---
title: "20 april 2004 · Strafbepaling, administratieve geldboete · Hof van beroep te Gent"
description: "Strafbepaling, administratieve geldboete, bewijs, controlemaatregel, vervolging, geding. Hof van beroep te Gent (België), 20 april 2004."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak/strafbepaling-administratieve-geldboete-bewijs-hof-van-beroep-gent-2004-04-20-5ebe"
lang: "nl"
---

# Strafbepaling, administratieve geldboete, bewijs, controlemaatregel, vervolging, geding · Belasting over de toegevoegde waarde

**Rechtscollege**

Hof van beroep

**Zetel**

Gent

**Datum**

20 april 2004

## Over het document

**Verzameling**

Belgische rechtspraak

**Taal van de tekst**

Nederlands

## Tekst

106 paragrafen

### Fiche van de FOD Financiën

Arrest van het Hof van beroep te Gent d.d. 20.04.2004

Samenvatting niet beschikbaar

**Tekst van het arrest**

### Tekst van de beslissing

**Hof van beroep te Gent, 5b****e** **kamer - terechtzitting van 20-04-2004**

## Verzet dwangbevel BTW

Nr. **2000/AR/585**

in de zaak van :

**DE BELGISCHE STAAT**, FOD Financiën, sector BTW, in de persoon van de rekenplichtige van het eerste BTW-ontvangkantoor te 8500 Kortrijk, Hoveniersstraat 31,

**appellant,**

ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. **V. I.** loco mr. **P. M.**, advocaat te …, …

**tegen :**

**G. S. NV**, vereffend, vroeger met maatschappelijke zetel te …, …, nu vertegenwoordigd door haar vereffenaar.

NV **D. I.**, …, te …,

**geïntimeerde,**

ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. **G. K.** loco mr. **D. P.**, advocaat te …, …

spreekt het Hof het volgend arrest uit :

1\. Bij gerechtsdeurwaardersexploot van 14.4.1988 dagvaardde de geïntimeerde de appellant voor de rechtbank van eerste aanleg te Kortrijk, teneinde uitspraak te horen doen over het verzet van de geïntimeerde tegen het dwangbevel (RCIV nr. …) uitgevaardigd door **E. T.**, ontvanger van het BTW­ontvangkantoor te Kortrijk 1 e kantoor op 9.10.1987, geviseerd en uitvoerbaar verklaard door **H. G.**, gewestelijke directeur a.i. van de administratie van de belasting over de toegevoegde waarde, registratie en domeinen te Brugge op 7.1.1988.

In dit dwangbevel werd opgenomen als schuld van de geïntimeerde een bedrag van … BEF (thans … EUR) aan BTW, als geldboete krachtens [artikel 70, § 1 BTW-wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-70) een bedrag van … BEF (thans … EUR), hetzij in totaal … BEF (thans … EUR), meer intresten en vervolgingskosten.

De geïntimeerde vorderde dat zowel het proces-verbaal van 4.6.1987 (waarop het dwangbevel deels steunde), als het dwangbevel, als de kennisgeving ervan nietig zouden worden verklaard, zou gezegd worden dat het dwangbevel en de kennisgeving geen enkel gevolg mogen kennen, de terugbetaling zou bevolen worden van alle sommen die op onrechtmatige wijze zouden zijn betaald of/en achtergehouden verhoogd met de wettelijke rente vanaf inhouding of betaling, de appellant zou veroordeeld worden tot een voorlopige schadevergoeding van … BEF (thans … EUR) te verhogen of te verminderen in de loop van het geding.

Bij vonnis van 11.10.1999 van de rechtbank van eerste aanleg te Kortrijk, tweede kamer, werd het verzet, reeds bij tussenvonnis toelaatbaar en ontvankelijk bevonden, gegrond verklaard. De rechtbank deed het dwangbevel teniet gezien het steunt op een proces-verbaal dat tot stand kwam met schending van de rechten van verdediging, en veroordeelde de appellant tot de kosten.

Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het Hof van beroep te Gent op 16.3.2000 heeft de appellant hoger beroep ingesteld tegen dit vonnis. Het blijkt niet dat dit vonnis werd betekend.

Het hoger beroep is tijdig en regelmatig.

De appellant vordert de vernietiging van het bestreden vonnis en de veroordeling van de geïntimeerde tot het betalen aan de appellant van de ingevolge het dwangbevel verschuldigde sommen.

