---
title: "12 maart 2007 · Strafbepaling, administratieve geldboete · Rechtbank van eerste aanleg te Brugge"
description: "Strafbepaling, administratieve geldboete, recht op aftrek van belasting. Rechtbank van eerste aanleg te Brugge (België), 12 maart 2007."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak/strafbepaling-administratieve-geldboete-recht-aftrek-rechtbank-brugge-2007-03-12-74c6"
lang: "nl"
---

# Strafbepaling, administratieve geldboete, recht op aftrek van belasting · Belasting over de toegevoegde waarde

**Rechtscollege**

Rechtbank van eerste aanleg

**Zetel**

Brugge

**Datum**

12 maart 2007

## Over het document

**Verzameling**

Belgische rechtspraak

**Taal van de tekst**

Nederlands

## Tekst

77 paragrafen

### Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Brugge d.d. 12.03.2007

Samenvatting niet beschikbaar

**Tekst van het vonnis**

### Tekst van de beslissing

**De Rechtbank van eerste aanleg te Brugge, VIERDE KAMER, heeft het hierna volgend vonnis verleend :**

In de zaak **04/1752/A** Rep. nr. 2007/3632

**de NV S. V.**, (Ondernemingsnr. …), met zetel te …, …,

**eiseres,**

voor wie optreedt Meester **A. C.**, advocaat met kantoor te …, …,

**tegen :**

**De BELGISCHE STAAT**, FOD FINANCIËN, in de persoon van de heer Minister van Financiën, Administratie van de Ondernemings- en Inkomensfiscaliteit, op vervolging van de e.a. Inspecteur van de 3e BTW­controle te Kortrijk, met kantoren te 8500 Kortrijk, Hoveniersstraat 31,

**verweerder,**

voor wie optreedt Meester **F. W.**, advocaat met kantoor te …, …,

## I. RECHTSPLEGING

Gelet op het fiscaal verzoekschrift ingediend ter griffie de dato 3 juni 2004.

De rechtbank nam kennis van het dossier van de rechtspleging en van de door partijen overgelegde bundels.

Partijen werden gehoord in hun middelen bij monde van hun raadsman in de openbare terechtzitting van 12 februari 2007.

Artikel 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werden in acht genomen.

## ll. BIJZONDERSTE GEGEVENS VAN DE ZAAK

**2.1.** Eiseres is ingeschreven als BTW-belastingplichtige, ingevolge haar activiteit van onderneming in schilderwerken. Zij is derhalve onderworpen aan de bepalingen van de BTW-wetgeving en de ter uitvoering ervan genomen besluiten.

Op 11 september 2003 werd door **S. B.**, waarnemend eerstaanwezend inspecteur bij het AOIF sector BTW, een toezicht aangevat over de toepassing van de wetgeving en de reglementering inzake de belasting over de toegevoegde waarde.

Op 4 november 2003 werd door **S. B.** voornoemd een proces-verbaal opgesteld waarin de door eiseres begane overtredingen werden geacteerd.

Op 3 maart 2004 werd overgegaan tot inhouding van een BTW-tegoed op de rekening­courant van eiseres voor een bedrag van … EUR.

Met een tegensprekelijk verzoekschrift de dato 3 juni 2004 werd verzet aangetekend tegen voormeld proces-verbaal en de daaropvolgende inhouding.

**2.2.** Eiseres vraagt dat de vordering ontvankelijk en gegrond wordt verklaard en dat dienvolgens voor recht wordt gezegd dat het betrokken voertuig een lichte vrachtwagen is waarvan de betaalde BTW voor 100 % in aftrek kan worden gebracht zodat de teruggaaf dient bevolen te worden van alle sommen die onterecht werden geïnd, en dit binnen de 48 uren na betekening van het vonnis en onder verbeurte van een dwangsom van … EUR per dag vertraging. In ondergeschikte orde vraagt zij dat de boete wordt ontheven. Verder vordert zij dat verweerder wordt veroordeeld tot de gedingkosten, in haar hoofde begroot op de rechtsplegingsvergoeding ten bedrage van … EUR en dat het vonnis uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard niettegenstaande elk verhaal en zonder borgstelling noch kantonnement.

