Strafbepaling, administratieve geldboete, vervolging, geding, rechten en voorrechten schatkist · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Hof van beroep Antwerpen 16 december 2008

Zoeken

Strafbepaling, administratieve geldboete, vervolging, geding, rechten en voorrechten schatkistBelasting over de toegevoegde waarde

https://juriel.be/nl/rechtspraak/strafbepaling-administratieve-geldboete-vervolging-geding-hof-van-beroep-antwerpen-2008-12-16-b5f9

Rechtscollege
Hof van beroep
Zetel
Antwerpen
Datum
16 december 2008

Procesverloop

2 stappen · 6 jaar
  1. Bestreden beslissingRechtbank van eerste aanleg te Antwerpen18.11.2002
  2. Weergegeven beslissingHof van beroep te Antwerpen16.12.2008

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

142 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Arrest van het Hof van beroep te Antwerpen d.d. 16.12.2008

Samenvatting niet beschikbaar

Tekst van het arrest

Tekst van de beslissing

Het Hof van beroep te Antwerpen, zitting houdend te Antwerpen, ZESDE KAMER

Recht doende in burgerlijke zaken,

heeft het volgende arrest uitgesproken :

In zake : 2003/AR/385

K. V. H., bedrijfsleider, wonende te …, …;

appellant,

tegen het vonnis gewezen door de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen van 18 november 2002;

vertegenwoordigd door Meester F. V. loco Meester K. S., advocaat te …, …;

tegen :

1. de BELGISCHE STAAT, Ministerie van Financiën, in de persoon van de heer Minister van Financiën, waarvan het kabinet gevestigd is te 1000 Brussel, Wetstraat 12;

2. de BELGISCHE STAAT, Administratie van de BTW, registratie en domeinen, op benaarstiging van de rekenplichtige Ontvanger van het eerste BTW-Ontvangkantoor te Antwerpen, waarvan de kantoren gevestigd zijn te 2000 Antwerpen, Italiëlei 4 bus 4;

geïntimeerden,

vertegenwoordigd door Meester D. V. loco Meester R. L., advocaat te …, …;


Gelet op de door de wet vereiste processtukken in behoorlijke vorm overgelegd waaronder het bestreden vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen van 18 november 2002, waarvan geen akte van betekening wordt voorgelegd, alsmede het verzoekschrift tot hoger beroep neergelegd ter griffie van het hof van beroep te Antwerpen op 7 februari 2003, waarbij een naar vorm en termijn regelmatig en ontvankelijk hoger beroep wordt ingesteld.

Gelet op het incidenteel beroep ingesteld bij conclusies neergelegd ter griffie van het hof van Beroep van Antwerpen op 13 maart 2003.

Gelet op de herneming van de zaak voor de anders samengestelde zetel van de 6de kamer.

1. Voorafgaande feiten en procedure

1.1. Overzicht

K. V. H. is zelfstandig café-uitbater.

Op 8 augustus 2000 werd een dwangschrift uitgevaardigd, waarin betaling werd gevorderd van de volgende bedragen :

- R.C.I.V. … (bijzondere rekening voor de periode van 1 november 1982 tot 31 januari 1983) : … EUR (… BEF), meer interesten,

- R.C.I.V. … (bijzondere rekening voor de periode van 31 januari 1984 tot 30 april 1984) : … EUR (… BEF), meer interesten,

- R.C.I.V. … (bijzondere rekening voor de periode van 31 juli 1984 tot 31 oktober 1984) : … EUR (… BEF), meer interesten en de boete,

- R.C.I.V. … (bijzondere rekening voor de periode van 30 april 1985 tot 31 juli 1985) : … EUR (…BEF), meer interesten en de boete,

- R.C.I.V. … (n.a.v. controle met betrekking tot de periode van 1 januari 1991 tot 31 december 1993) : … EUR (… BEF), meer interesten, boete en kosten.

