---
title: "Schrijnwerker, Uitbreiding van de activiteiten · Hof van beroep te Gent, 30 juni 2026, 2025/AR/566"
description: "Schrijnwerker, Uitbreiding van de activiteiten, Regularisatie, Paard -Recht op aftrek van BTW. Hof van beroep te Gent (België), 30 juni 2026, 2025/AR/566."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak/schrijnwerker-uitbreiding-activiteiten-regularisatie-paard-hof-van-beroep-gent-2026-06-30-6bc4"
lang: "nl"
---

# Schrijnwerker, Uitbreiding van de activiteiten, Regularisatie

**Rechtscollege**

Hof van beroep

**Zetel**

Gent

**Rolnummer**

2025/AR/566

**Datum**

30 juni 2026

## Over het document

**Verzameling**

Belgische rechtspraak

**Taal van de tekst**

Nederlands

## Tekst

149 paragrafen

### Fiche van de FOD Financiën

Arrest van het Hof van Beroep te Gent d.d. 30.06.2026 (2025/AR/566)

FIN 55369201-01

\[ Gemengd arrest \]

*BTW – Schrijnwerker – Uitbreiding van de activiteiten – Regularisatie – Paard –Recht op aftrek van BTW*

**Volledige tekst:**

### Tekst van de beslissing

**Arrest van het Hof van Beroep te Gent d.d. 30.06.2026 (2025/AR/566)**

2025/AR/566 - In de zaak van:

**BELGISCHE STAAT / FOD FINANCIËN,** ON ...,

minister van Financiën, van wie de kantoren gevestigd zijn te 1000 Brussel, Wetstraat nr. 12, handelend op verzoek van de Adviseur generaal van de Algemene administratie van de Fiscaliteit, Centrum KMO Gent — Expertise team 2, waarvan de kantoren gevestigd zijn te 9050 Gent, Gaston Crommenlaan 6/761

*appellant,*

*hebbende als raadsman mr. VAN HECKE Reinhard, advocaat te 9040 SINT-AMANDSBERG, Antwerpsesteenweg 283 - 283A*

tegen

**cie1,** ON ...,

met zetel te ... ..., ...*,*

*geïntimeerde,*

*hebbende als raadsman mr. DE VRIESE Leen, advocaat te 9000 GENT, Koning Albertlaan 165*

wijst het hof het volgend arrest:

## 1. De procedure voor het hof

Bij verzoekschrift neergelegd op 9 april 2025 heeft de appellant hoger beroep ingesteld tegen het vonnis dat door de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, zesde kamer, op 13 januari 2025 werd uitgesproken in de zaak met rolnummer 22/2991/A, waarvan niet blijkt dat het werd betekend.

De partijen hebben hun middelen en besluiten voorgedragen in de openbare terechtzitting van 12 mei 2025, waarna het debat werd gesloten. Het hof nam daarna de zaak in beraad.

Het hof heeft de Nederlandse taal gebruikt in overeenstemming met de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken.

## 2. De relevante feiten en de voorafgaande procedure

2.1. De geïntimeerde is sinds eind 2000 als btw-belastingplichtige geregistreerd onder het

nummer ... voor de activiteit van schrijnwerkerij.

Deze activiteit wordt uitgeoefend in de ... te ....

In oktober 2016 werd het maatschappelijk doel van de geïntimeerde uitgebreid met als bijkomende activiteit, het houden en/of fokken van dieren, het africhten, opleiden en/of verhandelen ervan en het uitbaten van maneges.

2.2. Op 8 december 2020 werd door een ambtenaar van de fiscale administratie een proces­verbaal van regularisatie inzake btw opgemaakt, volgend op een fiscale controle bij de geïntimeerde voor de periode vanaf 1 januari 2017 tot 31 december 2018. In het proces­verbaal, dat aan de geïntimeerde werd toegestuurd op 8 december 2020, werd melding gemaakt van de vaststellingen ter plaatse op 9 oktober 2020, als volgt:

*"Ik stel vast dat het gaat over een bedrijfsterrein bestaande uit verharde grond, 2 aaneensluitende opslagplaatsen (waar de schrijnwerkerij en het atelier zich bevindt) en een onafgewerkte woning.*

*Ik werd ontvangen door Mevr. M.V.S., zaakvoerder en Mevr. I.A., gevolmachtigde. Tijdens de rondleiding in de bedrijfsruimtes was ook dhr. V.D.W., zaakvoerder aanwezig.*

*Mevr. Van Steenkiste heeft verklaard:*

*"Wij hebben Clintus (hengst) aangekocht bij cie2, onze dochter volgde daar stage op dat moment. Wij hadden de bedoeling om de hengst weer te verkopen en op deze manier winst te maken. Van bij het begin waren er echter medische problemen waardoor Clintus niet kon worden opgeleid tot springpaard. Voor het ogenblik zijn er geen activiteiten rond Clintus, hij moet eerst zijn vertrouwen terugwinnen. Wij hebben geen idee van de huidige verkoopwaarde van Clintus. Wij hebben in 2017 een tweede hengst, Laptop aangekocht." (..)*

*Ik stel vast dat er eveneens kosten in rekening worden gebracht met betrekking tot de merrie Furst Bonnie, geen eigendom van de vennootschap.*

*Ik stel vast dat er in de betrokken jaren geen opbrengsten worden geboekt in verband met de activiteit "fokken en opleiden van paarden"*

*Ik stel vast dat de vennootschap niet over de nodige infrastructuur beschikt (in eigendom of in huur) voor het uitoefenen van de activiteit "fokken en opleiden van paarden"*

*Ik stel vast dat er in de statuten van de BTW geen vermelding is opgenomen mbt tot het fokken en opleiden van paarden"*

De administratie stelde dat er inbreuken waren begaan op de aftrekregeling ([artikel 45 WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-45)). Zij stelde dat de kosten met betrekking tot de paarden en een aantal andere kosten bestemd waren voor privédoeleinden of voor andere doeleinden dan die van de economische activiteit van de belastingplichtige. Voor 2017 en 2018 werd btw nagevorderd van 13.700,11 euro want onterecht in aftrek genomen.

