---
title: "17 februari 2004 · Strafbepaling, administratieve geldboete · Hof van beroep te Gent"
description: "Strafbepaling, administratieve geldboete, recht op aftrek van belasting, voldoening van de belasting. Hof van beroep te Gent (België), 17 februari 2004."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak/strafbepaling-administratieve-geldboete-recht-aftrek-hof-van-beroep-gent-2004-02-17-5bbc"
lang: "nl"
---

# Strafbepaling, administratieve geldboete, recht op aftrek van belasting · Belasting over de toegevoegde waarde

**Rechtscollege**

Hof van beroep

**Zetel**

Gent

**Datum**

17 februari 2004

## Over het document

**Verzameling**

Belgische rechtspraak

**Taal van de tekst**

Nederlands

## Tekst

197 paragrafen

### Fiche van de FOD Financiën

Arrest van het Hof van beroep te Gent d.d. 17.02.2004

Samenvatting niet beschikbaar

**Tekst van het arrest**

### Tekst van de beslissing

**Hof van beroep te Gent, 5****e** **kamer**

Nr. **1969/AR/49462**

in de zaak van :

**M. NV** - voorheen Vervoeronderneming **V. G.** NV en te vóór BVBA Gebroeders **V. G.**-, met zetel te …, …,

**appellante,**

niet verschijnend - arrest op tegenspraak gewezen de zaak vastgesteld zijnde bij toepassing van art. 750, § 1 Ger.W.

**tegen :**

**DE BELGISCHE STAAT**, FOD Financiën, Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, in de persoon van :

\- de rekenplichtige van het BTW-Ontvangkantoor Oostende, en van

\- de e.a. Inspecteur van de BTW-controle Oostende I,

wier kantoren gevestigd zijn te 8400 Oostende, Vrijhavenstraat 1,

**geïntimeerde,**

ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. **V. D. P. J.**, advocaat te …, …

spreekt het Hof het volgend arrest uit :

1\. Bij gerechtsdeurwaardersexploot van 30.7.1.981 dagvaardde de appellante de geïntimeerde voor de rechtbank van eerste aanleg te Brugge teneinde te horen zeggen voor recht dat de door de appellante onder voorbehoud en zonder enige bekentenis aan de geïntimeerde betaalde sommen onverschuldigd zijn betaald en moeten worden terugbetaald, meer intresten en … BEF (thans … EUR) schadevergoeding te verhogen in de loop van het geding. In ondergeschikte orde werd gevorderd dat de boeten zouden beperkt blijven tot … BEF (thans … EUR).

De aan de geïntimeerde betaalde sommen hebben betrekking op een BTW-schuld (BTW, boeten en intresten) die de appellante betwist, en waartoe zij volgens de geïntimeerde gehouden was uit hoofde van een onrechtmatig door de appellante uitgeoefende aftrek van BTW met betrekking tot facturen in de periode van 3.1.1975 tot 29.9.1977.

In haar conclusie neergelegd ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg te Brugge op 18.5.1988 herformuleert de appellante haar vordering als volgt :

> *"*
>
> *dienvolgens de terugbetaling te bevelen van de onder voorbehoud betaalde som van … BEF (thans … EUR), verhoogd met de moratoire rente sinds de datum der betaling, d.i. 14.7.1981, tot de datum der terugbetaling;*
>
> *minstens de terugbetaling te bevelen van … BEF (thans … EUR) rechten wegens ingetreden verjaring, te verhogen met de daarop betrekking hebbende boeten van … BEF (thans … EUR) en met de nalatigheidsintresten tot 20.7.1981, dit alles verhoogd met de moratoire rente sedert 14.7.1981 tot de datum der terugbetaling;*
>
> *gedaagden te veroordelen tot schadevergoeding, voorlopig op … BEF (thans … EUR) geraamd, en te verhogen in de loop van het geding;"*

In haar conclusie neergelegd ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg te Brugge op 7.12.1988 handhaaft de appellante de hoger aangehaalde vordering doch voegt zij er een" tegeneis" aan toe omdat de geïntimeerde misbruik van procesrecht zou gepleegd hebben. Om die reden vorderde de appellante *"in te gaan op de tegeneis, en dienvolgens de schadevergoeding te bepalen op … frank (thans … EUR), ofwel op … frank (thans … EUR), naargelang het geval, en de rechtsplegingsvergoeding op … BEF (thans … EUR).”*

In haar conclusie neergelegd ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg te Brugge op 15.3.1990 formuleert de appellante haar vordering als volgt :

> *"volhardt eiseres* (d.i. de appellante) *in haar vorige besluiten,*
>
> *met dit verschil :*
>
> \- *dat de tegeneis geformuleerd in de tweede besluiten, in verband met de toepassing van art. 730 en 750 Ger. W. wegvalt;*
>
> \- *dat de Administratie krachtens art. 871 Ger. W. zou bevolen worden alle stukken voor te brengen in verband met de controles bij eiseres (d.i. de appellante) uitgeoefend, vanaf 1.1.1975 tot 30.9.1980, dit in verband met de schending van het vertrouwensbeginsel;*
>
> \- *dat, uiterst subsidiair, zou worden ingegaan op de stelling van de B.B.I, dat 50 of 70 % van de facturen fictief zouden zijn, en de rest niet, en de daaruit voortvloeiende terugbetalingen van rechten, boete ,en verwijlrente te bevelen, verhoogd met de moratoire rente vanaf 14.7.1981;"*

Bij vonnis van 23.5.1990 van de rechtbank van eerste aanleg te Brugge, vierde kamer, werd de vordering ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond verklaard en werd de geïntimeerde veroordeeld om te betalen aan de appellante de som van … BEF (thans … EUR), meer de gerechtelijke intresten vanaf 30.7.1981. Tevens zegt de rechtbank voor recht dat iedere partij haar eigen kosten dient te dragen en dat de rechtsplegingsvergoedingen worden gecompenseerd.

Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het Hof van beroep te Gent op 30.3.1993 heeft de appellante hoger beroep ingesteld tegen het vermelde vonnis.

Het blijkt niet dat het bestreden vonnis werd betekend of dat de appellante er in zou hebben berust.

Het hoger beroep is tijdig en regelmatig.

Met haar hoger beroep streeft de appellante de vernietiging van het vermelde vonnis na en vordert zij :

> *"*
>
> *… de oorspronkelijke vordering toe te wijzen, en te zeggen voor recht,*
>
> *dat alle betaalde of aangezuiverde sommen moeten worden terugbetaald, verhoogd met de wettelijke rente sinds de datum der betaling, d.i. 14.7.1981, tot de datum der terugbetaling,*
>
> *minstens de terugbetaling te bevelen van … F (thans … EUR) rechten wegens ingetreden verjaring, te verhogen met de daarop betrekking hebbende boeten van … BEF (thans … EUR) en met de nalatigheidsintresten tot 20.7.1981, dit alles verhoogd met de moratoire rente sedert 14.7.1981 tot de datum der terugbetaling;*
>
> *dat de Administratie en haar ambtenaren schadevergoeding moeten betalen, die voorlopig op … BEF (thans … EUR) wordt geraamd, te verhogen in de loop van het geding;*
>
> *verder, geïntimeerde te veroordelen tot alle gedingkosten, inbegrepen de rechtsplegingsvergoeding voor beide instanties;"*

In haar conclusie neergelegd ter griffie van het Hof van beroep te Gent op 2.10.1997 herformuleert de appellante haar vordering en vordert zij :

*“*

*Het hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren, dienvolgens het vonnis van de Eerste Rechter te vernietigen, en opnieuw wijzende en doende wat de Eerste Rechter had moeten doen, de oorspronkelijke vordering van eiseres (d.i. de appellante) ontvankelijk en gegrond te verklaren, en rechtdoende,*

*geïntimeerde te veroordelen tot de terugbetaling van alle sommen die reeds door appellante werden betaald. zijnde … BEF (thans … EUR) verhoogd met de wettelijke rente vanaf het ogenblik van de betaling, zijnde 14.7.1981 tot aan de terugbetaling;"*

In haar conclusie neergelegd ter griffie van het Hof van beroep te Gent op 14.2.2003 concludeert de appellante over de boete en stelt zij dat wat het overige van haar besluiten betreft zij zich gedraagt naar de wijsheid van het Hof. Vervolgens vordert zij de geïntimeerde ten minste te veroordelen tot de terugbetaling der … F = … EUR, meer de gerechtelijke rente vanaf 30.7.1981, tevens te zeggen voor recht dat in dat geval iedere partij haar eigen kosten zal dragen en de rechtsplegingsvergoedingen zouden gecompenseerd worden.

