---
title: "28 februari 2003 · Strafbepaling, administratieve geldboete · Rechtbank van eerste aanleg te Brussel"
description: "Strafbepaling, administratieve geldboete, bewijs, controlemaatregel, vrijstelling, uitvoer. Rechtbank van eerste aanleg te Brussel (België), 28 februari 2003."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak/strafbepaling-administratieve-geldboete-bewijs-controlemaatregel-rechtbank-brussel-2003-02-28-bfa2"
lang: "nl"
---

# Strafbepaling, administratieve geldboete, bewijs, controlemaatregel, vrijstelling, uitvoer · Belasting over de toegevoegde waarde

**Rechtscollege**

Rechtbank van eerste aanleg

**Zetel**

Brussel

**Datum**

28 februari 2003

## Over het document

**Verzameling**

Belgische rechtspraak

**Taal van de tekst**

Nederlands

## Tekst

128 paragrafen

### Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Brussel d.d. 28.02.2003

Samenvatting niet beschikbaar

**Tekst van het vonnis**

### Tekst van de beslissing

**RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG TE BRUSSEL**

**A.R. : 94/6306/A & 98/816/A**

**In zake van :**

**94/6306/A**

**……. N.V.**, met maatschappelijke zetel te …., …., ingeschreven in het handelsregister te …. onder het nummer ….

**eisende partij**

Vertegenwoordigd door Mter **L. D. M.** loco Mter **A. D.**, advocaat te …, …

**tegen :**

**De BELGlSCHE STAAT****,** in de persoon van de Heer Minister van Financiën. wiens kabinet gevestigd is te Brussel, Wetstraat, 12, vertegenwoordigd door de wd. e.a. inspecteur van het Ontvangkantoor te Halle

**verwerende partij**

Vertegenwoordigd door Mter **E. V.** en Mter **J. D. S.** loco Mter **J. H.**, advocaat te …, …

**In zake van :**

**98/816/A**

…, met maatschappelijke zetel te …, …, ingeschreven in het handelsregister te … onder het nummer ….

**eisende partij**

Vertegenwoordigd door Mter **L. D. M.** loco Mter **A. D.**, advocaat te …, …

**tegen :**

**De BELGISCHE STAAT**, in de persoon van de Heer Minister van Financiën. wiens kabinet gevestigd is te Brussel, Wetstraat 12, vertegenwoordigd door de wd. e.a. inspecteur van het Ontvangkantoor te Halle

**Verwerende partij**

Vertegenwoordigd door Mter **E. V.** en Mter **J. D. S.** loco Mter **J. H.**, advocaat te …, …

---

In deze zaak, in beraad genomen op 31 januari 2003, spreekt de rechtbank volgend vonnis uit :

## I. PROCEDURE

Gelet op de in regelmatige vorm voorgelegde stukken van de rechtspleging, inzonderheid :

a) in de zaak gekend onder A R nr. 94/6306/A :

\- het exploot van dagvaarding van **A. D.**, plaatsvervangend gerechtsdeurwaarder van gerechtsdeurwaarder **R. R.** te …, houdende verzet tegen dwangbevel, betekend op 6 mei 1994, waardoor het geding aanhangig werd gemaakt;

\- de besluiten en aanvullende besluiten van verweerder, neergelegd ter griffie respectievelijk op 9 januari 1996 en op 13 december 2001 (de aanvullende besluiten betreffen eveneens de zaak gekend onder AR nr. 98/816/A);

\- de besluiten, aanvullende en tweede aanvullende besluiten van eiseres, neergelegd ter griffie respectievelijk op 2 april 1996, op 26 maart 2001 en op 13 september 2002;

b) in de zaak gekend onder AR nr. 98/816/A :

\- het exploot van dagvaarding van gerechtsdeurwaarder **H. V. B.** te …, houdende verzet tegen dwangbevel, betekend op 8 januari 1998, waardoor het geding aanhangig werd gemaakt;

\- de besluiten en aanvullende besluiten van verweerder, neergelegd ter griffie respectievelijk op 24 april 1998 en op 13 december 2001 (deze aanvullende besluiten betreffen eveneens de zaak gekend onder A.R. nr. 94/6306/A);

\- de besluiten en aanvullende besluiten van eiseres, neergelegd ter griffie respectievelijk op 26 maart 2001 en op 13 september 2002.