Er werd een proportionele geldboete van 10% of 1.370,00 euro opgelegd.

De geïntimeerde tekende hiertegen bezwaar aan bij brief van 11 februari 2021. Zij stelde dat er wel degelijk sprake is van een economische activiteit met betrekking tot de paarden. Bij beslissing van 9 september 2022 werd dit bezwaar met betrekking tot de btw-aftrek aangaande de facturen op de aankoop van het paard en op de kosten met betrekking tot de dierenarts, de algemene kosten en ruiterbenodigdheden, afgewezen. De administratie stelde o.m. dat *"Uit het feit dat de vennootschap niet over eigen infrastructuur beschikt en bovendien beroep dient te doen op diensten van derden voor de stalling en verzorging van de paarden (...) reeds \[blijkt\] dat het in wezen geen eigen activiteit van de vennootschap betreft."* en *"In werkelijkheid blijkt uit de loutere aankoop van twee paarden, het gratis ter beschikking stellen van deze paarden aan de dochter van de bestuurder en de ten laste neming van alle met deze twee paarden verband houdende kosten immers niet dat de vennootschap voornemens is op regelmatige basis een economische activiteit te ontwikkelen met het oog op het verwerven van duurzame inkomsten. Integendeel, de betrokkenheid van de vennootschap bij de privé-activiteit van de dochter van de bestuurders kan alleen worden verklaard door het zoeken naar financiering voor de sportactiviteit van laatstgenoemde."* De uiteindelijk verschuldigde btw werd bepaald op 11.901,19 euro en de proportionele geldboete op 1.190,00 euro.

Op 1 augustus 2022 werd opnieuw een proces-verbaal van regularisatie inzake btw opgemaakt voor de periode van 1 januari 2019 tot 31 december 2020. Niettegenstaande in de statuten van de BTW ondertussen de vermelding met betrekking tot het fokken en opleiden van paarden was opgenomen, verwierp de administratie opnieuw de kosten met betrekking tot het fokken en opleiden van paarden. De administratie was nog steeds van mening dat het fokken en opleiden van paarden voor de geïntimeerde geen beroepsmatige activiteit was en dat de afgetrokken btw op de desbetreffende kosten moest worden verworpen. Ook de aftrek van btw op een fiets aangekocht in 2019 werd verworpen. De voor 2019 en 2020 verschuldigde btw bedroeg volgens de administratie 15.688,44 euro en de proportionele geldboete (10%) 1.560,00 euro.

Met een verzoekschrift neergelegd op 14 december 2022 stelde de geïntimeerde haar vorderingen tegen de btw-navorderingen voor 2017-2018 en 2019-2020 in voor de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent. Bij vonnis van 13 januari 2025 oordeelde de zesde kamer van deze rechtbank dat de processen-verbaal *"juridisch zijn onderbouwd doch dat zij feitelijk niet afdoende zijn gemotiveerd".* De rechtbank oordeelde dat niet afdoende aan de materiële (feitelijke) motiveringsplicht was voldaan en dat *"de vorderingen inzake BTW, (...),vermits van 'onwaarde' (...), niet verschuldigd zijn".* De rechtbank besliste om:

*-* *de vordering van eiseres ontvankelijk en gegrond te verklaren in volgende mate; de verschuldigde bedragen (waarvoor eiseres haar akkoord niet heeft gegeven) in de invorderingsorders met referentienummer ... en ... niet te laten invorderen;*

*de terugbetaling te bevelen van alle ten onrechte geïnde sommen vermeld in het innings- en invorderingsregister, vermeerderd met de moratoriumintrest;*

*verweerster te veroordelen tot de kosten van deze aanleg met name de bijdrage bedoeld in artikel 4 § 2 en 5 §§ 1 en 2 van de wet van 19 maart 2017 tot oprichting van een begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand ten belope van 24,00 EUR en tot de rechtsplegingvergoeding van 3.000,00 EUR.*

De appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen dit vonnis. De geïntimeerde tekende incidenteel beroep aan.

2.3. Bij notariële akte verleden op 7 februari 2023 werden de statuten van de geïntimeerde aangepast aan het WW en werd de naam van de geïntimeerde gewijzigd van cie1\_old naar cie1.

Per 1 september 2024 werd ook een bijkomende vestigingseenheid opgenomen in de KBO op de plaats waar de paardrijlessen/trainingen plaatsvinden (nl. ... te ..., waar ook de pensionstal cie3 is gevestigd).

2.4. Op 8 september 2025 werd voor de geïntimeerde een verzoekschrift tot kwijtschelding van de opgelegde btw-boeten ingediend overeenkomstig artikel 9 van het Regentbesluit van 18 maart 1831.

## 3. De vorderingen van de partiien

### 3.1. De vordering van de appellant

De Belgische Staat vraagt aan het hof om:

*Het hoger beroep van appellant ontvankelijk en gegrond te verklaren.*

*Dienvolgens het vonnis dd. 13.01.2025 gewezen door de Rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, sectie burgerlijke rechtbank (6de kamer) in de zaak met rolnummer A. R. 22/2991/A geheel te hervormen;*

*Aldus te zeggen voor recht dat de door de btw-administratie gestelde vorderingen zoals vermeld in de voormelde processen-verbaal ten laste van geïntimeerde dienen te worden weerhouden;*

*Dienvolgens te zeggen voor recht dat de vordering van de geïntimeerde ongegrond is; Geïntimeerde te veroordelen tot de betaling van de kosten van het geding in beide aanleggen, alsmede de rechtsplegingsvergoeding aan € 3.139,53*

### 3.2. De vordering van de geïntimeerde

De geïntimeerde vraagt aan het hof om:

*het hoger beroep van appellant ontvankelijk doch ongegrond te verklaren en het incidenteel*

