---
title: "27 juni 2008 · Strafbepaling, administratieve geldboete · Rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen"
description: "Strafbepaling, administratieve geldboete, vervolging, geding, rechten en voorrechten schatkist. Rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen (België), 27 juni 2008."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak/strafbepaling-administratieve-geldboete-vervolging-geding-rechtbank-antwerpen-2008-06-27-06e0"
lang: "nl"
---

# Strafbepaling, administratieve geldboete, vervolging, geding, rechten en voorrechten schatkist · Belasting over de toegevoegde waarde

**Rechtscollege**

Rechtbank van eerste aanleg

**Zetel**

Antwerpen

**Datum**

27 juni 2008

## Procesverloop

2 stappen · 1 jaar 4 maanden

1. Weergegeven beslissing Rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen 27.06.2008
2. [Beslissing in beroep Hof van beroep te Antwerpen 03.11.2009](https://juriel.be/nl/rechtspraak/strafbepaling-administratieve-geldboete-vervolging-geding-hof-van-beroep-antwerpen-2009-11-03-c388)

## Over het document

**Verzameling**

Belgische rechtspraak

**Taal van de tekst**

Nederlands

## Tekst

56 paragrafen

### Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Antwerpen d.d. 27.06.2008

Samenvatting niet beschikbaar

**Tekst van het vonnis**

### Tekst van de beslissing

**V 0 N N I S gewezen en uitgesproken in het gerechtsgebouw te Antwerpen, op zevenentwintig juni tweeduizend en acht in openbare zitting van de 1F kamer van de rechtbank van eerste aanleg van het gerechtelijk arrondissement Antwerpen, al waar zetelden :**

**P. W.**, enig rechter,

**N. D.**, griffier.

**In zake : AR nr. 07/3018/A**

**NV K. N. T. O.**, ingeschreven in de kruispuntbank der ondernemingen onder het nummer …, met maatschappelijke zetel gevestigd te …, ….

**eisende partij,**

verschijnende bij meester **K. H.**, advocaat, kantoorhoudende …, …

**tegen :**

**DE BELGISCHE STAAT**,

Federale Overheidsdienst Financiën, Administratie van de Belasting over de Toegevoegde Waarde, Registratie en Domeinen, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, wiens burelen gevestigd zijn te Brussel, op vervolging en benaarstiging van de Gewestelijk Directeur van de Administratie van de Belasting over de Toegevoegde Waarde, Registratie en Domeinen te Antwerpen in de persoon van de eerstaanwezend inspecteur van het eerste BTW-ontvangkantoor te Antwerpen, met burelen gevestigd te 2000 Antwerpen, Italiëlei 4 bus 4.

**verwerende partij,**

verschijnende bij meester **A. v. L. d. J.**, advocaat, kantoorhoudende te …, ….

Gezien de stukken in het dossier der rechtspleging, onder meer :

\- het verzoekschrift neergelegd ter griffie op 7 mei 2007,

\- de besluiten van partijen.

Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van talen in gerechtszaken.

Gelet op de verordeningen van de Raad van de ministers nummer 974/98 van 03 mei 1998 en nummer 1103/97 van 17 juni 1997 en de wetten van 26 juni 2000 en 30 juni 2000 ter invoering van de euro.

Gehoord de partijen in hun middelen en gezegden ter zitting van 20 juni 2008.

---

De vordering strekt ertoe de opgelegde boete onwettig te verklaren, in ondergeschikte orde de opgelegde boete kwijt te schelden, minstens deze in belangrijke mate te verminderen, desgevallend een prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof, de terugbetaling te bevelen van alle ten onrechte betaalde of geïnde sommen, te verhogen met de gerechtelijke intrest, gerekend aan de wettelijke intrestvoet in fiscale zaken, te rekenen vanaf 7 mei 2007 tot de dag der effectieve terugbetaling, en de kosten van het geding.

## Beoordeling

## Betreffende de geldboete

Wegens het niet indienen van BTW-aangiften en het niet betalen van de verschuldigde BTW heeft de administratie een bijzondere rekening opgemaakt voor het tijdvak van 31 juli 2006 tot 31 oktober 2006 waaruit bleek dat eiseres 540.058,06 EUR BTW, 53.1570,00 EUR geldboete en 4.286,16 EUR intresten verschuldigd was.

Bij aangetekende brief van 22 november 2006 werd aan eiseres kennisgegeven van de bijzondere rekening en op 14 december 2006 ging eiseres over tot betaling.

Op verzoek van eiseres werd de geldboete van 53.570,00 EUR verminderd tot 26.785,00 EUR door de directorale beslissing van 10 april 2007.

Volgens eiseres werd de opgelegde geldboete van 53.570,00 EUR niet voldoende gemotiveerd door de kennisgeving van de bijzondere rekening en is zij aldus nietig.

De motiveringsverplichting heeft tot doel de bestuurde alle informatie te verschaffen die hij nodig heeft om te kunnen beoordelen of het zin heeft zich te verweren tegen de bestuurshandeling en hem in staat te stellen met kennis van zaken op een nuttige wijze desgewenst de bestuurshandeling aan te vechten.

Bijgevolg heeft de wet tot doel te vermijden dat de bestuurde een procedure moet inspannen teneinde de motieven te vernemen.