Gehoord ter openbare zitting van 31 januari 2003 de raadslieden van partijen, waarna de bundels met de stavingsstukken van partijen neergelegd werden en de zaak in beraad genomen werd.

Toepassing is gemaakt van de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken, zoals nadien gewijzigd.

## II. FEITEN EN RETROACTEN

De NV **…**, huidige eiseres, is concessiehouder voor BMW-Belgium. Naast BMW-voertuigen verkoopt zij, naar eigen zeggen, ook in beperkte mate tweedehands personenwagens van andere merken.

Op 3 december 1993 werd de boekhouding van de NV **…**, gecontroleerd door de BTW-administratie, 8 ste Bijzondere Belastinginspectie te Brussel. Deze controle had meer bepaald betrekking op de verkoop van personenwagens naar landen buiten de E.E.G. tijdens het jaar 1993.

Op basis van diverse vaststellingen meende de administratie dat de NV **…** ten onrechte gebruik had gemaakt van de vrijstelling wegens uitvoer, voorzien in art. 39 W.BTW. met betrekking tot de uitvoer van diverse personenwagens naar Noorwegen en Tsjechoslowakije. Meer bepaald werden bepaalde douanestempels vervalst of werden bepaalde uitvoerdocumenten niet gevalideerd door de douanepost langs waar de personenwagens de E.E.G. hadden verlaten.

Volgens de NV **…** betrof het hier meer bepaald personenwagens die werden afgenomen van Ets. **…**, **S.-E.** en **D.** Cars, waarbij laatstgenoemden ook de buitenlandse klanten aanbrachten.

Op 14 februari 1994 werd in een proces-verbaal een bedrag van … euro (… BEF) hoofdens BTW gevorderd, verhoogd met een administratieve geldboete gelijk aan 200 % en nalatigheidsinteresten.

Op 13 april 1994 werd met betrekking tot dit deel van de vordering een dwangbevel betekend aan de NV **…**

Op 6 mei 1994 tekende de NV **…** verzet aan tegen dit eerste dwangbevel.

Op 24 augustus 1994 werd een tweede dwangbevel betekend aan de NV **…**, dat grotendeels overlappend was met het dwangbevel van 13 april 1994. Daartegen diende de NV **…** geen verzet in.

Op 9 december 1997 werd een derde dwangbevel betekend voor de som van … euro (… BEF), meer een administratieve geldboete van 200 %. Dit dwangbevel had betrekking op het saldo tussen de som van … euro (… BEF), zijnde de totale som aan BTW weerhouden op de betwiste verkoop van personenwagens naar het buitenland, en de som die reeds werd ingevorderde bij dwangbevel van 13 april 1994.

Op 8 januari 1998 tekende de NV **…** verzet aan tegen dit derde dwangbevel.

Ondertussen had de NV **…**, samen met een aantal andere garagehouders, een strafklacht neergelegd tegen de heren **…**, **…** en **…**

Deze strafklacht resulteerde in een strafrechtelijk onderzoek, waarvan de strafvordering uiteindelijk voor de correctionele rechtbank te Brussel werd behandeld op 10 december 1998 en waarbij de beklaagden strafrechtelijk werden veroordeeld wegens onder meer valsheid in geschrifte, misbruik van vertrouwen en inbreuken op de artikelen 73 en 73bis W.BTW. Tevens werden de beklaagden solidair veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding onder meer aan de NV **…**, waarbij deze een provisionele som van … euro (… BEF), onder voorbehoud reeds geraamd op … euro (… BEF) kreeg toegekend.