De geïntimeerde vordert de bevestiging van het dispositief van het bestreden vonnis en in ondergeschikte orde kwijtschelding dan wel vermindering van de geldboete en in elk geval van de ongrondwettelijke verhoging van de boete met 50 %.

2\. Op 29.1.1985 heeft de BBI bij de geïntimeerde een controle uitgeoefend (zie o.m. de vermelding in de minnelijke inregelstelling, stuk 1 van de geïntimeerde). Na deze controle blijkt de BBI een aantal klanten van de geïntimeerde te hebben bezocht en hen een verklaring te hebben laten ondertekenen met betrekking tot de vraag of de geleverde keukens door de geïntimeerde werden geplaatst dan wel door haar klanten zelf, en dit over een periode gaande van 6.3.1985 tot 1.4.1985 (bijlagen bij stuk 7 van de appellant; met uitzondering evenwel van enkele verklaringen waarop geen datum voorkomt).

Aan de geïntimeerde werd door de administratie op 17.1.1986 een minnelijke inregelstelling gestuurd (zie o.m. stuk 1 van de appellant), waarin diverse overtredingen op de BTW-wetgeving worden aangehaald en waarin tot het besluit gekomen wordt dat de geïntimeerde nog een bedrag van … BEF (thans … EUR) aan BTW verschuldigd is aan de Belgische Staat, tevens … BEF (thans … EUR) te compenseren is.

De geïntimeerde heeft vervolgens per brieven van 12.3.1986, 10.7.1986 en 13.10.1986 deze minnelijke inregelstelling grotendeels betwist (zij was wel akkoord over welbepaalde posten; zie de stukken 3, 5 en 6 van de appellant).

In het antwoord van 10.7.1986, p. 3 (stuk 5 van de appellant) stelt de geïntimeerde nog dat zij de verklaringen van de klanten niet heeft kunnen of mogen inzien. In haar brief van 13.10.1986 (stuk 6 van de appellant) wordt onder meer vermeld dat haar 21 stukken in fotokopie werden afgegeven bij het bezoek van de diensten van de administratie op 29.9.1986, en dat zij vaststelt dat er 19 ondertekende verklaringen zijn tegenover 130 facturen over 1982-1983-1984.

Op 4.6.1987 wordt vervolgens een proces-verbaal opgesteld. Van de in de minnelijke inregelstelling voorkomende posten van BTW-schuld worden een aantal weggelaten of verminderd in het proces-verbaal :

\- weggelaten posten waarmee de geïntimeerde akkoord ging : A1-misslag voor een bedrag van … BEF (thans … EUR), B1-kredietnota's voor een bedrag van … BEF (thans … EUR), B3-misslag BTW-tarief voor een bedrag van … BEF (thans … EUR);

\- en vermindering van de post B2-levering en plaatsing van keukens, nl. van … BEF (thans … EUR) naar … BEF (thans … EUR) voor het jaar 1982, van … BEF (thans … EUR) naar … BEF (thans … EUR) voor het jaar 1983, van … BEF (thans … EUR) naar … BEF (thans … EUR) voor het jaar 1984; deze vermindering is het gevolg van het feit dat de administratie slechts voor 21 facturen in plaats van 130 facturen nog een opleg van BTW weerhoudt.

In het proces-verbaal wordt de BTW-schuld bepaald op … BEF (thans … EUR) min … BEF (thans … EUR) compensatie, hetzij … BEF (thans … EUR).

Volgens (niet door de administratie betwiste) mededeling door de geïntimeerde (zie o.m. de dagvaarding in verzet) werd per 14.8.1987 een niet getekende kopie van het proces-verbaal aan de geïntimeerde toegestuurd.

De geïntimeerde heeft per 27.10.1987 bezwaarschrift ingediend bij de Minister van Financiën.

Van het dwangbevel uitgevaardigd op 9.10.1987 en geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 7.1.1988, en bijlagen, wordt per brief van 11.1.1988 (volgens vermelding er op aangetekend) aan de geïntimeerde kennis gegeven (zie stuk 13 en bijlage van de geïntimeerde).

De geïntimeerde heeft verzet aangetekend bij de rechtbank van eerste aanleg te Kortrijk bij exploot van 14.4.1988.

Per brief van 13.11.1990 (stuk 15 van de appellant) brengt de administratie aan de geïntimeerde ter kennis dat ingevolge het verzoekschrift van 27.10.1987 een post van … BEF (thans … EUR) aan BTW niet langer wordt weerhouden.