1.2. Verzet

K. V. H. tekende verzet aan tegen dit dwangbevel, met dagvaarding van de Belgische Staat voor de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen. Hij vorderde :

"Aldaar akte te horen verlenen aan verzoeker dat hij bij huidige akte een vordering in rechte instelt strekkende tot vernietiging van de dwangbevelen uitgevaardigd op 8 augustus 2000 en de dwangbevelen met refertenummers R.C.I.V. …, R.C.I.V. …, R.C.I.V. …, R.C.I.V. … en R.C.I.V. …, respectievelijk uitgevaardigd door de Rekenplichtige van het Eerste BTW-Ontvangkantoor te Antwerpen, W. T. "dd. 24 februari 1992, E. J. dd. 12 juni 1985, F. R. dd. 13 juli 1983 en P. B. dd. 6 oktober 1995, geviseerd en uitvoerbaar verklaard door de Heer W. K., de Heer D. M. en de Heer P. B. en de heer G. V. M., Hoofdcontroleurs van het Achtste BTW-Ontvangkantoor te Antwerpen dd. 24 oktober 1992, 18 juni 1985, 13 juli 1983 en 10 oktober 1995, daartoe gemachtigd door de Heer Gewestelijke Directeur der Belastingen over de Toegevoegde Waarde, Registratie en Domeinen;

De vordering in rechte van verzoeker ontvankelijk en gegrond te horen verklaren;

De nietigheid van het dwangbevel dd. 8 augustus 2000 en de dwangbevelen met refertenummers R.C.I.V. …, R.C.I.V. …, R.C.I.V. …, R.C.I.V. … en R.C.I.V. …, respectievelijk uitgevaardigd door de Rekenplichtige van het Eerste BTW-Ontvangkantoor te Antwerpen, W. T. dd. 24 februari 1992, E. J. dd. 12 juni 1985, F. R. dd. 13 juli 1983 en P. B. dd. 6 oktober 1995, geviseerd en uitvoerbaar verklaard door de Heer W. K., de Heer D. M. en de Heer P. B. en de heer G. V. M., Hoofdcontroleurs van het Achtste BTW-Ontvangkantoor te Antwerpen dd. 24 oktober 1992, 18 juni 1985, 13 juli 1983 en 10 oktober 1995, daartoe gemachtigd door de Heer Gewestelijke Directeur der Belastingen over de Toegevoegde Waarde, Registratie en Domeinen, te horen uitspreken;

Gedaagde zich te horen veroordelen tot terugbetaling aan verzoeker van alle betaalde en/of ingehouden bedragen uit hoofde van de bestreden dwangbevelen, verhoogd met moratoire interesten;

Gedaagde zich bovendien te horen veroordelen tot de kosten van het geding (...);

Het te wijzen vonnis uitvoerbaar te horen verklaren bij voorraad, spijts welk rechtsmiddel ook, zonder zekerheidstelling en met uitsluiting van elk vermogen tot kantonnement".

K. V. H. argumenteerde dat de belastingen niet verschuldigd waren, vermits de vorderingen van de Belgische Staat verjaard waren en dat de vorderingen van de Belgische Staat bovendien behept waren met willekeur.

Bij conclusies van 10 april 2001 vorderde de Belgische Staat de veroordeling van K. V. H. tot betaling van een schadevergoeding van … BEF of … EUR wegens tergend en roekeloos geding.

1.3. Uitspraken in eerste aanleg

Bij tussenvonnis van 3 juni 2002 stelde de rechtbank vast dat de administratie stelde dat de verjaring werd gestuit door haar voorlopige verklaring van schuldvordering van 23 september 1985 en door haar definitieve verklaring van schuldvordering van 5 september 1986 in het faillissement van K. V. H. van 12 september 1985, dat later ingetrokken werd bij arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 21 oktober 1986.

De rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen beval de heropening der debatten teneinde de Belgische Staat toe te laten eventueel het bewijs te leveren van de door hem beweerde aangiftes van schuldvordering in het faillissement van K. V. H. en partijen toe te laten hun standpunt weer te geven met betrekking tot het eventueel door verweerder aangebrachte bewijs.

De Belgische Staat legde vervolgens een afschrift neer van het 'proces-verbaal van nazicht der schuldvorderingen inzake V. H. K.', afgeleverd door de rechtbank van Koophandel te Antwerpen.

De rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen besliste in zijn eindvonnis van 18 november 2002 op basis van een geheel der feiten dat met aanvaardbare zekerheid kon worden aangenomen dat de administratie in de nuttige neerleggingsperiode, met name tussen 12 september en 2 oktober 1985 een voorlopige aangifte van schuldvordering deed in het faillissement van K. V. H..

