Strafbepaling, administratieve geldboete · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Rechtbank van eerste aanleg Antwerpen 28 maart 2001

Zoeken

Strafbepaling, administratieve geldboeteBelasting over de toegevoegde waarde

https://juriel.be/nl/rechtspraak/strafbepaling-administratieve-geldboete-rechtbank-antwerpen-2001-03-28-b927

Rechtscollege
Rechtbank van eerste aanleg
Zetel
Antwerpen
Datum
28 maart 2001

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

79 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Antwerpen d.d. 28.03.2001

Samenvatting niet beschikbaar

Tekst van het vonnis

Tekst van de beslissing

V 0 N N I S gewezen en uitgesproken in het gerechtsgebouw te Antwerpen, op achtentwintig maart tweeduizend en één in openbare zitting van de tweede F kamer van de rechtbank van eerste aanleg van het gerechtelijk arrondissement Antwerpen, alwaar zetelden :

L. B., rechter,

P. W., rechter,

A. V. d. S., rechter

G. G., griffier.

In zake : AR nr. 99/1968/A

D. S. NV, ingeschreven in het handelsregister te Antwerpen onder het nummer …, met BTW-identificatienummer BE …, met maatschappelijke zetel gevestigd te …, …,

eisende partij,

verschijnende bij Meester G. S., advocaat, loco Meester A. V. R., advocaat, kantoorhoudende te …, …,

tegen :

DE BELGISCHE STAAT, Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen, vertegenwoordigd door de Heer Minister van Financiën, wiens burelen gevestigd zijn te Brussel, op vervolging en benaarstiging van de Heer Gewestelijk Directeur van de BTW, Registratie en Domeinen te Antwerpen, in de persoon van de eerstaanwezend inspecteur van het BTW-controlekantoor Wijnegem, met burelen gevestigd te 2110 Wijnegem, Turnhoutsebaan 430,

verwerende partij,

verschijnende bij Meester D. V., advocaat, loco Meester R. L., advocaat, kantoorhoudende te …, …,

Gezien de stukken in het dossier der rechtspleging, o.m. :

- het exploot van rechtsingang, betekend door het ambt van gerechtsdeurwaarder J. D. B. te … op 31 maart 1999;

- de besluiten van partijen.

Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van talen in gerechtszaken.

Gehoord partijen in hun middelen en gezegden ter zitting van 28 februari 2001.


De vordering strekt in hoofdorde ertoe om verweerder te horen veroordelen tot (terug)betaling van 250.000 BEF, te vermeerderen met de moratoriumintresten vanaf de dag van betaling door eiseres en de gerechtelijke intresten tot op datum van terugbetaling door verweerder.

In ondergeschikte orde strekt de vordering ertoe om verweerder te horen veroordelen tot (terug)betaling van 239.000 BEF, te vermeerderen met de moratoriumintresten vanaf de dag van betaling door eiseres en de gerechtelijke intresten tot op datum van terugbetaling door verweerder.

In de meest ondergeschikte orde strekt de vordering ertoe om de opgelegde boete naar billijkheid te begroten en verweerder te horen veroordelen tot terugbetaling van het verschil tussen de reeds betaalde boeten ende door de rechtbank vastgestelde boeten, te vermeerderen met de moratoriumintresten vanaf de dag van betaling door eiseres en de gerechtelijke intresten tot op datum van terugbetaling door verweerder.

Verder strekt de vordering ertoe verweerder te horen veroordelen tot de kosten van het geding.

Relevante feiten

Eiseres exploiteert een taverne-restaurant, waarvan een gedeelte restaurant is en een gedeelte taverne.

Volgens eiseres kunnen in het gedeelte restaurant en in het gedeelte taverne dezelfde maaltijden worden verbruikt, doch in tegenstelling met de taverne worden in het restaurant geen dranken verschaft zonder maaltijden.

Op 8 februari 1998 gebruikte een fiscaal ambtenaar met zijn gezin een middagmaal in het taverne-restaurant van eiseres, waarna slechts een kasticket werd overhandigd. Op 9 februari 1998 stelde deze fiscale ambtenaar hiervan proces-verbaal op en bij schrijven van 16 februari 1998 werd aan eiseres een boete opgelegd van 50.000 BEF.

Op 9 mei 1998 gebruikte dezelfde fiscale ambtenaar met zijn echtgenote een avondmaal in het taverne-restaurant van eiseres, waarna eveneens een kasticket werd overhandigd. Op 11 mei 1998 stelde hij hiervan proces-verbaal op en bij schrijven van 28 mei 1998 werd aan eiseres een boete opgelegd van 100.000 BEF.

Op 14 oktober 1998 gebruikte een andere fiscale ambtenaar een middagmaal in het taverne-restaurant van eiseres, waarna weerom een kasticket werd overhandigd. Op 22 oktober 1998 stelde hij hiervan proces-verbaal op en bij schrijven van dezelfde dag werd aan eiseres een boete opgelegd van 100.000 BEF.

