---
title: "Renteloze lening, Moeder/dochter maatschappij · Hof van beroep te Antwerpen, 13 mei 1991"
description: "Renteloze lening, Moeder/dochter maatschappij, abnormaal of goedgunstig voordeel. Hof van beroep te Antwerpen (België), 13 mei 1991."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak/renteloze-lening-moeder-dochter-maatschappij-hof-van-beroep-antwerpen-1991-05-13-c375"
lang: "nl"
---

# Renteloze lening, Moeder/dochter maatschappij, abnormaal of goedgunstig voordeel · Renteloze lening, Moeder/dochter maatschappij

**Rechtscollege**

Hof van beroep

**Zetel**

Antwerpen

**Datum**

13 mei 1991

## Over het document

**Verzameling**

Belgische rechtspraak

**Taal van de tekst**

Nederlands

## Tekst

65 paragrafen

### Tekst van de beslissing

**ARREST A 91/2**

**Arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen dd. 13.05.1991**

**FJF 91/149**

*Renteloze lening - Moeder/dochter maatschappij*

De feiten :

De Administratie verhoogde de belastbare basis met een bedrag van 1.880.210 F wegens "verworpen kosten" en dit om reden dat belastingplichtige een goedgunstig voordeel had verleend aan de vennootschap S, de "moedermaatschappij", door jaren lang een debetrekening van S renteloos te handhaven, en zelfs van jaar tot jaar te laten aangroeien, en door ten slotte de vordering als een verlies af te boeken zonder dat het vaststond dat het verlies definitief was.

De Administratie handhaaft deze stelling, ondanks het niet akkoord van belastingplichtige, en de Directeur wees het bezwaar af.

In zijn principieel arrest stelt het Hof dat de uitzonderingsbepaling van art. 26, lid 2, 1° WIB 1992 (24, lid 1 WIB oud) kan worden toegepast wanneer een Belgische onderneming abnormale of goedgunstige voordelen verleent aan een buitenlandse onderneming waarmede banden van afhankelijkheid bestaan:

dat een voordeel abnormaal is als het in strijd is met wat in soortgelijke gevallen gebruikelijk is en dat een voordeel goedgunstig is als de voordelen worden verleend zonder dat daarom een verbintenis bestaat of zonder enige tegenprestatie.

Als verdere voorwaarden voor toepassing van art. 26, lid 2, 1° WIB 1992 (24 WIB oud) stelt het Hof dat de voordelen wegens de band van afhankelijkheid zelf worden toegekend en dat de banden van wederzijdse afhankelijkheid in de meest ruime zin moeten begrepen worden en dat "afhankelijkheid" niet rechtstreeks hoeft te zijn maar tot stand kan komen via personen of ondernemingen die controle uitoefenen op ogenschijnlijk onafhankelijke bedrijven.

Het Hof bepaalt ook duidelijk het begrip "voordeel", dit is een verrijking van de genieter enerzijds en, wat de verstrekker van het voordeel betreft, geen effectieve vergoeding, evenwaardig aan het verstrekte voordeel anderzijds.

Het Hof oordeelt dat, gelet op de band van afhankelijkheid in elk geval het voordeel "abnormaal" was en art. 26 WIB (24 WIB oud) dan ook terecht werd toegepast.

Het verhaal wordt dan ook ongegrond verklaard (aanslag behouden).

VIJFDE KAMER

VOORZITTER : de heer van Gelder

RAADSHEREN : de heer Bresseleers, de heer Thys

O.M. : de heer van Ingelgem

ADVOCATEN : mr. Vandebergh, mr. Aernaudts

PARTIJEN : A.M., N.V., tegen de Belgische Staat

Gelet op de aanslag in de vennootschapsbelasting gemeente Antwerpen, aanslagjaar 1980, artikel X, supplement aan artikel Y, toegezonden aan de belastingschuldige op 27 maart 1981, een belasting vorderend van 649 432 F, op grond van een belast inkomen van 1 218 301 F + 18 700 F;

Gelet op het bezwaarschrift, tijdig toegekomen bij de bevoegde directeur op 5 juni 1981;

