---
title: "Rechtsmisbruik, vrijstelling · Hof van beroep te Gent, 23 oktober 2012"
description: "Rechtsmisbruik, vrijstelling, uitvoer, intracommunautaire handeling, bewijs, controlemaatregel. Hof van beroep te Gent (België), 23 oktober 2012."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak/rechtsmisbruik-vrijstelling-uitvoer-intracommunautaire-hof-van-beroep-gent-2012-10-23-7735"
lang: "nl"
---

# Rechtsmisbruik, vrijstelling, uitvoer, intracommunautaire handeling, bewijs, controlemaatregel · Belasting over de toegevoegde waarde

**Rechtscollege**

Hof van beroep

**Zetel**

Gent

**Datum**

23 oktober 2012

## Over het document

**Verzameling**

Belgische rechtspraak

**Taal van de tekst**

Nederlands

## Tekst

221 paragrafen

### Fiche van de FOD Financiën

Arrest van het Hof van beroep te Gent d.d. 23.10.2012

Samenvatting niet beschikbaar

**Tekst van het arrest**

### Tekst van de beslissing

**Hof van beroep te Gent, 5****e** **kamer, terechtzitting van 23-10-2012**

Nr. **2010/AR/2418**

In de zaak van :

**DE BELGISCHE STAAT**, Federale Overheidsdienst Financiën, Administratie van de BTW, registratie en domeinen, in de persoon van de Minister van Financiën, wiens kabinet gevestigd is te 1000 BRUSSEL, Wetstraat 12, vertegenwoordigd door de e.a. Inspecteur van het BTW-Ontvangkantoor te Turnhout, wiens kantoor gevestigd is te 2300 TURNHOUT, Spoorwegstraat 22,

**eiser na cassatie,** oorspronkelijk verweerder op hoofdvordering en (eerste) appellant,

ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. **V. L. D. J. A.**, advocaat te …, …

**tegen :**

**I. BVBA**, met maatschappelijke zetel te …, …; ingeschreven in de kruispuntbank van ondernemingen onder het nummer ….

**verweerster na cassatie**, oorspronkelijke eiseres op hoofdvordering en (tweede) appellante

***eiseres in tussenkomst,***

ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. **H. W.**, advocaat te …, …

**tegen :**

**1. H. J.**, wonende te … (…), …,

*gedaagde in tussenkomst en vrijwaring- niet verschijnend* - arrest op tegenspraak in toepassing van artikel 747, § 2 Ger.W.

**2.** **W. S.**, advocaat te …, …, in zijn hoedanigheid van vereffenaar van de BVBA **F.**, KBO-nr. …, met vennootschapszetel te …, …, hiertoe aangesteld bij vonnis van de rechtbank van koophandel te Tongeren d.d. 1.10.2007,

*gedaagde in tussenkomst en vrijwaring,*

ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. **D. V. S.** loco mr. **M. B.**, advocaat te …, …

**3. V. P.**, wonende te …, …,

*gedaagde in tussenkomst en vrijwaring*,

ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. **S. S.** loco mr. **V. D. B. K.**, advocaat te …, …

**4. Z. A.**, wonende te …, …,

*gedaagde in tussenkomst en vrijwaring,*

ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. **V. P.**, advocaat te …, …

**5. DGN S. BV** (voorheen pH7 N. T. BV), met zetel te … (…), …

*gedaagde in tussenkomst en gemeenverklaring,*

ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. **V. P.**, advocaat te …, …

spreekt het Hof het volgend arrest uit :

## 1. De procedure

Bij verzoekschriften van 12 januari 2007 en van 30 september 2008 hebben respectievelijk de Belgische staat, oorspronkelijk verweerder op de hoofdvordering en **l.** BVBA, oorspronkelijke eiseres, voor het hof van beroep te Antwerpen hoger beroep ingesteld tegen het vonnis dat door de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen, tweede (fiscale) kamer, op 4 oktober 2006 werd uitgesproken. in het bestreden vonnis werd als volgt uitspraak gedaan :

*Verklaart alle vorderingen ontvankelijk,*

*Verklaart de vordering van BVBA* ***l.*** *slechts gegrond als volgt,*

*Verklaart het dwangbevel van de Ontvanger BTW Turnhout van 13 september 2004 (Reg. …) onwettig en verbiedt er de uitvoering van,*

*Verklaart de vorderingen in vrijwaring van BVBA* ***I.*** *en* ***P. V.*** *zonder nuttig voorwerp,*

*Verklaart de vorderingen tot schadevergoeding van BVBA* ***l.****,* ***P. V.*** *en* ***A. Z.*** *ongegrond,*

*Veroordeelt BVBA* ***I.*** *en Belgische Staat elk tot de helft van de kosten in hun procesrechtelijke relatie, deze enkel naar behoren begroot zijnde aan de zijde van Belgische staat en aldus door de rechtbank enkel in hoofde van Belgische Staat vereffend op … EUR geactualiseerde rechtsplegingvergoeding,*

*Veroordeelt BVBA* ***I.*** *tot de kosten in haar procesrechtelijke relatie met* ***P. V.****, deze enkel naar behoren begroot zijnde aan de zijde van* ***P. V.****, en door de rechtbank in hoofde van deze laatste vereffend op … EUR geactualiseerde rechtsplegingvergoeding.*

*Veroordeelt BVBA* ***l.*** *en* ***A. Z.*** *elk tot de helft van de kosten in hun procesrechtelijke relatie met* ***A.*** ***Z.****, deze enkel naar behoren begroot aan de zijde van* ***A. Z.****, en aldus door de rechtbank enkel in hoofde van* ***A. Z.*** *vereffend op … EUR geactualiseerde rechtsplegingvergoeding.*

*Veroordeelt BVBA* ***l.*** *tot de kosten in haar procesrechtelijke relatie met* ***J. H.****. en BVBA* ***F.****, deze door BVBA* ***l.*** *niet naar behoren begroot en door* ***J. H.*** *en BVBA* ***F.*** *niet begroot.*

*Wijst partijen voor zoveel nodig af van het door hen meer dan wel anders gevorderde.*

De zesde kamer van het hof van beroep te Antwerpen heeft in zijn arrest van 28 april 2009 de twee zaken gevoegd en de beide hogere beroepen ontvankelijk verklaard maar als ongegrond afgewezen en het genoemde bestreden vonnis bevestigd.

