---
title: "Regularisatieopgave, Schulderkenning · Rechtbank van eerste aanleg te Brussel, 3 augustus 2022"
description: "Regularisatieopgave, Schulderkenning, Macht van de boekhouder, Volmacht. Rechtbank van eerste aanleg te Brussel (België), 3 augustus 2022."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak/regularisatieopgave-schulderkenning-macht-boekhouder-volmacht-rechtbank-brussel-2022-08-03-1c38"
lang: "nl"
---

Tekst in het Frans

# Regularisatieopgave, Schulderkenning, Macht van de boekhouder, Volmacht

**Rechtscollege**

Rechtbank van eerste aanleg

**Zetel**

Brussel

**Datum**

3 augustus 2022

## Over het document

**Verzameling**

Belgische rechtspraak

**Taal van de tekst**

Frans

**Nederlandse versie**

niet door de FOD gepubliceerd

**Strekking volgens de FOD**

gunstig voor de Belgische Staat

De tekst van dit document is in het Frans. De FOD publiceert er geen Nederlandse versie van.

## Tekst

160 paragrafen

### Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel d.d. 03.08.2022

WF 701-15-18/013318

\[Gunstig voor de Belgische Staat\]

*Belasting over de toegevoegde waarde – Regularisatieopgave – Schulderkenning – Macht van de boekhouder – Volmacht – Taakomschrijving*

*Gerechtelijke procedure – Verzoek tot gedwongen tussenkomst en vrijwaring – Tegenvordering*

## Wettelijke bepalingen

Artikelen [59 §1](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-59) en [70 § 1](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-70) WBTW

Artikelen 813 en 870 GerW

Artikelen 1315 en 1984 BW (oud)

Artikelen 8.4 en 8.21 BW(nieuw)

## Samenvatting

Belastingplichtige is bij de Kruispuntbank geregistreerd voor zijn activiteiten in de bouwsector. Na een controle uitgevoerd in het kantoor van de boekhouder werd een dwangbevel uitgevaardigd. De vastgestelde overtredingen bestonden uit facturen die in het verkoopdagboek waren opgenomen, maar niet in de btw-aangiften en een verschil tussen de omzet die inzake VenB was aangegeven en de omzet die inzake de btw was aangegeven, zonder duidelijke rechtvaardiging. De boekhouder heeft in naam van belastingplichtige de verschuldigdheid van sommen erkend.

Behalve een deel van de bedragen die door belastingplichtige als btw aan de Belgische staat verschuldigd werden erkend, betwistte zij de overige bedragen en baseerde zij haar verzet op het feit dat de betwiste facturen valse facturen waren die door de boekhouder zelf waren opgemaakt. Anderzijds betwist de zaakvoerder van de belastingplichtige de schulderkenning door de boekhouder, die een volmacht had, is ondertekend, omdat de boekhouder de overeenkomst heeft ondertekend zonder haar in te lichten over de door de administratie vastgestelde onregelmatig-heden, noch of over het gevorderde bedrag.

Er moet vastgesteld worden dat belastingplichtige niet heeft aangetoond dat de betwiste facturen door haar boekhouder waren vervalst. Bovendien werd het strafdossier door de Procureur des Konings geseponeerd, waardoor de beweringen van belastingplichtige niet kunnen worden geverifieerd. De in het dossier opgenomen elementen volstaan niet om aan te tonen dat de boekhouder de betwiste facturen in kwestie heeft opgesteld of "herwerkt". Bovendien is de boekhouder niet gehoord en is er geen aanvullend onderzoek verricht.

Ingevolge de uitgevoerde controle is tussen de fiscale administratie en de boekhouder, die daartoe naar behoren gemachtigd was , een akkoord bereikt over de inzake btw verschuldigde bedragen. De controlerende ambtenaar heeft zich adequaat gebaseerd op de verstrekte documenten (facturen, jaarrekeningen, aankoopdagboeken, verkoopdagboeken, btw-aangiften, aangiften inzake VenB, enz.) om de regularisatieopgave, die ter goedkeuring aan de boekhouder werd voorgelegd, op te stellen.

