---
title: "19 april 2011 · Strafbepaling, administratieve geldboete · Hof van beroep te Gent"
description: "Strafbepaling, administratieve geldboete, vervolging, geding, rechten en voorrechten schatkist, werkingssfeer. Hof van beroep te Gent (België), 19 april 2011."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak/strafbepaling-administratieve-geldboete-vervolging-geding-hof-van-beroep-gent-2011-04-19-92af"
lang: "nl"
---

# Strafbepaling, administratieve geldboete, vervolging, geding, rechten en voorrechten schatkist · Belasting over de toegevoegde waarde

**Rechtscollege**

Hof van beroep

**Zetel**

Gent

**Datum**

19 april 2011

## Over het document

**Verzameling**

Belgische rechtspraak

**Taal van de tekst**

Nederlands

## Tekst

92 paragrafen

### Fiche van de FOD Financiën

Arrest van het Hof van beroep te Gent d.d. 19.04.2011

Samenvatting niet beschikbaar

**Tekst van het arrest**

### Tekst van de beslissing

**HOF VAN BEROEP TE GENT**

Nr. **2010/AR/701**

in de zaak van :

**F. & Cie NV**, met maatschappelijke zetel te …, …; ingeschreven in de kruispuntbank van ondernemingen onder het nummer …,

**appellante,**

hebbende als raadsman mr. **S. L.**, advocaat te …, …

**tegen :**

**DE BELGISCHE STAAT**, FOD Financiën, Algemene Administratie van de Fiscaliteit, sector BTW, in de persoon van de e.a. Inspecteur van het BTW­Ontvangkantoor te Roeselare, wiens kantoren gevestigd zijn te 8800 ROESELARE, Rondekomstraat 30,

**geïntimeerde,**

hebbende als raadsman mr. **V. D. P. J.**, advocaat te …, …

spreekt het Hof het volgend arrest uit :

1\. Bij fiscaal verzoekschrift neergelegd ter griffie van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brugge op 1 december 2008 bestreed de appellante het dwangbevel (RCN nr. …) op haar naam, uitgevaardigd door **C. P.**, eerstaanwezend inspecteur a.i. bij een fiscaal bestuur van het BTW­ontvangkantoor te Roeselare op 24.10.2008, geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 27.10.2008 door **R. C.**, e.a. Inspecteur a.i., controlekantoor Torhout 1, aangewezen door de gewestelijke directeur van de belasting over de toegevoegde waarde te Brugge.

In dit dwangbevel werd opgenomen als schuld ten laste van de appellante: een bedrag van … EUR aan BTW + … EUR als geldboete krachtens [artikel 70, § 1bis BTW-wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-70), hetzij in totaal … EUR, meer de intrest aan 0,80 % per maand vertraging te rekenen over de verschuldigde BTW vanaf 21.102006, de moratoire intrest over de nog verschuldigde geldboeten die loopt vanaf de kennisgeving of betekening van het dwangbevel ingevolge [artikel 91, § 4 van het BTW-wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-91), de vervolgingskosten.

Voor de eerste rechter vorderde de appellante:

"

Akte te verlenen aan (de appellante) dat zij bij verzoekschrift verzet heeft aangetekend tegen de tenuitvoerlegging van het dwangbevel d.d. 28 oktober 2008 (artikels 85, § 2, 3° 89, al. 2, W.BTW);

Tevens akte te verlenen van de betwisting van het standpunt zoals ingenomen in het proces-verbaal d.d. 21 oktober 2008, zoals op 28 oktober 2008 ter kennis gebracht bij geviseerd en uitvoerbaar verklaard dwangbevel met RCIV-nr. …;

Het verzoekschrift van (de appellante) toelaatbaar en gegrond te verklaren;

Dienvolgens te zeggen voor recht dat de overeenkomst tussen (de appellante) en de bezetters van het onroerend goed gelegen te …, aan de …, overeenkomstig artikel 18, § 1 W.BTW als een BTW-onderworpen dienst moet worden beschouwd daar het een contract betreft dat tot voorwerp heeft : (...) 6° (.. ) "de overdracht van of het verlenen van al dan niet exclusieve rechten op het recht een beroepswerkzaamheid uit te oefenen."