*hoger beroep van concluante gegrond te verklaren en dienvolgens:*

#### *In hoofdorde*

*- het bestreden vonnis te bevestigen en te oordelen dat de verschuldigde bedragen in de invorderingsorders met referentienummer ... en ... niet kunnen worden ingevorderd aangezien de processen-verbaal niet afdoende gemotiveerd zijn (eerste middel)*

#### *In ondergeschikte orde:*

*Met betrekking tot de laren 2017-2018:* *Te zeggen voor recht dat de vordering inzake btw, zoals vervat in het proces-verbaal (artikel ...) betreffende de gecontroleerde periode 01/2017 — 12/2018), meer de boete en de interesten ongegrond is en bijgevolg niet verschuldigd is (tweede middel).*

*Met betrekking tot de laren 2019-2020:* *Te zeggen voor recht dat de vordering inzake btw, zoals vervat in het proces-verbaal (artikel ...) betreffende de gecontroleerde periode 01/2019 — 12/2020), meer de boete en de interesten ongegrond is en bijgevolg niet verschuldigd is (tweede en derde middel).*

*Minstens de opgelegde administratieve boeten te vernietigen, dan wel te verminderen, wegens schending van het (unierechtelijk) evenredigheidsbeginsel (vierde middel).*

*En dienvolgens de teruggave van de door concluante betaalde bedragen te bevelen.*

*De Belgische Staat te veroordelen tot de kosten van het geding, daarin inbegrepen de rechtsplegingsvergoeding ten belope van 3.000 EUR voor de procedure in eerste aanleg en 3.139,53 EUR voor de procedure in hoger beroep evenals de bijdrage aan het Fonds voor juridische tweedelijnsbijstand, in toepassing van de wet van 29 maart 2017 tot oprichting van een Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand en het uitvoeringsbesluit van 26 april 2017, en voor zover nodig, tot terugbetaling van de ten onrechte betaalde belastingen, verhogingen en nalatigheidsintresten met inbegrip van de daarop, overeenkomstig artikel 418 WIB1992, verschuldigde moratoriumintresten, alsmede tot terugbetaling van de ten onrechte aan concluante aangerekende en door haar betaalde vervolgingskosten.*

## 4. De betwistingen en hun beoordeling

### 4.1. Over de motiverin&van de.processen-verbaal

4.1.1. Een administratieve beslissing zoals een proces-verbaal inzake btw is een bestuurshandeling waarop de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen van toepassing is. Deze wet vereist dat de motivering in de akte de juridische en feitelijke overwegingen moet vermelden die ten grondslag liggen aan de belastingschuld. De motivering moet bovendien afdoende zijn. Dat de motivering afdoende moet zijn, betekent dat de beslissing voldoende door de motivering moet worden gedragen en dat de motivering evenredig moet zijn met het belang van de genomen beslissing en de aard van de bevoegdheid van de overheid. Een afdoende motivering moet aan de bestemmeling toelaten de gronden te kennen van de beslissing die hem aanbelangt, aangezien de motiveringsverplichting er in essentie op gericht is de bestuurde een zodanig inzicht te verschaffen in de motieven van de bestuurshandeling dat hij in staat is met kennis van zaken te oordelen of het zin heeft zich tegen de beslissing te verzetten. Of de motivering al dan niet afdoende is, zal afhangen van alle omstandigheden van de zaak, inzonderheid van de voorafgaande effectieve kennis die de bestemmeling heeft van de gegevens van het dossier (zie ook Cass. 22 mei 2008, [F.06.0077.N](https://juriel.be/nl/rechtspraak/dwangbevel-motivering-bestuurshandelingen-toetsing-rechter-cassatie-brussel-2008-05-22-d4c2), op juportal.be).

De kwestieuze processen-verbaal zijn ontegensprekelijk voldoende gemotiveerd. Zij concretiseren de nagevorderde btw en de proportionele geldboete, in die zin dat zij het belastbaar feit, het bedrag van de btw-schuld, de oorzaak van deze btw-schuld, en de hoedanigheid van schuldenaar duidelijk maken alsook de wetsbepaling(en) die deze btw-

schuld doen ontstaan.

De feitelijke overwegingen die ten grondslag liggen aan de

belastingschuld worden opgesomd op pagina's 1 en 2 van de processen-verbaal (zoals deels geciteerd in het feitenrelaas van dit arrest). Samen gelezen met de juridische overwegingen (ni. de verwijzing naar [artikel 45, §1 WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-45)) en de vaststelling dat de in de tabel (p. 4/7) opgenomen facturen voor *"goederen en/of diensten volledig of gedeeltelijk bestemd waren voor privé-doeleinden of voor andere doeleinden dan die van de economische activiteit van de belastingplichtige"* (p. 3/7), is het duidelijk dat de administratie van oordeel was dat de paardenactiviteit geen economische activiteit uitmaakte van de belastingplichtige en dat op die grond de aftrek van btw werd verworpen. In haar bezwaar van 11 februari 2021 is het ook deze stelling van de administratie die de geïntimeerde tegensprak, wat aantoont dat de geïntimeerde voldoende in kennis werd gesteld van de redenen waarom de administratie de aftrek van btw weigerde.

Dat de regularisatieopgaven desgevallend onvoldoende zouden zijn gemotiveerd, leiden niet tot de nietigheid van de btw-schuld opgenomen in de processen-verbaal, reden waarom het niet dienend is om hierop verder in te gaan.

Het principaal hoger beroep is gegrond. Het bestreden vonnis wordt hervormd. Het eerste middel van de geïntimeerde wordt afgewezen als ongegrond. Gelet op artikel 1068 Ger.W. is het integrale geschil aanhangig bij het hof.

