---
title: "25 juni 2002 · Strafbepaling, administratieve geldboete · Rechtbank van eerste aanleg"
description: "Strafbepaling, administratieve geldboete. Rechtbank van eerste aanleg (België), 25 juni 2002."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak/strafbepaling-administratieve-geldboete-rechtbank-kortrijk-2002-06-25-69f1"
lang: "nl"
---

# Strafbepaling, administratieve geldboete · Belasting over de toegevoegde waarde

**Rechtscollege**

Rechtbank van eerste aanleg

**Datum**

25 juni 2002

## Over het document

**Verzameling**

Belgische rechtspraak

**Taal van de tekst**

Nederlands

## Tekst

106 paragrafen

### Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Kortrijk d.d. 25.06.2002

Samenvatting niet beschikbaar

**Tekst van het vonnis**

### Tekst van de beslissing

**DE RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG VAN HET ARRONDISSEMENT KORTRIJK, PROVINCIE WEST-VLAANDEREN, TWEEDE KAMER FISCAAL MET EEN RECHTER, RECHTSPREKEND IN BURGERLIJKE ZAKEN**

In de zaak AR nr. **98/439/A**

**BVBA N.**, met vennootschapszetel te …, …, ingeschreven in het handelsregister .te leper onder nummer …;

**eiseres,**

vertegenwoordigd door en pleitend Meester **K. G.**, advocaat te …, …;

**tegen :**

**DE BELGISCHE STAAT**, Ministerie van Financiën, Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen, op vervolging en benaarstiging van de Ontvanger van het 2de BTW-Ontvangkantoor te Kortrijk, waarvan de kantoren gevestigd zijn te 8500 Kortrijk, Hoveniersstraat 31;

**verweerder,**

vertegenwoordigd door en pleitend Meester **F. W.**, advocaat te …, …;

Gezien de dagvaarding aan verweerder op 3 maart 1998 betekend bij exploot van gerechtsdeurwaarder **J. V. N. S.** met standplaats te …, waarbij eiseres verzet aantekende tegen het dwangbevel uitgevaardigd door de ontvanger te Kortrijk op 12 februari 1998, geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 13 februari 1998 door de ambtenaar, daartoe aangewezen door de gewestelijke directeur van de BTW-administratie te Brugge en bij aangetekend schrijven van 17 februari 1998 aan eiseres ter kennis gebracht.

De raadslieden van partijen hebben de zaak in openbare terechtzitting uiteengezet. De stukken en conclusies werden nagezien.

Voor de feitelijke retroacten dient verwezen naar de uiteenzetting van de partijen. Het betreft een verzet tegen de betaling van een bedrag van … frank (thans … euro) aan BTW-boetes, benevens de intresten op dit bedrag vanaf 17 februari 1998 en de kosten.

De boete steunt op een proces-verbaal opgesteld op 13 januari 1998. Bepaalde inhoudingen werden ten bewarende titel verricht waartegen eiseres zich verzet en terugbetaling vordert.

De administratie legt een boete op omdat ze stelt dat eiseres [artikel 70, § 2 van het BTW-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-70) overtreden heeft, namelijk het niet uitreiken van een factuur waarvan de uitreiking voorgeschreven is of het niet vermelden van de naam en het adres van de afnemer op de factuur.

De discussie heeft betrekking op verkopen door eiseres aan klanten-particulieren verricht met betrekking tot de jaren 1992, 1993 en 1994. Eiseres drijft onder meer handel in frituurbenodigdheden en heeft hiervoor de hoedanigheid van belastingplichtige.

Eiseres beroept zich op de ,ontheffing van factureringsverplichting, namelijk voor het jaar 1992 cfr. [artikel 8 van het K.B. nr. 1](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-1-december-betrekking-regeling-voldoening-belasting-c69c#ar1-art8) en voor de jaren 1993 en 1994 cfr. [artikel 1, § 2 van het K.B. nr. 1](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-1-artikel-a7a5).

