Strafbepaling, administratieve geldboete · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Rechtbank van eerste aanleg Antwerpen 10 april 2000

Zoeken

Strafbepaling, administratieve geldboeteBelasting over de toegevoegde waarde

https://juriel.be/nl/rechtspraak/strafbepaling-administratieve-geldboete-rechtbank-antwerpen-2000-04-10-9e66

Rechtscollege
Rechtbank van eerste aanleg
Zetel
Antwerpen
Datum
10 april 2000

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

58 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Antwerpen d.d. 10.04.2000

Samenvatting niet beschikbaar

Tekst van het vonnis

Tekst van de beslissing

Rechtbank van Eerste aanleg te Antwerpen d.d. 10.04.2000

AR nr. 98/3096/A, dertiende b kamer,

V O N N I S gewezen en uitgesproken in het gerechtsgebouw te Antwerpen op TIEN APRlL TWEEDUIZEND in openbare zitting van de DERTIENDE B kamer van de rechtbank van eerste aanleg van het gerechtelijk arrondissement Antwerpen, alwaar zetelden :

De heer I. V. O., rechter,

Mevrouw C. C., griffier.

In zake : AR nr. 98/3096/A

BVBA B., ingeschreven in het handelsregister te Antwerpen onder nummer …, waarvan d maatschappelijke zetel gevestigd is te …, …,

eisende op hoofdeis,

vertegenwoordigd ter zitting door Meester S. loco Meester F. V. en door Meester F. V. zelf, advocaat, kantoor houdende te …, …,

tegen :

DE BELGISCHE STAAT, Administratie van de BTW, registratie en domeinen, vertegenwoordigd door de heer Minister van Financiën, wiens burelen gevestigd zijn te Brussel, op vervolging en benaarstiging van de heer Gewestelijk Directeur van de BTW, registratie en domeinen te Antwerpen, in de persoon van de rekenplichtige ontvanger van het derde BTW-ontvangkantoor te Antwerpen, waarvan de burelen gevestigd zijn Italiëlei 4, bus 4 te Antwerpen;

verwerende partij,

vertegenwoordigd ter zitting door Meester A. S., advocaat loco Meester R. L., advocaat, kantoor houdende te …, ….

Gezien de stukken van het geding, vervat en geïnventariseerd in het dossier van de rechtspleging en onder meer :

- de inleidende dagvaarding, betekend door het ambt van gerechtsdeunvaarder M.-R P. te … op 11 mei 1998;

- de beschikking overeenkomstig art. 747, § 2 Ger. W. d.d. 12 juli 1999;

- de beschikking overeenkomstig art. 747, § 2 Ger. W. d.d. 19 oktober 1999;

- de besluiten van partijen;

Geler op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van talen in gerechtszaken.

Gehoord partijen in hun middelen en gezegden ter zitting van 7 maart 2000;


1. De vordering strekt er in hoofdzaak toe, het dwangbevel van verweerder Reg. 127/23.94, uitgevaardigd op 28 maart 1994, te horen vernietigen in de mate dat toepassing werd gemaakt van enige administratieve geldboete, minstens de toegepaste boete te horen verminderen.

Het wordt niet betwist dat eiseres bij het indienen van haar BTW, aangiften fictieve facturen had aangewend en aldus minder BTW, had betaald dan zij werkelijk verschuldigd was.

Het wordt evenmin betwist dat eiseres, zodra deze fraude ontdekt werd schuld heeft bekend en alle medewerking heeft verleend aan het onderzoek en zo vlug mogelijk de verschuldigde belastingen, heeft aangezuiverd.

De zaakvoerder van eiseres werd inmiddels door de correctionele rechtbank veroordeeld. Tevens werd aan eiseres, op de onterecht in mindering gebrachte BTW, een administratieve geldboete aangerekend van 200 %, waarvan vergeefs de kwijtschelding of vermindering werd gevraagd.

