---
title: "9 januari 2004 · Strafbepaling, administratieve geldboete · Rechtbank van eerste aanleg"
description: "Strafbepaling, administratieve geldboete. Rechtbank van eerste aanleg (België), 9 januari 2004."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak/strafbepaling-administratieve-geldboete-rechtbank-dendermonde-2004-01-09-c063"
lang: "nl"
---

# Strafbepaling, administratieve geldboete · Belasting over de toegevoegde waarde

**Rechtscollege**

Rechtbank van eerste aanleg

**Datum**

9 januari 2004

## Over het document

**Verzameling**

Belgische rechtspraak

**Taal van de tekst**

Nederlands

## Tekst

57 paragrafen

### Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Dendermonde d.d. 09.01.2004

Samenvatting niet beschikbaar

**Tekst van het vonnis**

### Tekst van de beslissing

**Zitting van : 9 januari 2001 – 9****e** **Kamer B. Z.**

R.R. Nr. 97/1993/A

In de zaak van :

**C. S.-A.M.** NV, waarvan de maatschappelijke zetel gevestigd is te … (…), …, ingeschreven in het handelsregister te … onder nummer …, BTW-nr. …,

**eiseres,**

verschijnende door mr. **L. D. M.** loco mr. **A. D.**, advocaat te …, …;

**tegen :**

**DE BELGISCHE STAAT**, Ministerie van Financiën, Administratie van de BTW, registratie en domeinen, vertegenwoordigd door de e.a. Inspecteur van het BTW-Ontvangkantoor te Wetteren, wiens kantoren gelegen zijn te 9230 Wetteren, Gentsesteenweg 93,

**verweerder,**

verschijnende door mr. **W. W.** loco mr. **J.-P. W.**, advocaat te …, …;

**DE RECHTBANK VELT HET VOLGEND VONNIS :**

Gehoord de partijen in hun middelen en conclusies;

Gezien de stukken die ter staving werden neergelegd;

De inleidende dagvaarding van 25 juni 1997 strekt ertoe het verzet tegen het dwangbevel uitgevaardigd op 17 april 1997, geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 2 april 1997 en per aangetekende brief van 22 april 1997 ter kennis gebracht, ontvankelijk en gegrond te verklaren; dienvolgens het dwangbevel nietig te horen verklaren en de Belgische Staat te veroordelen tot terugbetaling aan eiseres van alle sommen die ze aan verweerder heeft betaald of die te hare lasten ingehouden werden ter aanzuivering van de navordering die het voorwerp van het dwangbevel uitmaakt; verweerder te veroordelen tot de kosten van het geding, in subsidiaire orde verweerder bij toepassing van 1382 B.W. te veroordelen tot betaling van een schadevergoeding gelijk aan de navordering van … frank te vermeerderen met intresten en kosten en verweerder te veroordelen tot de kosten van het geding.

Eiseres baat een groot- en kleinhandel in wijnen en likeuren uit en is als BTW-belastingplichtige geregistreerd onder nummer ….

Op 18 januari 1995 werd door **R. F.** verificateur bij de Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen een fiscaal toezicht uitgeoefend betreffende de BTW bij NV **C. St. A.**; over de periode 1 april 1992 tot 31 december 1994.

Naar aanleiding van deze controle werden onregelmatigheden en overtredingen inzake de toepassing van de BTW vastgesteld, nl bij de verkoop van niet-alcoholische cocktails over de gecontroleerde periode werd ten onrechte 6 % BTW gefactureerd, waar BTW diende te worden geheven vanaf 1 april 1994 tegen het tarief van 19,5 % en vanaf januari 1994 tegen het tarief van 20,5 %.

Derhalve zou over de verschuldigde gecontroleerde periode de eiseres een bedrag van … frank BTW verschuldigd zijn, een boete welke werd verminderd tot 10 %; doch ingevolge betekening van het dwangbevel verhoogd tot … frank en 0,8 % intresten per maand vertraging vanaf 21 januari 1995 over een bedrag van … frank.

Voor wat betreft het gebruik van tot het bedrijf behorende goederen buiten de economische activiteit en voordelen van alle aard, werd op 15 februari 1995 een minnelijke inregelingstelling ondertekend.

Naar aanleiding van een doorgedreven controle werd onder meer vastgesteld dat diverse vermeldingen op kassabanden niet konden worden achterhaald, dat er kassabanden ontbraken, dat er omvangrijke voorraadverschillen voor bepaalde wijnen werden vastgesteld, zodat de voorgelegde boekhouding gebreken vertoont qua nauwkeurigheid, geloofwaardigheid en controleerbaarheid.

Er werd een tekort van … frank BTW vastgesteld, over de periode van 1 april 1990 tot 31 maart 1991, waarvoor de belastingplichtige op 8 november 1993 een minnelijke inregelingstelling ondertekende.

Eiseres betwist de vordering van verweerder, omdat de administratie in het verleden de toepassing van het 6 % BTW tarief inzake verkoop van niet-alcoholische cocktails heeft aanvaard en de BBI over de jaren 90 en 91 de boekhouding van de NV **C. St A.** zeer grondig controleerde en niettegenstaande naar aanleiding van deze controle vragen werden gesteld over zelfbereide niet-alcoholische cocktails, en haar geen opmerkingen werden gemaakt terzake het toegepaste 6 % BTW-tarief, zodat eiseres er geredelijk mocht op vertrouwen dat ze het correcte tarief toepaste.

Bij brief van 14 januari 1997 liet de Centrale administratie van de BTW weten dat op niet-alcoholische cocktails, voor zover het gaat om alcoholvrije dranken die onverdund kunnen worden geconsumeerd, het normale tarief van toepassing is (toen 21 %, voordien 20,5 %, 19,5 % en 19 %).