## III. IN RECHTE

### A. STANDPUNTEN VAN PARTIJEN :

Eiseres vraagt haar verzet ontvankelijk en gegrond te verklaren, en vooraleer recht te doen de zaak gekend onder AR nr. 94/6306/A en de zaak gekend onder AR nr. 98/816/A samen te voegen wegens samenhang. Dienvolgens :

*-* *in hoofdorde -*

\- de bestreden dwangbevelen te vernietigen aangezien de vordering van de BTW­administratie ongegrond is;

\- de terugbetaling te bevelen van alle bedragen die wederrechtelijk werden geïnd, verhoogd met de interesten sedert de datum van betaling;

*-* *in eerste subsidiaire orde -*

\- de bestreden dwangbevelen te vernietigen wegens het overdreven karakter van de vordering van de BTW-administratie, en minstens de vordering van de BTW­administratie te herleiden in die zin dat zij enkel kan worden veroordeeld tot het verschil tussen de BTW die op de prijs betaald door de eindverbruiker verschuldigd is en wat de Schatkist daadwerkelijk heeft ontvangen;

minstens, alvorens recht te doen, verweerder te bevelen de noodzakelijke berekeningen uit te voeren teneinde vast te stellen welke BTW kon worden geïnd ingevolge de inverbruikstelling van 23 personenwagens in België;

\- de terugbetaling te bevelen van alle bedragen die wederrechtelijk werden geïnd, verhoogd met de interesten sedert de datum van betaling,

*-* *in tweede subsidiaire orde -*

\- de gevorderde administratieve geldboeten integraal kwijt te schelden, minstens te verminderen tot een passend bedrag;

\- de terugbetaling te bevelen van alle bedragen die wederrechtelijk werden geïnd, verhoogd met de interesten sedert de datum van de betaling.

Verweerder vraagt het verzet van eiseres ontvankelijk, doch ongegrond te verklaren. en haar in haar eis af te wijzen.

### B. BEOORDELING :

#### 1) Wat de samenvoeging van de zaken wegens samenhang betreft :

Eiseres preciseert dat de betwiste vordering van de BTW-administratie … euro (… BEF) bedraagt, maar dat daarvoor twee aparte dwangbevelen werden betekend, met name op 13 april 1994 voor de som van … euro (… BEF) en op 9 december 1997 voor de som van … euro (… BEF).

Tegen beide voormelde dwangbevelen werd telkenmale door haar gedagvaard in verzet en beide procedures werden ingeleid voor de rechtbank van eerste aanleg te Brussel.

Beide vorderingen betreffen identiek dezelfde problematiek en verschillen enkel qua bedrag. Er is dus een objectief verband tussen beide vorderingen, zodat deze dan ook samen kunnen worden onderzocht en behandeld.

De rechtbank stelt vast dat verweerder hiermee akkoord gaat.

Krachtens art. 30 Ger W. past het de onderscheiden zaken, gekend onder AR nr. 94/6306/A en AR nr. 98/816/A, als samenhangende zaken te behandelen, aangezien zij onderling zo nauw verbonden zijn dat het de rechtbank als wenselijk voorkomt ze samen te behandelen en te berechten, teneinde oplossingen te vermijden die onverenigbaar zouden kunnen zijn wanneer de zaken afzonderlijk berecht zouden worden.

#### 2) Wat de vordering van eiseres in hoofdorde betreft : de vordering van de BTW-administratie is ongegrond :

**2.1.** Eiseres is van oordeel dat de BTW-administratie haar vordering ten onrechte baseert op art 64, § 1 W.BTW, krachtens hetwelk hij die goederen verkrijgt of produceert om ze te verkopen, behoudens tegenbewijs, wordt geacht de door hem verkregen of geproduceerde goederen te hebben geleverd onder voorwaarden waaronder de belasting opeisbaar wordt.