In haar conclusie neergelegd ter griffie van het Hof van beroep te Gent op 28.6.1999 vordert de geïntimeerde het bestreden vonnis te bekrachtigen behalve voor wat betreft de vastgestelde geldboete en opnieuw wijzende de geldboete conform [artikel 70, § 1bis BTW-wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-70) en Koninklijk Besluit nr. 41, tabel B vast te stellen op … BEF (thans … EUR), tevens de appellante te veroordelen tot alle gedingkosten. Aldus tekent zij incidenteel beroep aan.

2\. De appellante voert aan dat de BBl onwettig werd opgericht en georganiseerd, tevens de volgens haar nodige bekendmaking van wetteksten niet gebeurde. Zij kan in deze stelling niet gevolgd worden, zoals hierna blijkt.

De Administratie van de bijzondere belastinginspectie werd met ingang van 21 februari 1979 opgericht als onderdeel van de Algemene Administratie van de belastingen, die voor het overige bestond uit de Administratie der directe belastingen, de Administratie der douane en accijnzen, de Administratie van de belasting over de toegevoegde waarde, registratie en domeinen en de Administratie van het kadaster (artikel 1, § 1, van het koninklijk besluit van 29 oktober 1971 tot vaststelling van het organiek reglement van het Ministerie van Financiën en van de bijzondere bepalingen die er voorzien in de uitvoering van het statuut van het rijkspersoneel, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 14 november 1978 tot oprichting van de graad van administrateur-generaal van de belastingen en tot wijziging van voormeld koninklijk besluit).

Samen vormden zij de fiscale administraties ([artikel 1, § 3](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-41-januari-vaststelling-bedrag-proportionele-fiscale-d48c#ar41-art1), van voormeld besluit).

[Artikel 2, 1°](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-41-januari-vaststelling-bedrag-proportionele-fiscale-d48c#ar41-art2), van voormeld koninklijk besluit bepaalt dat wanneer er bij de Wet of bij koninklijk besluit niet anders over beschikt wordt de Minister van Financiën de bevoegdheden van het Ministerie van Financiën verdeelt onder de bij artikel 1, § 1, bedoelde administraties en diensten. [Artikel 2, 2°](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-41-januari-vaststelling-bedrag-proportionele-fiscale-d48c#ar41-art2) van voormeld koninklijk besluit bepaalt dat de Minister van Financiën de zetel en de territoriale bevoegdheid van gewestelijke en lokale diensten vaststelt.

Het koninklijk besluit van 14 november 1978 heeft in hoofdstuk I van titel II van voormeld koninklijk besluit van 29 oktober 1971 een afdeling 6 ingevoegd met bepalingen eigen aan de Administratie van de bijzondere belastinginspectie. [Artikel 25bis](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-41-januari-vaststelling-bedrag-proportionele-fiscale-d48c) van dit koninklijk besluit had betrekking op de ambtenaren benoemd in de betrekkingen van rangen 14 of 16. Luidens [artikel 25ter](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-41-januari-vaststelling-bedrag-proportionele-fiscale-d48c) van dit koninklijk besluit werden de betrekkingen van een lagere rang dan rang 14 vastgesteld in de organieke personeelsformatie van de centrale diensten van de Administratie van de bijzondere belastinginspectie, bezet door de ambtenaren die door de centrale diensten van de andere fiscale administraties ter beschikking werden gesteld. Artikel 25quater bepaalde dat, onverminderd artikel 4, § 2, eerste lid, het personeel van de buitendiensten der fiscale administraties, binnen de grenzen van de organieke personeelsformatie, ter beschikking worden gesteld van de buitendiensten van de Administratie van de bijzondere belastinginspectie overeenkomstig de bepalingen van artikel 4, § 2, vierde lid.

Blijkens de uiteenzetting van de Minister van Financiën in de Commissie voor de Financiën van de Senaat naar aanleiding van de bespreking van het ontwerp van wet houdende de begroting van het Ministerie van Financiën voor het begrotingsjaar 1979, werd de Administratie van de bijzondere belastinginspectie opgericht als een afzonderlijke fiscale administratie, samengesteld uit ambtenaren afkomstig uit of ter beschikking gesteld door de overige, voorheen reeds bestaande fiscale administraties (ParI. St. , Senaat, B.Z. 1979, 5-XXII, nr. 2, p. 15). In deze uiteenzetting werd onder meer gesteld : *"Zij bestaat uit iets meer dan 400 personeelsleden die vroeger de kern vormden van de verschillende speciale diensten van de fiscale administraties en die gegroepeerd werden in een nieuwe dienst. Geen enkele aanwerving was bijgevolg nodig voor het vormen van de buitendiensten van deze nieuwe administratie. Dank zij deze nieuwe structuren zal de doeltreffendheid van de gezamenlijke actie der fiscale administraties sterk toenemen De nieuwe administratie van de Bijzondere Belastinginspectie zal ruimere controleopdrachten uitvoeren, namelijk die welke een nauwe samenwerking tussen de verschillende fiscale specialisten onderstellen eventueel met controleambtenaren die afhangen van andere departementen van Financiën. Deze nieuwe administratie zal ook de fraude blijven opsporen, de totstandkoming ervan zo mogelijk verhinderen en ze krachtig onderdrukken zodra ze mochten tot stand komen. Zij zal een centrum zijn waar de technici der verschillende fiscale takken zullen leren samenwerken en de bestaande affiniteiten tussen de verschillende belastinggronden en het zakencijfer beter zullen leren gebruiken. Deze gemeenschappelijke acties zullen vruchten afwerpen op korte termijn maar op langere termijn zullen zij mogelijk maken de samenwerking tussen de fiscale diensten beter te organiseren en in de praktijk om te zetten, onder meer door de uitvoering van gezamenlijke controles door de gewone taxatiediensten. De nieuwe dienst van de Bijzondere Belastinginspectie zal dus hoofdzakelijk een polyvalente activiteit hebben, zowel wat betreft de directe belastingen als de BTW en de douane. De ambtenaren zullen recht van onderzoek hebben in de gehele fiscale sector. De inrichting en de progressieve uitbreiding van polyvalente fiscale werkzaamheden in de gewone diensten worden nu reeds overwogen, ten einde allerhande fraudemechanismen beter te kunnen ontdekken en bestrijden. Weliswaar zal de fiscale controle aldus in zekere mate worden verscherpt, maar de personeelsleden hebben de nodige richtlijnen gekregen om de rechten van de belastingplichtigen strikt te eerbiedigen."*;

Bij gebreke van een andersluidende bepaling van een wet of een koninklijk besluit kwam het de Minister van Financiën toe de bevoegdheid van die nieuwe fiscale administratie te bepalen en derhalve van de ambtenaren die er deel van uitmaakten, hetgeen hij heeft gedaan.

De nieuwe administratie werd ermede belast toezicht uit te oefenen op de correcte toepassing van het geheel van de belastingwetten, inzonderheid in de grote ondernemingen en zij diende meer in het bijzonder de belangrijke fraudestromen op te sporen en de daarbij opgedane ervaring ten dienste te stellen van de gewone controlediensten. Te dien einde moest zij maximaal gebruik kunnen maken van de verwantschap tussen de inkomstenbelasting en de belasting over de toegevoegde waarde (ParI. St., Kamer, 1979-1980, nr. 323/1, p. 16).