3. Sedert het arrest van het Arbitrage hof d.d. 24 februari 1999 kan er geen discussie meer bestaan over de bevoegdheid van de rechtbanken om te appreciëren over zowel de hoogte als de opportuniteit van de administratieve geldboeten.

Vergeefs verwijst verweerder naar een kort voordien gewezen arrest van het Hof van Cassatie dat weliswaar eveneens een beroep op de rechtbank mogelijk acht, doch slechts onder strikte voorwaarden.

Daarbij dient ermee te worden rekening gehouden dat de uitspraak van het Arbitrage hof de discriminerend geachte norm - in casu de BTW-wetgeving -zelf treft en aldus gelding erga omnes heeft, terwijl het arrest van het Hof van Cassatie slechts gewijsde creëert tussen de partijen en - zoals de uitspraken der gewone rechtbanken slechts beoogt vooraf bestaande objectieve normen toe te passen op concrete gevallen.

Nu het Arbitrage hof heeft geoordeeld dat het onredelijk discriminerend zou zijn, de krachtens art. 70, § 2 W.BTW opgelegde boeten te onttrekken aan elke jurisdictionele appreciatie, kan de aangevochten norm niet meer in deze zin worden toegepast zonder art. 6 EVRM te schenden. Evenmin kan de mogelijkheid van een jurisdictioneel beroep ondergeschikt worden gemaakt aan voorwaarden, zoals de hoogte van de opgelegde boeten, nu geen enkele wet zulke voorwaarden instelt terwijl het recht om zich tot de rechtbank te wenden krachtens de grondwet slechts bij wet kan worden beperkt.

4. Betreffende de wettelijkheid van de opgelegde boete

Vergeefs argumenteert eiseres dat het opleggen van de door de wet voorziene boete niet voldoende werd gemotiveerd, nu daartoe slechts een beroep werd gedaan op de bedenking “dat uit de aard en de omvang van de vastgestelde overtredingen duidelijk blijkt dat ze werden begaan met het oogmerk de belasting te ontduiken of de ontduiking ervan mogelijk te maken”.

Ten onrechte houdt eiseres voordat zij geenszins de bedoeling had, de BTW te ontduiken, vermits zij wel degelijk de BTW betaalde die op de fictieve inkomende facturen verschuldigd was.

De bedoelde fictieve facturen gingen uit van een zekere S., aan wie eiseres de gefactureerde bedragen op controleerbare wijze overmaakte en die vervolgens het volledige nettobedrag op oncontroleerbare wijze terugbezorgde terwijl hij de BTW behield als “commissie”.

Wat S. daarover ook mag hebben verklaard, eiseres kon niet te goeder trouw geloven dat hij op bestelling fictieve facturen voor miljoenenbedragen opstelde zonder daarbij zelf enig voordeel te hebben. Vermits het nettobedrag integraal werd terugbetaald, vormde het niet doorstorten der ontvangen BTW, het enige voordeel dat S. zich met de operatie kon verwerven.

Eiseres moest inzien dat S., door wel de volledige BTW door te storten wat slechts kon indien hij correcte BTW-aangiften indiende het debacle integendeel slechts zou verhaasten : des te eerder zouden de controlediensten vaststellen dat hij meer factureerde dan hij kon produceren.

- Vergeefs houdt eiseres daarbij voor dat er ten tijde van het opleggen van de boete, hetzij nog voor de strafrechtelijke veroordeling, nog geen bewijs van het bedrieglijk opzet in haren hoofde nog niet vaststond. De motivering dient in rechte en in feite de gronden aan te wijzen waarop de beslissing steunt, maar moet nog niet aanduiden op welke wijze de realiteit van de ingeroepen gronden zal kunnen worden bewezen. De bewijsvoering komt pas aan de orde indien op het ogenblik dat de eenzijdige bestuursdaad, nadat ze gesteld is, door de bestuurder wordt aangevochten, en hoort thuis in het onderzoek naar de gegrondheid van de beslissing, niet bij het onderzoek van haar formele geldigheid.