De administratie verwerpt dit omdat de producten van eiseres van dergelijke aard zouden zijn dat ze kennelijk bestemd zijn voor handels- of beroepsgebruik.

Verder stelt de administratie dat eiseres niet beschikt over een inrichting die bijzonder is uitgerust voor de verkoop in het klein.

Eiseres betwist deze stellingname.

Tenslotte wordt secundair gesteld dat de boete van 100 % willekeurig is en deels verjaard, en nog meer subsidiair dat de verhoging met 50 % nietig is, minstens had rekening dienen gehouden te worden met de inhoudingen.

De vernietiging van het dwangbevel wordt gevorderd alsmede terugbetaling van alle bedragen die door verweerder ingehouden werden.

In laatste conclusies wordt een gevoelige reductie van de boeten gevorderd.

## BEOORDELING

## 1. Omtrent de uitvoerbaarverklaring van het dwangbevel

Eiseres stelt dat de delegatie door de gewestelijke directeur niet op authentieke wijze wordt aangetoond, bijvoorbeeld door aanhechting van de machtiging aan het dwangbevel.

Geen enkele wetsbepaling stelt dat de delegatie aan sacramentele vormvereisten is onderworpen. In het dwangbevel, zoals ter kennis gebracht op 17 februari 1998 (stuk 7), wordt de naam en hoedanigheid van de ambtenaar aangeduid, gevolgd door een handtekening en werd tevens vermeld dat deze daartoe werd gemachtigd door de gewestelijke directeur. De machtiging wordt voorgelegd. Het aan eiseres betekende dwangbevel is geldig. Deze kon op voldoende wijze kennis nemen van voorwerp en oorzaak van de vordering.

## 2. Ten gronde omtrent de facturatieplicht

Partijen zijn het eens over volgende principes, namelijk dat een factuur moet opgemaakt worden indien :

a. eiseres een voortbrengers- of grossiersbedrijf is (K.B. nr. 1, art. 1, par. 2, 8°) (regeling vanaf 1993, dus ook voor leveringen aan particulieren);

b. levering van goederen die kennelijk bestemd zijn voor een economisch gebruik, gelet op de aard van de producten, de wijze waarop ze aangeboden worden, de verkochte hoeveelheden of de toegepaste prijzen (K.B. nr. 1, art. 1, par 2, 6°).

De vraag stelt zich dus of eiseres al dan niet als een grossiersbedrijf dient beschouwd te worden, wat door de administratie afgeleid wordt uit de volgende vaststellingen :

\- de helft van haar omzet wordt gefactureerd aan uitbaters van frituren en restaurants;

\- aanduidingen in de telefoongids : "frituurspecialiteiten en snackproducten" en "grootkeukens en restaurants";

\- in allerhande advertenties stelt eiseres zich voor als groothandelaar.

Twee overtredingen werden vastgesteld :

\- verkopen geboekt in dagontvangstenboek zonder enige factuur : er wordt slechts boete gevorderd voor 1993 en 1994 gezien de vordering van 1992 niet werd opgenomen in de correctieopgave noch in de ondertekend afstand van verjaring;

\- uitreiken van onvolledige facturen (zonder naam en adres van de koper) : boete wordt gevorderd voor 1992, 1993 en 1994.

De discussie over het bestaan van een inrichting voor de verkoop in het klein is slechts relevant voor het jaar 1992 (wijziging K.B. nr. 1 met ingang op 1 januari 1993 vanaf welke datum elk voortbrengings- of grossiersbedrijf verplicht is een factuur uit te reiken, ook al is zijn bedrijf ingericht voor de verkoop in het klein).

Eiseres stelt dus dat er geen facturatieplicht was omdat :

\- hij geen voortbrengings- of grossiersbedrijf is;

\- de verkochte goederen niet kennelijk bestemd zijn voor handels- of beroepsgebruik.