Eiseres preciseert dat verweerder er meer bepaald vanuit gaat dat zij geen gebruik kan maken van de in art. 39 W.BTW bepaalde vrijstellingsregeling, nu zij niet in het bezit is van alle noodzakelijke stukken waaruit de echtheid van de uitvoer van de personenwagens naar afnemers in Noorwegen en Tsjechoslowakije blijkt.

Eiseres stelt zelf te hebben onderzocht wat er met de personenwagens is gebeurd nadat ze bij haar in de garage waren geweest en werden verkocht naar het buitenland. Uit een onderzoek bij de Dienst Inverkeerstelling (D.I.V.) is gebleken dat een aantal voertuigen (meer bepaald de Mercedes met chassisnummer …, de Mercedes met chassisnummer …, de Mercedes met chassisnummer … en de Ferrari met chassisnummer …) effectief naar het buitenland zijn uitgevoerd, nu zij in België niet werden ingeschreven bij de D.I.V.

Volgens eiseres kan voor deze personenwagens niet anders worden gesteld dan dat deze niet in België in het verbruik werden gesteld en dat op deze voertuigen bijgevolg ook geen Belgische BTW verschuldigd kan zijn, nu de BTW een verbruiksbelasting is.

Uit haar onderzoek is volgens eiseres ook gebleken dat de overige in het proces­verbaal van 14 februari 1994 opgenomen personenwagens effectief in België in het verbruik werden gesteld en dat daarop in België de BTW werd voldaan door de eindverbruiker. Het feit dat **…** en consoorten mogelijkerwijs de verschuldigde BTW die zij van haar ontvingen niet hebben doorgestort aan de Schatkist kan volgens eiseres niet aan haar worden tegengeworpen.

Nu de personenwagens effectief aan haar werden geleverd, heeft eiseres naar eigen zeggen volledig regelmatig de betaalde BTW in aftrek gebracht.

Zodoende heeft verweerder, naar haar oordeel, geen schade geleden door haar tussenkomst, met mogelijke uitzondering van de schade geleden door het feit dat **…** en consoorten de ontvangen BTW niet heeft doorgestort, doch hiervoor kan zij, naar haar oordeel, niet aansprakelijk worden gesteld.

Verder benadrukt eiseres dat zij te goeder trouw is. De nodige uitvoerdocumenten werden voorzien. Zij mocht er op basis daarvan redelijkerwijs van uitgaan dat de personenwagens wel degelijk België hadden verlaten. Achteraf is gebleken dat de gebruikte douanestempels vervalst waren. Eiseres meent dat de verschillen zeer subtiel zijn en niet zomaar te ontdekken zijn.

**2.2.** Met reden doet verweerder evenwel gelden dat, nu eiseres niet in het bezit is van alle noodzakelijke stukken waaruit de echtheid van de uitvoer blijkt, zij geen gebruik kan maken van de vrijstellingsregeling van art. 39 W.BTW.

Nu eiseres voor de desbetreffende voertuigen de uitvoer niet kan bewijzen, steunt verweerder zich met reden op art. 64, § 1 W.BTW.

Wat de vier voertuigen betreft, waarvan eiseres voorhoudt dat zij in België niet in het verkeer werden gebracht, merkt verweerder op dat de Ferrari met chassisnummer … op 14 december 1993 in België in beslag werd genomen, terwijl het voertuig volgens de verkoopfacturen reeds op 13 oktober 1993 naar Noorwegen werd gefactureerd. Met reden stelt verweerder dat dit het beste bewijs is dat het hier een fictieve uitvoer betreft.

Wat de 23 overige voertuigen betreft, doet verweerder met reden opmerken dat de verklaring van eiseres dat deze voertuigen wel in het Belgisch verkeer werden gebracht en dat bijgevolg de BTW werd voldaan door de eindverbruiker, duidelijk aantoont dat de verkoopfacturen van eiseres betrekking hebben op fictieve uitvoeren.