4.1.2. Dat in het proces-verbaal van 1 augustus 2022 enkel sprake is van de periode 1 januari 2020 — 31 december 2020 is een materiële vergissing. Gelet op de in de tabel opgenomen facturen (waarvan de aftrek van btw wordt verworpen) en de voorgaande controle die de periode 2017-2018 besloeg, betreft dit proces-verbaal van 1 augustus 2022

duidelijk de periode 2019-2020.De periode werd overigens correct vermeld in de

regularisatieopgave (stuk 23, bundel geïntimeerde), waarop dit proces-verbaal van 1 augustus 2022 is gevolgd gelet op het niet-akkoord van de geïntimeerde. Deze laatste wist aldus wel degelijk dat dit proces-verbaal de periode 2019/2020 betrof. Dit onderdeel van het derde middel van de geïntimeerde is ongegrond.

### 4.2. Omtrent de aftrek van btw op aankopen gedaan voor depaardenactiviteit

4.2.1. Krachtens [artikel 45, §1, 1° WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-45) mag elke belastingplichtige op de belasting die hij verschuldigd is, de belasting geheven van de aan hem geleverde goederen en verleende diensten in aftrek brengen, in de mate dat hij die goederen en diensten gebruikt voor het verrichten van belaste handelingen. Het recht op btw-aftrek vormt een fundamenteel beginsel van het gemeenschappelijke btw-stelsel en is een integrerend deel van de btw-regeling dat in beginsel niet kan worden beperkt (zie o.m. HvJ 18 oktober 2018, *Volkswagen,* [C-153/17](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-153-17-arrest), r.o. 39).

Opdat de belastingplichtige recht op aftrek van de voorbelasting kan hebben en de omvang van dat recht kan worden bepaald, dient er volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie in beginsel een rechtstreeks en onmiddellijk verband te bestaan tussen een bepaalde handeling in een eerder stadium en een of meer handelingen in een later stadium waarvoor recht op aftrek bestaat. Het recht op aftrek van de btw over in een eerder stadium verworven goederen en diensten vooronderstelt immers dat de voor de verwerving gedane uitgaven zijn opgenomen in de prijs van de belaste handelingen in een later stadium waarvoor recht op aftrek bestaat (zie o.m. HvJ 24 januari 2019, *Morgan Stanley,* [C-165/17](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-165-17-arrest), r.o. 30). De belastingplichtige heeft niettemin eveneens recht op aftrek, ook al bestaat er geen rechtstreeks en onmiddellijk verband tussen een bepaalde handeling in een eerder stadium en een of meer handelingen in een later stadium waarvoor recht op aftrek bestaat, wanneer de kosten voor de betrokken diensten deel uitmaken van diens algemene kosten en als zodanig zijn opgenomen in de prijs van de door hem geleverde

goederen of verrichte diensten.Tussen dergelijke kosten en het geheel van alle

economische activiteiten van de belastingplichtige bestaat er immers een rechtstreeks en onmiddellijk verband (zie o.m. HvJ 14 september 2017, *Iberdrola,* [C-132/16](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-132-16-arrest), r.o. 29).

In de mate dat de goederen en diensten worden gebruikt voor privédoeleinden of voor andere doeleinden dan deze van zijn economische activiteit, is het recht op aftrek uitgesloten. De bewijslast dat de goederen en diensten worden gebruikt voor het verrichten van belaste handelingen rust op de belastingplichtige.

4.2.2.De administratie betwist dat de goederen en diensten aangekocht voor de

paardenactiviteit gebruikt zijn voor het verrichten van de economische activiteit van de geïntimeerde. Zij stelt dat het deelnemen aan wedstrijden en de sporadische aan- en verkoop van een paard niet kwalificeert als een economische activiteit. De paarden werden door de geïntimeerde in de gecontroleerde periode gratis ter beschikking gesteld van de dochter van de bestuurders, om met deze paarden deel te nemen aan wedstrijden. Zelfs indien de geïntimeerde wel als een belastingplichtige voor deze activiteit zou moeten worden aangemerkt, stelt de administratie dat de btw hierop sowieso niet aftrekbaar is aangezien er met de paarden door de geïntimeerde geen enkele handeling zoals bedoeld in [artikel 45, §1, 1° tot 5° WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-45) wordt uitgevoerd. Ook zou er btw in aftrek zijn gebracht op kosten voor paarden die geen eigendom zijn van de geïntimeerde.

De administratie stelt terecht dat er geen bewijs voorligt dat de paardenactiviteiten in de periode 2017-2020 kwalificeren als een economische activiteit in de zin van het WBTW dan wel dat in die periode middels de paardenactiviteit belastbare handelingen worden verricht ([artikel 45, §1 WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-45)). Immers, als economische activiteit worden volgens [artikel 9, §1, tweede lid van de BTW-Richtlijn](https://juriel.be/nl/unierecht/btw-richtlijn-2006-112/artikel-9) beschouwd, alle werkzaamheden van een fabrikant, handelaar of dienstverrichter, met inbegrip van de winning van delfstoffen, de landbouw en de uitvoering van vrije of daarmede gelijkgestelde beroepen. Als economische activiteit wordt in het bijzonder beschouwd de exploitatie van een lichamelijke of onlichamelijke zaak om er duurzaam opbrengsten uit te verkrijgen. Het begrip 'opbrengst' moet in die context worden begrepen in de zin van een vergoeding als tegenprestatie voor de verrichte activiteit. Of een activiteit erop gericht is duurzaam opbrengst te verkrijgen, is een feitelijke vraag bij de beoordeling waarvan alle omstandigheden in aanmerking moeten worden genomen (zie ook HvJ 20 juni 2013, [C-219/12](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-219-12-arrest), *Finanzamt Freistact Rohrbach Urfahr,* randnr. 19 e.v.). Volgens vaste rechtspraak van het Europees Hof van Justitie blijkt uit de definitie van het begrip 'economische activiteit' dat dit begrip een ruime werkingssfeer heeft alsook dat het een objectief karakter heeft, in die zin dat de activiteit op zichzelf wordt beschouwd ongeacht het oogmerk of het resultaat van de activiteit (zie ook HvJ 26 juni 2007, C-284/07, *T-Mobile Austria,* randnr. 35; HvJ 20 juni 2013, [C-219/12](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-219-12-arrest), *Finanzamt Freistact Rohrbach Urfahr,* randnr. 17). Dit blijkt ook uit [artikel 9, §1, eerste lid BTW-Richtlijn](https://juriel.be/nl/unierecht/btw-richtlijn-2006-112/artikel-9) en [artikel 4, §1 WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-4). Het moet aldus niet gaan om een winstgevende of rendabele activiteit, de handelingen moeten evenmin worden gesteld met het oogmerk er winst uit te halen.