Uiteindelijk blijft derhalve thans nog in betwisting aan BTW :

1\. levering en plaatsing van keukens :

\- 1982 : … BEF (thans … EUR)

\- 1983 : … BEF (thans … EUR)

\- 1984 : … BEF (thans … EUR)

2\. activiteiten van de NV **l. G.** :

a) verkoopfactuur van 24.9.1981 (residence **C.**) : … BEF (thans … EUR)

b) verkoopfactuur van 31.12.1982 (koppelvilla **H.**) : … BEF (thans … EUR)

hetzij in totaal : … BEF (thans … EUR) min … BEF (thans … EUR) aan compensatie.

3\. De geïntimeerde voert aan dat de vordering van de administratie absoluut nietig is omdat aan de basis daarvan een misdrijf ligt, nl. stukken gestolen door twee gewezen werknemers van de geïntimeerde en door hen overgemaakt aan de BBI.

De geïntimeerde vordert dat de anonieme klacht van 7.5.1984, waarvan het door de BBI gevoerde onderzoek het gevolg is, zou worden overgelegd door de administratie, minstens de overlegging ervan zou worden bevolen. Aldus zou volgens de geïntimeerde moeten blijken of de stukken die volgens haar doorgaans bij dergelijke anonieme klacht worden gevoegd stukken zijn gestolen door de anonieme klager. De geïntimeerde stelt dat een onderzoek dat steunt op onwettig verkregen stukken en de erop volgende aanslag nietig zijn.

Uit het door de appellant voorgelegde controleverslag blijkt dat de BBI tot onderzoek overging *"op voordracht van de afdeling 9, ingevolge naamloze klacht van 7 mei 1984"* (stuk 27 van de appellant). Deze klacht wordt evenwel niet overgelegd.

Evenwel hebben noch het gegeven dat een aangifte anoniem gebeurt, noch het gegeven dat de aangifte zou gebeurd zijn - zoals de geïntimeerde vermoedt - door gewezen werknemers die zich schuldig zouden gemaakt hebben aan diefstal en door hen gestolen stukken bij de aangifte zouden hebben overgemaakt aan de BBI, tot gevolg dat de aangifte of het als gevolg daarvan gevoerde onderzoek nietig of onregelmatig zijn. Wanneer feiten bekend gemaakt worden aan de fiscale administratie, zij het op een van de voorbeschreven wijzen, komt het haar toe te beslissen of zij een onderzoek instelt of niet en kan zij wettelijk overgaan tot garing van bewijzen van fiscale inbreuken. De daaropvolgende vordering van de administratie is daardoor niet nietig.

Daarentegen dient het bewijs waarop de administratie haar huidige vordering steunt wel op regelmatige wijze gegaard te zijn.

Te dezen is de vordering van de administratie gesteund op gegevens die zij zelf bekwam bij haar onderzoek ter plaatse van de boekhouding van de geïntimeerde (zie de minnelijke inregelstelling d.d. 17.1.1986, stuk 1 van de geïntimeerde zie het proces-verbaal d.d. 4.6.1987, stuk 7 van de appellant), en op verklaringen die zij zelf bekwam van klanten van de geïntimeerde (bijlagen bij stuk 7 van de appellant). Er wordt niet gesteund op andere stukken, ook niet op stukken die eventueel bij de anonieme aangifte zouden gevoegd zijn geweest en zouden voortkomen van diefstal zoals de geïntimeerde vermoedt.

In deze omstandigheden heeft het geen nut de overlegging te bevelen van de anonieme aangifte en eventuele bijlagen, nu dit niet van aard is de beoordeling van het geschil te beïnvloeden.

4\. De geïntimeerde voert aan dat haar rechten van verdediging geschonden zijn. Zij laat gelden dat het proces-verbaal van de BBI laattijdig werd opgesteld, nl. op 4.6.1987 en aan de geïntimeerde ter kennis gebracht samen met het dwangbevel bij aangetekend schrijven van 11.1.1988, Zij wijst er op dat de eerste feiten dateren van 1981, dat samen met het dwangbevel en proces-verbaal nog 58 stukken werden meegedeeld door de administratie, en de wijze waarop de cijfers vooropgesteld door de administratie variëren en de overtreding in verband met de keukens in elkaar zakt als een pudding, blijk geeft van willekeur.