Dit alles ontslaat eiseres niet van het feit dat zij in het bezit moet zijn van alle noodzakelijke stukken waaruit de echtheid van de uitvoer blijkt teneinde rechtmatig gebruikt te kunnen maken van de in art. 39 W.BTW bepaalde vrijstelling.

Derhalve dient de vordering van eiseres, zoals geformuleerd in hoofdorde, te worden afgewezen.

#### 3) Wat de vordering van eiseres in eerste subsidiaire orde betreft : de vordering van de BTW-administratie is overdreven

**3.1.** Eiseres wijst erop dat de BTW een verbruiksbelasting is, waarbij specifiek is dat de uiteindelijke belastbare materie alleen de prijs van de eindverbruiker (de consument) is, dit door het systeem van de aftrek.

In casu zijn 23 van de 27 personenwagens met BTW verkocht aan een binnenlandse eindverbruiker, en werd bijgevolg de verschuldigde BTW voldaan in België door de eindverbruiker.

Ondanks het feit dat deze personenwagens België niet hebben verlaten en uiteindelijk aan een eindverbruiker in België werden verkocht, stelt eiseres dat de BTW­administratie van haar BTW op de totale verkoopprijs van de voertuigen vordert, waardoor de BTW-administratie extra voordeel uit de transacties van **…** en consoorten haalt, extra voordeel dat zij bij een legale transactie niet zou hebben gehaald.

**3.2.** Met reden doet verweerder opmerken dat eiseres ten onrechte stelt dat zij niet aansprakelijk kan worden gesteld voor het feit dat **…** en consoorten de ontvangen BTW niet hebben doorgestort aan de Schatkist.

Daarbij verliest eiseres immers uit het oog dat de aankoopfacturen met hoofding **… S.-E.** en **D.** Cars valse facturen zijn die in haren hoofde geen recht op aftrek geven. Met voormelde belastingplichtigen heeft eiseres geen transacties tot stand gebracht.

Derhalve dient ook de vordering van eiseres, zoals geformuleerd in eerste subsidiaire orde, te worden afgewezen.

#### 4) Wat de vordering van eiseres in tweede subsidiaire orde betreft : de administratieve geldboete

**4.1.** Ten slotte merkt eiseres op dat haar, overeenkomstig art. 70, § 1 W.BTW, een administratieve geldboete gelijk aan 200 % wordt opgelegd, zijnde in totaal … euro (… BEF) + … euro (… BEF). Bij akte van 27 juni 1994 werd de geldboete op de som van … euro (… BEF) verminderd tot 100 %.

Eiseres wijst erop dat de gevorderde administratieve geldboete volledig buiten verhouding staat tot de vermeende inbreuken die zij op de BTW zou hebben gepleegd.

Zij stelt dat zij het slachtoffer van een bende oplichters werd, waarbij zij volledig te goeder trouw werd misbruikt.

Het is enkel omdat zij niet of onvoldoende het tegenbewijs kan leveren zoals vereist in art. 64, § 1 W.BTW dat de BTW op de uitgevoerde wagens wordt gevorderd. Zij stelt dat zij geen enkele inbreuk op het W.BTW heeft gepleegd.

Gelet op haar goede trouw verzoekt eiseres de integrale kwijtschelding van de administratieve geldboetes, minstens de herleiding tot een passend bedrag (de geldboete gevorderd bij het tweede dwangbevel van 9 december 1997 dient minstens te worden herleid conform de akte van 27 juni 1994).

**4.2.** De rechtbank treedt verweerder bij wanneer hij stelt dat eiseres geenszins te goeder trouw is. Terecht doet verweerder opmerken dat eiseres de nodige garanties en voorzorgen diende in te bouwen vooraleer zij de goederen aan de afnemer of wie dan ook toevertrouwde, zodat er geen valse stempels konden worden aangebracht. De verkoper is immers pas van zijn verantwoordelijkheid ontslagen wanneer hij kan bewijzen dat de goederen onder welbepaalde voorwaarden werden uitgevoerd. Eiseres beschikt dienaangaande over geen enkel bewijs.