Aldus werd volgens de eerste rechter de verjaring gestuit voor wat betreft de bijzondere rekeningen van 31 januari 1983, 31 juli 1983, 30 april 1984 en 31 oktober 1984. De verjaring werd opnieuw gestuit door de afstand van verjaring door K. V. H. op 29 juli 1991 en de latere stuitingshandelingen, zodat er voor deze bijzondere rekeningen geen verjaring intrad.

Voor wat de bijzondere rekening per 31 juli 1985 betreft oordeelde de eerste rechter dat er geen bewijs werd geleverd van de neerlegging van een definitieve aangifte van schuldvordering in het faillissement, zodat de verjaring hierdoor niet werd gestuit : "Nu verweerder op hoofdvordering geen geldige stuiting in de loop van de vijf jaar voorafgaand aan de betekening van het dwangbevel van 1992 bijbrengt, was bijgevolg bij het dwangbevel van februari 1992 (...), verjaring ingetreden wat betreft de vordering uit de bijzondere rekening die was afgesloten per 31 juli 1985".

Voor wat de periode van 1 januari 1991 tot en met 31 december 1993 betreft, stelde de eerste rechter vast dat K. V. H. een akkoord ondertekende. De eerste rechter oordeelde dat geen wilsgebrek werd aangetoond en dat er geen onbehoorlijk bestuur in hoofde van de administratie werd aangetoond. Er werd verder verwezen naar het dwangbevel van 6 oktober 1995, betekend op 20 november 1995 en op 8 augustus 2000.

De eerste rechter oordeelde dat de boetes terecht werden opgelegd, doch dat het optreden van K. V. H. niet als tergend en roekeloos kon worden beschouwd.

De vordering van K. V. H. werd bijgevolg gedeeltelijk gegrond verklaard : de uitvoering van het bestreden dwangbevel van 8 augustus 2000 werd verboden in de mate dat het betrekking heeft op de bijzondere rekening over de periode van 30 april 1985 tot en met 31 juli 1985 en het meer en anders gevorderde werd afgewezen.

De tegenvordering van de Belgische Staat werd als ongegrond afgewezen.

K. V. H. werd veroordeeld tot vier vijfden van de kosten van het geding en de Belgische Staat tot één vijfde hiervan.

1.4. Procedure hoger beroep

In zijn verzoekschrift tot hoger beroep, ter griffie van het hof van beroep te Antwerpen neergelegd op 7 februari 2003, vorderde K. V. H. om zijn hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren, het bestreden vonnis van 18 november 2002 te vernietigen en opnieuw recht doende, de vordering van K. V. H. ontvankelijk en gegrond te verklaren :

"Dienvolgens, het dwangbevel dd. 8 augustus 2000 en de dwangbevelen met refertenummers R.C.I.V. …, R.C.I.V. …, R.C.I.V. …, R.C.I.V. … en R.C.I.V. …, respectievelijk uitgevaardigd door de Rekenplichtige van het Eerste BTW-Ontvangkantoor te Antwerpen, W. T. dd. 24februari 1992, E. J. dd. 12 juni 1985, F. R. dd. 13 juli 1983 en P. B. dd. 6 oktober 1995, geviseerd en uitvoerbaar verklaard door de Heer W. K., de Heer D. M. en de Heer P. B. en de heer G. V. M., Hoofdcontroleurs van het Achtste BTW-Ontvangkantoor te Antwerpen dd. 24 oktober 1992, 18 juni 1985, 13 juli 1983 en 10 oktober 1995, daartoe gemachtigd door de Heer Gewestelijke Directeur der Belastingen over de Toegevoegde Waarde, Registratie en Domeinen, te vernietigen;

Dienvolgens verweerster te veroordelen tot terugbetaling aan verzoeker van alle betaalde en/of ingehouden bedragen uit hoofde van de bestreden dwangbevelen, verhoogd met moratoire interesten;

Dienvolgens gedaagde te veroordelen tot de kosten van het geding

(...); "

Bij conclusies van 13 maart 2003 stelde de Belgische Staat incidenteel beroep in :

"Dienvolgens het bestreden vonnis van de 4F Kamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg van Antwerpen, dd.18 november 2002, AR nr. 01/1555/A, te bevestigen, behalve voor wat betreft het onderdeel waarin de uitvoering van het dwangbevel van 8 augustus in de mate dat het betrekking heeft op de bijzondere rekening over de van.30 april 1985 tot en met 31 juli 1985, verboden werd.