Aldus te zeggen voor recht dat de betreffende overeenkomst aan de BTW onderworpen is en dat de gedaagde de BTW-aftrek ad … euro voor werken aan het gebouw dient toe te staan;

De administratieve beslissing in die zin te hervormen;

Subsidiair, (de appellante) niet te veroordelen tot betaling van een geldboete zoals bedoeld in artikel 59, § 1 W.BTW.

Subsidiair, in geval de rechtbank zou oordelen dat er sprake is van een vrijgestelde "onroerende verhuur" te horen bevelen dat (de geïntimeerde) de teveel aangerekende BTW zal terugbetalen aan (de appellante)"

Bij vonnis van 23.12.2009 van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brugge, vierde kamer, werd de vordering ontvankelijk doch ongegrond verklaard en werd de appellante veroordeeld tot de kosten.

Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het Hof van Beroep te Gent op 15.3.2010 heeft de appellante hoger beroep ingesteld tegen het vermelde vonnis.

Het blijkt niet dat dit vonnis werd betekend of dat de appellante er in zou hebben berust;

Het hoger beroep is tijdig en regelmatig.

Het hoger beroep strekt ertoe het bestreden vonnis te horen hervormen en :

> "
>
> …
>
> Akte te verlenen aan appellante dat zij bij verzoekschrift verzet heeft aangetekend tegen de tenuitvoerlegging van het dwangbevel d.d. 28 oktober 2008 (artikels 85, § 2, 3° 89, al. 2, W.BTW);
>
> Derhalve de betwisting van het standpunt van de geïntimeerde, zoals ingenomen in het proces-verbaal d.d. 21 oktober 2008, zoals op 28 oktober 2008 ter kennis gebracht bij geviseerd en uitvoerbaar verklaard dwangbevel met RCIV-nr. …, gegrond te verklaren;
>
> Derhalve te zeggen voor recht dat de overeenkomst tussen de appellante en de bezetters van het onroerende goed gelegen te …, aan de …, overeenkomstig artikel 18, § 1 W.BTW als een BTW onderworpen dienst moet worden beschouwd daar het een contract betreft dat tot voorwerp heeft : (...) 6° (...) “de overdracht van of het verlenen van al dan niet exclusieve rechten op het recht een beroepswerkzaamheid uit te oefenen”.
>
> Derhalve te zeggen voor recht dat de betreffende overeenkomst aan de BTW onderworpen is en dat de geïntimeerde de BTW-aftrek ad … euro voor werken aan het gebouw dient toe te staan;
>
> De administratieve beslissing in die zin te hervormen;
>
> De appellante aldus te ontslaan van de ten onrechte ingevorderde belastingen;
>
> Subsidiair, de appellante niet te veroordelen tot betaling van·een geldboete zoals bedoeld in artikel 59, § 1 W.BTW.
>
> Subsidiair, in geval het Hof zou oordelen dat er sprake is van een vrijgestelde "onroerende verhuur", te horen bevelen dat de geïntimeerde de teveel aangerekende BTW zal terugbetalen de appellante."

De geïntimeerde van zijn kant vordert dat het hoger beroep ongegrond zou worden verklaard en dat het bestreden vonnis zou worden bevestigd.

2.

a.

De appellante bekostigde verbouwingen aan haar gebouw gelegen te …. De werken werden uitgevoerd door de BVBA **F.** met eigen personeel, terwijl de BVBA **F.** ook de materialen kocht. De BVBA **F.** factureerde vervolgens de verbouwingen aan de appellante die de BTW op deze facturen in aftrek bracht in haar BTW-aangiften, dit voor een totaal bedrag van … EUR.

De geïntimeerde verwierp deze aftrek omdat volgens hem het gebouw in kwestie voorwerp uitmaakte van een onroerende verhuur ([artikel 44, § 3, 2° BTW-wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-44)), zodat de BTW niet aftrekbaar was ([artikel 45, § 1 BTW­wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-45)). Deze stelling wordt door de appellante betwist, nu het volgens haar niet gaat om een onroerende verhuur maar om een dienst in de zin van [artikel 18, § 1 tweede lid, 6° BTW-wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-18) en meer bepaald : "in speciaal daartoe uitgeruste gebouwen, de nodige bedrijfsruimte (aan de bezetters ervan) ter beschikking te stellen, teneinde hun beroepswerkzaamheid in optimale omstandigheden uit te oefenen".