De belastingplichtige betwist niet dat zij haar boekhouder een volmacht heeft gegeven. Belastingplichtige is echter van mening dat het, gezien de omvang van de betrokken bedragen, tot zijn verantwoordelijkheid behoorde om de zaak met haar te bespreken voordat hij tot ondertekening overging, wat de boekhouder beweert te hebben gedaan. Uit de volmacht blijkt echter niet dat de boekhouder daartoe verplicht was gezien hij een volmacht had gekregen om "elke overeenkomst te sluiten over alle problemen van fiscale aard". Dit akkoord wordt aangevochten door belastingplichtige, die echter niet heeft aangetoond dat het op een onjuiste rechtsopvatting of op feitelijk onjuiste gronden berust.

Het bereikte akkoord en de daaraan verbonden gevolgen moeten derhalve als geldig worden beschouwd. De beweringen van belastingplichtige zijn niet van dien aard dat zij de onregelmatigheid van het bereikte akkoord aantonen, derhalve is het een behoorlijke en correcte schulderkenning vormt.

Wat de geldboeten betreft, vordert de belastingplichtige volledige kwijtschelding of op zijn minst een vermindering omdat ze onevenredig zouden zijn. Zij beroept zich, evenwel zonder bewijs, op talrijke tekortkomingen van en fraude door de boekhouder op wie zij vertrouwde gezien zij niet in staat was al haar boekhoudkundige en fiscale zaken zelf te regelen.

De fiscale administratie heeft erop gewezen dat de opgelegde (en reeds verlaagde) geldboeten in overeenstemming waren met [artikel 70, § 1, WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-70) en de bijlage bij koninklijk besluit nr. 41 van 30 januari 1987 (vermindering). In de beschreven omstandigheden lijkt de opgelegde geldboete niet onevenredig aan de ernst van de vastgestelde inbreuken en dient deze derhalve te worden gehandhaafd.

Subsidiair verzocht belastingplichtige om uitstel. De fiscale administratie benadrukt dat de wet niet voorziet in een uitstel inzake belastingzaken en dat het niet aan de rechter is om eventuele tekortkomingen in de wet te verhelpen. Het komt de rechter niet toe om wetgevend werk te verrichten, dit zou in strijd zijn met het beginsel van de scheiding der machten.

Met betrekking tot het verzoek tot gedwongen tussenkomst verwijt de belastingplichtige de boekhouder dat hij bepaalde facturen heeft bewerkt en dat hij zonder voorbehoud een schulderkenning heeft ondertekend. Belastingplichtige betwist niet dat hij de boekhouder een volmacht heeft gegeven, maar wil aantonen dat de ondertekende overeenkomst onwettig is en niet als grondslag voor enige belastingheffing kan dienen.

Zij beroept zich op een wilsgebrek, een vergissing die de geldigheid van het akkoord aantast. Zij meent, zonder dit te bewijzen, dat alle betrokken facturen door de boekhouder vervalste facturen zijn. Zij vordert derhalve nietigverklaring van het dwangbevel, met uitzondering van het gedeelte van de bedragen waarvan zij de verschuldigdheid niet betwist.

Belastingplichtige vordert vergoeding van de schade die zij heeft geleden door de fout die de boekhouder zou hebben begaan en verzoekt dat de boekhouder wordt gelast om de betaling van de betaling te garanderen van de bedragen dat zij verschuldigd is aan de Belgische Staat ingevolge de door hem ondertekende overeenkomst. Er dient opgemerkt te worden dat zij de fout die begaan zou zijn door de boekhouder niet aantoont.

Belastingplichtige vordert tevens dat de boekhouder wordt veroordeeld tot terugbetaling van de facturen die zijn betaald voor diensten die volgens haar niet zijn verricht. Ze erkent echter dat ze een deel van de honoraria contant heeft betaald, waardoor het moeilijk was om de exacte bedragen die als honoraria zijn betaald te reconstrueren, maar ze slaagt er ook niet in om aan te tonen dat de betaalde diensten niet door de boekhouder zijn uitgevoerd.