En opnieuw recht doende, de oorspronkelijke vordering van appellant ontvankelijk, doch ongegrond te verklaren (…)."

2. Bespreking

2.1. Ontvankelijkheid van het beroep

Het hof stelt vast dat K. V. H. ook hoger beroep instelt voor wat betreft R.C.I.V. … (bijzondere rekening voor de periode van 30 april 1985 tot 31 juli 1985), hoewel de eerste rechter appellant hier gelijk heeft gegeven en deze vordering verjaard heeft verklaard.

Het hoger beroep van K. V. H. is op dit punt onontvankelijk bij gebrek aan belang.

2.2. De verjaring

2.2.1. De toepasselijke wetgeving

Er bestaat geen discussie over het feit dat artikel 81, eerste lid W.BTW, zoals het van toepassing was tot 5 april 1999, bepaalde dat de vordering tot voldoening van de BTW, van de interesten en de administratieve geldboeten verjaart door verloop van vijf jaar, te rekenen vanaf de dag waarop zij is ontstaan.

Het toenmalige artikel 83 W.BTW bepaalde dat de verjaring gestuit kon worden op de wijze en onder de voorwaarden, bepaald bij de artikelen 2244 e.v. B.W. Een nieuwe verjaring, die op dezelfde wijze kon worden gestuit, werd in dat geval verkregen vijf jaar na de laatste stuiting van de vorige verjaring, indien geen rechtsgeding hangende was.

Overeenkomstig artikel 85, § 1 W.BTW kan een dwangbevel worden uitgevaardigd bij gebreke aan voldoening van de belasting, interesten en administratieve geldboete, waarvan kennis wordt gegeven bij een ter post aangetekende brief. De afgifte van het stuk ter post geIdt als kennisgeving vanaf de daaropvolgende dag.

Overeenkomstig artikel 85, § 2 W.BTW stuit die kennisgeving de verjaring van de vordering tot voldoening van de belasting, van de interesten en de administratieve geldboeten en toebehoren. Het dwangbevel mag overeenkomstig artikel 85, § 3 W.BTW ook betekend worden bij gerechtsdeurwaardersexploot, met bevel tot betaling.

2.2.2. De verjaring

• Overzicht

De belastingplichtige roept de verjaring in voor wat betreft de bijzondere rekeningen R.C.I.V. …, R.C.I.V. …, R.C.I.V. … en R.C.I.V. ….

Voor wat R.C.I.V. … betreft werd een dwangbevel van 13 juli 1983 op 15 juli 1983 ter kennis gegeven aan K. V. H.. Dit dwangbevel werd eveneens betekend op 4 oktober 1984, zodat niet wordt betwist dat de verjaring zonder stuiting zou zijn ingetreden op 4 oktober 1989.

Voor wat R.C.I.V. … en R.C.I.V. … betreft werd een dwangbevel van 12 juni 1985, geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 18 juni 1985. Dit dwangbevel werd betekend op 23 juni 1985, zodat niet wordt betwist dat de verjaring zonder stuiting zou zijn ingetreden op 23 juni 1990.

Voor wat R.C.I.V. … betreft werd geen dwangbevel betekend in de periode, voorafgaand aan de afstand van verjaring door K. V. H. op 29 juli 1991.

De discussie betreft de vraag of het bewijs werd geleverd van de indiening door de administratie van een voorlopige en definitieve aangifte in het faillissement van K. V. H., respectievelijk op 23 september 1985 en 5 september 1986 en van de aanvaarding daarvan door de curator.

Indien dit het geval was, werd de verjaring hierdoor rechtsgeldig gestuit en was ze nog niet ingetreden op het moment dat K. V. H. op 29 juli 1991 afstand van verjaring deed.

Over de latere stuitingsdaden bestaat geen discussie.

