---
title: "20 maart 2006 · Strafbepaling, administratieve geldboete · Rechtbank van eerste aanleg te Brugge"
description: "Strafbepaling, administratieve geldboete, vervolging, geding, rechten en voorrechten schatkist. Rechtbank van eerste aanleg te Brugge (België), 20 maart 2006."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak/strafbepaling-administratieve-geldboete-vervolging-geding-rechtbank-brugge-2006-03-20-e948"
lang: "nl"
---

# Strafbepaling, administratieve geldboete, vervolging, geding, rechten en voorrechten schatkist · Belasting over de toegevoegde waarde

**Rechtscollege**

Rechtbank van eerste aanleg

**Zetel**

Brugge

**Datum**

20 maart 2006

## Over het document

**Verzameling**

Belgische rechtspraak

**Taal van de tekst**

Nederlands

## Tekst

70 paragrafen

### Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Brugge d.d. 20.03.2006

Samenvatting niet beschikbaar

**Tekst van het vonnis**

### Tekst van de beslissing

**De Rechtbank van eerste aanleg te Brugge, VIERDE KAMER, heeft het hiernavolgend vonnis verleend :**

In de zaak **03/3777/A** Rep. nr. 2006/3846

**de BVBA S. L.**, (Ondernemingsnr. …), met maatschappelijke zetel te …, …,

**eiseres,**

voor wie is opgetreden Meester **S. H.**, advocaat met kantoor te …, …,

**tegen :**

**de BELGISCHE STAAT**, Federale Overheidsdienst Financiën, vertegenwoordigd door de heer Minister van Financiën, met kantoren te 1000 BRUSSEL, Wetstraat 12, op vervolging en benaarstiging van :

1\. de heer directeur van het AOIF-controlecentrum te Kortrijk, met kantoren te 8500 Kortrijk, Hoveniersstraat 31,

2\. de mevrouw e.a. inspecteur van het BTW-ontvangkantoor te Kortrijk, met kantoren te 8500 Kortrijk, Hoveniersstraat 31,

**verweerders, hierna genoemd 'verweerder'**

voor wie is opgetreden Meester **F. H.** (balie …) loco Meester **F. W.**, advocaat met kantoor te …, …,

## I. RECHTSPLEGING

Gelet op het fiscaal verzoekschrift ingediend ter griffie de dato 12 december 2003.

De rechtbank nam kennis van het dossier van de rechtspleging en van de door partijen overgelegde bundels.

Partijen werden gehoord in hun middelen bij monde van hun raadsman in de openbare terechtzitting van 9.01.2006.

Artikel 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werden in acht genomen.

## ll. BIJZONDERSTE GEGEVENS VAN DE ZAAK

**2.1.** Eiseres is ingeschreven als BTW-belastingplichtige onder het BTW­registratienummer …, ingevolge haar activiteit van slachten van vee. Zij is derhalve onderworpen aan de bepalingen van de BTW-wetgeving en de ter uitvoering ervan genomen besluiten.

Op 18 december 2002 en 6 februari 2003 werd door **F. G.**, eerstaanwezend verificateur bij het AOIF, een toezicht uitgevoerd over de toepassing van de wetgeving en de reglementering inzake de belasting over de toegevoegde waarde m.b.t. de periode van 1 januari 2000 tot 31 december 2002.

Op 7 maart 2003 werd door **F. G.** voornoemd een proces-verbaal opgesteld waarin de door eiseres begane overtredingen werden geacteerd.

Op 26 juni 2003 werd op basis van dit proces-verbaal door de bevoegde ontvanger van de BTW, overeenkomstig artikel 85, § 1 W.BTW, een dwangbevel uitgevaardigd. Volgens dit dwangbevel was eiseres … EUR BTW en … EUR boete verschuldigd.

Voormeld dwangbevel werd op 3 juli 2003 geviseerd en uitvoerbaar verklaard door **M. T.**, waarnemend directeur a.i. bij de BTW te Brugge.

Op 11 september 2003 werd een wijzigend proces-verbaal opgemaakt en werd het invorderingsorder verminderd tot … EUR BTW en … EUR boete.

Met een tegensprekelijk verzoekschrift de dato 12 december 2003 stelt eiseres haar vordering in.

**2.2.** Eiseres vraagt dat de vordering ontvankelijk en gegrond wordt verklaard en dat dienvolgens voor recht wordt gezegd dat het bestreden dwangbevel, uitgevaardigd op 26 juni 2003 en geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 3 juli 2003, ongegrond is en dat de in het bestreden dwangbevel vermelde BTW-sommen niet verschuldigd zijn. Verder vraagt zij de terugbetaling van alle sommen die werden betaald of ingehouden, verhoogd met de moratoire rente vanaf de dag der betaling en met de gerechtelijke rente vanaf heden.