Ten slotte vraagt belastingplichtige om de boekhouder te veroordelen tot de betaling van de honoraria van haar advocaat en de honoraria van de nieuwe boekhouders. Zij stelt dat het merendeel van de handelingen die aanleiding hebben gegeven tot de regularisatieopgave in feite handelingen zijn waarvoor al eerder een fiscale regularisatie was doorgevoerd.

Uit de elementen van het dossier blijkt echter dat, in tegenstelling tot wat belastingplichtige beweert, de bedoelde situatie tijdens de vorige controle niet volledig is geregulariseerd, aangezien er nog veel facturen "uit te reiken" waren. De controleur had er voordien mee ingestemd te wachten tot de facturen waren uitgereikt. De situatie werd pas geregulariseerd tijdens de betwiste controle. Door tijdens de betwiste controle bedragen terug te nemen die betrekking hadden op een eerdere controleperiode, heeft de controleur dus gedaan wat tijdens die eerdere controle had moeten gebeuren. Het lijkt er niet op dat de boekhouder in gebreke is gebleven en dat belastingplichtige schade heeft geleden als gevolg van de regularisatie, temeer daar de belastingplichtige niet alle facturen heeft overgelegd die destijds zijn opgesteld, zodat zijn beweringen konden worden geverifieerd.

Uit de overgelegde boekhoudkundige stukken blijkt duidelijk dat de ingediende btw-aangiften niet hoger zijn dan de geïnde bedragen, zodat het bedrag van de vastgestelde belasting duidelijk verschuldigd is.

Uit de voorgeschiedenis van de feiten, die talrijke briefwisselingen omvat, blijkt dat de zaakvoerder van belastingplichtige de voor zijn btw-aangiften vereiste documenten te laat en onregelmatig heeft overgemaakt. Ondanks aanmaningen werden sommige facturen niet verstuurd, terwijl andere fouten bevatten in de nummering (de nummers volgden elkaar niet op of een identiek nummer verscheen op meerdere facturen die op verschillende data waren uitgeschreven).

Het is in deze context dat de boekhouder, naar behoren en specifiek door de belastingplichtige was gemachtigd en derhalve over een zekere autonomie en beoordelingsbevoegdheid beschikte, onderhandelingen is aangegaan met de belastingadministratie die hebben geleid tot een akkoord waarvan niet is aangetoond dat deze ongeldig is.

Verzoekster had namelijk van het Team invordering een uitnodiging tot betaling ontvangen voor een totaalbedrag (hoofdsom van de btw-schuld, boete en intresten) dat aanleiding heeft gegeven tot voornoemde onderhandelingen.

Het is dus zinloos om te beweren dat belastingplichtige niet op de hoogte was van de door haar boekhouder gevoerde onderhandelingen, diensten die haar overigens in rekening zijn gebracht. Ten slotte zij erop gewezen dat verzoekster pas in een laat stadium contact heeft opgenomen met de boekhouder. Bij gebreke van bewijs van schade (het betalen van een verschuldigde belasting is geen schade) en van de tekortkomingen van de boekhouder, is de vordering tot tussenkomst en vrijwaring tegen de boekhouder ongegrond.

Wat de tegenvordering van de boekhouder tot betaling van honoraria betreft, bevatten de overgelegde facturen een gedetailleerd overzicht van de verrichte en gefactureerde diensten. De boekhouder overlegde twee e-mails met beweringen die niet werden gestaafd door enig bewijs. De opgemaakte afrekening lijkt naar behoren te zijn gecontroleerd en de tegenvordering is gegrond.

Wat betreft het verzoek tot gedwongen tussenkomst en vrijwaring jegens de beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar van de boekhouder, blijkt dat de boekhouder niet verantwoordelijk kan worden gehouden voor de handelwijze van de zaakvoerder van belastingplichtige, die hem ondanks de aanmaningen niet tijdig facturen toestuurde, waarvan de nummering bovendien willekeurig was (zie briefwisseling).