Ook over de grond van de zaak bestaat voor wat deze rekeningen betreft geen discussie tussen partijen.

• De aangifte in het faillissement en de aanvaarding daarvan.

Volgens de administratie heeft de indiening van een voorlopige of van een definitieve aangifte in het faillissement van de belastingplichtige een verjaring stuitend karakter. De verjaring wordt in dat geval geschorst tot aan de intrekking van het faillissement.

Volgens de belastingplichtige kan enkel de definitieve aanvaarding van een schuldvordering in het faillissement worden beschouwd als een erkenning van het recht van de schuldeiser en dus als een verjaring stuitende daad in de zin van artikel 2248 B.W. K. V. H. wijst erop dat de datum van aanvaarding van de schuldvordering in het passief van het faillissement niet wordt bewezen, zodat niet wordt aangetoond dat de verjaring rechtsgeldig werd gestuit.

Een erkenning in de zin van artikel 2248 B.W. is een eenzijdige rechtshandeling, die betrekking heeft op een verjaring die nog niet is verkregen, gericht is aan de schuldeiser en afkomstig van de schuldenaar zelf. Het moet bovendien gaan om een vrijwillige handeling (C. LEBON, 'Stuiting, schorsing en verlenging van verjaringstermijnen', in Verjaring in het privaatrecht. Weet de avond wat de morgen brengt ?, I. CLAEYS (ed.), Kluwer, Gandaius, Ontmoetingen met Recht 7, 2005, p.110, nr. 34).

Volkomen terecht merkt de belastingplichtige op dat de aangifte van een schuldvordering in het faillissement niet als een erkenning kan worden beschouwd. Ze gaat niet uit van de schuldenaar, doch van de schuldeiser zelf. De aangifte van een schuldvordering bij het faillissement is een duidelijke en ondubbelzinnige uitdrukking van de wil van de schuldeiser om betaald te worden. Ze kan met een ingebrekestelling gelijkgesteld worden (Brussel, 17 november 1992, Pas., 1992, II, 123).

De opneming van een schuldvordering in het passief van een faillissement, zonder voorbehoud of zonder tegenspraak binnen de voorgeschreven termijn en na nazicht, is in beginsel een onherroepelijke rechtshandeling die belet dat de aangenomen schuldvordering nog kan worden betwist (I. VEROUGSTRAETE, Manuel de la faillite et du concordat, Kluwer, 1998, nr. 663). Het betreft derhalve een daad van erkenning die verjaring stuitende werking heeft in de zin van artikel 2248 B.W. (zie Cass., 13 november 1997, T.B.H., 1998, 103).

Het Hof van Cassatie oordeelde dat de verjaring tevens wordt geschorst tot aan de sluiting van het faillissement, en dit overeenkomstig artikel 2251 B.W.. Volgens deze bepaling loopt de verjaring niet tegen hen voor wie de wet een uitzondering maakt : "Overwegende dat de regel van artikel 452 van de Faillissementswet inhoudt dat de algemeen bevoorrechte of gewone schuldeiser tot aan de sluiting van het faillissement wettelijk van de gefailleerde zelf geen betaling kan verkrijgen van zijn schuldvordering maar enkel aanspraken heeft in de boedel;

Dat uit de artikelen 2251 van het Burgerlijk Wetboek en 452 van de Faillissementswet, in hun onderling verband gezien, volgt dat tegen zodanige schuldeiser die aangifte heeft gedaan van zijn vordering, de verjaring niet loopt;

Dat ter zake niet doet dat de schuldeiser tijdens het faillissement een declaratoir vonnis kan verkrijgen tegen de gefailleerde zelf dat niet aan de boedel kan worden tegengeworpen, nu dergelijk vonnis de schuldeiser niet toelaat dit vonnis uit te voeren zolang het faillissement niet gesloten is" (Cass., 13 november 1997, T.B.H., 1998, 103; zie ook S. VANDEWIELE, 'Aangifte van schuldvordering in het faillissement en verjaring', noot onder Gent, 3 februari 2003, R.A.B.G., 2005, afl.1, (83), 86, nr.10).

• De bijzondere rekeningen R.C.I.V. …, R.C.I.V. … en R.C.I.V. ….