Gelet op de beslissing waartegen voorziening, genomen onder nummer W door de gedelegeerde ambtenaar van de directeur van de directe belastingen van de gewestelijke directie Antwerpen I, op 22 oktober 1987, op 23 oktober 1987 aangetekend verzonden aan de belastingschuldige, waardoor het bezwaarschrift werd afgewezen;

Gelet op het verzoekschrift tot voorziening, tijdig ingediend ter griffie van het Hof van Beroep te Antwerpen op 30 november 1987 samen met het origineel van het exploot van kennisgeving d.d. 30 november 1987;

X X X Overwegende dat appellante aanvankelijk werd aangeslagen op grond van haar aangifte in de vennootschapbelasting (stukken 6 en 7 art. Y);

Overwegende dat op 27 november 1980, een bericht van wijziging van aangifte aan appellante werd verzonden, houdende de "regularisatie van de aangifte" en waarin het fiscaal resultaat op 1 218 301 F werd bepaald (stuk 18);

Overwegende dat het bericht van wijziging onder de rubriek "verworpen uitgaven" o.a. vermeldde : "artikel 24 van het WIB : 1 880 210 F";

Overwegende dat de hoofdcontroleur in een bijlage zijn standpunt desbetreffende als volgt uiteenzette "U hebt een goedgunstig voordeel verleend aan S. (= S.C.I.), Uw belangrijkste aandeelhouder, door : a) het renteloos gedurende jaren openstaande debetsaldo b) het afboeken n.a.v. de moeilijkheden van S. van 1 888 210. Deze voordelen zijn bovendien ook "abnormaal" te noemen en "verleend wegens de band van afhankelijkheid" op grond van volgende overwegingen : 1) het betreft een geleidelijk aangegroeid saldo voor gedurende vele jaren voor rekening van S. gedane uitgaven; tussen onafhankelijke ondernemingen is zulks ongebruikelijk, de rekening zou regelmatig aangezuiverd worden;

2) niettegenstaande het concordaat met de Amerikaanse rechter kan men de afschrijving van deze vordering bezwaarlijk gelijkstellen met het verlies van een gefailleerde debiteur, aangezien aan S. nog ruimte gelaten werd om de moeilijkheden te boven te komen; dat is gebeurd door de verkoop door S.

van sommige portefeuilles (o.m. N.V. E.), door de fusie met de dochtermaatschappij A.S. en door het "afschrijven" van de schulden aan de verschillende dochterondernemingen;

3) de afboeking is dus te beschouwen als een overdracht van vermogen van de N.V. A.M. naar het hoofdhuis;

U hebt dit ten laste geboekt van het resultaat, hetgeen correct is, aangezien er geen reele vordering meer is; de uitgave is echter fiscaal in verworpen uitgaven op te nemen op grond van artikel 24 van het WIB;

Overwegende dat appellante desbetreffend tijdig antwoordde in volgende zin : - het renteloos openstaan van het debetsaldo dient als compensatie te worden beschouwd voor het eveneens renteloos openstaan van de schulden die wij hadden tegenover andere vennootschappen van de groep (A.St. en A.Ma.), schulden die veel hoger lagen dan de kwestieuze afgeboekte vordering;

\- om S.C.I. van het faillissement te redden en aldus in staat te stellen zijn exploitatie verder te zetten ten bate van de ganse groep, moesten de dochtermaatschappijen afstand doen van hun vorderingen op de moedervennootschap;

\- deze handelwijze kan niet beschouwd worden als het verlenen van een goedgunstig voordeel, wegens de band met de moedervennootschap, omdat een gelijkaardige afstand van een vordering eveneens tegenover een niet gelieerde vennootschap zou zijn gebeurd en wel om volgende reden : de N.V.

A.M. is economisch en financieel afhankelijk van de S.C.I. groep; 40 % van haar omzet is afkomstig van gelieerde vennootschappen; indien S.C.I. zijn activiteiten had moeten stopzetten wegens faillissement, dan zou de N.V.