*Het begrip grossiersbedrijf*

Eiseres verwijst terzake naar het Nederlandse taalgebruik zoals in de woordenboeken omschreven in die zin dat een groothandel levert aan de winkelier, de kleinhandelaar die dit product als dusdanig terug verder verkoopt aan de gebruiker of consument.

Evenwel stelt eiseres dat, waar zij producten verkoopt aan frituren en restaurants, zij de laatste schakel is in de distributieketting en dus geen grossiersbedrijf is. Deze stelling kan niet gevolgd worden. Frituur- en restauranthouders zijn kleinhandelaars gezien zij rechtstreeks aan de uiteindelijke verbruiker leveren, dit zowel in de taalkundige, wettelijke als economische betekenis van het woord.

Eiseres is in casu niet de laatste schakel in de distributieketting gezien zij niet levert aan de eindverbruiker, wat wel het geval is voor de frituur- en restaurantuitbater. Eiseres is terzake niet vergelijkbaar met een beenhouwerij of bakkerij die occasioneel producten verkoopt aan een restaurant en hoe dan ook een kleinhandelaar blijft.

Andere elementen spelen een rol bij het bepalen van het karakter van een groothandel zoals in casu :

\- de belangrijke omzet waarvan in casu de helft gefactureerd wordt aan uitbaters van frituren en restaurants;

\- de omstandigheid dat eiseres die haar inschrijving in het handelsregister niet voorlegt, zich naar buiten toe en aanzien van de potentiële klanten profileert als groothandelaar (telefoongids rubrieken "frituurspecialiteiten en snackproducten" en "grootkeukens en restaurants", alsmede in allerhande advertenties waaruit blijkt dat eiseres tevens een voortbrengers-bedrijf is ("zelfgemaakte brochetten");

\- aanhouden van grote voorraden, rechtstreekse aankoop bij producent en niet bij de groothandel;

\- de goederen worden bij de klanten afgeleverd;

\- de opslagruimte beslaat een veel grotere ruimte dan de verkoopruimte;

\- geen voorkomen van een detailwinkel, geen toonbanken in de verkoopruimte;

\- geen affichering van prijzen (prijzenboek);

\- geen etalering van producten;

\- gespecialiseerd en beperkt gamma van producten;

\- geen kasregister zoals gebruikelijk in kleinhandelszaken;

\- geen levering per kleine hoeveelheid mogelijk;

\- geen winkelpersoneel;

\- regelmatig gesloten zijn van de winkel.

Uit de vaststellingen gedaan voor (directe belastingen) en na de verbouwing in 1994 blijkt voldoende dat de handelszaak niet ingericht is voor verkopen in het klein doch voor de groothandel. Deze vaststellingen worden aangevuld door bepaalde verklaringen (p. 2 proces-verbaal) aan de verificateur gedaan door gevolmachtigde boekhoudster mevrouw **L.** alsmede door de zaakvoerder naar aanleiding van het onwaarschijnlijk karakter van een groot deel van de omzet gerealiseerd via verkopen aan particulieren (leveringen gefactureerd aan "kontanten te leveren") die niet identificeerbaar zijn.

Gezien eiseres een grossiersbedrijf uitbaat dient zij cfr. [artikel 1, § 2, 8° van het K.B. nr. 1](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-1-artikel-a7a5) van 29 december 1992 voor al haar verkopen facturen uit te reiken, wat hoe dan ook geldt voor de jaren 1993 en 1994.

Dat voor het jaar 1992 eiseres niet beschikte over een bijzondere inrichting wordt door de administratie voldoende aangetoond. Het tegendeel wordt door eiseres op geen enkele wijze waarschijnlijk gemaakt.

*Levering van goederen die kennelijk bestemd zijn voor een economisch gebruik*

Beide partijen kleven terzake de interpretatie van het Hof van Cassatie d.d. 8 september 1989 aan dat stelt dat het niet volstaat dat particulieren de goederen ook kopen in dergelijke verpakking, maar dat ze in zulke mate ook door particulieren worden gekocht dat bij het publiek, wanneer het met die goederen of die wijze van aanbieding wordt geconfronteerd, geen spontane associatie ·met handels of beroepsgebruik wordt gewekt.