Voor de geldigheid van de geldboete volstaat het dat de aangesproken belastingplichtige zonder misverstand ingelicht zou zijn over de geldboete en over de motivering van deze geldboete.

Een geldboete is aldus voldoende gemotiveerd indien het de belastingplichtige toelaat de motieven te onderzoeken die door de administratie worden ingeroepen om deze geldboete toe te passen.

Uit de kennisgeving van de bijzondere rekening blijkt ontegensprekelijk dat eiseres kennis had van de redenen die de administratie ertoe hebben aangezet om tegen haar een geldboete van 10 % op te leggen en zij kon hieruit onomstotelijk afleiden waarom deze geldboete werd toegepast zodat haar dan ook een inzicht werd verschaft in de motieven van de geldboete en zij dan ook terdege kon oordelen of het zin had zich hiertegen te verzetten.

De verwijzing naar artikel 1, 1° en punt I, 2, A van de eerste afdeling van tabel G, gevoegd bij het KB nr. 41 van 30 januari 1987 tot vaststelling van het bedrag van de proportionele fiscale geldboeten op het stuk van de BTW, genomen ter uitvoering van de artikelen 70, 71 en 84 W.BTW, in de bijzondere rekening geeft immers zeer duidelijk op dat deze geldboete van 10 % werd opgelegd wegens het feit dat eiseres de verschuldigde BTW van 540.058,06 EUR niet had betaald, waarvan de opeisbaarheid bleek uit deze bijzondere rekening.

Het staat ontegensprekelijk vast dat de kennisgeving van de bijzondere rekening eiseres heeft toegelaten de motieven te onderzoeken die door de administratie werden ingeroepen om deze geldboete van 10 % toe te passen.

De geldboete van 10 % is wettelijk en voldoende gemotiveerd overeenkomstig artikel 109 van de wet van 4 augustus 1986.

De rechtbank is van oordeel dat de geldboete, die later door de directorale beslissing van 10 april 2007 werd verminderd tot 26.785,00 EUR, in redelijke verhouding staat met de gepleegde inbreuk en met de ernst van de feiten.

## Betreffende de rechtsplegingsvergoeding

Om de waarde van de vordering te bepalen kunnen er drie mogelijkheden zich voordoen, namelijk :

\- eis is in geld uitgedrukt (artikelen 557 tot 562 Ger. W.);

\- eis is niet in geld uitgedrukt, maar wel in geld waardeerbaar (artikel 592 Ger. W.);

\- eis is zelfs niet in geld waardeerbaar.

Te dezen wordt gevorderd de opgelegde boete onwettig te verklaren, in ondergeschikte orde de opgelegde boete kwijt te schelden, minstens deze in belangrijke mate te verminderen; weliswaar wordt ook gevorderd om de terugbetaling te bevelen van alle ten onrechte betaalde of geïnde sommen, te verhogen met de gerechtelijke intrest, doch er wordt niet nader gepreciseerd welke sommen zouden betaald zijn en welke bedragen eiseres terugvordert zodat deze bedragen aldus niet worden bepaald.

Niettegenstaande de opgelegde boete een som geld tot voorwerp heeft, wordt te dezen gevorderd om de opgelegde boete niet te moeten betalen en om een niet nader bepaald bedrag terug te betalen zodat er aldus geen som geld wordt geëist.

Bijgevolg is de vordering van eiseres overeenkomstig de artikelen 557 tot 562 en 618 Ger. W. niet in geld uitgedrukt.

Artikel 2 KB van 26 oktober 2007 tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in artikel 1022 Ger. W. bepaalt uitdrukkelijk dat voor geschillen die betrekking hebben op in geld waardeerbare vorderingen het bedrag van de vordering wordt vastgesteld overeenkomstig de artikelen 557 tot 562 en 618 Ger. W. in verband met de bepaling van de bevoegdheid en de aanleg; hieruit volgt dat voor de vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding de waarde van de vordering niet kan worden vastgesteld overeenkomstig artikel 592 Ger. W., zijnde een eis die niet in geld is uitgedrukt maar wel in geld waardeerbaar is.

Aangezien de vordering van eiseres overeenkomstig de artikelen 557 tot 562 en 618 Ger. W. niet in geld is uitgedrukt en aangezien - zoals hoger vermeld - voor de vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding de waarde van de vordering niet kan worden vastgesteld overeenkomstig artikel 592 Ger. W., staat het vast dat dit geschil voor de vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding betrekking heeft op een niet in geld waardeerbare vordering.

Krachtens artikel 3 van voornoemd KB van 26 oktober 2007 bedraagt het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding aldus 1.200,00 EUR, het minimumbedrag 75,00 EUR en het maximumbedrag 10.000,00 EUR.

Geen van de partijen heeft verzocht het basisbedrag te verminderen of te verhogen zodat de rechtbank dit basisbedrag moet toekennen.

### Beschikkend gedeelte

**OM DEZE REDENEN,**

**DE RECHTBANK,**

Rechtdoende op **tegenspraak**,

Alle andere en strijdige conclusies verwerpend,

Verklaart de vordering toelaatbaar, doch ongegrond en wijst deze af.

Veroordeelt eiseres tot de kosten van het geding tot op heden door verweerder begroot op en door de rechtbank ambtshalve vereffend op 1.200,00 EUR rechtsplegingsvergoeding.

**N. D.** **P. W.**