Tenslotte vordert zij dat verweerder wordt veroordeeld tot de gedingkosten, in haar hoofde begroot op de rechtsplegingsvergoeding ten bedrage van … EUR en dat het vonnis uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard, niettegenstaande alle verhaal en zonder borgstelling en met uitsluiting van het vermogen tot kantonnement.

**2.3.** Verweerder vordert dat het verzoekschrift ontvankelijk en ongegrond wordt verklaard en dat eiseres wordt veroordeeld tot de kosten van het geding, in zijn hoofde begroot op … EUR rechtsplegingsvergoeding.

## III. BEOORDELING

### 3.1. nopens de ontvankelijkheid

Verweerder voert geen redenen aan die tot de onontvankelijkheid van de vordering kunnen leiden. Nu de rechtbank evenmin middelen van onontvankelijkheid, die hij ambtshalve zou moeten opwerpen, ontwaart, is de vordering ontvankelijk.

### 3.2. nopens de grond

#### *3.2.1. nopens de bijdragen aan het IVK en aan het FGPD*

**3.2.1.1.** Tijdens voormelde controles van 18 december 2002 en 6 februari 2003 werd vastgesteld dat de door eiseres aan verschillende overheden verschuldigde rechten en heffingen ingevolge het slachten van dieren werden doorgerekend aan haar klanten, zonder dat zij evenwel werden opgenomen onder de maatstaf van heffing.

Het betreft hier meer bepaald de rechten en/of heffingen geheven door het Instituut voor Veterinaire Keuring (IVK), in toepassing van het KB van 28 september 1999 betreffende de financiering van het instituut, de rechten en/of heffingen geheven door het Bestuur voor de Gezondheid en de Kwaliteit van Dierlijke Producten overeenkomstig de wet van 13 maart 1998 betreffende de oprichting van een begrotingsfonds voor de gezondheid en de kwaliteit van de dieren en dierlijke producten (FGPD) en de rechten geheven door de VZW Promotiecentrum voor Agro­ en Visserijmarketing (VLAM) als bijdrage in het promotiefonds "runderen".

Alzo werd voor de jaren 2000, 2001 en 2002 6 % BTW nagevorderd op deze doorgerekende rechten.

Ingevolge de beslissing van de centrale administratie van het AOIF van 22 augustus 2003 werd evenwel geen BTW meer nagevorderd op de rechten geheven voor de VZW Promotiecentrum voor Agro- en Visserijmarketing (VLAM). Een wijzigend proces-verbaal werd aldus opgemaakt op 11 september 2003. In totaal was eiseres aldus … EUR aan BTW verschuldigd.

**3.2.1.2.** Door de aanpassing op 1 januari 1993 van het W.BTW aan de zesde richtlijn van 17 mei 1977 van de Raad van de Europese Gemeenschappen werd aan artikel 26 W.BTW een derde lid toegevoegd op grond waarvan de belastingen, rechten en heffingen eveneens tot de maatstaf van heffing behoren. Wanneer derhalve de door de bevoegde overheid ingestelde belastingen, rechten en heffingen andere dan de BTW, in hoofde van de leverancier of dienstverrichter zijn verschuldigd en van hem worden gevorderd, behoren ingevolge voornoemde wettelijke bepalingen deze belastingen, heffingen en rechten, zelfs al worden ze afzonderlijk en voor de juiste prijs aan de klant aangerekend, tot de maatstaf van heffing voor de berekening van de verschuldigde BTW met betrekking tot de geleverde goederen en verrichte diensten.

Aangezien de hiervoor vermelde rechten en heffingen (met uitzondering van de VLAM­rechten) verschuldigd waren door eiseres en van haar gevorderd werden, dienen zij bij doorfacturatie aan haar klanten begrepen te worden in de maatstaf van heffing voor de toepassing van de BTW.

**3.2.1.3.** Het Hof van Cassatie heeft geoordeeld dat de beginselen van behoorlijk bestuur en in het bijzonder het rechtszekerheidsbeginsel van toepassing zijn in fiscale zaken. Het rechtszekerheidsbeginsel is evenwel geen onbeperkt recht. In functie van de concrete omstandigheden dient een afweging plaats te vinden tussen het rechtszekerheidsbeginsel en het legaliteitsbeginsel. In casu verdient het legaliteitsbeginsel voorrang omdat er in hoofde van de belastingplichtige geen gerechtvaardigde verwachtingen werden gecreëerd naar aanleiding van het feit dat de administratie pas in 1999 heeft kenbaar gemaakt dat de heffingen betaald aan de IVK in de maatstaf van heffing dienden te worden opgenomen, gelet op de uitdrukkelijke wetsbepalingen die de belastingplichtige geacht wordt te kennen.

Evenmin heeft de belastingadministratie naar aanleiding van het opstellen van een attest door het bestuur voor de dierengezondheid waarin werd gesteld dat de bijdragen aan het FGPD niet onder het toepassingsgebied vielen van de BTW, een gerechtvaardigde verwachting opgewekt bij de belastingplichtige, gelet op de uitdrukkelijke wetsbepalingen die de belastingplichtige geacht wordt te kennen.