De administratie legt geen aangifte van schuldvordering neer, en bijgevolg ook geen bewijs van neerlegging daarvan. Volgens de administratie wordt op afdoende wijze het bewijs geleverd van de indiening van de aangifte van schuldvordering in het faillissement door het door de griffie van de rechtbank van koophandel te Antwerpen afgeleverde afschrift van het proces-verbaal van nazicht van de schuldvorderingen inzake K. V. H. (stuk 26 administratie).

Het hof stelt vast dat stuk 26 van de administratie een proces-verbaal van nazicht van schuldvorderingen in het faillissement van K. V. H. betreft, waaruit blijkt dat de curator voor wat de BTW betreft een bedrag van … BEF heeft aanvaard als bevoorrecht passief en een bedrag van … BEF als gewoon passief.

De belastingplichtige betwist niet dat dit stuk betrekking heeft op de bijzondere rekeningen R.C.I.V. …, R.C.I.V. … en R.C.I.V. …, doch stelt dat de datum van de aanvaarding van deze schuldvordering niet wordt aangetoond.

Het hof stelt vast dat op stuk 26 van de administratie geen datum voorkomt. Op stuk 26a van de administratie werd evenwel door de griffie van de rechtbank van koophandel te Antwerpen bevestigd dat het PV van nazicht van schuldvorderingen in het faillissement van K. V. H. werd neergelegd op 22 oktober 1985.

Het hof oordeelt, gelet op het voorgaande dat er voor wat betreft de bijzondere rekeningen R.C.I.V. …, R.C.I.V. … en R.C.I.V. … een geldige stuitingsdaad werd gesteld op 22 oktober 1985.

Er bestaat geen betwisting over het feit dat het faillissement werd ingetrokken bij arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 21 oktober 1986 (stuk 14 van de administratie). De schorsing van de verjaring overeenkomstig artikel 2251 B.W. nam derhalve een einde op deze datum.

Nu de laatste nuttige stuiting plaatsgreep op 22 oktober 1995 en de loop van de verjaring werd geschorst tot 21 oktober 1986, oordeelt het hof dat de verjaring nog niet was ingetreden op het moment van de afstand van de reeds gelopen verjaring door K. V. H. op 29 juli 1991.

Gelet op de latere, niet betwiste stuiting door middel van dwangbevelen, was de vordering nog niet verjaard op het moment van de dagvaarding op 1 maart 2001. Het oordeel van de eerste rechter dient op dit punt te worden bevestigd.

• De bijzondere rekening R.C.I.V. ….

De administratie stelt dat door de ontvanger op 5 september 1986 een definitieve verklaring van schuldvordering werd ingediend. Ze stelt dat ze geen andere bewijsstukken kan voorleggen van de voorlopige en definitieve verklaring van schuldvordering van de ontvanger.

Voor wat deze rekening betreft, die betrekking heeft op de periode van 30 april 1985 tot 31 juli 1985 stelt de belastingplichtige dat niet aangetoond is dat hiervoor een aangifte van schuldvordering in het faillissement werd ingediend, noch dat de schuldvordering op een nuttig tijdstip op definitieve wijze werd aanvaard in het passief van het faillissement. Deze vordering was bijgevolg reeds verjaard op het moment dat K. V. H. op 29 juli 1991 afstand deed van de verlopen verjaring.

Het hof oordeelt dat uit geen enkel stuk blijkt dat op 5 september 1986 een aangifte van deze schuldvordering zou zijn gedaan. Het staat eveneens vast dat deze schuldvordering niet opgenomen is in het PV van nazicht van schuldvorderingen in het faillissement van K. V. H., dat werd neergelegd op 22 oktober 1985. Uit geen enkel stuk blijkt dat deze schuldvordering door de curator zou zijn aanvaard.

Gelet op het voorgaande werd de verjaring betreffende deze schuldvordering niet gestuit of geschorst, met als gevolg dat de verjaring reeds was ingetreden op het moment dat K. V. H. afstand deed van de reeds gelopen tijd van de verjaring op 29 juli 1991.

Het bestreden vonnis dient ook wat dit punt betreft derhalve te worden bevestigd.

2.3. Ten gronde : met betrekking tot R.C.I.V. …

• Voorwerp van de betrokken rekening.