Artikel 87 van de wet van 8 augustus 1980 betreffende de budgettaire voorstellen 1979-1980 bepaalt dat de administratie van de bijzondere belastinginspectie en de ambtenaren ervan de bevoegdheden hebben die door de wettelijke en reglementaire bepalingen inzake belastingen, rechten en taksen worden verleend aan de fiscale administraties en aan de ambtenaren ervan. Artikel 89, § 2, 1°, van diezelfde wet bepaalt dat artikel 87 terugwerkt tot 1 januari 1979.

De memorie van toelichting ten aanzien van het vermelde artikel 87 (artikel 45 van het wetsontwerp) verduidelijkt dat om die opdracht in goede omstandigheden te kunnen vervullen, de administratie van de bijzondere belastinginspectie en de ambtenaren ervan op onbetwistbare wijze moeten kunnen beschikken over de machten die de wet aan de diverse fiscale administraties en aan de ambtenaren ervan verleent. (ibid., p. 16). In het Verslag uitgebracht namens de Commissie voor de Financiën wordt aangehaald dat de Minister verduidelijkte dat de speciale diensten van BTW, Directe Belastingen en Douane werden samengesmolten en ondergebracht in de Bijzondere Belastinginspectie, die inzonderheid belast is met de opsporing van belangrijke fraudepraktijken en met de controle van grote ondernemingen, tevens dat artikel 45 van het ontwerp er geen enkele twijfel wil over laten bestaan dat de ambtenaren van de Administratie van de Bijzondere Belastinginspectie alle machten hebben die de onderscheiden belastingwetten toekennen aan de ambtenaren van de diverse fiscale administraties (ParI. St, Kamer, 1979-1980, nr. 323/47, p. 91; zie in dezelfde zin : ParI. St., Senaat, 1979-1980, nr. 483/9, p. 63).

Uit dit alles blijkt dat de BBl en haar ambtenaren door de Koning krachtens de oude artikelen 66 Grondwet (thans 107 Grondwet/1994) en 67 Grondwet (thans 108 Grondwet/1994), en door de Minister van Financiën krachtens hoger aangehaald koninklijk besluit, op regelmatige wijze werden belast met de hoger aangehaalde opdrachten en hun op regelmatige wijze voormelde bevoegdheden werden toegekend. Artikel 87 van de wet van 8.8.1980 heeft de bevoegdheden van de BBI en haar ambtenaren niet gewijzigd of uitgebreid, en die bepaling strekt er enkel toe de voorheen bestaande rechtmatige toestand te bevestigen via een rechtsregel met hogere normatieve waarde, teneinde elke twijfel daarom weg te nemen (vergelijk omtrent hetgeen voorafgaat met Arbitragehof 31.01.2001, FJ.F., 2001/62).

Bij gebreke van een andersluidende bepaling van een wet of een koninklijk besluit kwam het de Minister van Financiën toe de zetel en de territoriale bevoegdheid van de BBL te bepalen. De Minister van Financiën heeft bij M.B. van 10.10.1979 de bevoegdheid ter zake gedelegeerd aan de secretaris-generaal. De secretaris-generaal heeft op grond hiervan het Besluit van 25.01.1980 tot vaststelling van de zetel en de territoriale bevoegdheid van de buitendiensten van de BBI genomen.

Noch de Grondwet noch enige andere wettelijke bepaling verbieden te dezen dat de Koning aan de Minister van Financiën de opdracht zou geven de zetel en de territoriale bevoegdheid van de BBI te bepalen, en verhinderen ook de Minister van Financiën niet deze opdracht te geven aan de secretaris-generaal. De te regelen materie betreft de inwendige inrichting van een openbare dienst, met name de BBI, en dergelijke de concentratiemaatregel is, gelet op de eisen van een efficiënt en doelmatig bestuur, toegelaten.

De appellante voert aan dat het K.B. van 14.11.1978 niet onderworpen werd aan het advies van de Raad van State, waarbij ten onrechte als reden zou zijn aangevoerd "de dringende noodzakelijkheid".

In de regel staat het aan de uitvoerende macht te oordelen of de dringende noodzakelijkheid voorhanden is die haar ontslaat van de verplichting om de tekst van de ontwerpen van koninklijk besluit te onderwerpen aan het met redenen omkleed advies van de afdeling wetgeving van de Raad van State. Het Hof is evenwel bevoegd en verplicht na te gaan of de uitvoerende macht, door het advies van de Raad van State niet in te winnen, haar bevoegdheid niet heeft overschreden of zelfs heeft afgewend door het wettelijk begrip dringende noodzakelijkheid te miskennen.

Ten onrechte houdt de appellante voor dat er geen hoogdringendheid was omdat volgens haar de BBI nog geen bevoegdheid had om op te treden, nu deze bevoegdheid maar werd bepaald of gegeven door artikel 87 van de wet van 8.8.1980. De appellante kan hierin echter niet gevolgd worden nu de BBI wel degelijk over de nodige bevoegdheid beschikte en artikel 87 van de wet van 8.8.1980 de bevoegdheden van de BBI en haar ambtenaren niet heeft gewijzigd of uitgebreid, en die bepaling er enkel toe strekte de voorheen bestaande rechtmatige toestand te bevestigen via een rechtsregel met hogere normatieve waarde, teneinde elke twijfel daarom weg te nemen (zie hoger).

De ingeroepen dringende noodzakelijkheid dient in verband te worden gebracht met het bij de oprichting van de BBI nagestreefde doel, zoals dit blijkt onder meer uit de behandeling in de Senaat van het ontwerp van wet houdende de begroting van het Ministerie van Financiën voor het begrotingsjaar 1979 en het ontwerp van wet houdende aanpassing van de begroting van het Ministerie van Financiën voor het begrotingsjaar 1978. Uit het hierbij uitgebracht verslag namens de commissie voor financiën (Part St. Senaat, BZ 1979, 5-XXII/2) blijkt onder meer dat deze oprichting kaderde in de reorganisatie van de fiscale sector en de actieve strijd van het Ministerie van Financiën tegen belastingontduiking (eodem loco, p. 14-15) en dat de BBl tot taak had de grote fraudelijnen op te sporen (eodem loco, p.20, punt b). De oprichting van de BBl als een middel tot dergelijke fraudebestrijding kon dringend noodzakelijk worden geacht gezien het evidente belang van de Staat om zo snel mogelijk het uit fraude voortvloeiend verlies aan inkomsten te verminderen.

Het feit dat het KB van 14.11. 1978 pas werd gepubliceerd in het B.S. van 21.2.1979 is te dezen niet van aard het beweerd niet dringend karakter aan te tonen tegen de voorgaande vaststelling in. Zodra het KB tot stand kwam was het uitvoerbaar, ook al was het niet verbindend ten aanzien van derden vóór zijn publicatie in het Belgisch Staatsblad. Uit de inhoud van het KB van 14.11.1978 blijkt dat het voornamelijk bepalingen van organisatorische aard binnen de administratie van de belastingen bevat, die ten uitvoer konden gelegd worden vóór zij verbindend werden.

De appellante voert tevens aan dat het M.B. van 10.10.1979 niet werd gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad, zodat het niet uitvoerbaar is, en het Besluit van de secretaris-generaal dus nietig is voor zover het steunt op dit M.B.

Ook deze stelling van de appellante kan niet gevolgd worden.