De boekhouder maakte een einde aan een situatie die hij onhoudbaar achtte. De fout van de boekhouder is geenszins aangetoond: de ingediende btw-aangiften waren niet hoger dan wat de belastingplichtige in de loop der jaren bij zijn klanten had geïnd, zoals bleek uit de jaarrekeningen, resultaatrekeningen, aangiften inzake vennootschapsbelasting en bankuittreksels van de genoemde vennootschap, wat impliceerde dat het bedrag aan btw wel degelijk verschuldigd was. De proportionele geldboete die de btw-autoriteiten hebben opgelegd, komt overeen met stelselmatige tekortkomingen van belastingplichtige.

Aangezien in hoofde van de verzekerde geen enkele fout kon worden weerhouden, is de vordering tegen de verzekeraar ongegrond.

## Opmerkingen

Het vonnis is betekend en heeft kracht van gewijsde.

**Tekst van het vonnis**

***Het vonnis wordt enkel gepubliceerd in de oorspronkelijke taal***

### Tekst van de beslissing

## Tribunal de première instante francophone de Bruxelles, Section Civile, 32ème chambre, Affaires civiles

Jugement du 03/08/2022

Rôle : 18/6352/A

**EN CAUSE DE**:

La **SCS S.F.L.J. C.**, en faillite, représentée par Maitre C. H., qualitate qua, dont le cabinet est établi á ... - email: …@... .be.

**Demanderesse**,

Demanderesse en intervention forcée et garantie,

Comparaissant par Me C. H., qualitate qua.

**CONTRE:**

1\. **L'ETAT BELGE**, **S.P.F. Finances**, représenté par le Ministre des Finances, rue de la Loi, 12 á 1000 Bruxelles, poursuites et diligences de M. le Conseiller Recouvrement/Receveur du Team Recouvrement de Bruxelles 3, dont les bureaux sont établis á 1000 Bruxelles, boulevard du Jardin Botanique, 50/bte3110,

**Défendeur**,

Représenté par M. X, Conseiller général et Mme X,

attaché - email : … @... .be.

2\. La **spd J. P. G.**, inscrite á la BCE sous le n° 047...44, dont le siège

social est établi á ...,

**Défenderesse en intervention forcée et garantie,**

**Demanderesse sur reconvention**,

Représentée par Me A. N., avocate, dont le cabinet est établi á ... - email : ...@... .eu.

**ET EN CAUSE DE** :

La **sprl J.-P. G**., inscrite á la BCE sous le n° 047...44, dont le siège social est établi á ...,

**Demanderesse en intervention forcée et garantie**,

Représentée par Me A. N., avocate, dont le cabinet est établi á 1050 ... - email : ...@... .eu.

**CONTRE:**

La **sa A. .B.**, inscrite á la BCE sous le n° 040...67, dont le siège social est établi á ...,

**Défenderesse en intervention forcée et garantie**,

Représentée par Me T. S. loco Me J. P., avocate, dont le cabinet est établi á ... - email : ...@... .be.

En cette cause, tenue en délibéré le 17 décembre 2021, le tribunal prononce le jugement suivant.

Vu les pièces de la procédure, et notamment :

· le jugement avant dire droit - réouverture des débats - prononcé le 5 mai 2021 par le Tribunal de céans, et les pièces y visées ;

· le dossier de pièces déposé par Me H., curateur de la scs S.F.L.J. C..

Entendu les conseils des parties en leurs dires et moyens á l'audience publique du 17 décembre 2021.

## I. Préambule

L'objet des demandes ainsi que les faits de la cause ont été exposés dans le jugement précité du 5 mai 2021. Ils sont tenus pour reproduits dans le présent jugement.

La demanderesse a été déclarée en faillite en cours de procédure. Le curateur á la faillite a déposé un dossier de pièces (dossier répressif classé sans suite) á l'audience du 17 décembre 2021.

Aucun écrit de conclusions n'a été établi par le curateur *qualitate qua*.

