Fiche van de FOD Financiën
Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Brugge d.d. 20.06.2011
Samenvatting niet beschikbaar
Tekst van het vonnis
Tekst van de beslissing
De Rechtbank van eerste aanleg te Brugge, VIERDE KAMER, heeft het hiernavolgend vonnis verleend :
In de zaak 10/528/A rep nr. 2011/7898
R. S. J., zelfstandige, wonende te …, …
eiser,
voor wie optreedt Meester B. B., advocaat te …, …
tegen :
BELGISCHE STAAT, FOD FINANCIËN, Ministerie van Financiën, Administratie van de BTW, in de persoon van de e.a. Inspecteur van het BTW-Ontvangkantoor te 8000 Brugge, G. Vincke-Dujardinstraat 4
verweerder,
voor wie optreedt Meester L. D. S., advocaat te …, …
I. RECHTSPLEGING
Gelet op de dagvaarding houdende verzet d.d. 4 februari 2010.
De rechtbank nam kennis van het dossier van de rechtspleging en van de door partijen overlegde bundels.
Partijen werden gehoord in hun middelen in de openbare terechtzitting van 23 mei 2011.
Artikel 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werden in acht genomen.
II. BIJZONDERSTE GEGEVENS VAN DE ZAAK
1. Eiser was ingeschreven als BTW-belastingplichtige onder het BTWregistratienummer BE …, voor de activiteit van detailhandel in sport- en kampeerartikelen. Hij was derhalve onderworpen aan de bepalingen van de BTWwetgeving en de ter uitvoering ervan genomen besluiten.
Met een schrijven d.d. 23 juni 2009 werd door de administratie een controle aangekondigd over de periode van 1 januari 2003 tot 30 september 2009, deze controle zou doorgaan op 3 juli 2009 om 13.30 u in de lokalen van eiser. Op 3 juli 2009 heeft de controlerende ambtenaar zich tevergeefs aangemeld bij eiser.
Door de ambtenaar werd op 12 augustus 2009 een proces-verbaal opgemaakt waarbij bij toepassing van artikel 70, § 4 W.BTW een niet-proportionele boete werd opgelegd t.b.v. … EUR (niet ter inzage voorleggen van de boekhouding).
Op 18 december 2009 werd op basis van het proces-verbaal door de bevoegde ambtenaar van het BTW-ontvangkantoor te Brugge een dwangbevel uitgevaardigd.
Voormeld dwangbevel werd op 21 december 2009 geviseerd en uitvoerbaar verklaard door L. S., eaw. Inspecteur te Brugge, tweede BTW-controlekantoor, aangewezen door de gewestelijke directeur van de Administratie van de BTW te Brugge.
Op 4 januari 2010 werd het dwangbevel betekend aan eiser. Op 12 januari 2010 werd uitvoerend beslag op roerende goederen gelegd bij eiser.
Op 4 februari 2010 heeft eiser gedagvaard in verzet.
2. Eiser vraagt dat :
- voor recht gezegd wordt dat de beweerde inbreuken niet bewezen zijn;
- het dwangbevel wordt vernietigd, dienvolgens de boete wordt kwijtgescholden;
- verweerder wordt veroordeeld tot terugbetaling van de ten onrechte toegerekende betalingen;
- verweerder wordt veroordeeld tot de kosten van het geding, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding t.b.v. het basisbedrag.
3. Verweerder vraagt dat de vordering van eiser ongegrond wordt verklaard en dat eiser wordt veroordeeld tot de kosten van het geding, met in begrip van de rechtsplegingsvergoeding t.b.v. … EUR.
III. BEOORDELING
A. Betreffende de toelaatbaarheid
Verweerder voert geen redenen aan die tot de ontoelaatbaarheid van de eis kunnen leiden. Nu de rechtbank evenmin middelen van ontoelaatbaarheid, die zij ambtshalve zou moeten opwerpen, vaststelt, is de eis toelaatbaar.
B. Betreffende de grond
1. Eiser stelt zijn activiteit te hebben stopgezet op 30 september 2007 en dus geen boekhouding te moeten opmaken of voorleggen.
2. Uit de neergelegde stukken blijkt dat de stopzetting van aangifte van activiteit (formulier 604c) pas werd ingevuld op 11 december 2009 door de boekhouder van eiser. Als datum van stopzetting van de activiteit is ingevuld, 30 september 2007 (zijnde meer de 2 jaar vóór de datum van het formulier).
Verder blijkt dat aan eiser 3 boetes (elk t.b.v. … EUR) werden opgelegd wegens het niet indienen van BTW-aangiften voor het vierde kwartaal 2007, eerste kwartaal 2008, tweede kwartaal 2008, derde kwartaal 2008, vierde kwartaal 2008 en eerste kwartaal 2009. Aan eiser werden vanaf 30 juni 2008 hieromtrent betalingsberichten en aanmaningen gezonden en bij gebreke aan betalingen werden dwangbevelen betekend. De boetes werden uiteindelijk betaald via de gerechtsdeurwaarder. Uit niets blijkt dat verweerder deze eenzijdig zou toegerekend hebben.