De appellante houdt hierbij ten onrechte voor dat het ontbreken van de bekendmaking ervan in het Belgisch Staatsblad tot gevolg heeft dat een ministerieel besluit niet uitvoerbaar is (vergelijk Cass. 20.10.1958, Pas. 1959, I, 172; en : RvS, Laloux, nr. 371, d.d. 2.6.1950);

Krachtens artikel 56, § 1 van de gecoördineerde wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken van 18.7.1966 van de bekendmaking van een ministerieel besluit in het Belgisch Staatsblad kan worden afgezien indien de bekendmaking geen openbaar nut heeft. Het M.B. van 10.10.1979 heeft betrekking op de delegatie van bevoegdheid tot inwendige inrichting van de BBl. Het blijkt niet dat het een vaststaand gebruik is dat ministeriële besluiten van die aard worden bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad en naar het oordeel van de uitvoerende macht, bevoegd om te oordelen over dit niet in de wet gedefinieerd openbaar nut, de bekendmaking van een dergelijk besluit van openbaar nut is (RvS, BoeIs, nr. 9415 d.d. 29.5.1962). In acht genomen deze gegevens kon te dezen afgezien worden van bekendmaking in het Belgisch Staatsblad omdat deze bekendmaking niet als van openbaar nut te beschouwen is. Uit de publicatie van het Besluit van de Secretaris-generaal d.d. 25.01.1980 kan het tegengestelde niet worden afgeleid.

In dezelfde optiek is de bepaling van de ambtsgebieden van de fiscale ambtenaren een kwestie van interne organisatie van het Ministerie van Financiën, terwijl de materiële bevoegdheid van de ambtenaren van de BBl op regelmatige wijze werd bepaald zoals hoger aangehaald.

3\. Uit het door de BBl opgesteld proces-verbaal d.d. 10.10.1980, waarvan de regelmatigheid niet wordt aangetast door de hoger weerlegde argumentatie van de appellante, blijkt dat op de erin opgesomde facturen van de Bandenhandel **J. B.** gericht aan de PVBA Gebroeders **V. G.** (thans de appellante) de datum van de levering van de omschreven goederen ontbreekt tevens het inschrijvingsnummer in het boek van uitgaande facturen van de Bandenhandel **J. B.**.

Het betreft facturen lopende over een periode van 3.1.1975 tot 29.9.1977, die door de geïntimeerde allen in kopie worden voorgelegd (stukken nr. 9 van de geïntimeerde). Uit niets blijkt dat de voorgelegde kopies niet zouden overeenstemmen met de originele facturen zoals de appellante insinueert.

Bij nazicht draagt geen van de facturen een leveringsdatum (inbreuk op [artikel 2, 3° van het KB nr. 1](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-1-december-betrekking-regeling-voldoening-belasting-c69c#ar1-art2) van 23.7.1969 met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde), en wordt evenmin het volgnummer vermeld waaronder de facturen zijn ingeschreven in het boek voor uitgaande facturen (inbreuk op [artikel 2, 1° van het KB nr. 1](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-1-december-betrekking-regeling-voldoening-belasting-c69c#ar1-art2) van 23.7.1969 met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde). Het betreft vermeldingen die tot doel hebben de inning en de controle van de BTW te verzekeren (vergelijk voor de leveringsdatum : [Cass. 7.6.1996](https://juriel.be/nl/rechtspraak/aftrek-voorbelasting-regelmatige-factuur-vormgebreken-cassatie-brussel-1996-06-07-feb8), Pas. 1996, l, nr. 222 p. 599, en voor het volgnummer in het boek van uitgaande facturen : [Cass. 13.10.2000](https://juriel.be/nl/rechtspraak/recht-aftrek-vermeldingen-factuur-btw-cassatie-brussel-2000-10-13-7e22), Pas. 2000, nr. 549, p. 1558). De appellante is niet gerechtigd haar recht op aftrek van de BTW uit te oefenen voor deze facturen, nu de facturen niet zijn opgemaakt overeenkomstig [artikel 2,1° en 3° van het KB nr. 1](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-1-december-betrekking-regeling-voldoening-belasting-c69c#ar1-art2) van 23.7.1969 ([artikel 3, § 1, 1° van het KB nr. 3](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-3-artikel-historiek-236d) van 10.12.1969 met betrekking tot de aftrekregeling voor de toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde).

Op de facturen wordt telkens maar een datum vermeld, nl. die van de dagtekening van de factuur. Uit geen enkel gegeven kan worden afgeleid dat die datum telkens ook de datum van de levering is. De stelling van de appellante dat deze wettelijk samenvallen is onjuist (zie [artikel 1, 2°, tweede lid van het KB nr. 1](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-1-artikel-a7a5) d.d. 23.7.1969 met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde).

Er moet verder aangenomen worden dat de vermelding onderaan de facturen van een nummer tussen de met een stempel aangebrachte vermelding *"GEBOEKT"* en een datum (eveneens met de stempel) niet het volgnummer is van de factuur zoals het in het uitgaand factuurboek van de Bandenhandel **J. B.** moet worden ingeschreven, maar wel het nummer is waaronder de appellante de factuur – na ontvangst – in haar eigen boekhouding heeft opgenomen. Dit vindt bevestiging in het gegeven dat bij tal van facturen geen overeenstemming is tussen de datum van de factuur en de maand van boeking vermeld bij het nummer terwijl deze overeenstemming er zou moeten zijn; tevens in de vermelding van het nummer onderaan de factuur terwijl het *plerumque fit* is dat het nummer van de factuur onder de hoofding ervan vermeld wordt; tevens in de vaststelling dat de volledige factuur met de hand geschreven is op een voorgedrukt formulier, en het door de appellante bedoelde nummer het enige is dat tussen stempels wordt aangebracht en in een ander geschrift.

4\. Zo de kans groot is dat de geïntimeerde tot nader onderzoek van de fiscale situatie van de appellante werd aangezet door onregelmatigheden die zij ontdekte bij de Bandenhandel **J. B.**, en zo deze laatste de volgens de hoger aangehaalde facturen aan de geïntimeerde verschuldigde BTW niet zou hebben betaald, blijven deze gegevens nochtans zonder invloed op de toepassing van [artikel 3, § 1, 1° van het KB nr. 3](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-3-artikel-historiek-236d) van 10.12.1969 met betrekking tot het recht op aftrek van de appellante.

De weigering van de aftrek wordt in de BTW-wetgeving niet afhankelijk gesteld van de vraag of de leverancier al dan niet de BTW heeft afgedragen. De stelling van de appellante volgens welke de administratie de aftrek niet zou mogen weigeren omdat **B.** de BTW niet heeft afgedragen, wat de appellante kwalificeert als een "oneigenlijk gebruik" van [artikel 3, § 1, 1° KB nr. 3](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-3-artikel-historiek-236d), vindt nergens steun. Enige wettelijke bepaling ontzegt ook niet aan de administratie het recht op aftrek te weigeren op grond van vormgebreken in de facturen, omdat zij voordien lastens de uitschrijver van de factuur had gesteld dat de facturen fictief waren. Enige macht- of bevoegdheidsafwending is niet aangetoond.

5\. Volgens de appellante kunnen de door de geïntimeerde aangevoerde vormgebreken de aftrek van de BTW niet beletten.

Het [artikel 3, § 1, 1° van het KB nr. 3](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-3-artikel-historiek-236d) van 10.12.1969 met betrekking tot de aftrekregeling voor de toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde voorziet uitdrukkelijk dat de belastingplichtige zijn recht op aftrek maar kan uitoefenen als hij in het bezit is van een factuur opgemaakt overeenkomstig [artikel 2 van het KB nr. 1](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-1-december-betrekking-regeling-voldoening-belasting-c69c#ar1-art2).

Anders dan door de appellante voorgehouden was de Koning bevoegd zulks te bepalen, en dit op grond van [artikel 49, 2° BTW-wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-49), volgens welk de Koning de toepassing regelt *"van de artikelen* [*45*](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-45) *tot* [*48*](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-48) *BTW-wetboek door onder meer te bepalen ...de regelen volgens welke de aftrek plaatsheeft, berekend wordt en herzien wordt;"*.

Het [artikel 45 BTW-wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-45) dat het recht op aftrek vestigt is geen geïsoleerde bepaling, maar dient samen gelezen te worden met het vermelde [artikel 49 BTW-wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-49). Deze samenlezing noopt tot het besluit dat de wetgever de aftrek van BTW niet alleen afhankelijk heeft willen maken van de voorwaarden bepaald in [artikel 45 BTW-wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-45), maar ook van andere voorwaarden nl. de regelen waarvan de bepaling bij [artikel 49 BTW-wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-49) aan de Koning werd opgedragen.