A.M. niet meer leefbaar zijn geweest;

\- kortom, het afboeken van bewuste vordering geschiedde concreet om de inkomsten van appellante te verkrijgen en te behouden; het is dus niet wegens de band van gelieerdheid dat appellante zich verplicht zag de vordering af te boeken maar wel uitsluitend om economische motieven, nl.

"het voortbestaan van onze firma";

Overwegende dat de betwiste aanslag werd gevestigd zoals in het bericht van wijziging aangekondigd;

Overwegende dat de hierboven vermelde redenen van appellante werden hernomen in het bezwaarschrift (stuk 24);

Overwegende dat de inspecteur nadere bewijzen betreffende de stelling van appellante vroeg (stuk 26), vraag waarop uitvoerig werd geantwoord (stuk 27 met bijlagen);

Overwegende dat in de bestreden beslissing, de elementen van toepasbaarheid van artikel 24 van het WIB werden besproken;

Overwegende dat i.v.m. de "abnormale" aard van het voordeel de beslissing als doorslaggevend beschouwt, de vraag of appellante ook afstand zou doen van haar vordering op een onafhankelijke onderneming die dreigt failliet te gaan, vraag waarop de beslissing negatief antwoordt; dat, nog steeds volgens de beslissing, de afstand van schuldvordering door S.C.I. werd opgedrongen vanuit haar overheersende positie van moederhuis, wat een onafhankelijke onderneming niet zou kunnen doen;

Overwegende dat de beslissing de "goedgunstige" aard van het voordeel analyseert en aanvaardt en zij appellante verwijt het begrip "band van wederzijdse afhankelijkheid" te vernauwen tot een "band van gelieerdheid", wat een boekhoudkundig begrip is en refereert naar de deelneming in het maatschappelijk kapitaal;

Overwegende dat, nog steeds de bestreden beslissing, de door appellante aangevoerde "economische motieven" precies de relatie van economische afhankelijkheid uitdrukt die als "band van wederzijdse afhankelijkheid" in de zin van artikel 24 van het WIB moet worden beschouwd; dat het oorzakelijk verband tussen de band van wederzijdse afhankelijkheid en het verlenen van het abnormaal of goedgunstig voordeel vaststaat;

X X X Overwegende dat de uitzonderingsbepaling van artikel 24, 1e lid van het WIB kan worden toegepast wanneer een Belgische onderneming abnormale of goedgunstige voordelen verleent aan een buitenlandse onderneming waarmede banden van afhankelijkheid bestaan (cf. Vennootschap en belastingen, Kluwer Rechtswetenschappen, III, Deel XIII, 4-100 t.e.m. 4-1400);

Overwegende dat een voordeel abnormaal is als het in strijd is met wat in soortgelijke gevallen gebruikelijk is (Cass, 03-12-82, Bull. Bel. 635, 76;

Hinnekens, L., Toepassingsvoorwaarden van artikel 24 van het WIB volgens het Castrol-arrest, A.F.T., 10-10-82, 221 e.v.);

Overwegende dat een voordeel goedgunstig is als de voordelen worden verleend zonder dat daarom een verbintenis bestaat of zonder enige tegenprestatie (Cass, 31-10-79, Bull. Bel. 590, 2353), d.w.z. als er achter het voordeel een schenking zit;

Overwegende dat geintimeerde het bewijs moet leveren van het materieel bestaan van abnormale of goedgunstige voordelen als bedoeld in artikel 24, 1e lid van het WIB (Com. I.B. 24-16);

Overwegende dat volgens appellante, zoals reeds gezegd, de maatregel die aanleiding gaf tot huidige betwisting het afboeken van voormelde vordering concreet werd genomen om haar inkomsten te verkrijgen en te behouden en niet wegens de band van gelieerdheid maar uitsluitend om economische motieven, nl. het voortbestaan van de firma;

Overwegende dat opdat artikel 24, par. 1 van het WIB van toepassing zou zijn, vereist is dat de voordelen wegens de band van afhankelijkheid zelf worden toegekend; dat die banden van wederzijdse afhankelijkheid in de meest ruime zin moeten begrepen worden; dat "afhankelijkheid" niet rechtstreeks hoeft te zijn maar ze tot stand kan komen via personen of ondernemingen die controle uitoefenen op ogenschijnlijk onafhankelijke bedrijven;