Het bestreden vonnis heeft de geïntimeerde in dit standpunt gevolgd en overweegt in dit verband onder meer :

*"De rechtbank is van oordeel dat, wanneer verweerder 3 jaren na de naamloze klacht en 2 ½ Jaren na de aanvang van de controle eerst een proces-verbaal opstelt dat pas 2 maanden later in niet getekende kopievorm aan eiseres wordt medegedeeld,·wanneer de stukken (onder andere de verklaringen inzake keukens) door verweerder eerst meer dan anderhalf jaar na de aanvang van de controle met mondjesmaat worden medegedeeld aan eiseres, mag worden aangenomen dat de rechten van verdediging van eiseres zijn aangetast geweest, minstens danig bemoeilijkt.*

*De wijze waarop de cijfers variëren en de overtreding in verband met de keukens in elkaar zakt als een pudding, geeft bovendien blijk van een zekere willekeur die werd gehanteerd in het onderzoek dat tot taxatie heeft gevoerd”*.

Geen enkele wettekst bepaalt binnen welke termijn het proces-verbaal bedoeld bij [artikel 59 BTW-wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-59) dient te worden opgesteld, evenmin dat het moet worden meegedeeld aan de overtreder en binnen welke termijn dit zou moeten gebeuren. Ook wat de mededeling van stukken betreft is niets in die zin voorzien.

De belastingplichtige heeft echter de mogelijkheid de schending van zijn rechten van verdediging in te roepen en die schending in concreto te bewijzen, teneinde op die wijze de bewijswaarde van de door de administratie aangebrachte bewijsgegevens (zoals onder meer een proces-verbaal) teniet te doen.

Het proces-verbaal van 4.6.1987 bevat niet meer gegevens dan de aan de geïntimeerde op 17.1.1986 toegestuurde minnelijke inregelstelling, waarop de geïntimeerde zich verdedigd heeft. Aldus heeft de geïntimeerde als reactie op de minnelijke inregelstelling onder meer terecht kunnen laten opmerken dat de administratie in de minnelijke inregelstelling ten onrechte liet uitschijnen dat alle klanten door de BBI werden opgezocht in verband met de problematiek over wie de keukens plaatste (zie de brief van 13.10.1986 van de geïntimeerde, stuk 6 van de appellant). Van in den beginne heeft de geïntimeerde ook voorgehouden dat niet de klanten maar zijzelf het grootste gedeelte van de keukens heeft geplaatst of dat deze geplaatst werden met de technische bijstand van het personeel van de firma (zie de brief van 12.3.1996 met bijlagen van de geïntimeerde, stuk 3 van de appellant).

De verklaringen van de klanten waarover de administratie beschikte blijken aan de geïntimeerde te zijn meegedeeld op 29.9.1986 (zie hoger). Na kennis te hebben genomen van die verklaringen, wordt, behoudens de opmerking van de geïntimeerde dat aldus bleek dat toch niet alle klanten een verklaring hadden afgelegd, door de geïntimeerde geen nieuwe verdediging ten gronde ontwikkeld maar wordt verwezen naar de vorige brief en wordt geopperd dat de gelijkluidende verklaringen van de betrokken klanten wel eens gesuggereerd konden zijn en wordt hun geldigheid als bewijsmiddel in vraag gesteld (verdediging die ook in huidige procedure wordt ontwikkeld) (zie de brief d.d. 13.10.1986 van de geïntimeerde, stuk 6 van de appellant).

Er blijkt niet dat aan de geïntimeerde verdedigingsmogelijkheden werden ontnomen door de opstelling van het proces-verbaal op 4.6.1987. Er worden door de geïntimeerde in dit verband trouwens geen andere gegevens aangereikt dan het door de geïntimeerde gehekelde tijdsverloop, wat op zich niet inhoudt dat de rechten van verdediging geschonden zijn.

Wat in het proces-verbaal nog wordt weerhouden als verschuldigde BTW werd reeds vermeld in de minnelijke inregelstelling.

Er wordt in dit proces-verbaal wel rekening gehouden met het niet door de geïntimeerde betwiste (en blijkbaar op 20.2.1987 betaalde - zie stuk 8 van de geïntimeerde) deel, in die zin dat dit niet meer hernomen wordt.