Dat de wetgever aan de Koning ruime bevoegdheden op dit vlak heeft willen toekennen blijkt niet alleen impliciet uit de tekst van [artikel 49 BTW-wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-49) zelf, waar - zeer algemeen - in de aanhef gesteld wordt dat de Koning de toepassing regelt van de artikelen 45 tot 48 en dit *"onder meer"* door de nadien opgesomde gegevens te bepalen, maar ook uit de parlementaire voorbereiding.

Ingevolge uitgebreide opmerkingen in het advies van de Raad van State over de vraag of de bevoegdheden die door de wetgever in het ontwerp werden gedelegeerd aan de Koning met de Grondwet in overeenstemming waren (zie Pasin. 1969, p. 837 tot 842), werd daaraan uitvoerig aandacht besteed. Aldus werd in het verslag namens de Commissie voor Financiën in de Kamer van Volksvertegenwoordigers deze bevoegdheidsdelegatie uitvoerig gerechtvaardigd (Pasin. 1969, p. 908 e.v.) en werd verwezen naar de wijze waarop men in enkele andere landen is tewerk gegaan. Wat de aftrek van BTW betreft werd gewezen op de delegatie in Frankrijk wat betreft uitsluitingen en beperkingen van het recht op aftrek (Pasin. 1969, p. 913, linkerkolom, cijfer 9°), en in de Duitse Bondsrepubliek wat betreft de omvang van het recht op aftrek (ibidem, rechterkolom, cijfer 8°). Wat Nederland betreft werd aangehaald dat het recht op aftrek was onderworpen aan voorwaarden bepaald door de Minister van Financiën (ibidem, rechterkolom, cijfer 5°). Vervolgens werd gesteld dat inzake van BTW, in navolging van de buitenlandse wetgeving, aan de Belgische wetgeving de gewenste soepelheid moest worden gegeven (ibidem, rechterkolom).

Door te bepalen dat de belastingplichtige zijn recht op aftrek maar kan uitoefenen als hij in het bezit is van een factuur opgemaakt overeenkomstig [artikel 2 van het KB nr. 1](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-1-december-betrekking-regeling-voldoening-belasting-c69c#ar1-art2) is de Koning de hem bij [artikel 49, 2° BTW-wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-49) opgedragen bevoegdheid niet te buiten gegaan. Hetzelfde geldt voor [artikel 2 van het KB nr. 1](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-1-december-betrekking-regeling-voldoening-belasting-c69c#ar1-art2) d.d. 23.7.1969, genomen in uitvoering van [artikel 52 BTW-wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-52).

De regel van [artikel 3, § 1, 1° van het KB nr. 3](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-3-artikel-historiek-236d) van 10.12.1969 is ook niet in strijd met de zesde BTW-richtlijn, zoals geïnterpreteerd door het Europees Hof van Justitie, aan wie reeds precies de vraag gesteld werd of de Belgische Staat de uitoefening van het recht op aftrek afhankelijk mocht stellen van het in het bezit zijn van een factuur die andere vermeldingen bevat dan voorzien in [artikel 22 lid 3 van de zesde richtlijn nr. 77/388/EEG](https://juriel.be/nl/unierecht/zesde-richtlijn-77-388/artikel-22) Raad 17.5.1977. Het [artikel 22, § 8 van de zesde richtlijn](https://juriel.be/nl/unierecht/zesde-richtlijn-77-388/artikel-22) voorziet dat de Lidstaten andere verplichtingen kunnen voorschrijven die zij noodzakelijk achten ter waarborging van de juiste heffing van de belasting en ter voorkoming van fraude. Dit houdt in dat de uitoefening van het recht op aftrek afhankelijk kan gemaakt worden van andere vermeldingen dan die welke in artikel 22.3.b) van de richtlijn zijn vermeld, mits die vermeldingen nodig zijn om de inning van de BTW en de controle daarvan door de belastingadministratie mogelijk te maken, en die vermeldingen niet zo talrijk of technisch zijn, dat zij de uitoefening van het recht op aftrek nagenoeg onmogelijk of overdreven moeilijk maken (zie HvJ, samengevoegde zaken C 123 en 330/87, d.d. 14.7.1988, RW 1988-89, 309; en : www.curia.eu.int ).

Zowel de vermelding van het volgnummer van de factuur als van de datum van levering zijn nodig in de zin van het vermeld arrest van het Hof van Justitie en maken de aftrek noch onmogelijk noch overdreven moeilijk. De vermelding van beide gegevens zorgt voor een doeltreffende controle op de heffing en inning van de BTW doordat de administratie aldus in staat wordt gesteld de nodige opzoekingen te doen in de boekhoudkundige gegevens van de leverancier en die te vergelijken met die van de klant.

Te dezen betwist de appellante niet dat Bauwens de BTW niet aan de administratie heeft afgedragen (zie het verzoekschrift hoger beroep neergelegd ter griffie van het Hof van beroep te Gent op 30.3.1993, p. 11 bovenaan). Het blijkt derhalve niet dat het gevaar voor verlies van belastinginkomsten werd uitgeschakeld, zodat het weigeren van de aftrek in hoofde van de appellante uit dien hoofde niet strijdig is met het neutraliteitsbeginsel inzake van BTW (vergelijk met HvJ., 19.9.2000, nr. [C-454/98](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-454-98-arrest), www.curia.eu.int ).

Dat de administratie enkel zou mogen eisen dat de vermeldingen aangehaald in [artikel 53, § 1, 1° BTW-wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-53) op de facturen zouden voorkomen om de aftrek toe te staan, vindt geen steun in enige wetsbepaling en ook niet in de zesde richtlijn, en lijkt integendeel strijdig met het gegeven dat de wetgever met onder meer [artikel 49 BTW-wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-49) ruime bevoegdheden aan de Koning heeft verleend.

Van de afnemer wordt ook niet geëist, zoals de appellante stelt, dat hij de boekhouding van zijn leverancier zou controleren. Hij dient enkel na te zien of hij beschikt over een regelmatige factuur, die de vereiste vermeldingen moet bevatten opdat hij zijn recht op aftrek zou kunnen uitoefenen. Dit belemmert in het geheel de handel niet. De leverancier, zelf handelaar en bij tal van transacties zelf gerechtigd op aftrek van BTW, zou alles behalve geen begrip mogen opbrengen voor de eis van zijn afnemer om te beschikken over een factuur opgesteld op een wijze die hem toelaten moet BTW af te trekken.

Of de factuur de vereiste vermeldingen bevat kon de appellante de visu nagaan, en aldus met zekerheid weten of de toepasselijke wettelijke bepalingen al dan niet werden nageleefd. Zij kan dan ook niet misleid geweest zijn door een eventuele (te dezen niet bewezen) houding van de administratie, zodat de appellante tevergeefs aanvoert dat tal van beginselen (vertrouwensbeginsel, rechtszekerheidsbeginsel, zorgvuldigheidsbeginsel, fair-playbeginsel) zouden geschonden zijn.

6\. De appellante houdt staande dat de vordering tot voldoening van de BTW met betrekking tot de facturen van 3.1.1975 tot 31.12.1975 verjaard is door verloop van de termijn van vijf jaar.