Met gespreide betalingen werden de drie boeten betaald.

Beoordeling

Betreffende de verplichting tot het uitreiken van een rekening of een ontvangstbewijs

Krachtens artikel 22, § 1, 2° van het KB nummer 1 van 29 december 1992 is de belastingplichtige exploitant van een restaurant gehouden aan zijn klant een rekening of een ontvangstbewijs uit te reiken voor het verschaffen van maaltijden en van dranken die bij die maaltijden worden verbruikt.

Volgens het woordenboek van Dale is een restaurant een publieke gelegenheid waar men koude en warme maaltijden kan bekomen.

Bijgevolg is iedere publieke gelegenheid waar men koude en warme maaltijden kan bekomen een restaurant, ongeacht haar benaming en de wijze van inrichting van het lokaal.

Verder blijkt uit deze definitie ontegensprekelijk dat dergelijke publieke gelegenheid een restaurant is, zelfs indien er ook dranken worden verschaft zonder maaltijden.

Aangezien het bewezen is dat eiseres maaltijden heeft verschaft, is zij bijgevolg exploitante van een restaurant en dient zij aldus krachtens voornoemd artikel 22, § 1, 2° aan haar klant een rekening of een ontvangstbewijs uit te reiken voor de maaltijden en voor de dranken die bij die maaltijden werden verbruikt, ongeacht of deze maaltijden in haar restaurant gedeelte of in haar taverne gedeelte werden verschaft.

Betreffende de schending van het gelijkheidsbeginsel

Zoals hoger vermeld is iedere belastingplichtige die in een publieke gelegenheid maaltijden verschaft, een restaurant, ongeacht haar, benaming, zodat ook een taverne een rekening of een ontvangstbewijs dient uit te reiken.

Bijgevolg is het gelijkheidsbeginsel geenszins geschonden.

Niettegenstaande de wetgever iedere exploitant, die maaltijden verschaft, verplicht een rekening of een ontvangstbewijs uit te reiken, heeft de administratie deze wettelijke verplichting versoepeld.

Ingevolge deze versoepeling dient de exploitant, ongeacht zijn benaming, die uitsluitend lichte maaltijden verschaft geen rekening of ontvangstbewijs uit te reiken.

Bijgevolg dient de exploitant, die niet uitsluitend lichte maaltijden doch ook andere maaltijden verschaft, wel een rekening of een ontvangstbewijs uit te reiken voor alle door hem verstrekte maaltijden met inbegrip van de lichte maaltijden.

Het onderscheid tussen de exploitant, die uitsluitend lichte maaltijden verschaft, en de exploitant, die ook andere maaltijden verschaft, is op objectieve en redelijke wijze verantwoord zodat deze administratieve versoepeling het gelijkheidsbeginsel evenmin schendt.

Aangezien eiseres erkent dat in het taverne gedeelte dezelfde maaltijden worden verschaft als in het restaurant gedeelte, is de administratieve versoepeling niet van toepassing op eiseres.

Bovendien blijkt uit de kastickets ontegensprekelijk dat andere maaltijden werden verschaft dan lichte maaltijden.

Betreffende de toepassing van artikel 70, § 4 van het Wetboek van BTW en van het KB nummer 44 van 21 oktober 1993

Nu het bewezen is dat eiseres in strijd met artikel 22, § 1, 2° van het KB nummer 1 van 29 december 1992 geen rekeningen of ontvangstbewijzen heeft uitgereikt, worden deze overtredingen krachtens artikel 70, § 4 van het wetboek van BTW bestraft mek een geldboete van 1.000 BEF tot 100.000 BEF per overtreding en wordt het bedrag van deze geldboete bepaald volgens een schaal, waarvan de trappen door het KB nummer 44 van 21 oktober 1993 zijn vastgesteld.

Krachtens artikel 22, § 9 van het KB nummer 1 van 29 december 1992 kan aan de belastingplichtige vergunning worden verleend om de rekeningen of de ontvangstbewijzen te vervangen door bons van kasregisters of door een procedé dat gebruik maakt van informaticatechnieken onder de door of namens de Minister van Financiën te stellen voorwaarden.

Deze voorwaarden werden bepaald in aanschrijving nummer 10 van 13 april 1994 en conform § 47 van deze aanschrijving moeten de bons van kasregisters of het procedé dat gebruik maakt van informaticatechnieken de volgende gegevens vermelden, namelijk :

- de aanduiding van de onderneming (naam en voornaam, of voor rechtspersonen, de benaming, alsmede het adres en het BTW-identificatienummer),

- de letter of het identificatienummer door de belastingplichtige toegekend aan het kasregister dat de bons vervaardigt,

- de datum waarop de handeling plaatsvindt,

- het volgnummer toegekend aan de handeling,

- het aantal verbruikte maaltijden, voor wat betreft het verschaffen van maaltijden in inrichtingen waar regelmatig maaltijden worden verbruikt,

- de globale prijs gevorderd van de klant (BTW, en, in voorkomend geval, dienst inbegrepen),

- een verwijzing naar voornoemde aanschrijving : "Vergunning - Aanschrijving nr. 10/1994".