Beide partijen passen dit principe in de praktijk blijkbaar anders toe.

Krachtens artikel 8, 6° K.B. nr. 1 van 23 juli 1969 in de interpretatie voornoemd blijft de aard van de goederen of de wijze waarop ze worden aangeboden determinerend voor de factureringsverplichting welke geenszins haar bestaansgrond vindt in de al dan niet geoorloofde praktijken van andere handelaars of grootwarenhuizen waarover de rechtbank in casu niet kan of mag oordelen. De aard van de goederen wordt bepaald door de eigenschappen die de goederen in zich verenigen en niet door factoren vreemd aan de goederen zoals de hoedanigheid van degene die de goederen aanwendt (al dan niet particulier, niet-belastingplichtige). De wetsbepaling heeft immers tot doel de facturering te verplichten ongeacht de hoedanigheid van de afnemer en ongeacht het mogelijk gewijzigd en meer economischer aankooppatroon van de particulier.

De verplichting te factureren houdt tevens in dat op de facturen de verplichte vermeldingen, quod non in casu, dienen voor te komen.

De facturen in kwestie vermeldden enkel "kontanten te leveren, en noch de naam en adres van de medecontractant (zie [artikel 5, § 1, 3° K.B. nr. 1](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-1-artikel-6caa) van 29 december 1992). Deze vermeldingen dienen de administratie in staat te stellen de afnemer minstens fysiek terug te vinden en te identificeren. Deze verplichting geld in casu voor de jaren 1992, 1993 en 1994.

De rechtbank is immers van oordeel dat de goederen opgenomen in de lijst van het proces-verbaal op dergelijke wijze verpakt of aangeboden worden dat bij het publiek een spontane associatie met handels- of beroepsgebruik wordt gewekt. Het feit dat particulieren deze sporadisch kopen doet hieraan, zoals hoger uiteengezet, geen afbreuk aan. Dit geldt bijvoorbeeld voor emmers mayonaise van 10 liter, dozen vol-au-vent van 2,7 kilogram, dozen vet van 10 kilogram, etc ....

De feitelijke leveringen gefactureerd "kontanten te leveren" zoals aangehaald in conclusies voor verweerder d.d. 26 februari 1999, p. 10, tonen ondergeschikt duidelijk aan dat deze dermate omvangrijk waren zodat leveringen aan particulieren ten zeerste onwaarschijnlijk voorkomen zodat mag aangenomen worden dat het leveringen betreffen aan BTW-plichtigen die op die manier goederen konden bekomen zonder factuur op hun naam. Uit de verklaringen (aangehaald p. 2 van het proces-verbaal) van de boekhoudster en de zaakvoerder) kan impliciet afgeleid worden dat dit systeem toegepast wordt teneinde ,door de concurrentie die dit wel doet, niet uitgeschakeld te worden.

## 3. Omtrent de boete

Gezien er in de correctieopgave die het proces-verbaal voorafging een boete van 60 % werd gevorderd en gezien in het proces-verbaal een boete van 100 % werd gevorderd is deze laatste boete volgens eiseres willekeurig. Tevens is volgens eiseres de boete van het jaar 1993 gedeeltelijk verjaard gezien de kennisgeving van het dwangbevel dateert van 17 februari 1998.

Verweerder kan gevolgd worden daar waar hij stelt dat enkel een foutieve catalogering rechtgezet werd (gezien de inbreuk het ontbreken van vermeldingen op de facturen betreft). De vermelding "kontanten te leveren" dient gelijkgesteld te worden met een onjuiste vermelding die cfr. artikel 7, § 2 beteugeld wordt.