De Belgische Staat heeft tegen dat arrest een voorziening in cassatie ingesteld. Het Hof van Cassatie heeft in zijn arrest van 10 juni 2010 het arrest van het hof van beroep te Antwerpen vernietigd na volgende overwegingen;

*De appelrechters oordelen dat er tussen de vaststelling en de kennisgeving aan de verweerster 'een lange en onverantwoorde tijd verstreek' en leiden hieruit af dat dit het recht van verdediging schendt en dat het proces-verbaal 'geen rechtsgevolg kan sorteren'. Zij geven hierbij niet aan op welke wijze door de laattijdige kennisgeving het recht van verdediging van de verweerster werd miskend en verantwoorden hun beslissing niet naar recht.*

Met een gerechtsdeurwaardersexploot van 1 september 2010 heeft de Belgische Staat het genoemde arrest van het Hof van Cassatie van 10 juni 2010 aan **I.** BVBA betekend en deze meteen gedagvaard om voor het hof van beroep te Gent, vijfde kamer te verschijnen om uitspraak te horen doen over het hoger beroep dat hij tegen het bestreden vonnis heeft ingesteld.

**I.** BVBA heeft van haar kant het genoemde arrest van het Hof van Cassatie betekend aan dhr. **J. H.**, dhr. **P. V.**. Mr. **S. W.** als vereffenaar van **F.** BVBA, mevr. **A. Z.** en DGN Services bv en hen opgeroepen om in het hoger beroep te verschijnen, de eerste vier als gedaagden in tussenkomst en vrijwaring, de vijfde (DGN Services bv) in tussenkomst en gemeenverklaring.

De eerste appellant, de Belgische Staat, formuleert een vordering waarmee hij het hof vraagt :

*Het vonnis van de Rechtbank van eerste Aanleg te Antwerpen Kamer 2F d.d. 4 oktober 2006 (AR. 05/4039/A) te vernietigen en opnieuw recht doende, doende wat de eerste rechter had moeten doen nl. de vordering van geïntimeerde gesteld bij dagvaarding d.d. 30 mei 2005 ongegrond te verklaren.*

*Mocht uw hof echter van oordeel zijn dat wat betreft de bewijskracht van het proces-verbaal er twijfel zou bestaan, quod non, om in ieder geval de vordering m.b.t. de verwerping van aftrek ad. … EUR BTW­rechten samen met boeten en interest verschuldigd te verklaren.*

*Verder geïntimeerde in haar incidenteel ingestelde beroep en verder gestelde eisen af te wijzen en haar te veroordelen tot de kosten van het geding zowel in eerste aanleg als in hoger beroep met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding*.

De tweede appellante, **I.** BVBA, vordert :

*In hoofdorde, het dwangbevel Reg. 127/2619 te vernietigen en van nul en generlei waarde te verklaren en te zeggen voor recht dat de ermee van concluante gevorderde bedragen door haar niet verschuldigd zijn; De Belgische Staat te veroordelen om alle ten onrechte van concluante ingehouden of beslagen bedragen en alle ten onrechte door concluante betaalde bedragen, aan concluante terug te betalen meer de moratoire interesten;*

*Ondergeschikt en alvorens recht te doen :*

\- *bij toepassing van de artikelen 871 en/of 877 Ger. W. de Belgische Staat te verplichten afschrift neer te leggen ter Griffie van het Hof van het volledige "dossier betreffende de BVBA* ***F.****" en van alle andere dossiers en stukken die verband houden met de ten aanzien van concluante geformuleerde vordering, teneinde deze stukken te doen voegen aan het dossier van rechtspleging (cf. randnummer 36),*

\- *bij toepassing van de artikelen 871 en/of 877 Ger. W. de Belgische Staat te verplichten duidelijk en volledig te antwoorden op de vragen van concluante geformuleerd in de brief van concluante van 20 oktober 2004 (cf. stuk 19) (cf. randnummer 36).,*

*-* *concluante het getuigenbewijs toe te staan van alle bij het onderzoek van het "dossier betreffende de BVBA* ***F.****" betrokken ambtenaren om de nodige toelichting te vernemen omtrent dit dossier en de vragen van concluante te beantwoorden zoals zij deze heeft geformuleerd in haar brief van 20 oktober 2004 (cf. stuk 19) (cf. randnummer 36),*

*-* *concluante het getuigenbewijs toestaat van de heer* ***P. V.*** *en de bij het onderzoek betrokken ambtenaren ten aanzien van de door de heer* ***P. V.*** *beweerde uitlokking door de heer* ***F. P.*** *(cf. randnummer 50);*

*-* *bij toepassing van de artikelen 871 en/of 877 Ger. W. zowel de Belgische Staat als Mr.* ***S. W.*** *in zijn hoedanigheid van vereffenaar van BVBA* ***F.*** *te verplicht om te bevestigen of te ontkennen dat BVBA* ***F.*** *een aanvraag heeft ingediend om haar een BTW-identificatienummer toe te kennen en om alle in verband hiermee in hun bezit zijnde stukken bij te brengen (randnummer 56),*