Deze vordering verjaarde oorspronkelijk door verloop van 6 jaar te rekenen vanaf de dag waarop zij is ontstaan ([artikel 81 eerste lid BTW-wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-81), vóór de wijziging bij artikel 27 van de wet van 22.12.1977, bepaling in werking getreden op 1.1.1978 volgens artikel 45, 3° van zelfde wet). De vordering ontstaat op het ogenblik dat de indieningstermijn van de aangifte waarin de verrichting moest worden opgenomen, verstreken is, hetzij de 20e dag van de eerste maand na ieder kalenderkwartaaL (artikel 16, tweede lid, KB nr. 1 van 23 juli 1969; thans [artikel 18, § 2 KB nr. 1](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-1-artikel-18-5d05) van 29.12.1992) in het stelsel van de kwartaalaangifte, hetzij de 20e van iedere maand in het stelsel van de maandaangifte ([artikel 16 eerste lid KB nr. 1](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-1-artikel-16-6be0) van 23.7.1969 en 50, § 1, 3° BTW-wetboek; thans [artikel 18, § 1 KB nr. 1](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-1-artikel-18-5d05) van 29.12.1992). Voor wat de oudste factuur betreft begon de verjaring derhalve te lopen vanaf 20.4.1975 (kwartaalaangifte) of 20.2.1975 (maandaangifte). Bij toepassing van de (oude) termijn van 6 jaar was de vordering voor de oudste factuur (en derhalve ook voor de latere facturen), of nu een kwartaalaangifte dan wel een maandaangifte moest worden ingediend; nog niet verjaard op het ogenblik dat de verjaring werd gestuit door de verzaking van de appellante op 6.2.1981 aan de gelopen termijn van verjaring (stuk 2 van de geïntimeerde). Het rechtsgeding werd vervolgens aanhangig gemaakt bij gerechtsdeurwaardersexploot van 30.7.1981, d.i. op het ogenblik dat de vordering tot voldoening van de BTW m.b.t. de oudste factuur, ingevolge de stuiting door de verzaking nog niet was verjaard.

Vanaf 1.1.1978, datum waarop de vorderingen nog niet waren verjaard, werd de verjaringstermijn gebracht op 5 jaar (zie het geciteerde artikel 27 van de wet van 22.12.1977). Deze kortere verjaringstermijn kan ten vroegste voor de genoemde vorderingen beginnen lopen vanaf de datum van inwerkingtreding van 1.1.1978 en zou derhalve de oorspronkelijke termijn van 6 jaar overschrijden. In deze omstandigheden dient toepassing te worden gemaakt van de oude verjaringstermijn van 6 jaar zoals hiervoren aangehaald (vergelijk met Cass. 24.1.1997, Pas. 1997, I, nr. 47 p. 111).

7\. Na melding te hebben gemaakt van de ten onrechte in aftrek gebrachte BTW en van de redenen van de onterechte aftrek, werd in het proces-verbaal van 10.10.1980 (stuk 1 van de geïntimeerde) aangegeven onder meer dat de appellante verschuldigd was als wettelijke boeten op grond van [artikel 70, § 1 van het BTW-wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-70): een bedrag gelijk aan het dubbel der onrechtmatig afgetrokken belasting. Deze boete werd achteraf herleid tot … BEF (thans … EUR), d.i. 10 % ingevolge verzoek van de raadsman van de appellante waarop de administratie positief is ingegaan (zie o.m. de brief d.d. 3.6.1981 van de administratie, stuk 5 van de geïntimeerde en de brief van 7.5.1981 van de raadsman van de appellante, stuk 4 van de geïntimeerde).

Aan de appellante werd derhalve meegedeeld voor welke feiten de boete werd opgelegd, op basis van welke wettelijke bepaling, en hoeveel de boete wettelijk bedroeg (het dubbel der onrechtmatig afgetrokken belasting). Uit geen enkele wetsbepaling (van toepassing ten tijde van het opleggen van de boete) of beginsel van behoorlijk bestuur kan afgeleid worden dat aan de appellante hierbovenop andere gegevens zouden dienen verschaft te zijn. Wat het uiteindelijk (verminderd) bedrag van de boete betreft werd dit op verzoek van de appellante zelf op 10 % bepaald, wat toch impliceert dat zij weet wat zij vraagt, zodat men niet inziet hoe de administratie hiervoor nog eens een motief kon verschaffen. Voorheen had de administratie wel gesteld dat de boete verminderd werd tot … BEF (thans … EUR), maar dan moest het verschuldigde bedrag betaald zijn vóór 12.3.1981 (zie stuk 2 van de appellante gehecht aan haar conclusie neergelegd ter griffie van het Hof van beroep te Gent op 14.2.2003), wat niet het geval was (zie stuk 4 van de appellante gehecht aan haar conclusie neergelegd ter griffie van het Hof van beroep te Gent op 14.2.2003).

[Artikel 70, § 1 BTW-wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-70) bepaalt dat een boete wordt opgelegd *"voor iedere overtreding van de verplichting de belasting te voldoen"*. Er kan niet in ernst ontkend worden dat de appellante de verplichting om de belasting te voldoen heeft geschonden door meer in aftrek te brengen dan wettelijk toegestaan. De administratie vermocht derhalve een boete op te leggen krachtens [artikel 70, § 1 BTW-wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-70).

Voor wat de uiteindelijk verminderde boete van 10 % betreft moet worden opgemerkt dat het KB nr. 41 waarvan de geïntimeerde voor het Hof de toepassing vordert, dateert van 30.01.1987, d.i. van geruime tijd na de beschouwde periode van aftrek, opleggen en betalen van de boete, zodat dit KB niet toepasselijk is.

De geldboete voorzien bij [artikel 70, § 1 BTW-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-70) (al dan niet verminderd of verhoogd in toepassing van andere bepalingen) strekt ertoe, dit om de heffing van de BTW te verzekeren, zowel ten aanzien van de leverancier of de dienstverrichter als zijn medecontractant, hen zowel aan te zetten tot nakoming van de verplichtingen om de geldboete te vermijden als het niet nakomen van die verplichtingen te bestraffen om herhaling van deze inbreuken te voorkomen.

De aan de appellante in toepassing van voormelde bepaling opgelegde geldboete is in deze omstandigheden een strafsanctie in de zin van de artikelen 6 EVRM (Verdrag van 1.11.1950 tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend te Rome, goedgekeurd bij wet van 13.5.1955) en 14 IVBPR (Internationaal Verdrag van 19.12.1966 inzake burgerrechten en politieke rechten, opgemaakt te New York, goedgekeurd bij wet van 15.5.1981).

Het Hof vermag de wettelijkheid van dergelijke sanctie te onderzoeken en in het bijzonder na te gaan of die sanctie verzoenbaar is met de dwingende eisen van internationale verdragen en van het interne recht, met inbegrip van de algemene rechtsbeginselen. Dit houdt in dat het Hof vermag na te gaan of de straf niet onevenredig is met de inbreuk, en derhalve te onderzoeken of de geïntimeerde te dezen naar redelijkheid kon overgaan tot het opleggen van een administratieve geldboete van de hoger aangehaalde omvang, zonder evenwel de boete te mogen kwijtschelden of verminderen om loutere redenen van opportuniteit en tegen de wettelijke regels in (vergelijk met Cass. 24.01.2002, rolnr. C000234N, www.cass.be ).

Een onevenredigheid van de door de geïntimeerde opgelegde geldboete met de inbreuken, blijkt niet.

### Beschikkend gedeelte

**OP DIE GRONDEN,**

**HET HOF**, recht doende op tegenspraak,

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen.

Ontvangt het hoofdberoep en het incidenteel beroep.

Verklaart het hoofdberoep ongegrond en het incidenteel beroep gegrond.

Doet het bestreden vonnis teniet behoudens waar het de oorspronkelijke vordering ontvankelijk verklaart, en opnieuw wijzende.

Verklaart de oorspronkelijke vordering van de appellante zoals geherformuleerd ongegrond.

Veroordeelt de appellante tot de kosten van beide aanleggen, als volgt begroot :

• aan de zijde van de appellante : op … EUR dagvaarding + … EUR rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg + … EUR uitgavenvergoeding verzoekschrift hoger beroep + … EUR rechtsplegingsvergoeding hoger beroep, hetzij in totaal … EUR;

• aan de zijde van de geïntimeerde : op … EUR rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg + … EUR rechtsplegingsvergoeding hoger beroep, hetzij in totaal … EUR.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van beroep te Gent, **vijfde kamer**, op **ZEVENTIEN FEBRUARI TWEEDUIZEND EN VIER**.