Deze vermelding werd moedwillig aangebracht en had in wezen een fraudogeen karakter (zie uiteenzetting hoger), zodat de vaststelling van de boete niet willekeurig is geschied.

Voorts kan de administratie de boete definitief vaststellen in het proces-verbaal nu enkel een minnelijk voorstel van boete geformuleerd werd, welke niet aanvaard werd, zodat eigenlijk nog geen boete opgelegd werd.

Anderzijds belet het fraudogeen karakter van de feiten, gezien de huidige stand van wetgeving, rechtspraak en rechtsleer niet dat de rechtbank de opportuniteit van het bedrag van de boete zou kunnen toetsen aan het redelijkheidsbeginsel, alle concrete omstandigheden van de zaak in acht genomen.

Terzake betreft het een relatief kleine onderneming met een beperkt marktaandeel waarbij de feiten zich situeren in een gespannen economische context waarbij een sterke druk gevoeld wordt zowel vanwege de klant als van de sterke concurrentie van frituurproducenten waarvan mag aangenomen worden, zoals eiseres het via haar boekhoudster suggereerde, dat deze meestal ingaan op de verzoeken van de klant, niet of gebrekkig te factureren.

In deze context is de rechtbank van oordeel dat ten aanzien van de redelijkheidsnorm de opgelegde boete overdreven is en tot de helft dient gereduceerd te worden, nadat de verjaringen in aanmerking werden genomen.

Wat de verhoging van 50 % van de boete betreft sluit de rechtbank zich aan bij de tendens dat deze verhoging onwettelijk is daar ze de rechtstoegang belemmert. Eenieder heeft het recht zich tot de rechtbank te wenden zonder dwang of sanctie (schending artikel 6 E.V.R.M. en artikel 13 Grondwet)

Nopens de ingeroepen verjaringen heeft verweerster uitvoerig gerepliceerd nopens bepaalde stuitingsdaden waarbij eiseres zich bij gebrek aan verder verweer blijkbaar neerlegt.

De beperkte verjaringen zoals door de administratie grondig gefundeerd dienen derhalve weerhouden te worden.

### Beschikkend gedeelte

**OM DEZE REDENEN,**

Gelet op de artikelen 2, 34, 36, 37 en 41 van de taalwet van 15 juni 1935;

Wijzende op tegenspraak;

Verklaart het verzet ontvankelijk, toelaatbaar, doch slechts ten dele gegrond;

Zegt voor recht dat de boete voor de facturen zonder vermelding van de naam en, adres van de afnemer en die opgemaakt zijn tussen 1 januari 1992 en 20 januari 1992 verjaard is;

Zegt voor recht dat de boete van 100 % voor de facturen zonder vermelding van de naam en het adres van de afnemer en die opgemaakt zijn tussen 1 januari 1993 en 17 februari 1993 verjaard is voor het gedeelte dat de 60 % te boven gaat;

Zegt voor recht dat de vordering van de boete wegens het niet opmaken van de facturen voor de maand januari 1993 (dit is inschrijvingen in het dagontvangstenboek van de maand januari (1993) welke ontstond op de vijfde werkdag volgend op het einde van de maand januari 1993, dit is 5 februari 1993, eveneens verjaard was op 17 februari 1998;

Zegt dienvolgens voor recht dat :

\- de gevorderde boete over het jaar 1992 principieel wordt verminderd met een bedrag van 60 % over de BTW op de facturen met de vermelding "Kontanten te leveren", uitgereikt in de periode van 1 januari 1992 tot 20 januari 1992;

\- de gevorderde boete over het jaar 1993 principieel wordt verminderd met een bedrag van 40 % over de BTW op de facturen met de vermelding "Kontanten te leveren" en uitgereikt in de periode van 1 januari 1993 tot 17 februari 1993;

\- de gevorderde boete over het jaar 1993 principieel wordt verminderd met een bedrag van 60 % over de BTW verschuldigd op de' dagontvangsten van januari 1993;