*-* *de valsheidsprocedure te bevelen en te voeren in de zin van artikel 895 e.v. Ger. W. ten aanzien van de factuur van de heer* ***P. V.*** *aan bv pH7* ***N. T.*** *voor de transactie d.d. 1 juni 2001 (stuk 1.3. van partij* ***A. Z.****) (randnummer 78);*

*Ondergeschikt en in de mate dat enige vordering van de Belgische Staat ten aanzien van concluante zou gehandhaafd blijven, de Belgische Staat, de heer* ***J. H.****, de heer* ***S. W.*** *in zijn hoedanigheid van vereffenaar van BVBA* ***F.****, de heer* ***P. V.*** *en mevrouw* ***A. Z.*** *te veroordelen tot vrijwaring van concluante, zoals gevorderd onder de randnummers 75 tot 84 van huidige conclusie;*

*Alleszins, bv DGN Services (voorheen 'bv pH7* ***N. T.’****) het in huidige zaak te wijzen arrest gemeen te doen verklaren;*

*De Belgische Staat, de heer* ***J. H.****, de heer* ***S. W.*** *in zijn hoedanigheid van vereffenaar van BVBA* ***F.****. de heer* ***P. V.*** *en mevrouw* ***A. Z.*** *in solidum. dan wel de ene bij uitsluiting van de andere, te veroordelen tot volgende kosten van het geding : opzoekingskosten gerechtsdeurwaarder … EUR (cf. stuk 22);*

*De Belgische Staat te veroordelen tot de kosten van dagvaarding ten bedrage van … EUR (cf. stuk 23), tot de rechtsplegingsvergoeding in eerste aanleg van … EUR en in graad van beroep van … EUR, dan wel, in ondergeschikte orde en ingevolge de vordering tot vrijwaring, tot de rechtsplegingsvergoeding in graad van beroep van … EUR;*

*De heer* ***J. H.*** *te veroordelen tot de kosten van dagvaarding ten bedrage van … EUR (cf. stuk 23), en, in ondergeschikte orde en ingevolge de vordering tot vrijwaring, tot de rechtsplegingsvergoeding in eerste aanleg van … EUR en graad van hoger beroep van … EUR;*

*De heer* ***S. W.*** *in zijn hoedanigheid van vereffenaar van BVBA* ***F.*** *te veroordelen tot de kosten van dagvaarding ten bedrage van … EUR (cf. stuk 23), en, in ondergeschikte orde en ingevolge de vordering tot vrijwaring tot de rechtsplegingsvergoeding in eerste aanleg van … EUR en in graad van hoger beroep van … EUR; De heer* ***P. V.*** *te veroordelen tot de kosten van dagvaarding ten bedrage van … EUR (cf. stuk 23), en, in ondergeschikte orde en ingevolge de vordering tot vrijwaring, tot de rechtsplegingsvergoeding in eerste aanleg van … EUR en in graad van hoger beroep van … EUR;*

*Mevrouw* ***A. Z.*** *te veroordelen tot de kosten van dagvaarding ten bedrage van … EUR (cf. stuk 23), en, in ondergeschikte orde en ingevolge de vordering tot vrijwaring, tot de rechtsplegingsvergoeding in eerste aanleg van … EUR en in graad van hoger beroep van … EUR;*

*Bv DGN Services (voorheen ‘bv pH7* ***N. T.****’) te veroordelen tot de kosten van dagvaarding ten bedrage van … EUR (cf. stuk 23).*

De heer **J. H.**, eerste geïntimeerde op het hoger beroep van de tweede appellante, is niet verschenen op de openbare terechtzitting van het hof van 25 september 2012, hoewel hij behoorlijk was opgeroepen overeenkomstig artikel 747, § 2 Ger. W.

Mr. **S. W.** vraagt, in zijn hoedanigheid van vereffenaar van **F.** BVBA; tweede geïntimeerde op het hoger beroep van de tweede appellante, aan het hof om de vorderingen in vrijwaring tegen hem gesteld als ongegrond af te wijzen en de eisers in vrijwaring solidair, minstens in solidum te veroordelen tot betaling aan hem van de rechtsplegingsvergoeding vastgesteld op … euro.

De heer **P. V.**, derde geïntimeerde op het hoger beroep van de tweede appellante, vraagt het hof :

I.*In hoofdorde, omtrent het* *hoofdberoep* *van de Belgische Staat, dit ontoelaatbaar onontvankelijk en ongegrond te verklaren. Dienvolgens het vonnis a quo van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Antwerpen d.d. 6.10.2006 (AR 05/4039/A) te bevestigen en het dwangbevel REG … op 1.12.2004 uitgevaardigd door mevrouw* ***M. J.*** *onwettig te verklaren en van nul en generlei waarde,*

*ll.* *Ondergeschikt, en voor zover het Hof het eerste vonnis zou vernietigen, en betreffende de* *vordering in vrijwaring* *door de BVBA* ***I.*** *opzichtens concluant, deze ontoelaatbaar, onontvankelijk en ongegrond te verklaren,*

II.*Meer ondergeschikt, en voor zover het Hof het eerste vonnis zou vernietigen, en voor zover de vordering in vrijwaring van de BVBA* ***I.*** *opzichtens concluant per impossibele ontvankelijk en gegrond zou worden verklaard,*