Eiseres heeft geen vergunning aangevraagd om de rekeningen of de ontvangstbewijzen te vervangen door bons van kasregisters of door een procedé dat gebruikt maakt van informaticatechnieken.

Niettegenstaande eiseres een kasticket heeft uitgereikt aan haar klant, kan dit geenszins als een bon van een kasregister worden beschouwd : het door eiseres uitgereikte kasticket vermeldt immers verschillende van de voormelde gegevens niet, zoals ondermeer de verwijzing naar de aanschrijving nummer 10/1994.

Eiseres heeft aldus geen kasregister of geen procedure gebruikt waarvoor haar geen vergunning was verleend en heeft aldus evenmin een kasregister of een andere procedure gebruikt, waarvoor haar vergunning was verleend, doch welke niet voldeed aan de gestelde voorwaarden, zodat de boete in rubriek XI, nummer 6, G van het KB nummer 44 van 21 oktober 1993 niet van toepassing is.

Bijgevolg heeft eiseres op 8 februari 1998 een stuk niet uitgereikt dat moest worden uitgereikt krachtens artikel 22 van het KB nummer 1 van 29 december 1992, zodat deze overtreding wordt bestraft met een geldboete van 5.000 BEF conform rubriek XI, nummer 6, A van voornoemd KB nummer 44.

Zoals hoger vermeld worden de overtredingen op artikel 22, § 1, 2° van het KB nummer 1 van 29 december 1992 krachtens artikel 70, § 4 van het Wetboek van BTW bestraft met een geldboete van 1.000 BEF tot 100.000 BEF per overtreding en wordt het bedrag van deze geldboete bepaald volgens een schaal waarvan de trappen door het KB nummer 44 van 21 oktober 1993 zijn vastgesteld, zodat het KB nummer 41 van 30 januari 1987 niet van toepassing is.

Niettegenstaande met de overtredingen van 9 mei 1998 en 14 oktober 1998 mogelijk sprake kan zijn van recidive en van het oogmerk de belasting te ontduiken of de ontduiking ervan mogelijk te maken, is in het KB nummer 44 van 21 oktober 1993 geenszins voorzien dat alsdan geen vermindering van de geldboete wordt toegepast en aldus de geldboete van 100.000 BEF van toepassing is.

Bijgevolg worden de overtredingen van 9 mei 1998 en 14 oktober 1998, zijnde eveneens het niet uitreiken van een stuk dat moest worden uitgereikt krachtens artikel 22 van het KB nummer 1 van 29 december 1992, ook bestraft met een geldboete van 5.000 BEF per overtreding conform rubriek XI, nummer 6, A van voornoemd KB nummer 44.

Voor de 3 overtredingen is eiseres aldus in totaal een geldboete van 15.000 BEF verschuldigd.

Aangezien eiseres voor de 3 overtredingen in totaal 250.000 BEF heeft betaald, dient verweerder haar 235.000 BEF terug te betalen.

Betreffende de uitvoerbaarverklaring bij voorraad

Conform artikel 92bis van het Wetboek van BTW schorsen de termijnen van verzet, hoger beroep en cassatie, alsmede het verzet, het hoger beroep en de voorziening in cassatie de tenuitvoerlegging van de gerechtelijke beslissing, zodat huidig vonnis dan ook niet uitvoerbaar bij voorraad kan verklaard worden.

Beschikkend gedeelte

OM DIE REDENEN,

DE RECHTBANK,

rechtdoende op tegenspraak,

alle andere en strijdige conclusies verwerpend,

na erover beraadslaagd te hebben.

Verklaart de vordering toelaatbaar en als volgt gegrond en wijst het meer- en anders gevorderde af.

Veroordeelt verweerder tot betaling aan eiseres van het bedrag van tweehonderd vijfendertigduizend Belgische Frank (235.000 BEF), te vermeerderen met de moratoriumintresten vanaf de betaling tot 31 maart 1999 en met de gerechtelijke intresten van dan af tot de datum der gehele betaling.

Veroordeelt verweerder tot de kosten van het geding, deze op heden door eiseres begroot op 3.733 BEF dagvaardingskosten en 12.300 BEF rechtsplegingsvergoeding, en door de rechtbank ambtshalve vereffend op 3.733 BEF dagvaardingskosten en 12.900 BEF rechtsplegingsvergoeding.

G. G. A. V. D. P. W. L. B.