Zegt tevens voor recht dat de aldus verminderde boetes ingevolge verjaring na toetsing aan het redelijkheidsbeginsel gereduceerd worden tot de helft, weze 50 %;

Verklaart de verhoging van 50 % onwettelijk en wijst deze af als ongegrond;

Zegt voor recht dat op de aldus herleide boetes de inhoudingen die reeds verricht werden verrekend zullen dienen te worden;

Wijst het overige af als ongegrond;

Gezien het deels gelijk en ongelijk der partijen worden de gerechtskosten tussen partijen als volgt omgeslagen in die zin dat eiseres de kost der dagvaarding, nl. … euro, zelf dient te dragen, de rechtsplegingsvergoedingen elkaar compenserend;

Verklaart huidig vonnis uitvoerbaar bij voorraad, ondanks elk verhaal, zonder borgstelling en met uitsluiting van het kantonnement.

Aldus gevonnist en uitgesproken in het gerechtsgebouw te Kortrijk, in de buitengewone openbare terechtzitting op **VIJFENTWINTIG JUNI TWEEDUIZEND EN TWEE**.

Aanwezig :

**B. D.**, alleenzetelend rechter,

**A. D.**, adjunct-griffier.

**A. D.** **B. D.**

## Aangehaalde teksten

4

[KB nr. 1 art. 1](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-1-artikel-a7a5) 2 voorkomens

[KB nr. 1 art. 5](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-1-artikel-6caa) 1 voorkomen

[KB nr. 1 art. 8](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-1-december-betrekking-regeling-voldoening-belasting-c69c) 1 voorkomen

[WBTW art. 70](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-70) 1 voorkomen

## Vergelijkbare beslissingen

8

[Grossierbedrijf;facturatie;geldboete, groothandel, facturering](https://juriel.be/nl/rechtspraak/grossierbedrijf-facturatie-geldboete-groothandel-hof-van-beroep-antwerpen-2005-02-08-618f) 3 gemeenschappelijke bepalingen

[Proportionele fiscale geldboeten, Administratieve sancties met een repressief karakter](https://juriel.be/nl/rechtspraak/proportionele-fiscale-geldboeten-administratieve-sancties-cassatie-brussel-2020-03-13-e05f) 3 gemeenschappelijke bepalingen

[Werkingssfeer, levering van goederen, belastbare handeling](https://juriel.be/nl/rechtspraak/werkingssfeer-levering-goederen-belastbare-handeling-rechtbank-leuven-2002-09-06-06b7) 3 gemeenschappelijke bepalingen

[Strafbeding, administratieve geldboete, vervolging, geding](https://juriel.be/nl/rechtspraak/strafbeding-administratieve-geldboete-vervolging-geding-hof-van-beroep-antwerpen-2010-12-07-1e2c) 3 gemeenschappelijke bepalingen

[Bewijs, controlemaatregel, strafbepaling, administratieve geldboete, vervolging, geding](https://juriel.be/nl/rechtspraak/bewijs-controlemaatregel-strafbepaling-administratieve-geldboete-rechtbank-hasselt-2008-04-07-cbc1) 3 gemeenschappelijke bepalingen

[Recht op aftrek, Aanwending voor de beroepsactiviteit, Bewijslast](https://juriel.be/nl/rechtspraak/recht-aftrek-aanwending-beroepsactiviteit-bewijslast-hof-van-beroep-luik-2021-01-18-0480) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Recht op aftrek, Facturen van onderaannemers, Verplichte vermeldingen](https://juriel.be/nl/rechtspraak/recht-aftrek-facturen-onderaannemers-verplichte-rechtbank-bergen-2019-04-09-0896) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Btw-carrousel, Deelname, Weigering van de aftrek](https://juriel.be/nl/rechtspraak/btw-carrousel-deelname-weigering-aftrek-hof-van-beroep-brussel-2020-09-10-35f7) 2 gemeenschappelijke bepalingen