Het proces-verbaal komt ook in zekere mate tegemoet aan de bemerking van de geïntimeerde dat niet alle klanten verklaringen hadden ondertekend, in die zin dat de administratie het aantal facturen waarop zij de verschuldigde BTW oorspronkelijk berekende heeft verminderd tot die waarvoor klanten wel een verklaring hadden afgelegd.

De BTW volgens de minnelijke inregelstelling onder de rubriek *“Activiteiten van de NV* ***I. G.****''* wordt behouden. Na de minnelijke inregelstelling werd deze post door de geïntimeerde betwist (reeds vanaf de brief van 12.3.1986, stuk 3 van de appellant). De administratie stelt zich hierbij op het standpunt dat de geïntimeerde BTW verschuldigd is omdat het voorwerp van de betrokken facturen een verkoop van onroerende goederen is en geen aannemingsovereenkomst waarvoor de BTW te voldoen was door de medecontractant in toepassing van het (toenmalig toepasselijk) [artikel 17bis KB nr. 1](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-1-artikel-17bis-a142) d.d. 23.7.1969, terwijl de geïntimeerde de kwalificatie van aanneming verdedigt. Omtrent het probleem van de kwalificatie heeft de geïntimeerde zich uitgebreid verdedigd in haar brief van 12.3.1986 (stuk 3 van de appellant). De betwisting is blijven bestaan; de administratie heeft haar standpunt behouden zoals blijkt uit het proces-verbaal van 4.6.1987, behoudens waar in het kader van het verhaal voorzien bij [artikel 84 BTW-wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-84) voor één van de betrokken onroerende goederen werd beslist dat de BTW-vordering niet gehandhaafd bleef.

Het proces-verbaal van 4.6.1987 steunt voor wat betreft de BTW-vordering voor de levering en plaatsing van de keukens op geen andere stukken dan deze gevonden in de boekhouding van de geïntimeerde en de verklaringen van klanten, aan de geïntimeerde meegedeeld op 29.9.1986. De eerste reeks stukken was uiteraard aan de geïntimeerde ab initio bekend, terwijl uit niets blijkt dat de verdedigingsmiddelen van de geïntimeerde ruimer zouden geweest zijn had men haar die verklaringen van klanten vroeger meegedeeld.

Ook het feit dat het proces-verbaal van 4.6.1987 aan de geïntimeerde in losse niet ondertekende kopie wordt meegedeeld per 14.8.1987 blijkt te dezen niet de verdedigingsmogelijkheden van de geïntimeerde te hebben beperkt.

Willekeur kan verder niet gevonden worden in het gegeven dat de BTW-schuld zoals begroot door de administratie vermindert, rekening houdend met de opmerkingen van de geïntimeerde op de oorspronkelijk in de minnelijke inregelstelling weerhouden bedragen en met de beslissing genomen in het kader van [artikel 84 BTW-wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-84).

Mogelijks is wel willekeur voorhanden wanneer de administratie uit de verklaringen van een beperkt aantal klanten dat de geïntimeerde de geleverde keuken niet plaatste, afleidt dat dit zo was bij alle klanten, en op basis van dergelijke redenering de BTW-schuld gaat berekenen. De administratie heeft echter dit standpunt laten varen in het proces-verbaal van 4.6.1987 en bij de berekening van wat uiteindelijk volgens haar aan BTW verschuldigd was. De hieruit voortvloeiende vermindering van de BTW-vordering is derhalve evenmin willekeurig.

De door de geïntimeerde aangevoerde schending van haar rechten van verdediging wordt niet bewezen.

5\. Volgens [artikel 59, § 1 BTW-wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-59) kunnen de overtredingen van de bepalingen van het BTW-wetboek of van de ter uitvoering ervan gegeven regelen, alsmede de feiten die de verschuldigdheid van de belasting of van een geldboete aantonen of ertoe bijdragen die aan te tonen, door de administratie onder meer worden bewezen door alle middelen van gemeen recht, getuigen en vermoedens inbegrepen doch uitgezonderd de eed.

De door de appellant voorgelegde verklaringen vallen niet onder het begrip bewijs door getuigen (artikel 915 e.v. Ger. W.), dit laatste zijnde een verklaring afgelegd voor de rechter, Het is in beginsel wel mogelijk uit deze verklaringen van klanten bewijs door vermoedens af te leiden.