**2.3.** Verweerder vordert dat het verzoekschrift ontvankelijk en ongegrond wordt verklaard en dat eiseres wordt veroordeeld tot de kosten van het geding, in zijn hoofde begroot op … EUR rechtsplegingsvergoeding.

## III. BEOORDELING

### 3.1. nopens de ontvankelijkheid

Verweerder voert geen redenen aan die tot de onontvankelijkheid van de vordering kunnen leiden. Nu de rechtbank evenmin middelen van onontvankelijkheid, die hij ambtshalve zou moeten opwerpen, ontwaart, is de vordering ontvankelijk.

### 3.2. nopens de grond

#### *3.2.1. nopens de toepassing van artikel 45, § 2 W.BTW*

**3.2.1.1.** Artikel 45, § 2, 1° lid W.BTW bepaalt het volgende : "Ten aanzien van de levering, de invoer en de intracommunautaire verwerving van automobielen voor personenvervoer, daaronder begrepen de voertuigen die zowel voor personenvervoer als voor goederenvervoer kunnen dienen, en ten aanzien van goederen en diensten met betrekking tot die voertuigen, mag de aftrek in geen geval hoger zijn dan 50 % van de betaalde belasting".

Verweerder stelt dat de bewuste wagen Toyota Landcruiser niet kan beschouwd worden als .een lichte vrachtwagen. Hij steunt zich hiervoor op de aanschrijving nr. 25 van 11 december 1990 en op de feitelijke vaststellingen. Zo voldoet het bewuste voertuig niet aan de bijzondere voorwaarde voor kwalificatie als lichte vrachtwagen zoals bepaald op pagina 2 van de aanschrijving nr. 25 van 1990. Immers, het voertuig heeft een vlakke laadvloer met een lengte die echter kleiner is dan de helft van de wielbasis en in de laadruimte zijn de zijwanden uitgerust zijn met normale niet afgedichte vensters. Verder is de passagiersruimte uitgerust met twee rijen zetels.

De 100 % aftrek van voorbelasting op de aankoop van de wagen Toyota Landcruiser werd dan ook geweigerd en gereduceerd tot 50 %.

**3.2.1.2.** Eiseres stelt dat de bewuste wagen een vrachtwagen betreft van niet meer dan 3.500 kg met een dubbele cabine en die definitief werd omgevormd voor het vervoer van goederen en dan ook uitsluitend voor goederenvervoer wordt aangewend. Verder stelt zij dat de vordering op grond van artikel 45, § 2 W.BTW onwettig is aangezien voormeld artikel in strijd is met het EG-recht en meer bepaald met de zesde richtlijn van de Raad van de Europese Economische Gemeenschappen.

Tenslotte houdt eiseres nog voor dat de van toepassing zijnde omzendbrief niet kan gelden als grondslag van belasting.

**3.2.1.3.** Volgens artikel 17, 6° lid van de zesde BTW-richtlijn (in werking getreden op 1 januari 1978) mogen de lidstaten geen nieuwe aftrekbeperkingen invoeren met dien verstande dat de bestaande aftrekbeperkingen die bestonden op het ogenblik van de inwerkingtreding van de zesde richtlijn behouden blijven (de zogenaamde standstill­bepaling).

De aftrekbeperking van artikel 45, § 2 W.BTW dateert van voor 1 januari 1978 zodat zij als overgangsbepaling van toepassing blijft.

Aangezien de wet inzake aftrek van voorbelasting op voertuigen de aftrekbeperkingen sinds de inwerkingtreding van de zesde BTW-richtlijn niet heeft verruimd, heeft artikel 45, § 2 W.BTW het EG-recht niet geschonden.