Uit het dossier blijkt wat de periode 2017-2020 betreft, het volgende:

\- de hengst Clintus werd in maart 2015 aangekocht (ten belope van 80%) door de

geïntimeerde voor de prijs van 60.000,00 euro;

\- in oktober 2016 werd het maatschappelijk doel van de geïntimeerde uitgebreid met

'het houden en fokken van dieren, het africhten, opleiden en/of verhandelen ervan,

\- het uitbaten van manèges';

\- in februari 2017 werd de ruin Laptop aangekocht voor 15.000,00 euro;

\- in de tweede helft van 2020 behaalde de geïntimeerde inkomsten (3.404,57 euro) uit

het geven van een aantal lessen en trainingen.

Dat de geïntimeerde met de paarden in de periode 2017-2020 een activiteit ontwikkelde met de bedoeling er duurzaam opbrengst uit te verkrijgen, blijkt geenszins uit het dossier. De administratie stelt terecht dat de activiteit van de geïntimeerde wat de paarden betreft, in die periode bestond uit de sporadische aan- en verkoop van een paard. De geïntimeerde beschikte niet over eigen infrastructuur (geen stallen, weides, piste; de paarden stonden in een pension van een derde), de paarden Clintus en Laptop werden gratis ter beschikking gesteld aan de dochter van de zaakvoerders van de geïntimeerde om hiermee deel te nemen aan wedstrijden, de geïntimeerde nam kosten in rekening met betrekking tot paarden die geen eigendom waren van de geïntimeerde. Uit deze gegevens blijkt geenszins dat de geïntimeerde een economische activiteit uitoefende die bestond uit de opleiding van dressuurpaarden en het geven van paardrijlessen en trainingen, laat staan dat de geïntimeerde met haar paarden belastbare handelingen in de zin van [artikel 45, §1 WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-45) stelde. Dat de deelname aan wedstrijden de naambekendheid kan verhogen en de kwaliteit van de paarden kan demonstreren, zal ongetwijfeld correct zijn, maar dit is geen bewijs dat de paarden van de geïntimeerde in die periode met die bedoeling deelnamen aan wedstrijden en dit is zeker geen bewijs dat de geïntimeerde in de periode 2017-2020 een economische activiteit uitoefende die recht geeft op aftrek van btw of middels de activiteit belastbare handelingen stelde in de zin van [artikel 45, §1 WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-45). Van een geregelde activiteit bestaande uit de opleiding van dressuurpaarden was geen sprake. Van het geven van lessen is v66r mei 2020 evenmin sprake. Integendeel, uit het dossier blijkt dat er met de twee paarden enkel sporadisch werd deelgenomen aan wedstrijden. Er ligt geen bewijs voor dat de enkele lessen en trainingen die vanaf mei 2020 werden gegeven, werden verricht met de paarden die eigendom waren van de geïntimeerde. Ook van het kweken van paarden of van de intentie om met die paarden te kweken, was in die periode geen sprake. Uit niets blijkt dat de activiteit met de paarden er in de periode 2017-2020 op gericht was om er duurzaam opbrengst uit te verkrijgen.

Waar de geïntimeerde stelt dat zij in 2017-2020 de intentie had om in de toekomst uitgaande handelingen te stellen met betrekking tot de paardenactiviteit, blijkt niet uit het dossier dat aan deze intentie in de kwestieuze periode enigszins gestalte werd gegeven. De uitdrukking van het voornemen tot het uitoefenen van een economische activiteit dient aanleiding te geven tot een bepaalde economische gedrevenheid en gebeurt door de totstandkoming van een organisatorisch geheel dat op het stellen van belastbare handelingen is gericht. Uit het dossier blijkt niet dat dit plan of deze organisatie aanwezig was in de periode 2017-2020. In die periode had de geïntimeerde twee paarden die zij gratis ter beschikking stelde aan de dochter van de geïntimeerde, waarmee de dochter sporadisch deelnam aan wedstrijden. Uit stuk 8 (bundel geïntimeerde) blijkt dat zij met het paard Laptop in 2017 deelnam aan drie wedstrijden tijdens juli en augustus en aan geen enkele wedstrijd in 2018. In 2019 en 2020 werd telkens deelgenomen aan iets meer dan tien

wedstrijden.Er was geen sprake van enige organisatie (infrastructuur, middelen,

georganiseerd karakter) of voortdurende en regelmatige activiteit. Van enige opbouwende geregelde economische activiteit ligt in de periode 2017-2020 evenmin bewijs voor. De paardenactiviteit van de geïntimeerde blijkt in de vierjarige periode van 2017-2020 een sporadisch karakter te hebben die kadert binnen de uitoefening van een hobby van de dochter van de bestuurders eerder dan dat er bewijs voorligt dat deze zou kaderen binnen de opstart van een voorgenomen georganiseerde en duurzame activiteit binnen de geïntimeerde en aldus zou kwalificeren als voorbereidende handelingen van een activiteit die wordt ontwikkeld met de bedoeling er duurzaam opbrengsten uit te verkrijgen.