Overwegende dat aldus het begrip "economische motieven" de relatie van economische afhankelijkheid kan uitdrukken, wat beschouwd kan worden als een vorm van een band van wederzijdse afhankelijkheid;

Overwegende dat twee basisbegrippen aan de grondslag van het begrip "voordeel" liggen : een verrijking van de genieter enerzijds en, wat de verstrekker van het voordeel betreft, geen effectieve vergoeding, evenwaardig aan het verstrekte voordeel anderzijds (cf. Noot Coppens, H., A.F.T., 04-04-90, 135 e.v.);

Overwegende dat de vraag, of het voordeel waarvan sprake in artikel 24 van het WIB, al dan niet abnormaal van aard is, kan vertaald worden in de vraag, of appellante ook afstand zou gedaan hebben van haar vordering op een onafhankelijke onderneming die dreigt failliet te gaan;

Overwegende dat m.b.t. de economische afhankelijkheid in casu dient gesteld dat een eventueel faillissement van een onderneming waarvan appellante economisch onafhankelijk is, geenszins haar leefbaarheid in het gedrang zou brengen, zodat een kwijtschelding van schuldvordering geen bestaansreden zou hebben; dat dergelijke kwijtschelding, zoals geintimeerde terecht zegde, het definitief verlies van de vordering tot gevolg zou hebben;

Overwegende dat, indien in de huidige betwisting zou kunnen aangenomen worden dat het louter niet failliet gaan van de moedermaatschappij (S.C.) en het blijven onderhouden van de bestaande commerciele en economische relaties met haar dochtermaatschappij in se een tegenprestatie is en de afboeking aldus niet de aard van een goedgunstig voordeel heeft, dit geen afbreuk doet aan de vaststelling dat dit voordeel alleszins als abnormaal moet beschouwd worden, wat volstaat voor de toepassing van artikel 24 van het WIB;

Overwegende dat bovendien het oorzakelijk verband tussen de band van wederzijdse afhankelijkheid en het verlenen van het abnormaal voordeel vaststaat;

### Beschikkend gedeelte

OM DIE REDENEN, HET HOF, Recht doende op tegenspraak;

Gelet op artikel 24bis van de Wet van 15 juni 1935;

Gehoord in openbare terechtzitting het rapport van voorzitter A. van Gelder en het advies van het openbaar ministerie, gegeven door advocaat-generaal A.

van Ingelgem;

Verklaart de voorziening toelaatbaar doch ongegrond;

Bevestigt de bestreden beslissing;

Verwijst appellante in de kosten, tot op heden aan de zijde van geintimeerde begroot op nihil.

## Administratieve doctrine

2

[Voorafgaande beslissingen 2](https://juriel.be/nl/rechtspraak/renteloze-lening-moeder-dochter-maatschappij-hof-van-beroep-antwerpen-1991-05-13-c375/documenten?type=voorafgaande-beslissingen)

« … Aan de grondslag van het begrip “voordeel” ligt enerzijds een verrijking van de verkrijger en anderzijds, wat de verstrekker van het voordeel betreft, geen effectieve vergoeding evenwaardig aan het verstrekte voordeel (zie inzonderheid het arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen van 13.05.1991 en het nummer 26/16 Comm.IB). 87. Als “abnormaal” moet worden beschouwd, hetgeen in strijd is met de normale gang van zaken, met de gevestigde regels of gebruiken (zie inzonderheid het arrest van 13.05.1991 en het nummer 26/16, Comm.IB92). 88. Als … »

[Inkomstenbelasting, Vennootschapsbelasting, Meerwaarden op aandelen Ven.B](https://juriel.be/nl/rulings/2022-0465-inkomstenbelasting-vennootschapsbelasting-meerwaarden-aandelen-ven-1903) Voorafgaande beslissing 24.10.2023

[Bekijk de 2 documenten](https://juriel.be/nl/rechtspraak/renteloze-lening-moeder-dochter-maatschappij-hof-van-beroep-antwerpen-1991-05-13-c375/documenten)