De vrijstelling voor onroerende verhuur voorzien bij [artikel 44, § 3, 2° BTW­wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-44) en artikel 13 B.b van de zesde Richtlijn nr. 77/388/EEG Raad 17 mei 1977 vormt een uitzondering op het algemene beginsel dat BTW wordt geheven over ·elke dienst die door een belastingplichtige onder bezwarende titel wordt verricht, en strikt moet worden uitgelegd (zie bijvoorbeeld HvJ, d.d. 11.6 2009, [C-572/07](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-572-07-arrest), inzake van RLRE Tellmer Property sro tegen Financni reditelstvi v Ûsti nad Labem, cijfer 16, http://curia.europa.eu ). Dit beginsel van strikte uitlegging betekent evenwel niet dat de bewoordingen die ter omschrijving van de vrijstellingen van [artikel 13 van de Zesde Richtlijn](https://juriel.be/nl/unierecht/zesde-richtlijn-77-388/artikel-13) zijn gebruikt aldus moeten worden uitgelegd dat zij geen effect meer sorteren. Deze dienen te worden uitgelegd in het licht van hun context en van de doelstellingen en algemene opzet van de Zesde richtlijn, waarbij in het bijzonder rekening moet worden gehouden met de ratio legis van de betrokken vrijstelling (zie bijvoorbeeld HvJ, d.d. 16.10.2008, [C-253/07](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-253-07-arrest), inzake van Canterbury Hockey Club, Canterbury Ladies Hockey Club tegen The Commissioners for Her Majesty's Revenue and Customs, cijfer 17, http://curia.europa.eu ).

Verhuur van onroerende goederen in de zin van artikel 13, B.b, van de Zesde richtlijn wordt door het Hof van Justitie van de Europese Unie gedefinieerd als het door de eigenaar van een onroerend goed onder bezwarende titel en voor een overeengekomen tijdsduur aan de huurder verleende recht, dit onroerend goed te gebruiken en ieder ander van het genot van dat recht uit te sluiten (zie bijvoorbeeld HvJ, d.d. 11.6.2009, [C-572/07](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-572-07-arrest), inzake van RLRE Tellmer Property sro tegen Financni reditelstvi v Ûsti nad Labem, cijfer 20., http://curia.europa.eu ).

Volgens het Hof van Justitie van de Europese Unie is de verhuur van onroerend goed in de regel een betrekkelijk passieve activiteit, die enkel verband houdt met het tijdsverloop en geen toegevoegde waarde van betekenis oplevert, en onderscheidt het dergelijke verhuur van andere activiteiten die ofwel een zakelijk-industrieel en commercieel karakter hebben, ofwel een voorwerp hebben dat beter wordt gekarakteriseerd door het leveren van een prestatie dan· door de enkele terbeschikkingstelling van een goed (vergelijk met HvJ, d.d. 18.11.2004, [C-284/03](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-284-03-arrest), Belgische Staat tegen Temco Europe SA, cijfer 20, http://curia.europa.eu ).

b.

De facturen waarvan de appellante de BTW in aftrek heeft gebracht hebben betrekking op een periode van 29.4.2005 tot 18.1.2006 (zie het proces­verbaal d.d. 21.10.2008 van de BTW, stuk 1 van de appellante, p. 4).

Ten tijde van de controle door de BTW-ambtenaren nl. op 12.12.2006 werd door de controlerende ambtenaar onder meer vastgesteld :

• dat niets erop wees dat de appellante zelf in de verbouwde gebouwen activiteiten ontplooide of diensten verleende aan gebruikers van het gebouw;

• dat het verbouwde gedeelte van het gebouw door de BVBA **F.** in gebruik was genomen en de rest van het gebouw leegstond;

• er geen schriftelijke overeenkomst was opgesteld tussen de appellante en de BVBA **F.**;

• bij brief van 25.9.2007 van het boekhoudkantoor **C.** een ontwerp van overeenkomst werd voorgelegd waarbij ook een ingekleurd plan als bijlage gevoegd was;