Verder is het duidelijk dat de door de administratie gehanteerde aanschrijving en mededeling geen andere bedoeling en draagwijdte hebben dan de bestaande wetgeving en reglementering in herinnering te brengen en/of toe te lichten, en daaraan eventueel aanbevelingen vast te knopen. Zij hebben met andere woorden niet de bedoeling de erin vervatte interpretaties of richtlijnen verplichtend te stellen, aan wie dan ook. Volgens een vaste rechtspraak van de Raad van State en van het Hof van Cassatie hebben dergelijke interpretatieve omzendbrieven geen bindend karakter.

**3.2.1.4.** In het W.BTW wordt nergens een omschrijving gegeven van "een lichte vrachtwagen" en van "een auto voor dubbel gebruik".

In het KB de dato 15 maart 1968 betreffende het algemeen reglement op de technische eisen waaraan de auto's, hun aanhangwagens, hun onderdelen en hun veiligheidstoebehoren moeten voldoen wordt wel een omschrijving teruggevonden van lichte vrachtwagen en van auto voor dubbel gebruik. Artikel 1, § 2, 5° van voormeld KB van 15.03.1968 omschrijft een lichte vrachtwagen als "elke auto opgevat en gebouwd voor het vervoer van zaken waarvan de maximale toegelaten massa 3.500 kg niet overschrijdt". Artikel 1, § 2, 3° van het KB d.d. 15.03.1968 definieert een auto voor dubbel gebruik als zijnde "elke auto opgevat en gebouwd voor het vervoer van personen en zaken die bij het gebruik voor het bezoldigde vervoer van personen ten hoogste 8 plaatsen mag bevatten, zonder die van de bestuurder".

**3.2.1.5.** Het onderscheid tussen een voertuig dat opgevat en gebouwd is voor het vervoer van goederen en een wagen voor dubbel gebruik (goederen- en personenvervoer) waarop de beperking van aftrekbare BTW conform artikel 45, § 2 W.BTW van toepassing is, is een feitenkwestie die geval per geval moet beoordeeld worden.

De elementen die hierbij van belang zijn om de aard van het voertuig te bepalen zijn o.m. de structuur van het voertuig, de aanwezigheid van één of meerdere rijen zetels, de oppervlakte van de laadvloer, de onmogelijkheid om zetels en gordels in de laadruimte te voorzien en de afscheiding van passagiers- en laadruimte.

**3.2.1.6.** Door de controleagent werden de volgende feitelijke vaststellingen gedaan (proces-verbaal d.d. 4.11.2003 - stuk 2 van verweerder) :

\- Het voertuig heeft een vlakke laadvloer met een lengte die kleiner is dan de helft van de wielbasis.

\- In de goederenruimte zijn de zijwanden uitgerust met ruiten. Deze ruiten werden niet afgedicht.

\- De passagiersruimte van het voertuig is uitgerust met twee rijen zetels, waarvan twee zetels op de voorste rij. Op de tweede rij is het voertuig voorzien van zetels met drie zitplaatsen.

Uit het tweede proces-verbaal van 5 oktober 2004 (stuk 10 van verweerder) blijkt tevens dat de laadruimte duidelijk minder bedraagt dan 50 % van de wielbasis. Afmetingen werden genomen en de lengte van de wielbasissen bedraagt ca. 2 m 70 cm, terwijl de lengte van de laadvloer slechts 87 cm bedroeg.

**3.2.1.7.** Op grond van de feitelijke vaststellingen is het duidelijk dat het hier een voertuig betreft dat zowel geschikt is voor personenvervoer als voor goederenvervoer. Het voertuig heeft duidelijk een dubbele functie aangezien het geschikt is voor de activiteit van eiseres, hetgeen impliceert dat men zowel materiaal als personeel kan ter plaatse brengen. De oppervlakte van de passagiersruimte is vrij aanzienlijk. Verder is de passagiersruimte ook niet ontstaan uit de verbouwing van een gesloten bestelwagen. Het kwestieus voertuig is m.a.w. niet hoofdzakelijk opgevat en gebouwd voor het vervoer van goederen.

De omstandigheid dat de laadruimte in de zijwanden is uitgerust met niet-afgedekte ruiten is enkel een bijkomend element ter appreciatie doch geenszins determinerend.