Nergens vindt men in het BTW-wetboek of in andere wettelijke bepalingen, of in enig algemeen rechtsbeginsel, enig verbod ten aanzien van de administratie om aan de klanten van de geïntimeerde te vragen dergelijke schriftelijke verklaring af te leggen, zoals ook de geïntimeerde deze mogelijkheid heeft.

De appellant houdt echter voor op basis van [artikel 62, § 1 BTW-wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-62), dat eenieder gehouden is mondeling of schriftelijk alle inlichtingen te verstrekken die hem door de BTW-ambtenaren gevraagd worden, teneinde de belasting in zijnen hoofde of in hoofde van derden na te gaan. De verklaringen waarvan sprake werden afgelegd in 1985, en van deze die geen datum dragen mag aangenomen worden dat ze werden afgelegd vóór 29.9.1986, datum waarop ze aan de geïntimeerde werden meegedeeld. Het [artikel 62, § 1 BTW-wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-62) bevatte ten tijde van die verklaringen nog niet de door de appellant ingeroepen bepaling.

Wel voorzag het toen geldende [artikel 61, § 3 BTW-wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-61) dat de belastingplichtigen gehouden waren op ieder verzoek van de ambtenaren belast met de controle op de heffing van de belasting over de toegevoegde waarde, mondeling of schriftelijk alle inlichtingen te verschaffen die hun gevraagd werden om de voldoening van de door hen of door anderen verschuldigde belasting na te gaan; tevens dat zelfde verplichting op eenieder rustte die tegenover de Staat schuldenaar van de belasting was.

Te dezen blijkt niet dat de betrokken klanten belastingplichtigen of schuldenaars van de BTW waren. Dit houdt in dat wat in de gezegde verklaringen voorgetypt werd vermeld, nl. *"Ik verklaar kennis te hebben van* [*artikel 61, § 4 BTW­wetboek*](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-61) *welke een geldboete van … frank tot … frank oplegt bij elke weigering inzake het voorleggen ter inzage of het verschaffen van inlichtingen"* onjuiste informatie naar de klanten van de geïntimeerde bevatte nu de vermelde sanctie toentertijd voorzien bij [artikel 61, § 4 BTW-wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-61) niet van toepassing was.

De geïntimeerde steunt hierop om te stellen dat dit de nietigheid van de verklaringen met zich brengt.

Het staat vast dat de BBI door dreiging met de boete voorzien bij [artikel 61, § 4 BTW-wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-61) op de klanten van de geïntimeerde een dwang heeft uitgeoefend die onrechtmatig was, daar deze bepaling niet van toepassing was en de klanten in kwestie aldus misleid werden nopens hun verplichting verklaringen af te leggen. Zij waren immers niet verplicht dergelijke verklaringen af te leggen maar werden in de waan gebracht dat zij wel verplicht waren dit te doen.

De appellant vermag niet bewijzen aan te wenden die op onrechtmatige wijze verkregen werden. Met de verklaringen van de klanten (stukken in bijlage bij het proces-verbaal van 4.6.1987, stuk 7 van de appellant) kan derhalve geen rekening worden gehouden.

Volgens de facturen waarover de betwisting werden de keukens door de geïntimeerde geleverd en geplaatst. Er zijn geen redenen om aan te nemen dat deze vermelding onjuist zou zijn. De appellant brengt geen gegevens bij die het tegengestelde zouden aantonen.

In deze omstandigheden werd ten onrechte dwangbevel uitgevaardigd voor het deel BTW en accessoria dat betrekking heeft op de levering en plaatsing van keukens door de geïntimeerde.

6\. Wat de onroerende transactie betreft voor de residentie **C.**, gelegen … te … (stukken 16a lot 16 d van de appellant; stuk 8 van de geïntimeerde), blijkt uit de tussen de geïntimeerde en de NV **G.** gesloten overeenkomst d.d. 16.9.1980 dat de NV **G.** afstand deed van haar recht van natrekking ten voordele van de geïntimeerde, die eigenares werd van de (toen op te richten) gebouwen.

Uit de factuur nr. … d.d. 24.9.1981 door de geïntimeerde opgemaakt en gericht aan de NV **G.** voor de *"realisatie"* van Res. **C.**, dit voor een bedrag van … BEF (thans … EUR), haalt de geïntimeerde aan dat deze betrekking heeft op een aanneming, terwijl de appellant ervan uitgaat d:d het een verkoop betreft.