Er moet worden opgemerkt dat bij nazicht in de stukkenbundels van de partijen deze laatste brief door niemand wordt voorgelegd, maar de stukkeninventaris van de geïntimeerde wel melding maakt bij haar stuk 10 van een "eerste versie van het ontwerp van overeenkomst", waaruit dan afgeleid moet worden dat dit stuk het ontwerp is dat wordt bedoeld. Volgens dit stuk 10 lijkt het niet zozeer een ontwerp te zijn, maar heeft het alles weg van een schriftelijke, ondertekende overeenkomst die afgesloten werd op 16.3.2007 te …, de handtekening draagt van personen handelend namens de partijen bij de overeenkomst NV **F.** & Cie, BVBA **F.** & C°, NV **B.** en BVBA **I. M. P.**. De schriftelijke overeenkomst in kwestie draagt ook op elk blad verschillende parafen.

De appellante legt dan weer een andere schriftelijke overeenkomst voor onder haar stuk 1, dat zij in haar stukkeninventaris betitelt als "kopie van de finale overeenkomst tot regeling van de terbeschikkingstelling van een bedrijfsruimte met bijhorende dienstverlening en andere verstrekkingen van «5/2008»", wat overeenstemt met de titel bovenaan dit stuk. De onprecieze datum van "5/2008" wordt door de appellante uitgelegd als gevolg van het feit dat de overeenkomst door de ondertekenaars werd ondertekend op verschillende data. Deze overeenkomst is volgens dit stuk gesloten tussen de NV **F.** & Cie, de BVBA **F.** & C°, de NV **B.**, de BVBA **I. M. P.**, en de·NV D & B **B.** Ltd.

Daarenboven legt de appellante onder haar stukken 2a en 2b nog twee overeenkomsten voor. De beide overeenkomsten dragen de titel "Toetreding tot de overeenkomst d.d. 16/03/2007 tot regeling van de terbeschikkingstelling van een bedrijfsruimte", en zijn gedateerd "november 2008". Volgens vermelding op de stukkeninventaris van de appellante gaat het respectievelijk om een "contract toetreding GCV **B.**" en om een "contract toetreding NV **D. K.**". Niet alleen in de titel zelf, maar ook in de overeenkomsten wordt bij herhaling verwezen naar de overeenkomst van 16.3.2007. Deze verwijzingen naar de overeenkomst van 16.3.2007 verwonderen, nu volgens de appellante de uiteindelijke overeenkomst die is van 5/2008. Deze overeenkomsten onder de stukken 2a en 2b van de appellante werden ondertekend zowel door de nieuwe toetredende gebruiker als door de meeste andere gebruikers (in de ene overeenkomst de NV **F.** & Cie, de BVBA **F.** & C°, de NV **B.**, de BVBA **I. M. P.**; en de NV D & B **B.** Ltd, de NV **D. K.**, **B./F. F.**; in de andere overeenkomst de NV **F.** & Cie, de BVBA **F.** & C°, de NV **B.**, de BVBA **I. M. P.**, de NV **D. K.**).

Uit deze gegevens kan alleen maar afgeleid worden dat de schriftelijke overeenkomst van 5/2008 niet de geldende overeenkomst is tussen de appellante en de gebruikers zoals de appellante wil voorhouden, maar wel de overeenkomst van 16.3.2007.

c.

De controlerende ambtenaar stelde op 12.12.2006 reeds vast dat het verbouwde deel van het gebouw door de BVBA **F.** & C° in gebruik was genomen. Volgens de overeenkomst d.d. 16.3.2007 wordt het pand ter beschikking gesteld van de exploitanten (p. 2). In artikel 2 van de overeenkomst worden de ruimten met gele kleur aangeduid die in hoofdzaak bestemd zijn om te worden aangewend door exploitant 1. Voor exploitant 2 worden dit de ruimten aangeduid met roze kleur. De bedrijfsvoering van exploitant 3 gebeurt in het ganse pand, en de exploitanten moeten onder elkaar overeenkomen op welke plaatsen in het pand (gele, roze, of groene - gemeenschappelijke - ruimte) exploitant 3 zijn activiteiten zal uitvoeren. De in groene kleur aangeduide ruimten worden verondersteld door alle exploitanten te worden aangewend. Het Hof merkt op dat het hierbij afgaat op, de tekst van de overeenkomst, nu op de door de geïntimeerde voorgelegde zwart/wit-fotokopij van de overeenkomst geen kleuren waar te nemen zijn.