*Aan concluant akte te willen verlenen van de met huidige conclusie gestelde eis in vrijwaring lastens de heer* ***J. H.*** *in eigen naam en in zijn hoedanigheid van oprichter, aandeelhouder, zaakvoerder en/of vereffenaar van de BVBA* ***F.****, mevrouw* ***A. Z.****, in eigen naam en in haar hoedanigheden van oprichter, aandeelhouder, bestuurder en/of vereffenaar van de BV naar Nederlands recht PH 7* ***N. T.*** *en opzichtens de BVBA* ***F.****,*

*Deze eis in vrijwaring opzichtens voornoemden toelaatbaar, ontvankelijk en gegrond te verklaren.*

*Dienvolgens voornoemden solidair, in solidum, de éne bij gebreke aan de andere, te veroordelen om concluant te vrijwaren voor elke veroordeling die concluant in deze zaak zou oplopen opzichtens de BVBA* ***I.****.*

In gezamenlijke conclusies vorderen mevrouw **A. Z.** (vierde geïntimeerde op het hoger beroep van de tweede appellante) en DGN Services bv (door de tweede appellante in tussenkomst en gemeenverklaring gedaagde), van het hof :

*1.* *Het hoger beroep van de BVBA* ***I.*** *ontvankelijk doch niet gegrond te verklaren;*

*En derhalve deze af te wijzen van haar vordering in vrijwaring met veroordeling tot de kosten zoals hierna begroot;*

*2.* *Het incidenteel beroep van de heer* ***V.*** *niet ontvankelijk, minstens ongegrond te verklaren;*

*En deze derhalve af te wijzen van zijn vordering met veroordeling tot de kosten zoals hierna begroot;*

*3.* *En akte te nemen dat DGN Services BV zich naar de wijsheid van het Hof gedraagt wat betreft de gevorderde gemeenverklaring;*

*En de kosten van deze procedure ten laste te leggen van de BVBA* ***I.***.

Voor zoveel als nodig kan worden opgemerkt dat de twee afzonderlijk ingestelde procedures in beroep, gezamenlijk behandeld worden, nu ze beide tegen hetzelfde vonnis gericht zijn en samenhangend zijn.

## 2. De feitelijke gegevens

Namens de eerste appellant werd ten nadele van de tweede appellante op 1 december 2004 onder RCIV-nr. … een dwangbevel uitgevaardigd waarin van de tweede appellante de volgende bedragen gevorderd worden :

• BTW : … euro

• administratieve geldboete (200 %) … euro

• interest op de BTW vanaf 21 juli 2001 aan 01 80 % per maand

• interest op de geldboete vanaf de kennisgeving van het dwangbevel

• de vervolgingskosten.

Op 2 december 2004 is dat dwangbevel geviseerd en uitvoerbaar verklaard en op 8 december 2004 werd het door de eerste appellant aan de tweede appellante per aangetekende brief betekend.

Dat dwangbevel is gebaseerd op een proces-verbaal van 13 september 2004 waarin de hierboven vermelde bedragen aan BTW, geldboete en interest op de BTW werden verschuldigd verklaard. Onder rubrieken 1.4. en 1.5. staat in dat proces-verbaal het volgende te lezen :

***1.4.*** ***Aankopen bij BVBA F.***

*In het 2° kwartaal 2001 heeft de BVBA ·****F.*** *nationaal nummer …, niet geregistreerd als BTW-belastingplichtigen met maatschappelijke zetel te …, …, en met als opgegeven adres op de facturen …, voor een totaal bedrag van … EUR inclusief … EUR BTW, gefactureerd aan voornoemde BVBA* ***I.****.*

*De BVBA* ***I.*** *heeft dit bedrag van … EUR als aftrekbare belasting opgenomen in rooster 59 van de BTW-aangifte m.b.t. het tweede kwartaal 2001.*

*Kopieën van de facturen uitgereikt door BVBA* ***F.*** *gericht aan BVBA* ***I.*** *worden als bijlage I.1, I.2, I.3 en I.4 bij onderhavig proces-verbaal gevoegd om er één geheel mee uit te maken.*

### *1.5. Vaststellingen door BBI Afdeling 6 – Inspectie Mechelen*

*Op grond van* [*artikel 93quaterdecies van het BTW-wetboek*](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-93quaterdecies) *werd er inzage genomen van de stukken van het dossier van de BVBA* ***I.*** *bij de Administratie van de Bijzondere Belastingsinspectie - Afdeling 6 - lnspectie Mechelen.*

*Uit het proces-verbaal van vaststelling van 15 juni·2001 opgesteld door* ***T. C.****, verificateur bij de Administratie van de Ondernemings- en Inkomensfiscaliteit - sector BTW, ter beschikking gesteld van .de Administratie van de Bijzondere Belastinginspectie - Afdeling 6 - Inspectie Mechelen, waarvan de kantoren gevestigd zijn te 2800 MECHELEN, St-Romboutskerkhof 4, wordt m.b.t. de BVBA* ***I.*** *de volgende tekst gelicht :*

*PROCES-VERBAAL VAN VASTSTELLING*

*Ondergetekende* ***T. C.****, verificateur bij de Administratie van de Ondernemings- en Inkomstenfiscaliteit - sector BTW, ter beschikking gesteld van de Administratie van de Bijzondere Belastinginspectie, Inspectie Mechelen waarvan de kantoren gevestigd zijn te 2800 MECHELEN, St. Romboutskerkhof 4, verklaart volgende vaststellingen te hebben verricht :*