Dat de geïntimeerde vanaf eind 2021 op regelmatiger basis handelingen stelde (m.n. in november 2021 werd Clintus verkocht voor 40.000,00 euro; in november 2021 werden twee paarden (Deimos en Melpomene) aangekocht voor 40.000,00 euro; in december 2021 werd Laptop verkocht voor 13.000,00 euro; in oktober 2022 werd Melpomene verkocht voor 14.876,04 euro; in september 2023 werd Deimos verkocht voor 16.000,00 euro; in november 2023 werd Havana aangekocht voor 20.000,00 euro; in juli 2025 werd Kitona De Magico aangekocht; de maatschappelijke naam van de geïntimeerde werd aangepast in 2023 en in september 2024 werd een tweede vestiging geopend waar de paarden staan gestald), in 2023 en 2025 fokmerries aankocht die succesvol zouden zijn geïnsemineerd, in 2022 een hoeve aankocht met stallen, en dat er publiciteit wordt gemaakt, toont niet aan dat de geïntimeerde reeds in de periode 2017-2020 de intentie had om belastbare handelingen te stellen middels de paardenactiviteit. Dergelijke intentie werd in die periode niet veruitwendigd. De regelmatige handelingen waarop de geïntimeerde wijst, dateren alle van in de periode na 2020. Dat de sporadische handelingen in de periode 2017-2020 werden gesteld ter voorbereiding van een activiteit die vanaf eind 2020 ten volle werd ontwikkeld, of dat er in de periode 2017-2020 sprake was van een stelselmatige uitbouw van de activiteit, wordt niet aangetoond.

4.2.3. Aangezien de geïntimeerde niet aantoont dat zij in de periode 2017-2020 de intentie had om belastbare handelingen te stellen middels de paardenactiviteit, kan zij voor die periode geen aanspraak maken op de aftrek van de voorbelasting met betrekking tot kosten die met de paardenactiviteit verband houden. Dat de doorgestorte btw op de lessen in 2020 werd aanvaard of dat de desbetreffende inkomsten werden belast in de vennootschapsbelasting, verleent de geïntimeerde geen recht op aftrek van btw.

Ook de btw op kosten voor paarden die geen eigendom zijn van de geïntimeerde werd terecht verworpen. Het tweede middel van de geïntimeerde wordt afgewezen.

### 4.3. Omtrent de aftrek van btw op de fiets

Het eerste onderdeel van het derde middel van de geïntimeerde werd reeds beoordeeld in randnummer 4.1.2 van dit arrest.

Wat betreft de aftrek van de btw op de fiets aangekocht in de eerste helft van 2019, blijkt uit het proces-verbaal van 1 augustus 2020 duidelijk dat ook de aftrek van deze voorbelasting werd verworpen op grond van [artikel 45, §1 WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-45), nl. omdat dit goed is bestemd voor andere doeleinden dan die van de economische activiteit van de belastingplichtige. In de rubriek 'Vaststellingen' wordt vermeld dat de fiets *"die door een werknemer wordt gebruikt voor woon-werkverkeer wordt door de BTW-Administratie beschouwd als privégebruik."* De principes uiteengezet in randnummer 4.1.1 van dit arrest zijn ook hier van toepassing. De

motivering gegeven door de administratie beantwoordt hieraan en is afdoende.

De geïntimeerde betwist het standpunt van de administratie dat het woon-werkverkeer door een werknemer kwalificeert als privé-gebruik en dat de btw op de aankoop van de fiets aldus niet aftrekbaar is, niet.

Ook het derde middel van de geïntimeerde wordt afgewezen.

4.4. Omtrent de opgelegdeproportioneleg-eldboete van 10%

Aan de geïntimeerde werd een (verminderde) geldboete van 10% opgelegd wegens het begaan van een overtreding zonder het oogmerk de belasting te ontduiken of de ontduiking ervan mogelijk te maken (artikel 70, *§ibis* WBTW). Voor de controleperiode 2017/2018 gaat het om een boete van (na bezwaar) 1.190,00 euro en voor de controleperiode 2019/2020 gaat het om een boete van 1.560,00 euro.

Krachtens artikel 70, *§ibis* WBTW wordt aan ieder die op onrechtmatige of ongeoorloofde wijze de belasting in aftrek heeft gebracht, een geldboete opgelegd gelijk aan het dubbele van die belasting. Krachtens [artikel 84, derde lid WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-84) wordt, binnen de door de wet gestelde grenzen, het bedrag van de proportionele fiscale boeten bepaald volgens een schaal waarvan de trappen door de Koning worden vastgesteld. [Artikel 1 van het koninklijk besluit nr. 41](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-41-januari-vaststelling-bedrag-proportionele-fiscale-d48c#ar41-art1) van 30 januari 1987 tot vaststelling van het bedrag van de proportionele fiscale geldboeten op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde verwijst in dat verband naar tabel H waarin de geldboete voor de ten onrechte aftrek van btw bepaald wordt op 10% van de verkeerdelijk in aftrek gebrachte belasting indien het bedrag van deze belasting voor een controleperiode van één jaar meer dan 1.250,00 EUR betreft.

De geldboete werd wettig opgelegd en is in overeenstemming met de reglementaire voorschriften.

De geïntimeerde kan niet gevolgd worden in haar stelling dat de voorliggende betwisting van principiële aard is. Het is niet omdat de discussie zich over meerdere jaren uitstrekt en er een gelijkaardige discussie inzake de vennootschapsbelasting loopt, dat dit een discussie betreffende een rechtspunt betreft. Uit wat voorafgaat, blijkt dat de beoordeling feitelijk van aard is, nl. of de geïntimeerde in de periode 2017-2020 al dan niet een economische activiteit met betrekking tot paarden ontwikkelde. Deze beoordeling vereist een concrete toetsing van de feiten.

Het wordt niet betwist dat de kwestieuze geldboete strafrechtelijk van aard is in de zin van artikel 6.1 EVRM. De fiscale geldboetes wegens overtreding van het Wetboek BTW sanctioneren immers een norm die gericht is tot eenieder die verplicht is de BTW-regelgeving te volgen. Uit de aard en de wijze van bepaling van de omvang van de boete blijkt dat deze geen vergoedende functie heeft, maar in wezen ertoe strekt te straffen en

herhaling van inbreuken te voorkomen.