Voor wat de periode van 1 januari 1991 tot.31 december 1993 betreft werd een controle uitgevoerd en werd een correctieopgave opgesteld. Er werd een dwangbevel, met de correctieopgave als bijlage, uitgevaardigd op 6 oktober 1995 en geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 10 oktober 1995. Het dwangbevel werd betekend op 20 november 1995.

K. V. H. ondertekende op 15 juni 1995 een verklaring waarin hij toegaf, ingevolge een controle over de jaren 1991,1992 en 1993 nog een bedrag verschuldigd te zijn van … BEF.

• Regelmatigheid van het dwangbevel en motivering.

Volgens de belastingplichtige is het dwangbevel onregelmatig, vermits noch uit het dwangbevel, noch uit de bijgevoegde correctieopgave, noch uit de akkoordverklaring afgeleid kan worden om welke inbreuken op de BTW-wetgeving het zou gaan. De belastingplichtige heeft aldus niet de mogelijkheid gehad om de gegrondheid van de vordering te beoordelen.

Het dwangbevel voldoet volgens de belastingplichtige evenmin aan de vereisten, gesteld door de artikelen 1, 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, nu geen enkele motivering en geen enkel feit in het dwangbevel of in de correctieopgave werd opgenomen.

Volgens de administratie is het dwangbevel voldoende gemotiveerd, vermits het verwijst naar de correctieopgave, die steunt op een controle, die uitmondde in een akkoordverklaring van de belastingplichtige op de dag zelf van de controle. De belastingplichtige was dus wel in staat om zich rekenschap te geven van het voorwerp en de oorzaak van de vordering van de administratie en het dwangbevel beantwoordt aan de vereisten, gesteld in de wet van 29 juli 1991.

Overeenkomstig de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 moet een dwangbevel afdoende zijn gemotiveerd, in die zin dat het bestuur de juridische en feitelijke overwegingen moet vermelden die ten grondslag liggen aan de belastingschuld waarvoor het dwangbevel werd uitgevaardigd. Aldus moeten het belastbaar feit, het bedrag en de hoedanigheid van de schuldenaar duidelijk worden gemaakt. De formele motiveringsplicht is er in essentie op gericht de bestuurde een zodanig inzicht te verschaffen in de motieven van de bestuurshandeling dat hij in staat is met kennis van zaken te oordelen of het zin heeft zich tegen de beslissing te verzetten (G. DEBERSAQUES, 'De sanctie verbonden aan het verzuim van een afdoende formele motivering in de zin van de uitdrukkelijke motiveringswet : enkele kanttekeningen', T.B.P., 1994, 644).

De motivering kan ook blijken uit andere stukken waarnaar in de akte wordt verwezen en waarvan de betrokkene voorafgaandelijk in kennis werd gesteld (Cass., 29 mei 2008, Nr. C.07.0193.N; Cass., 22 mei 2008, Nr. F.06.0077.N).

Het hof stelt vast dat in het dwangbevel van 6 oktober 1995, betekend op 20 november 1995 werd vermeld dat de belastingplichtige de in dit dwangbevel vermelde sommen verschuldigd was op grond van een bijgevoegd, voor eensluidend verklaard afschrift van een correctieopgave (zie stuk 20 administratie).

De bedoelde correctieopgave (stuk 19 van de administratie) omvat een berekening van de verschuldigde BTW voor wat betreft de jaren 1991, 1992 en 1993, vertrekkende van de aankopen van goederen volgens de listing leverancier, en waarbij de omzet werd berekend door vermenigvuldiging van het bedrag van de aankopen met 250 %. Er bestaat evenmin betwisting over het feit dat deze berekening werd verricht naar aanleiding van een controle en dat de heer V. H. zich met deze cijfers akkoord verklaard heeft op 15 juni 1995. Deze correctieopgave werd mee betekend met het dwangbevel.

Gelet op de gegevens, vermeld in het dwangbevel en de mee betekende correctieopgave, oordeelt het hof dat voldaan is aan de motiveringsverplichting van de wet van 29 juli 1991.