Het is dus perfect mogelijk, een beslissing te nemen vooraleer de bewijzen voorhanden zijn die later zullen worden ingeroepen om de gegrondheid van de beslissing aan te tonen. Het volstaat dat het bestuur ervan overtuigd is dat de in rechte en in feite ingeroepen gronden aanwezig zijn.

5. Bij het appreciëren van de hoogte der opgelegde straf dient uiteraard te worden rekening gehouden met eventuele andere bestraffingen die reeds aan eiseres zouden zijn opgelegd.

Daarbij argumenteert eiseres echter ten onrechte dat zij de BTW reeds aan S. had betaald. Het bedrag dat zij naast de haar terugbetaalde bedragen aan S. betaalde, werd op de fictieve facturen van S. weliswaar als “BTW” betiteld en stemt overeen met het bedrag van de BTW, die op deze facturen verschuldigd zou zijn geweest indien de erop vermelde verrichtingen reëel zouden zijn geweest, maar kan in realiteit onmogelijk BTW zijn geweest. Nu eiseres moet hebben ingezien dat deze bedragen niet zouden worden doorgestort, kan het evenmin haar bedoeling zijn geweest, deze bedragen te betalen ten titel van BTW, maar wel, op deze wijze S. te vergoeden voor de dienst die hij haar bewees.

Evenmin kan er in casu worden toepassing gemaakt van het beginsel "non bis in idem" op grond van het feit dat de zaakvoerder van eiseres reeds correctioneel werd gestraft.

Noch het feit dat voor de in het voordeel van eiseres gepleegde fraude de strafbare en reeds strafrechtelijk beteugelde medewerking van haar zaakvoerder nodig was, noch het feit dat eiseres als burgerlijk verantwoordelijke voor haar zaakvoerder mede werd veroordeeld of het feit dat zij de tegen hem uitgesproken geldboeten zou hebben betaald, verzet zich ertegen dat ook lastens eiseres een passende straf zou worden opgelegd.

Zoniet zou ook geen gezamenlijke veroordeling van twee medeplichtigen mogelijk zijn, of zou voor een in groep gepleegd misdrijf de aan elk der mededaders op te leggen straf omgekeerd evenredig dienen te zijn met hun aantal.

Daarentegen dienen wij wel vast te stellen dat een geldboete van 200 % tegelijk de maximumstraf is die aan eiseres op grond van de vastgestelde overtreding kan worden opgelegd. Het lijkt ons onredelijk dat deze maximumstraf zonder onderscheid zou worden opgelegd zowel aan degene die de meest grove middelen heeft gebruik om de straffeloosheid van zijn fraude na te streven als aan iemand die, zoals eiseres, dadelijk haar fout heeft erkend, haar medewerking aan het onderzoek heeft verleend en haar misstap heeft rechtgezet door in moeilijke omstandigheden haar schuld aan te zuiveren.

Een herleiding tot 10 % is dan weer overdreven : een boete van 10 % wordt ook opgelegd aan wie louter door onoplettendheid te weinig of zelfs laattijdig betaalt.

De boete kan dan ook worden beperkt tot 50 %.

Beschikkend gedeelte

OM DEZE REDENEN,

DE RECHTBANK,

Rechtdoende in eerste aanleg en op tegenspraak.

Alle strijdige of verdere besluite verwerpend.

Verklaart de vordering ontvankelijk doch slechts in de onderstaande mate gegrond;

Vernietigt het dwangbevel Reg. 127/23,94, uitgevaardigd op 28 maart 1994 in zoverre het een administratieve boete oplegt die hoger is dan 50 % van de ontdoken BTW.

Wijst het meergevorderde af.

Veroordeelt verweerder tot de kosten van het geding, deze tot op heden in hoofde van eiseres begroot op :

Dagvaarding : 4.095 Fr.

Rechtsplegingsvergoeding : 12.600 Fr.

C. C. I. V. O.