*Op vrijdag .15 juni 2001, rond 14u00, heeft voornoemde* ***T. C.*** *zich begeven naar de maatschappelijke zetel van de BVBA* ***I.*** *te …, …, geïdentificeerd als BTW-belastingplichtige onder het BTW­identificatienummer BE…. Op de oprit aldaar stond een bestelwagen van het merk MERCEDES, type VITO, met opschrift* ***E.****, goederen (kartonnen dozen zonder opschrift) te laden. Een witte bestelwagen van het merk MAZDA, met Nederlandse nummerplaat, stond eveneens met openstaande deuren geparkeerd op dezelfde oprit. De MERCEDES VITO, met nummerplaat …, op naam van de heer* ***P. V.****, … te …, vertrok rond 14u20, in de richting van …. Voornoemde* ***T. C.*** *heeft de MERCEDES VITO, met nummerplaat …, gevolgd. De voornoemde MERCEDES VITO heeft zich via …, naar … begeven om daar de E313 te nemen richting …. In … werd de richting …-… gevolgd. De voornoemde MERCEDES VITO nam de afrit … en stopte rond 16u00, in de … te …. Voornoemde verbalisant heeft kunnen vaststellen dat de MERCEDES VITO zich van … naar … heeft begeven zonder enige tussenstop. Aan het pand gelegen in de … te … stapte de bestuurder van de voornoemde MERCEDES VITO uit en belde aan. Hierop kwam echter geen reactie. De bestuurder van de voornoemde MERCEDES VITO voerde hierna via zijn GSM verschillende telefoongesprekken.*

*Voornoemde* ***T. C.*** *heeft zich toen samen met* ***G. P.*** *en* ***C. S.****, respectievelijk eerstaanwezend verificateur en assistent bij de Administratie der Douane en Accijnzen, Opsporingsinspectie Genk, waarvan de kantoren gevestigd zijn te 3600 GENK, Dieplaan 12, begeven naar de MERCEDES VITO en de bestuurder ervan.*

*Na onze naam en hoedanigheid te hebben bekendgemaakt hebben wij op grond van* [*artikel 63 van het BTW-Wetboek*](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-63) *de MERCEDES VITO onderzocht. Het voertuig bevatte 9 kartonnen dozen zonder opschrift. Elke doos bleek gevuld te zijn met 24 éénliterflessen grondverbeteraar met merknaam* ***T.****.*

*Op grond van* [*artikel 62 van het BTW-Wetboek*](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-62) *hebben wij de bestuurder van de MERCEDES VITO gevraagd het transport verder toe te lichten. De bestuurder van de MERCEDES VITO, de heer* ***P. V.****, handelend in eigen .naam, wonende te …, …, geïdentificeerd als BTW­belastingplichtige onder het BTW-identificatienummer BE…, verklaarde volgende zaken :*

*•* *de opdrachtgever voor het vervoer was de Nederlandse firma PH7* ***N. T.*** *BV - handelsnaam* ***V.****, gevestigd te … - …, …, geïdentificeerd als BTW-belastingplichtige onder, het BTW­identificatienummer NLB…, contactpersoon was de bestuurder mevrouw* ***A. Z.****;*

*•* *de goederen werden geladen bij de BVBA* ***I.***, *… te …;*

*•* *het afleveringsadres was de BVBA* ***F.****, … te …;*

*•* *aangezien er niemand aanwezig bleek te zijn heeft de heer* ***P. V.****, via zijn GSM, contact opgenomen met de zaakvoerder van de BVBA* ***F.****, de heer* ***J.A.G. H.*** *en met mevrouw* ***A. Z.****, voornoemd; De heer* ***J.A.G. H.*** *had telefonisch meegedeeld aan de heer* ***P. V.*** *dat hij ten vroegste tegen 18uOO aanwezig zou kunnen zijn te ….*

*In de loop van juni 2001 werd er door de heer* ***P. V.****, voornoemd, o.a. volgende koerierdiensten in opdracht van het Nederlandse* ***V.*** *uitgevoerd :*

*•* *op vrijdag 1 juni 2001 werden er 9 dozen met dezelfde inhoud* ***T.*** *eveneens vervoerd van de voornoemde BVBA* ***I.*** *te … naar de BVBA* ***F.****, eveneens voornoemd, te …;*

*•* *op donderdag 14 juni 2001 werden er 20 dozen* ***T.*** *opgehaald bij de Nederlandse opdrachtgever* ***V.*** *te ROOSENDAAL - NEDERLAND en afgeleverd bij BVBA* ***F.****.*

*De heer* ***P. V.*** *verklaarde eveneens dat, hij. in opdracht van mevrouw* ***A. Z.****, de uitgevoerde Belgische vervoersprestaties, als intracommunautair goederenvervoer tussen NEDERLAND en FRANKRIJK moest voorstellen. De heer* ***P. V.*** *mocht een vervoer tussen NEDERLAND (Roosendaal) en FRANKRIJK (Parijs) factureren. De firma waar de heer* ***P. V.*** *goederen ophaalde, nl. de BVBA* ***I.****: was niet op de hoogte van de werkelijke bestemming van de -goederen. De vennootschap veronderstelde dat de goederen naar NEDERLAND werden getransporteerd.*

*De heer* ***P. V.*** *bevestigde dat de zaakvoerder van de BVBA* ***F.****, de heer* ***J.A.G. H.****, eerder die dag aanwezig was bij het laden van de goederen. De heer* ***P. V.*** *bevestigde eveneens dat de witte bestelwagen van het merk MAZDA, met Nederlandse nummerplaat, geparkeerd op de oprit van de maatschappelijke zetel van de BVBA* ***I.****. te …, …, bestuurd werd door voornoemde-heer* ***J.A.G. H.****. De heer* ***J.A.G. H.*** *had de heer* ***P. V.*** *zelfs een handje geholpen bij het overladen van de dozen van diens bestelwagen, in de bestelwagen van de heer* ***P. V.****.*