Om dezelfde reden is het dwangbevel als regelmatig te beschouwen. Het laat immers door zijn inhoud, alsook door de correctieopgave die erbij wordt gevoegd, het voorwerp en de oorzaak van de eis kennen en het verschaft aan de belastingplichtige de mogelijkheid Om de gegrondheid ervan te beoordelen.

• Willekeur

Verder stelt de belastingplichtige dat het dwangbevel is behept met willekeur en dat de administratie de beginselen van behoorlijk bestuur heeft geschonden. Er is sprake van willekeur, vermits de administratie uitgaat van een winstpercentage van 150 % en van het feit dat alle aangekochte goederen effectief ook zouden zijn verkocht. Er wordt ook geen rekening gehouden met de BTW die de belastingplichtige diende te betalen aan haar leveranciers.

De administratie stelt dat de akkoordverklaring op dezelfde dag werd ondertekend als de dag waarop de controle werd uitgevoerd. De belastingplichtige ondertekende het akkoord derhalve met kennis van zaken, er zijn geen wilsgebreken aangetoond en er is terzake geen sprake van willekeur.

Het hof sluit zich aan bij het standpunt van de administratie. In onderhavig geval werd immers een akkoordverklaring ondertekend door de belastingplichtige. Het betreft een akkoord over het bedrag van de omzet, onderworpen aan de BTW en dus een akkoord over feitelijke gegevens. Op een dergelijk akkoord kan enkel worden teruggekomen indien wordt aangetoond dat een vergissing in rechte of in feite werd begaan of dat het akkoord door een wilsgebrek is aangetast.

Er wordt niet aangetoond dat er in hoofde van de belastingplichtige sprake is van dwaling, in die zin dat hij het akkoord niet met kennis van zaken zou hebben ondertekend. Er is evenmin enige aanwijzing dat de belastingplichtige niet uit vrije wil tot ondertekening van het akkoord zou zijn overgegaan of dat de administratie zich zou schuldig gemaakt hebben aan een schending van de beginselen van behoorlijk bestuur. Enige strijdigheid van het akkoord met de wet wordt niet aangetoond.

Vermits akkoorden over feitelijke gegevens, die met kennis van zaken werden gesloten, zowel de administratie als de belastingplichtige binden, kan de belastingplichtige zich op heden niet beroepen op vermeende willekeur om aan de toepassing van het akkoord te ontsnappen.

• De geldboete

Tot slot wijst de belastingplichtige erop dat hij zich nooit akkoord heeft verklaard met de opgelegde geldboete.

De administratie stelt van haar kant dat ze voor het opleggen van een administratieve geldboete geen akkoord behoeft van de belastingplichtige. Deze boete wordt van rechtswege opgelopen .als gevolg van het materieel feit van de overtreding.

Het hof stelt vast dat in de akkoordverklaring inderdaad geen sprake is van een akkoord omtrent de boete, doch dat het opleggen van een boete daarin niet wordt uitgesloten. Het feit dat een akkoord tot stand is gekomen belet niet dat een boete wordt opgelegd, gelet op de artikelen 70, § 1 en 70, § 1bis W.BTW. Het dwangbevel werd op dit punt eveneens afdoende gemotiveerd.

Beschikkend gedeelte

OM DEZE REDENEN,

HET HOF, recht doende op tegenspraak,

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935.

Gelet op de herneming van de zaak voor de anders samengestelde zetel van de 6de kamer.

Verklaart het hoger beroep onontvankelijk in de mate waarin het betrekking heeft op rekening R.C.I.V. … (bijzondere rekening voor de periode van 30 april 1985 tot 31 juli 1985).

Verklaart het hoger beroep voor het overige ontvankelijk doch ongegrond.

Verklaart het incidenteel beroep ontvankelijk doch ongegrond.

Bevestigt de bestreden beslissing.

Veroordeelt K. V. H. tot de kosten van het geding, aan de zijde van de Belgische Staat begroot op … EUR rechtsplegingsvergoeding hoger beroep.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het HOF VAN BEROEP te ANTWERPEN van ZESTIEN DECEMBER TWEEDUIZENDENACHT,

waar aanwezIg waren :

D. W., Raadsheer wd.

M. G. en R. L., Raadsheren

A. V. L., Griffier.

A.V. L. R. L. M. G. D. W.