Waar de geïntimeerde krachtens de overeenkomst van 16.9.1980 ontegensprekelijk eigenares was van de gebouwen, dient de transactie beschreven in de factuur d.d. 24.9.1981 te worden gekwalificeerd als een verkoop en niet als een aanneming.

Aan de andere kant was het de geïntimeerde en de NV **G.** mogelijk deze verkoopovereenkomst te vernietigen ex tunc. De kredietnota nr. … d.d. 31.12.1983 is niet louter te beschouwen als een nota tot boeking op het credit, maar vermeldt uitdrukkelijk *"annulatie factuur nr. … van 24.09.81"* en *"de goederen blijven eigendom van* ***G.-S.*** *tot registratie van eigendomsoverdracht, dit is niet gebeurd''*. Op zicht van deze kredietnota, die niet blijkt te zijn geprotesteerd door de NV **G.**, moet men aannemen dat de geïntimeerde en de NV **G.** de verkoop veruitwendigd in de factuur van 24.9.1981 hebben willen vernietigen ex tunc. In dit geval is geen BTW op deze transactie verschuldigd, minstens zou deze toch moeten teruggegeven zijn (zie artikel 77, § 1, ° BTW-wetboek) of gecompenseerd.

De appellant verdedigt echter de stelling dat *"sterk kan getwijfeld worden aan de waarachtigheid van de uitreiking"* van deze kredietnota. Er wordt door de appellant echter niet het bewijs geleverd dat deze kredietnota niet waarachtig zou zijn. Nazicht van het proces-verbaal van 4.6.1987 leert dat weliswaar melding wordt gemaakt van de kredietnota en er zelfs naar wordt verwezen om de stelling van verkoop te ondersteunen, maar er geen bevindingen in opgenomen zijn die zouden toelaten tot het besluit te komen dat de kredietnota's niet met de werkelijkheid overeenstemmen. Waar de appellant terecht opwerpt dat het merkwaardig is dat, naast de factuur ten bedrage van … BEF (thans … EUR) door de appellant weerhouden als basis voor heffing van de BTW, nog een andere factuur bestaat voor … BEF (thans … EUR), toont dit toch niet aan dat de kredietnota niet met de werkelijkheid overeenstemt. Er liggen verder geen bewijzen voor nopens de beweerde verhuringen, de bestemming van beweerde huurgelden, niet terugbetaling van de koopprijs en oorspronkelijke betaling van de koopprijs (terwijl van dit alles nochtans sporen in de door de BBI gecontroleerde boekhouding moesten zijn), evenmin andere gegevens die tot de juistheid van de stelling van de appellant zouden moeten doen besluiten.

7\. Wat de onroerende transactie betreft voor de koppelvilla te …, … (stukken 17a tot 17c van de appellant; stuk 7 van de geïntimeerde), blijkt uit de overeenkomst van 29.10.1978 tussen de NV **G.** en de geïntimeerde dat de NV **G.** opdracht gaf aan de geïntimeerde tot het oprichten van een koppelvilla op de bouwgrond eigendom van de NV **G.**, met afstand van natrekkingsrecht ten voordele van de geïntimeerde. In zelfde overeenkomst werd gestipuleerd dat de NV **G.** aan de geïntimeerde toelating gaf om de op te richten woonhuizen aan derden te verkopen en dat aan de andere kant de NV **G.** er zich toe verbond binnen een termijn van twee jaar te rekenen vanaf de volledige afwerking de niet­verkochte woonhuizen te laten aanrekenen.

De factuur nr. … d.d. 31.12.1982 door de geïntimeerde gericht aan de NV **G.** vermeldt uitdrukkelijk dat verschuldigd is voor *"verkoop van koppelvilla, gelegen te …, …"* het bedrag van … BEF (thans … EUR). Deze factuur en de overeenkomst van 29.10.1978 stemmen met elkaar overeen en bevestigen dat het voorwerp van de factuur wel degelijk een verkoop is en geen aanneming.

De geïntimeerde heeft echter op 31.12.1983 een kredietnota nr. … aan de NV **G.** toegestuurd voor een bedrag van … BEF (thans … EUR), en op zelfde wijze als voor de residentie **C.** de factuur nr. … d.d. 31.12.1982 geannuleerd en de verkoop vernietigd. De appellant toont hier evenmin zijn bewering aan dat deze kredietnota niet met de werkelijkheid zou overeenstemmen.