Aldus moet aangenomen worden dat aan de contracterende exploitanten het recht wordt verleend om het onroerend goed te gebruiken. Het feit dat de verdeling van het gebruik van het onroerend goed niet volledig in de overeenkomst wordt geregeld maar deze overeenkomst voorziet dat de exploitanten dit verder nader moeten regelen in onderlinge overeenkomst doet hieraan geen afbreuk.

De contracterende exploitanten verkrijgen het recht ieder ander van dat genot uit te sluiten. Dit wordt bijvoorbeeld bevestigd in artikel 6 van de overeenkomst, waaruit blijkt dat zij elk over een sleutel/badge beschikken, zij zich ertoe verbinden deze sleutel/badge goed te zullen bewaren, en zich er ook toe verbinden om bij verlies ervan onder meer het nodige te doen om te verhinderen dat onbevoegden zich toegang verschaffen tot het gebouw. Dat de exploitanten volgens de overeenkomst onder elkaar nog een deel van de te gebruiken ruimtes moeten verdelen en dat bepaalde ruimtes gemeenschappelijk zullen gebruikt worden door meerdere exploitanten, of nog dat de ruimten van andere exploitanten slechts mogen betreden worden voor de doorvoer van producten van de ene plaats naar de andere, doet geen afbreuk aan het feit dat zij ieder ander aan wie het recht van gebruik niet werd verleend, van het genot van hun recht van gebruik van het gebouw mogen uitsluiten. Dit geldt zelfs ten aanzien van de appellante/eigenaar aan wie maar toegang moet worden verleend "voor het uitvoeren van alle noodzakelijke onderhouds- of herstelwerken" (artikel 8 van de overeenkomst), wat geen afbreuk doet aan het principiële recht hem van het genot uit te sluiten. Een beperking in het recht van gebruik neemt niet weg dat dit gebruik uitsluitend is ten opzichte van eenieder die niet op grond van de wet of de overeenkomst een recht kan doen gelden ten aanzien van het goed dat het voorwerp van de huurovereenkomst vormt (vergelijk met HvJ, d.d. 18.11.2004, [C-284/03](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-284-03-arrest), Belgische Staat tegen Temco Europe SA, cijfers 24-25, http://curia.europa.eu ).

Verder blijkt uit de overeenkomst dat onder meer voor dit recht van gebruik een vergoeding moet worden betaald, zodat de eigenaar/appellante het besproken recht op het onroerend goed verleent onder bezwarenden titel. De partijen hebben eveneens de duur van het recht bepaald, nl. onbepaalde duur (artikel 12 van de overeenkomst) en de vergoeding voor de terbeschikkingstelling gebeurt in functie van het tijdsverloop nl. voor een vast bedrag per jaar (geïndexeerd), te betalen in 12 maandelijkse schijven (artikelen 3 en 4 van de overeenkomst). Hierin wordt geen afbreuk gedaan door het feit dat de huurovereenkomst voorziet in beëindigingsmogelijkheden.

Uit niets kan afgeleid worden dat benevens de (passieve activiteit van) terbeschikkingstelling van het onroerend goed, de appellante nog diensten levert. De verbalisant stelde dit op zijn plaatsbezoek (12.12.2006) reeds vast (zie het proces-verbaal d.d. 21.10.2008, stuk 1 van de geïntimeerde, blz. 1), terwijl op dat ogenblik de BVBA **F.** en C° reeds het verbouwde deel van het gebouw gebruikte. Waar logischerwijze het verlenen van diensten in normale omstandigheden ook kosten voor de appellante zou moeten met zich brengen,. zou het voor de appellante mogelijk moeten zijn stukken voor te leggen waaruit het verschaffen van dergelijke diensten in werkelijkheid blijkt, doch de appellante doet dit niet. Loutere beweringen, of nog de bepalingen van de niet toepasselijke schriftelijke overeenkomst van 5/2008,. leveren dergelijk bewijs niet.