Verder merkt verweerder met reden op dat de betwiste transacties niet kunnen worden gecatalogeerd als gebruikelijke en normale commerciële transacties, waardoor zeker aan de goede trouw van eiseres kan worden getwijfeld, nl.

\- het niet kennen van de Noorse of Tsjechische klanten;

\- het niet kennen van de leveranciers;

\- het verkopen van wagens nagenoeg zonder winst;

\- het aan- en verkopen van wagens zonder ze te hebben gezien.

Verweerder besluit dan ook dat de frauduleuze transacties niet konden plaatsvinden zonder de daadwerkelijke medewerking van eiseres.

Ten slotte merkt verweerder op dat eiseres wetens en willens in haar BTW-aangifte van januari 1994 handelingen heeft gesteld die tot doel hadden om de Schatkist te laten opdraaien voor een bedrag van … euro (… BEF), waarvan zijzelf schuldenaar is.

Op grond van hetgeen voorafgaat, gaat de rechtbank met verweerder akkoord dat eiseres te kwader trouw was.

Verder doet verweerder opmerken dat de in het oorspronkelijk proces-verbaal van 14 februari 1994 vervatte vaststellingen erop neerkomen dat de door eiseres uitgereikte verkoopfacturen gebreken vertonen ten aanzien van de essentiële elementen ervan, meer bepaald de identiteit en het adres van de medecontractant.

Bij toepassing van art [1, lid 3](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-41-januari-vaststelling-bedrag-proportionele-fiscale-d48c#ar41-art1) van het KB. nr. 41 van 30 januari 1987 dient in dergelijke gevallen in beginsel het in tabel C, littera II voorziene barema te worden toegepast, nl. 100 % van de op de handelingen verschuldigde BTW.

Evenwel bepaalt voormeld artikel in zijn laatste lid dat de in de tabellen A tot J van de bijlage bij het KB. nr. 41 opgenomen schaal (d.w.z. de vermindering tot 100 %) niet van toepassing is ten aanzien van overtredingen begaan met het oogmerk de belasting te ontduiken of de ontduiking ervan mogelijk te maken.

Met reden doet verweerder opmerken dat de overtredingen vastgesteld in de boekhouding van eiseres op zijn minst dienen te worden aangemerkt als zijnde overtredingen die het mogelijk maken de belasting te ontduiken.

Nochtans werd in casu de boete tot 100 % van de rechten teruggebracht omdat de belastingplichtige een schulderkentenis heeft ondertekend.

Bijgevolg bestaat er volgens de rechtbank geen aanleiding om deze boete verder te verminderen, laat staan kwijt te schelden.

Derhalve dient ook de vordering van eiseres, zoals geformuleerd in tweede subsidiaire orde, te worden afgewezen.

### Beschikkend gedeelte

**OM DEZE REDENEN,**

**DE RECHTBANK,**

Gelet op de Wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken, zoals nadien gewijzigd.

Rechtsprekend in eerste aanleg, **na tegenspraak**,

Alle andersluidende en meer omvattende besluiten van de hand wijzende als niet ter zake en/of overbodig,

Voegt de zaken gekend onder AR. nr. 94/6306/A en AR nr. 98/816/A samen.

Verklaart het verzet van de NV **…** ongegrond.

ontvankelijk, doch wijst het af als

Veroordeelt de NV **…** tot de kosten van het geding, begroot ten aanzien van de Belgische Staat op … euro, en ten aanzien van haarzelf op … euro.

Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de **33****ste** **kamer** van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel, op datum van **28 februari 2003**,

Waar aanwezig waren en zitting namen :

\- de heer **V. J.**, alleenrechtsprekend rechter, en

\- mevrouw **B. R.**, afgevaardigd adjunct-griffier.

**B.** **V.**

## Aangehaalde teksten

1

[KB nr. 41 art. 1](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-41-januari-vaststelling-bedrag-proportionele-fiscale-d48c) 1 voorkomen
