Fiche van de FOD Financiën
Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Brugge d.d. 06.10.2003
Samenvatting niet beschikbaar
Tekst van het vonnis
Tekst van de beslissing
De Rechtbank van eerste aanleg te Brugge, VIERDE KAMER, heeft het hierna volgend vonnis verleend :
In de zaak 02/2030/A Rep. nr. 2003/12003)
Meester F. V. C., advocaat qq, met kantoor te …, …, optredend als curator over het faillissement van de BVBA S. (HR Oostende nr. …), met maatschappelijke zetel te …, …,
eiser gg, hierna vermeld 'eiseres',
voor wie is opgetreden Meester D. M., advocaat te …
tegen :
De BELGISCHE STAAT, Federale Overheidsdienst Financiën, Administratie van de AOIF - sector BTW, in de persoon van de rekenplichtige van het BTW-ontvangkantoor te Oostende, met kantoor te 8400 OOSTENDE, Vrijhavenstraat 4,
verweerder,
voor wie is opgetreden Meester F. N. loco Meester J. V. d. P., advocaat te …
I. RECHTSPLEGING
Gelet op het inleidend verzoekschrift de dato 15 juli 2002.
De rechtbank nam kennis van het dossier van de rechtspleging.
Partijen werden gehoord in hun middelen bij monde van hun raadsman in de openbare terechtzitting van 8 september 2003.
Artikel 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werden in acht genomen.
ll. BIJZONDERSTE GEGEVENS VAN DE ZAAK
2.1. Eiseres is ingeschreven als BTW-belastingplichtige onder het BTWregistratienummer …, ingevolge de geregelde en zelfstandige uitbating van een horecazaak. Zij is derhalve onderworpen aan de bepalingen van de BTWwetgeving en de ter uitvoering ervan genomen besluiten.
Omdat eiseres in gebreke bleef de BTW verschuldigd uit de ingediende aangiften tijdig te voldoen, werd conform de bepalingen van artikel 8, § 1 van het KB nr. 24 van 29 december 1992 een bijzondere rekening bijgehouden voor het tijdvak van 31 oktober 2001 tot 31 januari 2002.
Als gevolg hiervan werd een boete opgelegd op grond van artikel 70, § 1 W.BTW.
Aangezien eiseres de verschuldigde bedragen niet vrijwillig heeft voldaan werd op 3 juni 2002 een dwangbevel uitgevaardigd.
Voormeld dwangbevel werd op 4 juni 2002 geviseerd en uitvoerbaar verklaard door P. D. R., e.a. inspecteur van de 1ste BTW controle Oostende, daartoe aangewezen door de gewestelijke directeur bij de administratie van de BTW, Registratie en Domeinen te Brugge.
Op 6 juni 2002 werd het dwangbevel aan eiseres betekend door middel van een deurwaardersexploot.
2.2. Eiseres vraagt dat het verzet ontvankelijk en gegrond wordt verklaard en dat dienvolgens het bestreden dwangbevel wordt vernietigd. Verder vraagt eiseres dat voor recht wordt gezegd dat het bestreden dwangbevel niet kan worden uitgevaardigd gelet op de vraag om te mogen afbetalen en dat voor recht wordt gezegd dat het haar is toegestaan haar fiscale schuld te mogen afkorten met maandelijkse betalingen van 1.000,00 EUR en dit voor het eerst de eerste van de derde maand die volgt op de maand waarin de uitspraak in de huidige betwisting zal tussenkomen. Tevens vordert zij dat verweerder wordt veroordeeld tot de gedingkosten, inbegrepen de rechtsplegingsvergoeding ten bedrage van 334,66 EUR en dat het vonnis uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard, niettegenstaande alle verhaal en zonder borgstelling en met uitsluiting van het vermogen tot kantonnement.
2.3. Verweerder vordert dat het verzoekschrift ontvankelijk en ongegrond wordt verklaard en dat eiseres wordt veroordeeld tot de kosten van het geding, in zijn hoofde begroot op 334,66 EUR rechtsplegingsvergoeding.
III. BEOORDELING
3.1. nopens de ontvankelijkheid
Verweerder voert geen redenen aan die tot de onontvankelijkheid van de vordering kunnen leiden. Nu de rechtbank evenmin middelen van onontvankelijkheid, die hij ambtshalve zou moeten opwerpen, ontwaart, is de vordering ontvankelijk.
3.2. nopens de grond
3.2.1. Bij schrijven van 10 april 2003 laat de curator aan verweerder weten dat hij niet geneigd is om het geding verder te zetten vermits er in onderhavig pro deo faillissement geen enkel dividend is en dat hij zich naar de wijsheid van de rechtbank zal gedragen.
3.2.2. Gelet op de tussengekomen faling van eiseres is de vordering zander voorwerp geworden. Zij dient derhalve als ongegrond te worden afgewezen.
3.3. nopens de uitvoerbaarheid bij voorraad, vrij van borgstelling en zonder mogelijkheid tot kantonnement
Nu de hoofdvordering ongegrond wordt bevonden, moet de vraag tot voorlopige tenuitvoerlegging eveneens geacht worden zonder voorwerp te zijn.
3.4. nopens de kosten
Eiseres wordt in het ongelijk gesteld. Overeenkomstig artikel 1017, 1ste lid van het gerechtelijk wetboek moet zij de gerechtskosten dragen.
Beschikkend gedeelte
OM DEZE REDENEN,
DE RECHTBANK,
Wijzende in eerste aanleg en op tegenspraak.
Alle verdere middelen van partijen verwerpende als niet dienend.
Verklaart de fiscale vordering ontvankelijk en ongegrond.
Veroordeelt eiseres tot de gedingkosten, aan haar zijde niet te begroten aangezien ze haar ten laste blijven, aan de zijde van verweerder begroot op 342,09 EUR, uit hoofde van de geïndexeerde rechtsplegingsvergoeding.
Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting in het gerechtshof te Brugge op zes oktober tweeduizend en drie.
Aanwezig zijn :
H. N., alleenrechtsprekend rechter
L. N., e.a. adjunct-griffier
N. L. N. H.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.