*Rond 18u00 kwam aan de … te … de witte bestelwagen van het merk MAZDA, met Nederlandse nummerplaat, die voornoemde verbalisant die dag eerder had opgemerkt te …, ….*

*Na onze naam en hoedanigheid te hebben bekendgemaakt, hebben wij op grond van* [*artikel 63 van het BTW-Wetboek*](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-63) *de witte MAZDA onderzocht. Het voertuig bevatte 12 kartonnen dozen zonder opschrift. Elke doos bleek gevuld te zijn met 24 eénliterflessen grondverbeteraar met merknaam* ***T.****.*

*Op grond van* [*artikel 62 van het BTW-Wetboek*](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-62) *hebben wij de bestuurder van de witte MAZDA gevraagd dit vervoer verder toe te lichten. De bestuurder van de witte MAZDA, de heer* ***J.A.G. H.****, wonende te … - …, …, ter plekke aanwezig als zaakvoerder van de voornoemde BVBA* ***F.****. De heer* ***J.A.G. H.*** *verklaarde volgende zaken :*

*De heer* ***J.A.G. H.*** *verklaart dat goederen die de heer* ***P. V.*** *komt leveren, afkomstig zijn van zijn leverancier, de BVBA* ***2C.****, … te …, geïdentificeerd als BTW-belastingplichtige onder het BTW-identificatienummer BE…. In het pand aan de …, … te … trof voornoemde verbalisant, 11 gelijkaardige dozen* ***T.*** *aan in de veranda, 9 dozen in een achterkamer en 39 dozen met 20 ml. flesjes* ***T.*** *in consumentenverpakkingen. De heer* ***P. V.*** *leverde daarbij nog 9 dozen* ***T.*** *af.*

*De heer* ***J.A.G. H.*** *verklaarde dat de aanwezige dozen* ***T.*** *eigendom waren van de voornoemde BVBA* ***2C.****. De BVBA* ***F.*** *heeft een "alleenverkoop ­ distributieovereenkomst" afgesloten met de BVBA* ***2C.****. Zaakvoerder van de BVBA* ***2C.*** *is de heer* ***R. V. N.****, volgens de heer* ***J.A.G. H.****, wonende te …, …. In deze overeenkomst wordt bepaald dat de BVBA* ***F.*** *exclusief verdeler werd van de grondverbeteraar* ***T.*** *voor BELGIE. Alhoewel er interesse bestond vanuit NEDERLAND was de heer* ***J.A.G. H.*** *gebonden door deze overeenkomst die eveneens bepaalde dat hij niet naar het buitenland mocht leveren. In NEDERLAND had de heer* ***J.A.G. H.*** *contact met mevrouw* ***A. Z.****, van de firma* ***V.****, beiden voornoemd. In overeenkomst met mevrouw* ***A. Z.*** *probeerde de heer* ***J.A.G. H.*** *Belgische tussenpersonen te vinden, die van hem wilden afnemen en direct wilden doorverkopen naar·het Nederlandse* ***V.****. Deze tussenpersonen kreeg hiervoor een commissie, maar moest wel de BTW voorfinancieren.*

*Als tussenpersoon had volgens de heer* ***J.A.G.. H.*** *volgende firma reeds opgetreden :*

*•* *BVBA* ***I.*** *met maatschappelijke zetel te …, …, geïdentificeerd als BTW­belastingplichtige onder het BTW-identificatienummer BE….*

*De heer* ***J.A.G. H.*** *verklaarde niet op de hoogte te zijn van de samenstelling van het product* ***T.*** *Hij verklaarde exclusief verdeler geworden te zijn door te reageren op een advertentie in de krant.*

*Bij het nakijken van de inkomende facturen, door voornoemde verbalisant, bleek er reeds een factuur aanwezig te zijn van de voornoemde BVBA* ***2C.*** *uitgereikt aan de BVBA* ***F.*** *op datum van·15 juni 2001 voor de levering van 432 éénliterflessen* ***T.*** *432 flessen komt volgens de heer* ***J.A.G. H.*** *overeen met 18 dozen. De heer* ***J.A.G. H.*** *verklaart dat de heer* ***R. V. N.*** *deze factuur eerder die dag in de brievenbus had achtergelaten. Het betrof een afrekening van een vroegere levering. De aanwezige goederen, m.n. de dozen* ***T.****, aanwezig op de maatschappelijke zetel van de BVBA* ***F.****, blijven eigendom van de BVBA* ***2C.****, voornoemd, tot de goederen verkocht worden.*

*Op de vraag of de heer* ***J.A.G. H.*** *de voornoemde heer* ***P. V.*** *herkende, antwoordde de heer* ***J.A.G. H.*** *dat hij de heer* ***P. V.*** *kende van vroegere leveringen die deze laatste uitvoerde te ….*

*Op de vraag waar de heer* ***J.A.G. H.*** *zich rond 14u00 zich eerder die dag bevond, antwoordde hij dat hij zich naar een klant begeven had te …. De heer* ***J.A.G. H.*** *bevestigde dat hij rond 14u00 aanwezig was op het adres van de maatschappelijke zetel van de BVBA* ***I.****, voornoemd.*

*Op de vraag of de heer* ***J.A.G. H.*** *zich op·het adres van de voornoemde BVBA* ***I.****, ook de heer* ***P. V.*** *had gezien, als koerier aanwezig in opdracht van het voornoemde* ***V.****, en die hij tevens een handje geholpen had met overladen. De heer* ***J.A.G. H.*** *kon zich niet herinneren de heer* ***P. V.*** *eerder die dag gezien te hebben.*