De rechter aan wie gevraagd wordt een

administratieve geldboete opgelegd op grond van artikel 70, § *ibis* WBTW te toetsen, moet de wettigheid van die sanctie onderzoeken en mag in het bijzonder nagaan of die sanctie verzoenbaar is met de dwingende eisen van internationale verdragen en van het interne recht, met inbegrip van de algemene rechtsbeginselen. Uit de rechtspraak van het Hof van Justitie volgt dat: om met belastingboeten inzake de btw uitvoering wordt gegeven aan het recht van de Unie in de zin van artikel 51, lid 1, van het Handvest (HvJ 23 februari 2013, [C-617/10](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-617-10-arrest), *Àkerberg Fransson,* punt 27);

een nationale rechterlijke instantie die moet onderzoeken of een nationale bepaling of een maatregel waarmee in een situatie waarin het optreden van de lidstaten niet volledig door het Unierecht wordt bepaald, het Unierecht ten uitvoer wordt gebracht in de zin van artikel 51, lid 1, van het Handvest, in overeenstemming is met de grondrechten, daarbij nog steeds nationale maatstaven voor de bescherming van de grondrechten kan toepassen, op voorwaarde dat deze toepassing niet afdoet aan het door het Handvest geboden beschermingsniveau, zoals uitgelegd door het Hof, noch aan de voorrang, eenheid en doeltreffendheid van het Unierecht (HvJ 26 februari 2013, [C-399/11](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-399-11-arrest), *Melloni,* punt 60 en HvJ 23 februari 2013, [C-617/10](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-617-10-arrest), *Âkerberg Fransson,* punt 29);

bij ontbreken van harmonisatie van de Uniewetgeving op het gebied van de toepasselijke sancties in geval van niet-naleving van de voorwaarden van een bij deze wettelijke regeling ingesteld stelsel, de lidstaten bevoegd zijn de sancties te kiezen die hun passend voorkomen. Zij moeten hun bevoegdheid echter uitoefenen met eerbiediging van het Unierecht en de algemene beginselen daarvan, en dus ook met eerbiediging van het evenredigheidsbeginsel (HvJ 7 december 2000, [C-213/99](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-213-99-arrest), *de Andrade,* punt 20 en HvJ 6 februari 2014, [C-424/12](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-424-12-arrest), *Fatorie,* punt 50);

dergelijke sancties derhalve niet verder mogen gaan dan noodzakelijk is ter waarborging van de juiste heffing van de belasting en ter voorkoming van fraude (HvJ 26 april 2017, [C-564/15](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-564-15-arrest), *Farkas,* punt 60; HvJ 8 mei 2008, C95/07 en [C-96/07](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-95-07-arrest), *Ecotrade,* punten 65-67; HvJ 20 juni 2013, [C-259/12](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-259-12-arrest), *Rodopi-M* 91, punt 38);

bij de beoordeling of een sanctie in overeenstemming is met het evenredigheidsbeginsel met name rekening moet worden gehouden met de aard en de ernst van de inbreuk waarvoor die sanctie wordt opgelegd en met de wijze waarop de hoogte ervan wordt bepaald (HvJ 26 april 2017, [C-564/15](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-564-15-arrest), *Farkas,* punt 60; HvJ 8 mei 2008, [C-95/07](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-95-07-arrest) en [C-96/07](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-95-07-arrest), *Ecotrade,* punten 65- 67; HvJ 20 juni 2013, [C-259/12](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-259-12-arrest), *Rodopi-M* 91, punt 38);

de rechter tevens rekening mag houden met de concrete omstandigheden van de zaak om te beoordelen of de op basis van de bepalingen van nationaal recht aan de belastingplichtige opgelegde sanctie in overeenstemming is met het Unierechtelijk evenredigheidsbeginsel (HvJ 26 april 2017, [C-564/15](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-564-15-arrest), *Farkas,* punt 61).

Hieruit volgt dat de nationale rechter een overeenkomstig voormeld KB nr. 41 van 30 januari 1987 opgelegde administratieve geldboete in toepassing van het Unierechtelijk evenredigheidsbeginsel kan verminderen tot beneden de in dit koninklijk besluit bepaalde vaste boetetarieven, rekening houdend met de aard en de ernst van de inbreuk en de concrete omstandigheden van de zaak (zie ook Cass. 12 februari 2026, [F.24.0026.N](https://juriel.be/nl/rechtspraak/dienst-bedoeld-in-btw-wetboek-cassatie-brussel-2026-02-12-c871), op juportal.be).

Het hof ziet in dit concrete geval evenwel geen reden om de opgelegde geldboete te verminderen. Met de goede trouw van de geïntimeerde werd reeds rekening gehouden gelet op de vermindering tot 10% die werd toegekend. Dat de discussie zich uitstrekt over meerdere jaren is evenmin reden om de boete te herleiden op grond van het evenredigheidsbeginsel, aangezien het om een proportionele geldboete gaat. Dat er ook een discussie inzake de vennootschapsbelasting loopt, is ook geen reden om de boete in de btw te herleiden. De geldboete is niet onevenredig met de door de geïntimeerde begane inbreuken en kon in redelijkheid door de administratie worden opgelegd. Op zicht van de omvang van de effectief opgelegde geldboete van 10% van de ten onterechte in aftrek genomen btw, kan ook niet aangenomen worden dat deze niet evenredig met de inbreuk zou zijn.

Ook dit middel van de geïntimeerde is ongegrond. De door de btw-administratie gestelde vorderingen zoals opgenomen in de processen-verbaal ten laste van de geïntimeerde worden bevestigd.

## 5. De gerechtskosten

Het principaal hoger beroep is gegrond. Het incidenteel hoger beroep en de initiële vordering van de geïntimeerde worden afgewezen. In die omstandigheden wordt de geïntimeerde als de in het ongelijk geselde partij beschouwd en moet zij de kosten van de beide instanties dragen.