Verder legt verweerder lijsten van leveranciers voor waaruit blijkt dat eiser in 2007 en 2008 met zijn BTW-nummer aankopen heeft gedaan in Nederland, in Frankrijk en in België.
De stukken van eiser tot bewijs van het tegendeel (brief van VF Europe BVBA dat geen vordering gesteld wordt tegen eiser) overtuigen de rechtbank niet van het tegendeel. De bedragen van de facturen stemmen niet overeen met (zijn lager dan) de cijfers op de lijst van leveranciers.
Eiser heeft niet gereageerd op het aangetekend schrijven van 23 juni 2009 waarbij een controle werd aangekondigd. Eiser heeft ook niet gereageerd op het aangetekend schrijven d.d. 12 augustus 2009 waarbij hem een proces-verbaal werd overgemaakt. Evenmin reageerde eiser op een betalingsbericht d.d. 17 augustus 2009 en een aanmaning d.d. 9 november 2009. Pas na de betekening van het dwangbevel en het beslag op roerende goederen heeft eiser gereageerd en stelt hij dat zijn activiteit is stopgezet sinds 30 september 2007. Uit de stukken blijkt evenwel het tegendeel.
Bovendien had de aangekondigde controle niet alleen betrekking op 2007 en op 2008 maar wel op de periode van 1 januari 2003 tot 30 september 2008. Eiser heeft m.b.t. deze hele periode geen inzage verleend in de boekhouding.
3. De boete werd opgelegd overeenkomstig het artikel 70 § 4 W.BTW en het Koninklijke Besluit nr. 44 van 21 oktober 1993 ( niet-proportionele boete ).
Een boete heeft een repressief karakter. Het zou strijdig zijn met het gelijkheidsbeginsel mochten de rechtbanken het recht ontzegd worden om op de betwiste administratieve beslissing om een dergelijke geldboete op te leggen, een toetsing met volle rechtsmacht uit te oefenen. Een toetsing met volle rechtsmacht houdt in dat de rechter moet nagaan of een administratieve beslissing met repressief karakter in rechte en in feite verantwoord is en of zij de wettelijke bepalingen en algemene beginselen die de administratie in acht moet nemen, waaronder het evenredigheidsbeginsel, eerbiedigt (Arbitragehof, 24 februari 1999, rolnr. 1279, arrest nr. 22/99).
Dat kan alleen in die zin begrepen worden dat de rechtbank ( onder andere ) de macht heeft om na te gaan of de concrete administratieve boete al dan niet in een redelijke verhouding staat tot de feiten waaraan de belastingplichtige zich bezondigd heeft. Een dergelijke toetsing brengt nog niet noodzakelijk met zich dat de rechtbank de belastingplichtige, om loutere redenen van opportuniteit of billijkheid, zou bevrijden van de verplichtingen die hem wettelijk zijn opgelegd door de overheid.
Uit het voorgaande en de neergelegde stukken blijkt dat eiser geen geldige reden had voor het niet bewaren en voorleggen van de boekhouding. De door verweerder bepaalde administratieve boete beantwoordt aldus aan een juiste toepassing van de betreffende wettelijke en reglementaire bepalingen op de vastgestelde feiten. Het opleggen van de betreffende boete is in deze zaak verantwoord en niet onevenredig met de inbreuk.
De boete heeft niet alleen een vergoedende aard, maar heeft ook een bestraffend en afradend karakter.
C. Betreffende de kosten
Gezien eiser in het ongelijk wordt gesteld, moet hij overeenkomstig artikel 1017, 1° lid Ger.W. de gerechtskosten dragen.
De eis is in geld waardeerbaar en de waarde van de vordering situeert zich tussen … en … EUR waarvoor het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding overeenkomstig het KB van 26 oktober 2007 een bedrag van … EUR
(geïndexeerd) bedraagt.
Beschikkend gedeelte
OM DEZE REDENEN,
De rechtbank
Wijzende in eerste aanleg en bij verstek.
Alle verdere middelen van partijen verwerpend als niet dienend.
Verklaart de eis toelaatbaar doch wijst ze af als ongegrond.
Veroordeelt eiser tot de gedingkosten, aan zijn zijde niet te begroten aangezien ze hem ten laste blijven, en aan de zijde van verweerder begroot op … EUR.
Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting in het gerechtshof te Brugge op maandag, twintig juni tweeduizend en elf.
Aanwezig zijn :
D. P. L., alleenrechtsprekend rechter;
S. C., griffier.
C. S. L. D. P.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.