Aanwezig :

Mevrouw **N. v. I.**, Voorzitter

De heren **A. D. M.** en **G. T.**, Raasheren

**M. V.**, griffier

**M. V.** **G. T.** **A. D. M.** **N. v. I.**

### Door de FOD bijgevoegde beslissing

**De Rechtbank van eerste aanleg te Brugge, vierde kamer, heeft het hiernavolgend vonnis verleend :**

In de zaak : **A.R. nr. 26577**

De Personenvennootschap met beperkte aansprakelijkheid "Gebroeders **V. G.**”, voorheen en thans NV **V. G.** (Vervoersonderneming), aanneming van vervoer en grondwerken, met maatschappelijke zetel te …, …, voorheen thans …, en ingeschreven in het handelsregister te …, onder nummer …;

**eiseres,**

voor wie is opgetreden meester **P. D.**, advocaat te …;

**tegen :**

**DE BELGISCHE STAAT**, vertegenwoordigd door de heer Minister van Financiên, wiens burelen zijn gevestigd te 1000 Brussel, Wetstraat nummer 12, Administratie van de Registratie en Domeinen en BTW, en voor zoveel als nodig in de persoon van de heer Directeur der Registratie en Domeinen en BTW Brugge II, wiens burelen zijn gevestigd te 8000 Brugge, St. Kathelijnestraat 7, vervolging en benaarstiging van :

1) de heer Hoofdcontroleur van het BTW-Controlekantoor te Oostende, Controle I, wiens burelen zijn gevestigd te Oostende, E. Feysplein 15, De Mast, Oostende;

2) en van de heer Ontvanger van de BTW te Oostende, wiens burelen zijn gevestigd te Oostende, E. Feysplein nummer 15, De Mast, 5° Verdieping;

**verweerster,**

voor wie is opgetreden meester **J. V. d. P.**, advocaat te ….

## PROCEDURE

De zaak werd ingeleid bij dagvaarding op 30 juli 1981 aan verweerster betekend.

Partijen werden gehoord bij monde van hun raadsman in openbare terechtzitting van 28 maart 1990.

Gehoord het Openbaar Ministerie in de lezing van zijn schriftelijk advies in openbare terechtzitting van 25 april 1990.

Kennis werd genomen van het dossier van de rechtspleging en van de door de partijen overgelegde bundels.

De artikelen 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werden nageleefd.

## II. TEN GRONDE

### 1. Bijzonderste gegevens van de zaak

Bij proces-verbaal van 10 oktober 1980 werd door de Ambtenaar, waarnemend hoofdcontroleur van de Administratie van de Bijzondere Belastinginspectie, district Brugge A, vastgesteld dat door eiseres, in verband met leveringen door Bandenhandel **J. B.** uit …, overeenkomstig [artikel 45, § 1 van het BTW-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-45), aftrek werd gedaan van de aangerekende BTW op die facturen, terwijl de facturen niet voldeden aan de voorwaarden bedoeld in het K.B. nr. 3 van 10 december 1969, artikels 1, 2 en 3 en in het K.B. nr. 1 van 23 juli 1969 artikel 2.

Meer bepaald zou de leveringsdatum en het inschrijvingsnummer in het boek voor uitgaande facturen van de heer **B.**, ontbreken.

Wegens onrechtmatig afgetrokken BTW zou aldus verschuldigd zijn: de som van … frank, méér de intresten en de wettelijke boeten.

Onder voorbehoud van alle rechten betaalde eiseres op 17 juli 1981 de som van … frank, als volgt samengesteld :

\- BTW : … frank;

\- boeten : … frank;

\- intresten tot 20 juli 1981 : … frank;

… frank.

Eiseres vordert :

\- de terugbetaling van de som van … frank méér de verwijlsintresten vanaf de datum van betaling;

\- minstens de terugbetaling te bevelen van … frank wegens ingetreden verjaring, te verhogen met de daarop betrekking hebbende boeten en de rente;

\- dat uiterst subsidiairlijk zou worden ingegaan op de stelling van de BBl, dat 50 % of 70 % van de facturen fictief zouden zijn en de rest niet, en de daaruit voortvloeiende terugbetalingen van rechten, boete en rente te bevelen;

\- dat subsidiair de boete van … frank dient te worden terugbetaald.

In essentie werpt eiseres op :

\- dat de vaststellingen in het proces-verbaal onwettig zijn ingevolge onwettigheid van de BBl en de niet-publicatie van de desbetreffende wetteksten;

\- dat het KB waarbij de aftrek van de BTW afhankelijk wordt gesteld van bepaalde vormvereisten betreffende de facturen van de leverancier-verkoper, de wet schendt gezien het voorwaarden toevoegt aan de wet ([artikel 45, § 1 BTW-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-45)) die deze zelf niet voorziet en niet heeft opgedragen te voorzien (toepassing artikel 107 Grondwet);

\- dat voor verjaring in aanmerking komen : de facturen van 3 januari 1975 tot 31 december 1975 (totaal BTW … frank);

\- dat de vormgebreken niet bewezen zijn : de leveringsdata vallen samen met de factuurdata en op de facturen zijn wel volgnummers terug te vinden;

\- dat verweerster haar vertrouwen heeft beschaamd door haar in de waan te laten dat de facturen regelmatig waren, nu zij vroeger nooit een dergelijk rigoureus standpunt ingenomen heeft;

\- dat verweerster zich bezondigd heeft aan bevoegdheidsafwending, door het vormgebrek van de facturen, die louter een bewijs en controle functie hebben, te misbruiken om de door **B.** niet doorgestorte BTW te recupereren.

### 2. Beoordeling

Bij de wet van 8 augustus 1980 betreffende de budgettaire voorstellen 1979 – 1980 (Belgisch Staatsblad 15 augustus 1980) en meer bepaald in artikel 87, werd aan de BBI haar wettelijke grondslag verleend door aan de ambtenaren van de BBl de bevoegdheden toe te kennen die door de wettelijke en reglementaire bepalingen inzake belastingen, rechten en taksen verleend worden aan de fiscale administraties en haar ambteharen; artikel 87 heeft terugwerkende kracht tot 1 januari 1979 (artikel 89, § 2).

Gelet op deze wettelijke regeling, is het irrelevant te verwijzen naar vroegere eventuele lacunes met betrekking tot al dan niet toegelaten delegatie van bevoegdheden en de publikatie van de in dit verband genomen besluiten.

Het proces-verbaal van de controlerende ambtenaar behoudt dan ook zijn volle bewijskracht.

Artikel 3, § 1, 1.1° van het K.B. nr. 3 van 10 december 1969 met betrekking tot de aftrekregeling voor de toepassing van de BTW bepaalt dat om zijn recht op aftrek te kunnen uitoefenen, de belastingplichtige in het bezit moet zijn van een factuur van zijn leverancier, opgemaakt overeenkomstig artikel 2 van het K.B. nr. 1 van 23 juli 1969.

Volgens dit laatste artikel moet ondermeer op die facturen worden vermeld : het volgnummer in het boek der uitgaande facturen en de leveringsdatum (artikel 2.1, 1° .en 3°).

Het K.B. nr. 3 werd genomen in toepassing van [artikel 49 van het BTW-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-49), volgens dewelke de Koning ondermeer de toepassing bepaalt van artikel 45 van die wet, door de regelen te bepalen volgens welke de aftrek plaatsheeft.

Het komt niet voor dat de Koning buiten het wettelijk kader is getreden van zijn uitvoeringsopdracht.

De modaliteit dat de belastingplichtige in het bezit moet zijn van een formeel correcte factuur kadert in de regeling die de Koning betreffende de aftrek diende uit te werken.

De vereiste vermeldingen maken een efficiënte ·controle vanwege de administratie mogelijk en zijn daarnaast ook niet van aard dat de uitoefening van het recht op aftrek op zichzelf nagenoeg onmogelijk of overdreven moeilijk wordt gemaakt.

De interne regeling wijkt dan ook niet af van de Europese Zesde Richtlijn betreffende de harmonisatie inzake BTW (Europees Hof van Justitie, 14 juli 1988, RW 1988-89, 309).