Overeenkomstig het eerste lid van artikel 1022 Ger. W., vervangen bij wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat, heeft slechts de partij die in het gelijk gesteld wordt recht op een

rechtsplegingsvergoeding. Voor de vaststelling van die rechtsplegingsvergoeding overeenkomstig artikel 1022 Ger. W., uitgevoerd bij KB van 26 oktober 2007, moet, bij gebrek aan redenen tot afwijking ervan, het basisbedrag gehanteerd worden. Vermits de waarde van de vordering, bepaald zoals voorzien in de artikelen 557 tot 562 en artikel 618 Ger. W., zich in de schijf tussen 20.000,01 euro en 40.000,00 euro bevindt, bedraagt het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding 3.139,53 euro voor de procedure in hoger beroep.

Aangezien de appellant in de procedure in eerste aanleg niet was vertegenwoordigd door een advocaat, wordt hem voor deze eerste aanleg geen rechtsplegingsvergoeding toegekend.

### Beschikkend gedeelte

## BESLISSING VAN HET HOF

Het hof doet recht op tegenspraak;

Het hof beslist als volgt:

 het principaal hoger beroep is ontvankelijk en als volgt gegrond;

 het incidenteel hoger beroep is ontvankelijk maar ongegrond;

 het bestreden vonnis wordt integraal hervormd;

 opnieuw recht doende, verklaart de vordering van de geïntimeerde ontvankelijk maar ongegrond;

 het hof veroordeelt de geïntimeerde tot de gerechtskosten van de beide instanties,

vastgesteld als volgt:

aan de kant van de appellant:

•bijdrage begrotingsfonds hoger beroep: 26,00 EUR

•rechtsplegingsvergoeding hoger beroep: 3.139,53 EUR

aan de kant van de geïntimeerde (maar te zijnen laste blijvend):

•bijdrage begrotingsfonds eerste aanleg: 24,00 EUR

Aldus gewezen en uitgesproken in de openbare terechtzitting van het hof van beroep Gent, de **VIJFDE KAMER,** recht doende in fiscale zaken, op **30 juni 2026.**

Aanwezig:

Frederieke Compernolle, raadsheer, wn. voorzitter, alleenrechtsprekend

An Van Wijnsberge, griffier

## Aangehaalde teksten

16

[WBTW art. 45](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-45) 8 voorkomens

[btw-richtlijn 2006/112 art. 9](https://juriel.be/nl/unierecht/btw-richtlijn-2006-112/artikel-9) 2 voorkomens

[KB nr. 41 art. 1](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-41-januari-vaststelling-bedrag-proportionele-fiscale-d48c) 1 voorkomen

[WBTW art. 4](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-4) 1 voorkomen

[WBTW art. 84](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-84) 1 voorkomen

[C-564/15, arrest van 26 april 2017](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-564-15-arrest) 3 voorkomens

[C-219/12, arrest van 20 juni 2013](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-219-12-arrest) 2 voorkomens

[C-259/12, arrest van 20 juni 2013](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-259-12-arrest) 2 voorkomens

[C-617/10, arrest van 26 februari 2013](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-617-10-arrest) 2 voorkomens

[C-95/07 en C-96/07, arrest van 8 mei 2008](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-95-07-arrest) 2 voorkomens

[C-132/16, arrest van 14 september 2017](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-132-16-arrest) 1 voorkomen

[C-153/17, arrest van 18 oktober 2018](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-153-17-arrest) 1 voorkomen

[C-165/17, arrest van 24 januari 2019](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-165-17-arrest) 1 voorkomen

[C-213/99, arrest van 7 december 2000](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-213-99-arrest) 1 voorkomen

[C-399/11, arrest van 26 februari 2013](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-399-11-arrest) 1 voorkomen

[C-424/12, arrest van 6 februari 2014](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-424-12-arrest) 1 voorkomen

## Vergelijkbare beslissingen

8

[Hoedanigheid van belastingplichtige, Economische activiteit](https://juriel.be/nl/rechtspraak/hoedanigheid-belastingplichtige-economische-activiteit-uitbating-rechtbank-2020-09-07-ca78) 3 gemeenschappelijke bepalingen

[Transport, Schulden, Weigering BTW-aftrek, vervoer, weigering van de Btw-aftrek](https://juriel.be/nl/rechtspraak/transport-schulden-weigering-btw-aftrek-rechtbank-2026-03-02-0053) 3 gemeenschappelijke bepalingen

[Belastingplicht, Economische activiteit, Investeringen, Oorspronkelijke kunstwerken, belastbaarheid, kunstvoorwerp](https://juriel.be/nl/rechtspraak/belastingplicht-economische-activiteit-investeringen-cassatie-brussel-2024-02-22-11ab) 3 gemeenschappelijke bepalingen

[Controle, Overname, Recht op aftrek](https://juriel.be/nl/rechtspraak/btw-controle-overname-recht-aftrek-rechtbank-2026-04-09-4381) 3 gemeenschappelijke bepalingen

[Aanwijzingen voor fraude, Regularisatieoverzicht, Proces-verbaal, Ontvangstregister](https://juriel.be/nl/rechtspraak/aanwijzingen-fraude-regularisatieoverzicht-proces-verbaal-rechtbank-nijvel-2024-01-08-5c8e) 3 gemeenschappelijke bepalingen

[Recht op aftrek, Algemene onkosten, Diensten door onderaannemers](https://juriel.be/nl/rechtspraak/recht-aftrek-algemene-onkosten-diensten-rechtbank-brussel-2023-09-29-7487) 3 gemeenschappelijke bepalingen

[Recht op aftrek, Economische activiteit, Rechtstreeks en onmiddellijk verband](https://juriel.be/nl/rechtspraak/recht-aftrek-economische-activiteit-rechtstreeks-hof-van-beroep-gent-2025-12-23-8aaa) 3 gemeenschappelijke bepalingen

[Recht op aftrek, Economische activiteit](https://juriel.be/nl/rechtspraak/recht-aftrek-economische-activiteit-btw-hof-van-beroep-bergen-2026-02-11-6f1e) 3 gemeenschappelijke bepalingen