Zo volgens de overeenkomst d.d. 16.3.2007 de appellante periodiek de afrekening van de gemeenschappelijke lasten opmaakt, dan is dit evident bijkomstig aan de passieve terbeschikkingstelling van het gebouw. Deze gemeenschappelijke lasten (zoals bvb. de nutsvoorzieningen), die toch verband houden met het feit dat de exploitanten het gebouw moeten kunnen gebruiken, zijn eveneens bijkomstig aan de terbeschikkingstelling van het onroerend goed, ongeacht de wijze waarop zij onder de· exploitanten worden verdeeld. Deze lasten worden volgens artikel 5 van de overeenkomst gedragen door de exploitanten volgens een verdeelsleutel die zij zelf in onderling overleg moeten bepalen, wat geen afbreuk doet aan wat hierboven werd uiteengezet.

Het feit dat er gemeenschappelijke delen zijn, die dienstig zijn voor alle exploitanten aan wie het hoger omschreven gebruiksrecht wordt verleend, wijst evenmin op het leveren van diensten door de appellante. Ook de gemeenschappelijke delen worden passief ter beschikking gesteld.

Het verbod om gevaarlijke en schadelijke goederen te stockeren is een beperking in het gebruik van het ter beschikking gestelde pand, dat trouwens bestemd is volgens de aanhef van de overeenkomst voor "uitbating van een slachthuis met vleesbewerking". Dit is niet in strijd met een passieve terbeschikkingstelling van het onroerend goed, en wijst niet op dienstverleningen vanwege de appellante.

Hetgeen voorafgaat leidt tot het besluit dat te dezen het gebouw waarvoor BTW werd in aftrek gebracht door de appellante, in hoofdzaak voorwerp was van de passieve terbeschikkingstelling tegen een vergoeding die verband houdt met het tijdsverloop, en derhalve voorwerp was van een onroerende verhuur in de zin van de artikelen [44, § 3, 2°](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-44) BTW-wetboek en 13, B, eerste lid, b) van de zesde richtlijn 77/388/EEG (waarvan [artikel 44, § 3, 2° BTW­wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-44) de implementatie is).

Terecht heeft de geïntimeerde dan ook de aftrek van BTW verworpen.

3\. De geïntimeerde heeft een administratieve boete opgelegd conform [artikel 70, § 1bis van het BTW-wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-70) (die in een boete voorziet van 200 %), die verminderd werd in toepassing van [artikel 1](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-41-januari-vaststelling-bedrag-proportionele-fiscale-d48c#ar41-art1) en [4](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-41-januari-vaststelling-bedrag-proportionele-fiscale-d48c#ar41-art4) van het KB nr. 41 van 30.1.1987 tot vaststelling van het bedrag van de proportionele fiscale geldboeten op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde, tabel H, tot 10 %. Deze boete werd correct bepaald overeenkomstig deze wettelijke bepalingen. De beweerde goede trouw van de appellante en de beweerde kwade trouw van de geïntimeerde (die erin zou bestaan blind te zijn voor de werkelijke bedoelingen van de appellante en te eisen dat de appellante de overeenkomst zou aanpassen) staan niet vast, en komen trouwens wettelijk niet in aanmerking voor de bepaling van de administratieve boete. De opgelegde boete is niet onredelijk of onevenredig met de inbreuk.

### Beschikkend gedeelte

**OP DEZE GRONDEN,**

**HET HOF**, rechtdoende op **tegenspraak**,

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken;

Ontvangt het hoger beroep doch verklaart het ongegrond;

Bevestigt het bestreden vonnis;

Veroordeelt de appellante tot de kosten van het hoger beroep en begroot deze kosten in hun geheel als volgt :

• aan de zijde van de appellante : op … EUR rechtsplegingsvergoeding hoger beroep;

• aan de zijde van de geïntimeerde : op … EUR rechtsplegingsvergoeding hoger beroep.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van beroep te Gent, **vijfde kamer**, recht doende in fiscale zaken, op **NEGENTIEN APRIL TWEEDUIZEND EN ELF**.

