieve boete gepast is. Uit de processen-verbaal blijkt immers dat eiseres haar facturatieverplichtingen niet is nagekomen. Deze vermeldingen in de processen-verbaal gelden tot bewijs van het tegendeel. Er is geen tegenbewijs geleverd.
Voormelde onregelmatigheden (geen facturen uitreiken en facturen uitreiken met onjuiste vermeldingen) zijn uitermate ernstig en brengen het algemeen belang ernstige schade toe. Er moet tevens mee rekening worden gehouden dat de boete een ontradend effect moet hebben.
Anderzijds houdt de rechtbank ermee rekening dat eiseres zelf alleen maar commercieel voordeel kan gehaald hebben uit haar onwettelijke werkwijze. De BTW werd telkens voldaan. Tevens brengt de rechtbank begrip op voor het onmiskenbaar feit dat eiseres om commerciële redenen weinig andere keuze had om mee te doen aan een praktijk in de horeca-wereld. Daarenboven zijn de opgelegde boetes buiten verhouding tot de middelen van eisers onderneming. Aan de hand van de feiten die in dat verband staan, acht de rechtbank boetes van … (dwangbevel van 26 november 2004) EUR en … EUR (dwangbevel van 11 december 2006) gepast. Van het gedeelte van de boete dat voormeld bedrag overtreft, is de vordering gegrond.
De interest is verschuldigd overeenkomstig artikel 91, § 4 W.BTW.
3.4. nopens de kosten.
Gelet op het wederzijds gelijk en ongelijk van elk van de partijen moeten zij elk hun eigen gerechtskosten dragen.
3.5. nopens de uitvoerbaarheid bij voorraad
Ingevolge artikel 377 WIB 92 en artikel 92bis W.BTW kan een vonnis in fiscale zaken niet uitvoerbaar verklaard worden bij voorraad. Dit werd bevestigd door het Hof van Beroep te Gent in haar arrest van 2 maart 2004, nr. 2002/AR/2691 inzake NV D..
Beschikkend gedeelte
OM DEZE REDENEN,
De rechtbank,
Wijzende in eerste aanleg en op tegenspraak.
Alle verdere middelen van partijen verwerpende als niet dienend.
Voegt de zaken met A.R. nrs. 05/266/A en 07/609/A samen.
Verklaart de vorderingen houdende verzet dwangbevelen ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond.
Zegt dienvolgens voor recht dat het bestreden dwangbevel dat door verweerder ten nadele van eiseres op 26 november 2004 werd uitgevaardigd ongegrond is voor het gedeelte van de administratieve boete dat een bedrag van … EUR overtreft.
Zegt dienvolgens voor recht dat het bestreden dwangbevel dat door verweerder ten nadele van eiseres op 11 december 2006 werd uitgevaardigd ongegrond is voor het gedeelte van de administratieve boete dat een bedrag van … EUR overtreft.
Beveelt dienvolgens verweerder om over te gaan tot terugbetaling aan eiseres van elk bedrag dat werd geïnd boven het gedeelte van de genoemde dwangbevelen dat gegrond werd bevonden, te vermeerderen met de verwijlsinterest aan de wettelijke rentevoet vanaf de inning of de inhouding, daarin begrepen zijnde de gerechtelijke rente vanaf datum dagvaarding tot op datum van volledige betaling.
Verwijst elk van de partijen in hun eigen gerechtskosten, in welk geval het overbodig is die kosten vast te stellen.
Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting in het gerechtshof te Brugge op dinsdag negenentwintig april tweeduizend en acht.
Aanwezig zijn :
H. N., alleenrechtsprekend rechter;
L. N., griffier.
N. L. N. H.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.