Verweerster heeft dan ook terecht toepassing gemaakt van de genoemde K.B.’s nr. 3 en nr. 1 en de aftrek van de voorbelasting afgewezen.

Van verjaring kan geen sprake zijn gezien eiseres op 6 februari 1981 onvoorwaardelijk verzaakt heeft aan de op dat moment gelopen termijn van verjaring betreffende de bedragen die weerhouden werden in het proces-verbaal van 10 oktober 1980 (stuk 2 verweerster).

Wat de vormvereisten zelf betreft van de kwestieuze fakturen :

\- minstens de volgnummers ontbreken; de aanduiding van bepaalde inboekingen op de facturen, wijzen niet op het volgnummer bij **S.**, maar op de inschrijving ervan bij eiseres zelf;

\- dat de leveringsdata samenvallen met de factuurdata is ongeloofwaardig, nu eiseres niet weerlegt dat diverse facturen spreken op een zaterdag, zondag en feestdag en het te zeer onwaarschijnlijk is dat er op dergelijke dagen effectief transacties zijn gebeurd.

Het kan verweerster niet ten kwade geduid worden dat zij de wetgeving, die duidelijk en ondubbelzinnig is, toepast zoals ze bestaat.

Het is in de eerste plaats aan de belastingplichtige om ervoor te zorgen dat hij voldoet aan de voorwaarden om zijn recht op aftrek te kunnen uitoefenen.

Hij dient desnoods zijn·medecontractant te verplichten een correcte factuur af te leveren, ondermeer door betaling te weigeren zolang deze niet aan de fiscaal voorgeschreven vormvoorwaarden voldoet.

Van bevoegdheidsafwending kan dan ook geen sprake zijn; de aftrekregeling en de invordering van de verschuldigde BTW zijn trouwens twee verschillende zaken.

Het is niet omdat verweerster de BTW bij **B.** niet zou kunnen verhalen (wegens insolvabiliteit), dat zij daarom zou moeten afzien van haar recht om de door eiseres doorgevoerde aftrek te betwisten.

Dat verweerster eiseres zou hebben beschaamd in haar rechtmatig vertrouwen blijkt evenmin, nu verweerster uiteraard pas kon optreden nadat ze een specifieke controle "in de zaak **B.**” had uitgevoerd.

De verwijzing van eiseres naar het al dan niet fictief karakter van de facturen **B.** is irrelevant, nu verweerster haar beslissing enkel steunt op het ontbreken van de vereiste vermeldingen op die facturen, wat op zichzelf voldoende is om de uitgevoerde aftrek vanwege eiseres af te wijzen.

De vordering van eiseres komt dan ook als ongegrond voor, behalve voor wat de aangerekende boete van … frank· betreft.

De door de BTW-wet in artikel 70, § 1 ingestelde administratieve geldboete heeft enkel betrekking op de verplichting om de belasting te voldoen en niet op de eventueel ten onrechte toegepaste aftrekregeling.

**OM DEZE REDENEN,**

**De Rechtbank,**

Wijzende op tegenspraak.

Alle strijdige en meeromvattende besluiten verwerpend als ongegrond, :niet terzake dienend of overbodig.

Gezien het advies Van het Openbaar Ministerie.

Verklaart de vordering ontvankelijk en gegrond als volgt.

Veroordeelt verweerster om aan eiseres de som te betalen van … (…) frank, méér de gerechtelijke intresten vanaf dertig juli negentienhonderd éénentachtig.

Zegt voor recht dat iedere partij zijn eigen kosten dient te dragen; de rechtsplegingsvergoedingen worden gecompenseerd; die kosten dienen dan ook niet te worden begroot.

Verklaart onderhavig vonnis uitvoerbaar bij voorraad, niettegenstaande elk rechtsmiddel en zonder borgstelling.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting in het gerechtsgebouw te Brugge, op **drieëntwintig mei negentienhonderd negentig**.

Aanwezig zijn :

**C. G.,** alleenrechtsprekend rechter;

**G. B.**, substituut procureur des Konings;

**G. V. W.**, griffier.

**G. V. W.** **C. G.**

## Aangehaalde teksten

18

[WBTW art. 49](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-49) 7 voorkomens

[KB nr. 1 art. 2](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-1-december-betrekking-regeling-voldoening-belasting-c69c) 6 voorkomens

[KB nr. 3 art. 3](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-3-artikel-historiek-236d) 5 voorkomens

[WBTW art. 45](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-45) 5 voorkomens

[WBTW art. 70](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-70) 5 voorkomens

[KB nr. 1 art. 18](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-1-artikel-18-5d05) 2 voorkomens

[KB nr. 41 art. 2](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-41-januari-vaststelling-bedrag-proportionele-fiscale-d48c) 2 voorkomens

[Zesde richtlijn 77/388 art. 22](https://juriel.be/nl/unierecht/zesde-richtlijn-77-388/artikel-22) 2 voorkomens

[KB nr. 1 art. 1](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-1-artikel-a7a5) 1 voorkomen

[KB nr. 1 art. 16](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-1-artikel-16-6be0) 1 voorkomen

[KB nr. 41 art. 1](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-41-januari-vaststelling-bedrag-proportionele-fiscale-d48c) 1 voorkomen

[KB nr. 41 art. 25bis](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-41-januari-vaststelling-bedrag-proportionele-fiscale-d48c) 1 voorkomen

[KB nr. 41 art. 25ter](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-41-januari-vaststelling-bedrag-proportionele-fiscale-d48c) 1 voorkomen

[WBTW art. 48](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-48) 1 voorkomen

[WBTW art. 52](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-52) 1 voorkomen

[WBTW art. 53](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-53) 1 voorkomen

[WBTW art. 81](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-81) 1 voorkomen

[C-454/98, arrest van 19 september 2000](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-454-98-arrest) 1 voorkomen

## Vergelijkbare beslissingen

8

[Aanwijzingen voor fraude, Regularisatieoverzicht, Proces-verbaal, Ontvangstregister](https://juriel.be/nl/rechtspraak/aanwijzingen-fraude-regularisatieoverzicht-proces-verbaal-rechtbank-nijvel-2024-01-08-5c8e) 6 gemeenschappelijke bepalingen

[Factuur, Noodzakelijke vermeldingen, Volgnummer, Technische vermeldingen voertuig, verplichte vermelding](https://juriel.be/nl/rechtspraak/factuur-noodzakelijke-vermeldingen-volgnummer-technische-hof-van-beroep-brussel-2003-04-72da) 6 gemeenschappelijke bepalingen

[Valse facturen, factuur, valse factuur, fraude](https://juriel.be/nl/rechtspraak/valse-facturen-factuur-fraude-rechtbank-luik-2019-12-16-60c7) 5 gemeenschappelijke bepalingen

[Uitoefening van het recht op aftrek](https://juriel.be/nl/rechtspraak/uitoefening-recht-aftrek-facturen-aankoop-hof-van-beroep-brussel-2019-10-17-7b1b) 5 gemeenschappelijke bepalingen

[Recht op aftrek, Bewijslast, Niet-opeisbare belasting](https://juriel.be/nl/rechtspraak/recht-aftrek-jacht-bewijslast-opeisbare-rechtbank-hasselt-2023-04-20-b8af) 5 gemeenschappelijke bepalingen

[Boete 200%, Vennootschapsbelasting](https://juriel.be/nl/rechtspraak/boete-vennootschapsbelasting-rechtbank-2025-10-13-34a8) 5 gemeenschappelijke bepalingen

[Nietigheid proces-verbaal, Recht op aftrek, Fraude, Boete en intresten](https://juriel.be/nl/rechtspraak/nietigheid-proces-verbaal-recht-aftrek-hof-van-beroep-gent-2024-03-05-5b56) 5 gemeenschappelijke bepalingen

[Recht op aftrek, Verwerping van de gedane aftrek](https://juriel.be/nl/rechtspraak/recht-aftrek-verwerping-gedane-aankoop-cassatie-brussel-2020-05-22-53d0) 5 gemeenschappelijke bepalingen