*Op de vraag of de heer* ***J.A.G. H.*** *niet de op de hoogte was van het feit dat de goederen die hij eerder die dag afleverde bij de voornoemde BVBA* ***I.****, door de heer* ***P. V.****, voornoemd, terug naar … werden gebracht, antwoordde de heer* ***J.A.G. H.*** *met klem ontkennend. De heer* ***J.A.G. H.*** *was ervan overtuigd dat de goederen naar NEDERLAND werden vervoerd.*

*Door ontbreken van enige samenstelling op de flessen* ***T.*** *beslissen voornoemde* ***G. P.*** *en* ***C. S.****, de aanwezige voorraad* ***T.*** *in bewarend beslag te nemen in handen van de heer* ***J.A.G. H.****. Voornoemde* ***G. P.*** *en* ***C. S.*** *nemen 3 éénliterflessen* ***T.*** *in beslag voor volledige ontleding.*

*Voornoemde* ***T. C.*** *heeft zich vervolgens op maandag 18 juni 2001, samen met* ***F. P.****, e.a. verificateur bij voornoemde BBI - Afdeling 6 - Inspectie Mechelen, begeven naar de maatschappelijke zetel van de BVBA* ***I.****.*

*Een kopie van het proces-verbaal van vaststelling van 18 juni 2001 wordt als bijlage III.1 t.e.m. III.33 bij onderhavig proces-verbaal gevoegd om er één geheel mee uit te maken.*

*Er werd 15/01/2004 schriftelijk een nazicht aangekondigd op de maatschappelijke zetel van de BVBA* ***I.*** *op woensdag 4 februari 2004 om 9. 00 uur. Op woensdag 4/02/2004 om 9.00 uur hebben de ondergetekenden zich aangekondigd op het adres … te … en vervolgens op de maatschappelijke zetel … te … waar zij te woord werden gestaan door de heer* ***H. G.****, zaakvoerder van de BVBA* ***I.****.*

*Na onze hoedanigheid te hebben bekend gemaakt hebben wij de heer* ***G.*** *copies van de facturen voorgelegd, in ons bezit gesteld door de voornoemde BBI dienst.*

Vervolgens wordt in dat proces-verbaal uiteengezet dat de controleagent aan de hand van de stukken uit het BTW-dossier, van de hem voorgelegde documenten en op grond van voorgaande vaststellingen oordeelde dat de tweede appellante :

• ten onrechte de leveringen van de genoemde flessen grondverbeteraar aan pH7 **N. T.** bv (ondertussen DGN Services bv) heeft gefactureerd met verlegging van de heffing als zou er een intracommunautaire levering hebben plaatsgevonden in de zin van artikel 39bis W.BTW, met name omdat de goederen het Belgisch grondgebied niet verlaten hadden;

• ten onrechte de BTW heeft afgetrokken die vermeld staat op de vier facturen die **F.** BVBA aan haar had uitgereikt voor de levering van de genoemde flessen grondverbeteraar, met name omdat er vermeldingen ontbreken op die facturen, in het bijzonder de datum van uitreiking van de factuur, het BTW-nummer van **F.** BVBA en het BTW-nummer van de tweede appellante zelf, terwijl op de factuur … voor een levering van 2 juni 2001 een ongeldig BTW-nummer staat.

Nadat het proces-verbaal van 13 september 2004 diezelfde dag per aangetekende brief aan de tweede appellante was overgemaakt met vraag binnen de vijf dagen te laten weten of zij akkoord kon gaan met een regularisatie, heeft de advocaat van de tweede appellante om inzage van het dossier gevraagd. Na inzage heeft die advocaat bijkomende vragen en informatie gevraagd, waarop niet werd ingegaan; wel werd nog een kopie verstrekt van de aangifte die de heer **V.** blijkbaar op 11 juni 2001 gedaan had omtrent het feit dat hij gevraagd was de factuur voor de levering op 1 juni 2001 te vervalsen door te vermelden dat hij de flessen grondverbeteraar van … naar … had gevoerd, terwijl hij ze op vraag van mevrouw **Z.** van … naar gevolg.

Omdat geen gevolg was gegeven aan het verzoek tot betaling van 20 september 2004, werd het hoger genoemde dwangbevel uitgevaardigd.

Met een dagvaarding die op diverse dagen tussen 20 mei en 15 juni 2005 aan de verschillende gedaagden werd betekend stelde de tweede appellante haar vorderingen in voor de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen.

De tweede (fiscale) kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen heeft bij vonnis van 4 oktober 2006 uitspraak gedaan zoals hoger vermeld.

Het is tegen dat vonnis dat de appellanten hoger beroep hebben ingesteld.

**3.** **Arrest op tegenspraak. ook ten aanzien van de heer J. H.**

Met toepassing van artikel 747, § 2, lid 6, laatste zin Ger.W. is het arrest, ook ten aanzien van de heer **H.** op tegenspraak. gewezen.

## 4. De betwistingen tussen de partijen

*4.1. De betwisting tussen de appellanten*

Het hof kan slechts vaststellen dat de eerste appellant ten onrechte inbreuken ten nadele van de tweede appellante heeft vastgesteld.