II résulte des nouvelles pièces produites que le dossier ouvert du chef de faux et usage de faux en écritures de commerce (R.R. 21.L5. ...) sur plainte de M. F. C. a fait l' objet d'un classement sans suite pour « *dépassement du délai raisonnable pour I'exercice des poursuites.* ».

## II. Discussion

### A. Demande principale :

Lors du contrôle de la comptabilité de la demanderesse effectué les 6 avril 2017 et 2 octobre 2017 diverses infractions ont été relevées pour la période concernée (2014-2015).

1.Année 2014 :

Dans le journal des ventes de l'année 2014, 18 factures ont été encodées sans être reprises dans les déclarations T.V.A. ce qui représente un montant de T.V.A. due de 50.822,24 €.

La requérante reconnait être redevable, sur cette somme, d'un montant de T.V.A. de 17.881,89€ relatif á des prestations effectuées pour la société C. E. (factures transmises á l'administration fiscale).

2.Année 2015 :

Deux factures non conformer ont été émises sous le régime de l'autoliquidation (absence d'adresse et de n' de T.V.A. de la cliente, pas d'adresse de chantier, pas d'indication sur la nature des travaux).

L'administration de la T.V.A. relève qu'il existe une différence entre le chiffre d'affaires déclaré en 2015 á l'impôt des sociétés et le chiffre d'affaires déclaré á la T.V.A. la même année.

La requérante admet devoir au Trésor un montant de 3.087,51 € de T.V.A.

La requérante sollicite la nullité de la contrainte au motif que les factures non-reprises dans les déclarations T.V.A. seraient de fausses factures dressées par le comptable lui-même.

Force est de constater que la requérante n'établit pas que les factures incriminées ont été falsifiées par son comptable.

Le dossier répressif a, en outre, été classé sans suite par l'office de M. le Procureur du Roi ne permettant dès lors pas de vérifier les allégations de la requérante. Les éléments relevés dans ledit dossier ne suffisent pas á établir que M. G. a dressé ou « retravaillé » les factures incriminées. Ce dernier n'a par ailleurs pas été entendu et aucun devoir complémentaire d'enquête n'a été réalisé.

Lors du contrôle effectué les 6 avril 2017 et 2 octobre 2017, un accord est intervenu entre l'administration fiscale et M. G., dûment mandaté, sur les montants dus à la T.V.A.

Le contrôleur T.V.A. s'est adéquatement basé sur les documents fournis (factures, bilans, journaux d'achats, journaux de ventes, déclarations T.V.A., déclarations ISOC., etc.) pour établir le relevé de régularisation soumis à l'approbation du comptable de la requérante.

La requérante ne contente pas avoir donné mandat à son comptable.

Celle-ci estime cependant, qu'eu égard à l'importance des montants en jeu, il lui appartenait de s'entretenir avec elle avant de signer, ce que ledit comptable prétend avoir fait.

II n'apparait néanmoins pas, à la lecture de la procuration donnée, que cette obligation incombait au comptable auquel avait été donné mandat de « conclure tout accord sur tous problèmes de nature fiscale ».

Cet accord est remis en cause par la requérante sans que celle-ci ne prouve l'existence d'une erreur de droit ou de fait l'entachant.

II y a dès lors lieu de considérer que l'accord intervenu est valide et produit les effets qui s'y attachent.

Force est de constater que les allégations de la requérante ne sont pas de nature à établir l'irrégularité de l'accord intervenu lequel constitue une reconnaissance de dette en bonne et due forme.

La requérante sollicite en outre la remise totale des amendes ou, à tout le moins, leur réduction, en raison de leur caractère disproportionné.

Elle invoque sans les prouver les nombreux manquements et fraudes de la SPRL G. à laquelle elle faisait confiance, ne pouvant elle-même s'occuper de l'ensemble de sa comptabilité et fiscalité.

L'administration souligne que les amendes appliquées (déjà réduites) sont en conformité avec l'[article 70 § 1er du Code de la T.V.A.](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-70) et ('annexe à l'A.R. n° 41 du 30 janvier 1987 (réduction).