Evenwel is eiseres van oordeel dat het vorderen van deze tarieven voor het verleden·(voor de periode 1 april 1991 tot 31 december 1994) strijdig zou zijn met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur en met het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel.

Subsidiair is eiseres van oordeel dat het optreden van de administratie als een fout in de zin van art. 1382 B.W. moet worden beschouwd, waardoor eiseres schade leed, zodat ze gerechtigd is de BTW die ze over de periode 91-94 te weinig heeft aangerekend, zonder deze van haar afnemers te kunnen recupereren, van verweerder te vorderen, samen met de intresten, boeten en kosten.

De vraag rijst derhalve of verweerder bij eiseres het vertrouwen heeft gewekt dat ze het BTW tarief van 6 % mocht toepassen inzake de verkoop van niet-alcoholische cocktails. Eiseres bewijst evenwel niet dat de administratie zich zou hebben akkoord verklaard met het 6 % BTW-tarief op niet-alcoholische cocktails; uit de overgelegde stukken, meer bepaald de briefwisseling van 3 juni 1993 blijkt enkel dat informatie werd gevraagd aangaande de winstmarges op cocktails.

Het bedrag van de aankopen van cocktails zonder alcohol over de gecontroleerde periode 1 april 1990 tot 31 maart 1991 was miniem in vergelijking met het totale bedrag van de gerealiseerde omzet (… frank – totale omzet … frank). De grondige controle spitste zich voornamelijk toe op het feit of de beweerde verkopen aan particulieren in feite geen verkopen zonder facturen aan restauranthouders betrof – hetgeen niet kon worden bewezen, en een uitvoerige hoeveelheidscontrole ter zake het aantal flessen wijn.

De controle betrof dus hoofdzakelijk nazicht van de inkomende facturen (inkoopadministratie) en verkoopadministratie, er was geen eigenlijke controle van de toegepaste BTW-tarieven.

Immers, de hoofdopdracht van de BBI bestaat in het opsporen van fraudemechanismen, eender dan nazicht te verrichten inzake BTW-tarieven.

Eiseres roept ten onrechte de schending van het rechtsbeginsel in.

Het rechtszekerheidsbeginsel houdt in dat de burger moet kunnen vertrouwen op wat door hem niet anders kan worden opgevat dan als een vaste gedrags- of beleidsregel van de overheid, zodat de door de overheid gecreëerde rechtmatige verwachtingen van de burger moeten worden ingelost.

In casu kan eiseres zich niet op het rechtszekerheidsbeginsel beroepen, nu niet bewezen is dat de administratie zich met kennis van zaken heeft uitgesproken over de problematiek van de toegepaste BTW percentages op niet-alcoholische cocktails nav. de uitgevoerde controle over de periode 1 april 1990 tot 31 maart 1991.

Er is dan ook geen sprake van een schending van het rechtszekerheidsbeginsel of vertrouwensbeginsel.

Ten onrechte voert eiseres aan dat een fout werd begaan in de zin van art. 1382 BW, doordat ze door de administratie zou zijn misleid, waar deze retroactief is teruggekomen op een houding die ze gedurende meerdere jaren heeft aangenomen en die heeft uitgemaakt van een grondige controle.

Eiseres bewijst niet dat de administratie een fout zou hebben begaan, welke haar schade zou hebben toegebracht en welke fout in oorzakelijk verband staat met deze schade.

De administratie heeft geen foutieve inlichtingen verstrekt ivm het toepasselijk BTW-tarief inzake niet-alcoholische cocktails; dienaangaande werd geen akkoord gesloten tussen de BBI en eiseres, waarop eiseres naderhand zou zijn teruggekomen.

Eiseres betwist de gevorderde fiscale geldboete en stelt dat deze in wanverhouding staat met begane overtredingen gelet op haar goede trouw.

De verplichting tot het betalen van een fiscale boete vindt in haar oorsprong in de wet en is verbonden aan het materieel feit van een overtreding.

Deze fiscale geldboete werd opgelegd overeenkomstig art. 70, § 1 W.BTW, overeenkomstig de schaal voor de vermindering van de proportionele fiscale geldboeten op het stuk van de BTW.

De fiscale geldboete bedroeg in casu 10 % voor overtredingen die begaan werden voor 1 november 1993, nu de verschuldigde belasting voor de controleperiode van één jaar meer is dan … frank.

Deze geldboete heeft geen strafrechtelijk karkater, maar is een administratieve boete, elke door de rechter kan worden getoetst.

Er zijn geen redenen om deze boete kwijt te schelden of te verminderen,

### Beschikkend gedeelte

**OM DEZE REDENEN,**

**DE RECHTBANK,**

Rechtdoende op **TEGENSPRAAK**.

De rechtbank houdt rekening met de artikelen 2, 30 tot 37 en 41 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken.

Verklaart het verzet van aanlegster ontvankelijk, doch wijst ze af als ongegrond.

Veroordeelt eiseres tot de kosten van het geding aan zijde van verweerder en begroot deze tot heden op de som van € ….

Verklaart huidig vonnis uitvoerbaar bij voorraad, niettegenstaande alle verhaal en zonder borgstelling.

Aldus gewezen en uitgesproken ter openbare terechtzitting van **VRIJDAG NEGEN JANUARI TWEEDUIZEND EN VIER** van de negende kamer, zitting houdende in burgerlijke zaken, der rechtbank van eerste aanleg, zetelend te Dendermonde.

Aanwezig :

Mevrouw **M. D. P.**, rechter, voorzitter van de negende kamer;

Mevrouw **C. V. d. B.**, adjunct-griffier.

**C. V. d. B.** **M. D. P.**