Verweerder heeft derhalve het algemeen beginsel van behoorlijk bestuur van het opgewekt vertrouwen niet geschonden.

#### *3.2.2. nopens de boete*

**3.2.2.1.** Op grond van artikel 70, § 1 W.BTW is een evenredige fiscale geldboete verschuldigd voor de overtreding van de verplichting de belasting te voldoen van tweemaal het bedrag van de verschuldigde rechten. Deze geldboete werd verminderd overeenkomstig de schalen in bijlage aan het KB nr. 41 van 30 januari 1987, hetzij tot 10 % van de verschuldigde BTW.

**3.2.2.2.** Een boete van 10 % op het BTW-bedrag en voor een bedrag van … EUR heeft een repressief karakter. Het zou strijdig zijn met het gelijkheidsbeginsel mochten de rechtbanken het recht ontzegd worden om op de betwiste administratieve beslissing om een dergelijke geldboete op te leggen, een toetsing met volle rechtsmacht uit te oefenen. Een toetsing met volle rechtsmacht houdt in dat de rechter moet nagaan of een administratieve beslissing met repressief karakter in rechte en in feite verantwoord is en of zij de wettelijke bepalingen en algemene beginselen die de administratie in acht moet nemen, waaronder het evenredigheidsbeginsel, eerbiedigt (Arbitragehof, 24 februari 1999, rolnr. 1279, arrest nr. 22/99).

Dat kan alleen in die zin begrepen worden dat de rechtbank (onder andere) de macht heeft om na te gaan of de concrete administratieve boete al dan niet in een redelijke verhouding staat tot de feiten waaraan de belastingplichtige zich bezondigd heeft. Een dergelijke toetsing brengt nog niet noodzakelijk met zich dat de rechtbank de belastingplichtige, om loutere redenen van opportuniteit of billijkheid, zou bevrijden van de verplichtingen die hem wettelijk zijn opgelegd door de overheid.

Uit de feiten (laattijdige kennisgeving van de administratie m.b.t. de aard van de ivk­bijdragen, de attestering van het bestuur voor de dierengezondheid waarin werd gesteld dat de bijdragen aan het FGPD niet onder het toepassingsgebied vielen van de BTW en het eerste proces-verbaal van 7 maart 2003 waarbij werd gesteld dat de VLAM-rechten onder de maatstaf van heffing vielen) blijkt dat er verwarring bestond m.b.t. de verplichting om de verschillende soorten rechten al dan niet op te nemen in de maatstaf van heffing.

Verder kan de rechtbank aannemen dat eiseres nooit de bedoeling heeft gehad om de BTW-wetgeving te overtreden aangezien zij zelf geen persoonlijk voordeel heeft gehaald uit het niet-opnemen in de maatstaf van heffing van de bewuste verschuldigde rechten.

Gelet op de hiervoor aangehaalde specifieke omstandigheden komt het opleggen van een boete niet opportuun voor derwijze dat deze moet worden kwijtgescholden.

### 3.3. nopens de kosten

Gelet op het wederzijds gelijk en ongelijk van elk van de partijen moeten zij elk hun eigen gerechtskosten dragen.

### 3.4. nopens de uitvoerbaarheid bij voorraad

Ingevolge artikel 377 WIB '92 en artikel 92bis W.BTW kan een vonnis in fiscale zaken niet uitvoerbaar verklaard worden bij voorraad. Dit werd bevestigd door het Hof van Beroep te Gent in haar arrest van 2 maart 2004, nr. 2002/AR/2691 inzake NV **D.**.

### Beschikkend gedeelte

**OM DEZE REDENEN,**

**De rechtbank,**

Wijzende in eerste aanleg en op tegenspraak.

Alle verdere middelen van partijen verwerpende als niet dienend.

Verklaart het verzoekschrift ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond.

Zegt dienvolgens voor recht dat de door verweerder gevorderde BTW ten bedrage van … EUR gegrond is.

Zegt dienvolgens voor recht dat de door verweerder opgelegde boete ongegrond is.

Beveelt dienvolgens verweerder om over te gaan tot terugbetaling aan eiseres van elk bedrag dat werd geïnd boven het gedeelte dat gegrond werd bevonden, te vermeerderen met de verwijlsinterest aan de wettelijke rentevoet vanaf de inning of de inhouding, daarin begrepen zijnde de gerechtelijke rente vanaf datum dagvaarding tot op datum van volledige betaling.

Wijst eiseres van het overige af.

Verwijst elk van de partijen in hun eigen gerechtskosten, in welk geval het overbodig is die kosten vast te stellen.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting in het gerechtshof te Brugge op **maandag twintig maart tweeduizend en zes**.

Aanwezig zijn :

**H. N.**, alleenrechtsprekend rechter;

**L. N.**, griffier.

**N. L.** **N. H.**
