Fiche van de FOD Financiën
Arrest van het Hof van beroep te Antwerpen d.d. 19.01.2010
Samenvatting niet beschikbaar
Tekst van het arrest
Tekst van de beslissing
Het HOF VAN BEROEP, zitting houdend te ANTWERPEN, ZESDE BIS KAMER, recht doende in burgerlijke zaken, heeft volgend arrest gewezen :
Inzake : 2009/AR/188
BVBA B & S M.S., met maatschappelijke zetel te … (…), …, ingeschreven met ondernemingsnummer …
appellante
tegen het vonnis gewezen door de 1e F kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen de dato 24 april 2009, gekend onder het nummer AR 08/3642/A
- Vertegenwoordigd door Meester T. K. loco Meester R. J., advocaat te … (…), … (ref. : …-.
tegen :
De BELGISCHE STAAT, administratie van de BTW, registratie en domeinen, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, waarvan de kantoren gevestigd zijn te Brussel, op vervolging en benaarstiging van de gewestelijke directeur van de BTW, registratie en domeinen, in de persoon van de eerstaanwezend inspecteur van het 1ste BTW-ontvangkantoor, waarvan de kantoren gevestigd zijn 2000 Antwerpen, Italiëlei 4 bus 4
geïntimeerde
vertegenwoordigd door Meester v. L. d. J. A., advocaat te …, …
Op 26 juni 2009 richtte de administratie bij aangetekende brief een verzoek tot consignatie in toepassing van art. 92 W.BTW tot de belastingplichtige.
Op 21 augustus 2009 legde de belastingplichtige tijdig een verzoekschrift neer ter griffie van dit Hof, waarin het verzoek tot consignatie werd aangevochten.
Bij tussenarrest van 24 november 2009 werd de vordering van B & S M. S. in verband met het consignatieverzoek van de Belgische Staat ontvankelijk doch ongegrond werd verklaard.
Het tussenarrest werd betekend bij exploot van 4 december 2009.
Gelet op het in gebreke blijven van de belastingplichtige van het in consignatie geven van het geheel van de verschuldigde bedragen, wordt het hoger beroep, ingediend bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van dit Hof op 23 juni 2009 niet ontvankelijk verklaard.
De rechtsplegingsvergoeding
Partijen zijn het erover eens dat de rechtsplegingsvergoeding, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep moet worden vastgesteld overeenkomstig de wet van 21 april 2007, uitgevoerd bij KB van 26 oktober 2007.
Volgens de administratie betreft het een niet in geld waardeerbare vordering, en vordert zij het basisbedrag, daar waar de belastingplichtige stelt dat, gelet op de geringe complexiteit van de vordering het minimumbedrag dient toegekend te worden.
Er zijn geen redenen om af te wijken van het basisbedrag; Appellante, die in het ongelijk wordt gesteld, wordt veroordeeld tot betaling van een rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep van … EUR.
Beschikkend gedeelte
OM DEZE REDENEN,
HET HOF,
Recht doende op tegenspraak;
Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 betreffende het gebruik der talen in gerechtszaken;
Verklaart het hoger beroep niet ontvankelijk;
Verwijst appellante in de gedingkosten in hoger beroep aan de zijde van geïntimeerde begroot op … EUR. (rechtsplegingsvergoeding).
Aldus gedaan en uitgesproken in openbare terechtzitting van 19 januari 2010, waar aanwezig waren :
M. D., Alleenzetelend Raadsheer
R. V. G., Griffier.
R. V. G. M. D.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.