Aanwezig de Heren :

**A. D. M.**, Kamervoorzitter, Voorzitter,

**G. T.** en **D. V.**, Raadsheren,

**M. V.**, griffier.

**M. V.** **D. V.** **G. T.** **A. D. M.**

***Lasten en bevelen dat alle daartoe gevorderde gerechtsdeurwaarders dit arrest ten uitvoer zullen leggen;***

***Dat Onze procureurs-generaal en Onze procureurs des Konings bij de rechtbanken van eerste aanleg daaraan de hand zullen houden en dat alle bevelhebbers en officieren van de openbare macht daartoe de sterke hand zullen bieden wanneer dit wettelijk van hen gevorderd wordt;***

***Ten blijke waarvan dit arrest is ondertekend en gezegeld met het zegel van het Hof. Voor eensluidende uitgifte in uitvoerbare vorm afgeleverd aan DE BELGISCHE STAAT.***

***Vrij van expeditierecht ingevolge art. 162, 4° en 280, 1° W. Reg.***

***De Griffier hoofd van dienst,***

***B. C.***

## Aangehaalde teksten

11

[WBTW art. 44](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-44) 4 voorkomens

[WBTW art. 70](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-70) 2 voorkomens

[KB nr. 41 art. 1](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-41-januari-vaststelling-bedrag-proportionele-fiscale-d48c) 1 voorkomen

[KB nr. 41 art. 4](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-41-januari-vaststelling-bedrag-proportionele-fiscale-d48c) 1 voorkomen

[WBTW art. 18](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-18) 1 voorkomen

[WBTW art. 45](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-45) 1 voorkomen

[WBTW art. 91](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-91) 1 voorkomen

[Zesde richtlijn 77/388 art. 13](https://juriel.be/nl/unierecht/zesde-richtlijn-77-388/artikel-13) 1 voorkomen

[C-284/03, arrest van 18 november 2004](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-284-03-arrest) 2 voorkomens

[C-572/07, arrest van 11 juni 2009](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-572-07-arrest) 2 voorkomens

[C-253/07, arrest van 16 oktober 2008](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-253-07-arrest) 1 voorkomen

## Vergelijkbare beslissingen

8

[Hof van beroep te Gent, 27 september 2011](https://juriel.be/nl/rechtspraak/hof-van-beroep-gent-2011-09-27-0347) 6 gemeenschappelijke bepalingen

[Terbeschikkingstelling van bergruimte voor het opslaan van goederen;onroerende verhuur;belastbaar feit](https://juriel.be/nl/rechtspraak/terbeschikkingstelling-bergruimte-opslaan-goederen-onroerende-rechtbank-brussel-2004-05-19-4683) 6 gemeenschappelijke bepalingen

[Werkingssfeer, dienst, belastbare handeling, andere vrijstelling](https://juriel.be/nl/rechtspraak/werkingssfeer-dienst-belastbare-handeling-andere-hof-van-beroep-gent-2009-10-06-7a4e) 6 gemeenschappelijke bepalingen

[Recht op aftrek, onroerende werken, onroerende verhuur, vrijgestelde handeling](https://juriel.be/nl/rechtspraak/recht-aftrek-onroerende-werken-verhuur-hof-van-beroep-brussel-2015-10-15-c01b) 5 gemeenschappelijke bepalingen

[Toekenning van het recht om een beroepswerkzaamheid uit te oefenen ,Onroerende verhuur](https://juriel.be/nl/rechtspraak/toekenning-recht-beroepswerkzaamheid-oefenen-onroerende-hof-van-beroep-gent-2004-03-30-2b8d) 5 gemeenschappelijke bepalingen

[Vrijstelling, andere vrijstelling, recht op aftrek van belasting, strafbepaling](https://juriel.be/nl/rechtspraak/vrijstelling-andere-recht-aftrek-belasting-hof-van-beroep-gent-2008-03-25-39f0) 5 gemeenschappelijke bepalingen

[Vervolging, rechten en voorrechten schatkist, vrijstelling, andere vrijstelling](https://juriel.be/nl/rechtspraak/vervolging-rechten-voorrechten-schatkist-vrijstelling-hof-van-beroep-gent-2007-09-11-3e36) 5 gemeenschappelijke bepalingen

[Vervolging, geding, rechten en voorrechten schatkist, bewijs, controlemaatregel, werkingssfeer](https://juriel.be/nl/rechtspraak/vervolging-geding-rechten-voorrechten-schatkist-hof-van-beroep-gent-2003-10-14-968f) 5 gemeenschappelijke bepalingen