Dans les circonstances décrites, ('amende infligée n'apparait pas disproportionnée à la gravité des infractions constatées et dès lors doit être maintenue.

Enfin, la requérante sollicite à titre subsidiaire le sursis.

L'administration estime qu'aucun sursis n'est prévu par la loi en matière fiscale et qu'il n'appartient pas au juge du fond de remédier aux lacunes législatives.

II n'appartient en effet pas au juge de faire œuvre législative, ainsi violerait-il le principe de séparation des pouvoirs.

### B. Demande en intervention forcée et garantie :

La requérante accuse la SPRL J.-P. G. d'avoir « retravaillé » certaines factures.

Lors de la 2ème partie du contrôle fiscal, la SPRL J.-P. G., en sa qualité de comptable dûiment mandaté, a signé sans réserve une reconnaissance de dette pour la requérante.

Le bureau comptable a reconnu que la requérante était redevable envers l'administration de la somme de 54.809,75 € á titre de T.V.A.

La requérante ne conteste pas avoir donné une procuration á la SPRLJ.-P. G. mais entend démontrer que l'accord signé est illégal et ne peut servir de base á une quelconque taxation.

La requérante invoque un vice de consentement, une erreur affectant la validité de l'accord.

Elle estime, sans l'établir, que ('ensemble des factures épinglées par l'administration sont des faux réalisés par la SPRL J.-P. G. .

Elle postule, en conséquence, que la contrainte référencée 500...63 soit déclarée nulle et de nul effet, á l'exception :

\- pour l'année 2014, d'un montant de 17.881,95 € qu'elle reconnait devoir l’administration de la T.V.A.

\- pour l'année 2015, d'un montant de 3.987,51 € qu'elle reconnaît devoir á l'administration de la T.V.A. á défaut d'avoir pu justifier la différence de chiffre d'affaires constatée pour l'année 2015.

La requérante postule réparation du dommage qu'elle a subi par la faute prétendument commise par la SPRL J.-P. G. .

Elle sollicite : 1) la condamnation de la SPRL J.-P. G. á la garantir du paiement des montants dont elle est tenue redevable envers l'Etat beige á la suite de l'accord signé par la SPRL G. .

Force est de constater qu'elle n'établit pas la faute commise par la SPRL J.-P. G. .

2)la condamnation de la SPRL G. au remboursement des factures payées pour des prestations qu'elle estime ne pas avoir été réalisées.

La requérante explique non seulement qu'elle a payé une partie des honoraires en espèce, ce qui a compliqué la reconstitution des montants exacts payés à titre d'honoraires mais est, en outre, en défaut de démontrer que les prestations payées non pas été exécutées par la SPRL J.-P. G. .

3) la condamnation de la SPRL J.-P. G. aux honoraires d'avocat et de nouveaux comptables.

La requérante prétend que la majorité des opérations ayant donné lieu au relevé de régularisation du 2 octobre 2017 sont en réalité des opérations réalisées en 2012, facturées en 2012, payées par les clients en 2012 et pour lesquelles une régularisation fiscale a déjà eu lieu.

II apparait des éléments du dossier que contrairement à ce que soutient la requérante, la situation de 2012 n'a pas été complètement régularisée lors du contrôle du 21 mai 2014 dans la mesure (:),1 de nombreuses factures, notamment à l'attention de la société S. V. d P. restaient « à établir » par la SCS S.F.L.J. C..

Le contrôleur avait, en 2014, accepté d'attendre les factures « à établir ». La situation ne sera régularisée qu'au cours du contrôle de 2017.

Dès lors, en reprenant, lors du contrôle en 2017, des montants relatifs à l'année 2012, le contrôleur a fait ce qui aurait dû être fait lors du contrôle du 21 mai 2014. II n'apparait dès lors pas que M. G. ait commis une faute et que la requérante, par l'imposition T.V.A. telle que régularisée en 2017, ait subi un dommage.