Op zelfde gronden als hoger aangehaald voor de residentie **C.** moet tot het besluit gekomen worden dat de geïntimeerde geen BTW verschuldigd is voor de transactie veruitwendigd in de factuur nr. … d.d. 31.12.1982. Hieraan dient te worden toegevoegd dat, zo de factuur van 31.12.1982 kan beschouwd worden als de uitvoering van de overeenkomst van 29.10.1978, dit niet verhindert dat de NV **G.** en de geïntimeerde door middel van de kredietnota, niet geprotesteerd door de NV **G.** door onderlinge wilsovereenstemming afwijken van de tussen hen gesloten oorspronkelijke overeenkomst.

8\. In acht genomen hetgeen voorafgaat dient het bestreden vonnis te worden bevestigd, zij het op andere gronden.

### Beschikkend gedeelte

**OP DIE GRONDEN,**

**HET HOF,**

Recht doende op **tegenspraak**.

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken.

Ontvangt het hoger beroep doch verklaart het ongegrond.

Bevestigt het bestreden vonnis.

Veroordeelt de appellant tot de kosten van het hoger beroep, als volgt begroot :

• aan de zijde van de appellant : op … EUR uitgavenvergoeding verzoekschrift hoger beroep + … EUR rechtsplegingsvergoeding, hetzij in totaal … EUR;

• aan de zijde van de geïntimeerde : op … EUR rechtsplegingsvergoeding.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van beroep te Gent, vijfde kamer bis, op **TWINTIG APRIL TWEEDUIZEND EN VIER**.

Aanwezig de heren :

**G. T.**, Raadsheer, waarnemend voorzitter, alleenrechtsprekend,

**M. V.**, griffier.

**M. V.** **G. T.**

## Aangehaalde teksten

6

[WBTW art. 61](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-61) 4 voorkomens

[WBTW art. 59](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-59) 2 voorkomens

[WBTW art. 62](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-62) 2 voorkomens

[WBTW art. 84](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-84) 2 voorkomens

[KB nr. 1 art. 17bis](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-1-artikel-17bis-a142) 1 voorkomen

[WBTW art. 70](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-70) 1 voorkomen

## Vergelijkbare beslissingen

8

[Verjaringen, Innings- en invorderingsregister, Uitvoerbare titel, Delegatie](https://juriel.be/nl/rechtspraak/verjaringen-innings-invorderingsregister-uitvoerbare-titel-hof-van-beroep-gent-2023-06-13-3f97) 4 gemeenschappelijke bepalingen

[Nietigheid dwangbevel, Openbare orde karakter van de belasting](https://juriel.be/nl/rechtspraak/nietigheid-dwangbevel-openbare-orde-karakter-hof-van-beroep-antwerpen-2021-10-05-474e) 4 gemeenschappelijke bepalingen

[Tarief dat van toepassing is voor werken in onroerende staat -Voorwaarden](https://juriel.be/nl/rechtspraak/tarief-toepassing-werken-in-onroerende-rechtbank-2022-07-01-5ebe) 4 gemeenschappelijke bepalingen

[Recht op aftrek](https://juriel.be/nl/rechtspraak/recht-aftrek-rechtstreeks-onmiddellijk-verband-rechtbank-luxemburg-2022-10-12-cbcc) 4 gemeenschappelijke bepalingen

[Vermoeden van fraude, Zwijgrecht, Valse facturen](https://juriel.be/nl/rechtspraak/vermoeden-fraude-zwijgrecht-valse-facturen-hof-van-beroep-brussel-2023-06-28-77bf) 4 gemeenschappelijke bepalingen

[Legaliteit van de aanslagprocedure](https://juriel.be/nl/rechtspraak/legaliteit-aanslagprocedure-visitatierecht-woonplaats-belastingplichtige-rechtbank-2023-09-11-d135) 4 gemeenschappelijke bepalingen

[Gemene bepaling, bewijs, controlemaatregel, recht op aftrek van belasting](https://juriel.be/nl/rechtspraak/gemene-bepaling-bewijs-controlemaatregel-recht-rechtbank-kortrijk-1998-01-05-0c63) 4 gemeenschappelijke bepalingen

[Bewijskracht proces-verbaal, Verjaring, Rechten van de verdediging, Redelijke termijn](https://juriel.be/nl/rechtspraak/bewijskracht-proces-verbaal-verjaring-rechten-hof-van-beroep-gent-2014-01-21-2c28) 4 gemeenschappelijke bepalingen