Op grond van artikel 45, § 2 W.BTW. is de aftrek van BTW op facturaties beperkt tot 50 %.

**3.2.1.8.** Het feit dat de DIV van het Ministerie van Verkeerswezen het kwestieus voertuig als lichte vrachtwagen heeft ingeschreven, kan niet toegerekend worden aan de BTW-administratie.

Verder is het ook zo dat de overheid niet gebonden kan zijn door een eventuele nalatigheid of onoplettendheid van een controlerende ambtenaar die, zonder een standpunt in te nemen of een interpretatie te geven, bepaalde overtredingen van de wetgeving over het hoofd zou hebben gezien of niet zou hebben gesanctioneerd. De vroegere houding van bepaalde geledingen van het Ministerie van Financiën kan niet verhinderen dat de wet thans strikt wordt toegepast.

Bovendien is het duidelijk, op grond van de voorliggende stukken, dat de BTW­administratie in het verleden geen enkele verkeerde inlichting heeft gegeven, geen uitdrukkelijk andersluidend standpunt heeft ingenomen en geen interpretatie heeft gegeven die bij eiseres het vertrouwen zou kunnen gewekt hebben dat het kwestieuze voertuig als een lichte vrachtwagen diende behandeld te worden.

Verweerder heeft derhalve het algemeen beginsel van behoorlijk bestuur van het opgewekt vertrouwen niet geschonden.

#### *3.2.2. nopens de boete*

Op grond van artikel 70, § 1bis W.BTW is een evenredige fiscale geldboete verschuldigd wegens de onrechtmatig genoten aftrek van tweemaal het bedrag van de verschuldigde rechten. Deze geldboete werd verminderd overeenkomstig de schalen in bijlage aan het KB nr. 41 van 30 januari 1987, hetzij tot 10 % van de teveel afgetrokken BTW.

Gelet op de hiervoor aangehaalde specifieke omstandigheden komt het opleggen van een boete niet opportuun voor derwijze dat deze moet worden kwijtgescholden.

### 3.3. nopens de kosten

Eiseres wordt voor de eigenlijke betwisting in het ongelijk gesteld. Overeenkomstig artikel 1017, 1ste lid van het gerechtelijk wetboek moet zij de gerechtskosten dragen.

### 3.4. nopens de uitvoerbaarheid bij voorraad

Ingevolge artikel 377 WIB 92 en artikel 92bis W.BTW kan een vonnis in fiscale zaken niet uitvoerbaar verklaard worden bij voorraad. Dit werd bevestigd door het Hof van Beroep te Gent in haar arrest van 2 maart 2004, nr. 2002/AR/2691 inzake NV **D.**.

### Beschikkend gedeelte

**OM DEZE REDENEN,**

**De rechtbank,**

Wijzende in eerste aanleg en op tegenspraak.

Alle verdere middelen van partijen verwerpende als niet dienend.

Verklaart het verzoekschrift ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond.

Zegt dienvolgens voor recht dat de door verweerder gevorderde BTW ten bedrage van … EUR gegrond is.

Zegt dienvolgens voor recht dat de door verweerder opgelegde boete van … EUR ongegrond is.

Beveelt dienvolgens verweerder om over te gaan tot terugbetaling aan eiseres van elk bedrag dat werd geïnd boven het gedeelte dat gegrond werd bevonden, te vermeerderen met de verwijlsinterest aan de wettelijke rentevoet vanaf de inning of de inhouding, daarin begrepen zijnde de gerechtelijke rente vanaf datum verzoekschrift tot op datum van volledige betaling.

Wijst eiseres van het overige af.

Veroordeelt eiseres tot de gedingkosten, aan haar zijde niet te begroten aangezien ze haar ten laste blijven, aan de zijde van verweerder begroot op … EUR rechtplegingsvergoeding.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting in het gerechtshof te Brugge op **maandag twaalf maart tweeduizend en zeven**.

Aanwezig zijn :

**H. N.**, alleenrechtsprekend rechter;

**L. N.**, griffier.

**N. L.** **N. H.**