La requérante ne dépose, par ailleurs, pas l'intégralité des factures émises en 2012 de manière à permettre la vérification de ses allégations.

II résulte des diverses pièces comptables produites que les déclarations T.V.A. déposées n'excèdent pas ce qui a été perçu par la requérante de ses clients de sorte que le montant de T.V.A. de 54.809,75 € pour les années 2014 et 2015 est manifestement dû.

L'historique des faits reprenant de multiples échanges de courriers (rappels systématiques) permet de constater que M. C., gérant de la requérante transmettait tardivement et irrégulièrement les pièces nécessaires á ses déclarations T.V.A.

Malgré les rappels insistants, certaines factures n'étaient pas transmises, d'autres comportaient des erreurs notamment de numérotation ( les numéros ne se suivaient pas ou un numéro identique figurait sur des factures émises á des dates différentes).

C'est dans ce contexte que la SPRL G., dûment et spécifiquement mandatée par la requérante et disposant de ce fait d'une certaine autonomie, d'une certaine capacité d'appréciation, a entamé des négociations avec l'administration fiscale aboutissant á un accord dont il n'est pas démontré qu'il soit vicié.

En effet, la requérante avait réceptionné le 29 juin 2017, un avis de paiement du Team recouvrement PM Bruxelles pour un montant total arrêté au 29 juin 2017 de 129.723,58 € (dette T.V.A. en principal de 96.524,70 €, amende de 19.300 € et intérêts arrêtés au 20 juillet 2017 de 13.898,88 €) lequel donna lieu aux négociations précitées.

C'est donc vainement que la requérante prétend ne pas avoir été informée des négociations menées par son comptable, prestations qui, en outre, lui ont été facturées (honoraires figurant dans une facture n°480 du 26 septembre 2017)

II convient enfin de souligner qu'alors que la contrainte litigieuse date du 17 octobre 2017, ce n'est que le 26 octobre 2018 que la requérante a interpellé la SPRL G. .

A défaut de prouver son dommage (payer un impôt du ne constituant pas un dommage) et les manquements de la SPRL J.-P. G., la demande de la requérante n'est pas fondée.

#### C) Demande reconventionnelle de la SPRL J.-P. G. :

La SPRLJ.-P. G. sollicite la condamnation de la requérante á lui payer un montant de 6.231,16 € á majorer des intérêts fixés conventionnellement au taux annuel de 12% á dater du 18 mai 2018 jusqu'à parfait paiement et d'une indemnité forfaitaire représentant 20% du solde impayé avec un minimum de 50 € qu'elle accepte de réduire á 10%, soit un montant de 623,12 €.

Les factures produites par la SPRL J.-P. G. détaillent les prestations réalisées et facturées.

La SPRLJ.-P. G. produit deux courriels de contestation comportant des allégations lesquelles ne sont pas étayées par des éléments de preuve.

Le décompte arrêté á la date du 17 mai 2018 d'un montant de 6.231,16 € en principal parait bien vérifié.

#### D) Intervention forcée d'A. .B :

La SA A. .B intervient á la présente procédure en sa qualité d'assureur de la responsabilité civile professionnelle de la SPRL J.-P. G. aux services de laquelle la requérante a eu recours.

L'expert-comptable G. ne peut être tenu responsable de la manière de procéder de M. C. lequel, malgré les rappels qui lui étaient adressés ne lui transmettait pas en temps utile des factures dont la numérotation était par ailleurs aléatoire (voir échanges de correspondance).

Le bureau G. a mis fin le 31 décembre 2017 á une situation qu'il jugeait intenable.

La faute de la SPRL J.-P. G. n'est nullement établie : les déclarations T.V.A. déposées n'excèdent pas ce qui a été perçu par la requérante de ses clients au cours des années, comme cela ressort des bilans, comptes de résultat, déclarations á l'impôt des sociétés et extraits bancaires de ladite société ce qui implique que le montant de T.V.A. en principal de 54.809,75€ pour les années 2014 et 2015 est bien dû.

L'amende proportionnelle retenue par l'administration de la T.V.A. correspond aux manquements systématiques de la requérante.

A défaut de faute retenue dans le chef de l'assurée de la SA A. .B, la demande dirigée á son encontre n'est pas fondée.

### Beschikkend gedeelte

**PAR CES MOTIFS,**

**LE TRIBUNAL**, siégeant en premier ressort,

Statuant contradictoirement,

Vu la loi du 15 juin 1935 sur l'emploi des langues en matière judiciaire;

Reçoit les demandes ;

Dit la demande principale non fondée ;

Dit la demande en intervention et garantie dirigée contre la SPRL J.-P. G. non fondée ;

Dit la demande reconventionnelle de la SPRL J.-P. G. dirigée contre la SCS S.F.L.J. C. en faillite, représentée par Me H. qualitate qua fondée ;

En conséquence, dit pour droit que la somme de 6.231,16 € majorée des intérêts conventionnels de 12% ainsi que la somme de 623,12 € (indemnité forfaitaire) sont dues á la SPRL J.-P. G. par la requérante en faillite, représentée par Me H. qualitate qua;

Dit la demande en intervention forcée et garantie dirigée contre la SA A. .B non fondée ;

Met á charge de la requérante en faillite, représentée par Me H. qualitate qua les dépens liquidés á 4.200 € pour la SPRL G. et non liquidés par la SA A. .B.

Constate l'absence de dépens á liquider dans le chef de l'Etat beige.

Ainsi jugé et prononcé á I'audience extraordinaire de la 32" chambre du tribunal de première instance francophone de Bruxelles le **3 août 2022**,

OU étaient présents et siégeaient :

Mme M.-L. G., juge unique,

Mme A. D., greffière,

## Aangehaalde teksten

2

[WBTW art. 70](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-70) 4 voorkomens

[WBTW art. 59](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-59) 2 voorkomens

## Vergelijkbare beslissingen

8

[Recht op aftrek, Facturen van onderaannemers, Verplichte vermeldingen](https://juriel.be/nl/rechtspraak/recht-aftrek-facturen-onderaannemers-verplichte-rechtbank-bergen-2019-04-09-0896) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Wedersamenstelling van het omzetcijfer, Forfait caféhouders, Motivering van bestuurshandelingen](https://juriel.be/nl/rechtspraak/wedersamenstelling-omzetcijfer-forfait-cafehouders-motivering-hof-van-beroep-luik-2021-10-08-0aae) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Horecasector, Geregistreerd kassasysteem, Gebrek aan een kassa](https://juriel.be/nl/rechtspraak/horecasector-geregistreerd-kassasysteem-gebrek-kassa-rechtbank-namen-2020-12-10-0baa) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Wedersamenstelling van het omzetcijfer](https://juriel.be/nl/rechtspraak/wedersamenstelling-omzetcijfer-bewijs-grond-feitelijke-rechtbank-luik-2022-03-01-1554) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Fiscale controle, Proces-verbaal](https://juriel.be/nl/rechtspraak/fiscale-controle-proces-verbaal-rechten-rechtbank-namen-2021-06-23-191f) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Niet-bewijskrachtige boekhouding, Herberekening van het omzetcijfer, Feitelijke vermoedens](https://juriel.be/nl/rechtspraak/bewijskrachtige-boekhouding-herberekening-omzetcijfer-feitelijke-rechtbank-luik-2022-05-19-1c7a) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Niet-indiening, bankonderzoek, wedersamenstelling van de omzet, wettelijke boete](https://juriel.be/nl/rechtspraak/indiening-bankonderzoek-wedersamenstelling-omzet-wettelijke-rechtbank-gent-2022-06-23-1e9c) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Wedersamenstelling van het omzetcijfer, Zwarte leveringen](https://juriel.be/nl/rechtspraak/wedersamenstelling-omzetcijfer-zwarte-leveringen-kennisgeving-rechtbank-brussel-2023-09-28-325d) 2 gemeenschappelijke bepalingen