4.1.1. Overtredingen in verband met de intracommunautaire levering van goederen en toepasselijke wetgeving.

Met betrekking tot intracommunautaire leveringen geldt een vrijstelling van BTW die als volgt door artikel 39bis, eerste lid, 1° W.BTW geregeld wordt :

Van de belasting zijn vrijgesteld :

1° de leveringen van goederen door de verkoper, andere dan een belastingplichtige die de regeling geniet bepaald in artikel 56, § 2, door de afnemer of voor hun rekening verzonden of vervoerd buiten België maar binnen de Gemeenschap, die worden verricht voor een andere belastingplichtige, of voor een niet-belastingplichtige rechtspersoon, die als zodanig optreden in een andere Lid-Staat en die er aldaar toe gehouden zijn hun intracommunautaire verwervingen van goederen aan de belasting te onderwerpen, voor zover die leveringen van goederen niet onderworpen zijn aan de bijzondere regeling van belastingheffing over de winstmarge ingesteld bij artikel 58, § 4;

Overeenkomstig [artikel 1 van KB nr. 52](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-52-vrijstellingen-intracommunautaire-gelijkgestelde-handelingen-b8b9#ar52-art1) van 29 december 1992 met betrekking tot de vrijstellingen betreffende de intracommunautaire leveringen en goederen en de ermee gelijkgestelde handelingen, alsook betreffende intracommunautaire verwervingen van goederen op het stuk van de belasting op de toegevoegde waarde, zijn de in artikel 39bis, eerste lid, 1° W.BTW bedoelde vrijstellingen afhankelijk van het bewijs dat de goederen zijn verzonden of vervoerd buiten België maar binnen de Gemeenschap.

[Artikel 2 van KB nr. 52](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-52-vrijstellingen-intracommunautaire-gelijkgestelde-handelingen-b8b9#ar52-art2) stelt de vrijstelling bovendien afhankelijk van het bewijs dat de levering geschiedt voor een belastingplichtige of voor een niet-belastingplichtige rechtspersoon, die voor de belasting over de toegevoegde waarde is geïdentificeerd in een andere lidstaat.

[Artikel 3 van KB nr. 52](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-52-vrijstellingen-intracommunautaire-gelijkgestelde-handelingen-b8b9#ar52-art3) schrijft voor dat de verkoper - hier de tweede appellante - daarvoor te allen tijde in het bezit moet zijn van alle stukken waaruit de echtheid van de verzending of het vervoer van de goederen blijkt. Die stukken zijn onder meer de contracten, de bestelbons, de vervoerdocumenten en de betalingsstukken.

Het staat vast dat de goederen ter gelegenheid van de betreffende transactie België niet verlaten hebben. Hoewel de documenten werden opgemaakt als zouden ze naar … (Frankrijk) worden vervoerd om daar te leveren, toch zijn ze naar een bestemming binnen België gebracht, namelijk naar …, meer bepaald (terug) naar het adres van **F.** BVBA. Dat blijkt genoegzaam uit het feitenrelaas. De stelling van mevrouw **Z.** en DGN Services bv als zouden (minstens een deel van) de goederen toch naar de bestemming in Frankrijk zijn gebracht, met name via vervoer door UPS op 3 augustus 2001, kan niet worden aangenomen. Het is niet aangetoond dat het om dezelfde goederen gaat (het betreft allesbehalve unieke goederen, nl. vloeibare grondverbeteraar in literflessen), en gelet op het aanzienlijk tijdsverschil tussen de aanvankelijke data van levering. (1 tot 15 juni 2001) en 3 augustus 2001, kan bezwaarlijk worden aangenomen dat het om dezelfde levering gaat. Overigens is het maar al te duidelijk dat het mevrouw **Z.**, namens pH7 **N. T.** bv, was die opdracht had gegeven aan **V.** om de goederen in plaats van naar Frankrijk, naar … over te brengen. Dat is bewezen aan de hand van de verklaring die de heer **V.** heeft afgelegd ten aanzien van de BTW-diensten op 11 juni 2001 (stuk 10 doss. 2 de app.). Het is duidelijk dat de heer **V.** een zeer betrouwbare getuigenis heeft afgelegd; waar hij de eerste keer op 1 juni 2001 zich had laten meeslepen door mevrouw **Z.** (**V.**) om zijn factuur te vervalsen en, zoals ook in de transportdocumenten opgemaakt door **Z.** was gebeurd, als bestemming van de goederen Parijs was vermeld, terwijl hij de goederen naar … moest brengen, heeft hij voor de volgende twee opdrachten ziekte gesimuleerd om niet langer te moeten meewerken aan de fraude; tegelijk heeft hij zich ingedekt door zich op 11 juni 2001 bij de BTW-diensten te melden, zijn fout te bekennen en akkoord te gaan met een regularisering van de BTW. Dat hij toch een tweede en laatste keer, namelijk op 15 juni 2001, een transport uitvoerde van … naar … onder dekking van vervalste vervoerdocumenten, was slechts ingegeven door het uitdrukkelijk verzoek vanwege de BBI. Uiteindelijk is, door het onderzoek dat op 15 juni 2001 gebeurde door die transactie te volgen, komen vast te staan dat de goederen nergens elders naar toe werden gebracht en ook niet moesten gebracht worden dan naar …. Het initiatief daartoe kwam niet van de heer **V.**, noch van de BBI, maar van mevrouw **Z.**, pH7 **N. T.** bv, de heer **H.** en **F.** BVBA. Deze laatsten hadden immers met de goederen een BTW-carrousel opgezet.

Toch volstaat het enkele feit dat de goederen België niet verlaten hebben en het dus vaststaat dat ze niet naar een andere Lidstaat zijn overgebracht, hier niet om de betreffende naheffing van BTW, interest en boeten te verantwoorden.

De tweede appellante was immers volstrekt te goeder trouw. Niets laat toe te twijfelen aan haar volgehouden verklaring en stelling dat zij volstrekt onwetend was over het feit dat de goederen niet naar de in de documenten vermelde bestemming in Parijs gingen, maar terug naar … werden gebracht. Die goede trouw werd trouwens uitdrukkelijk bevestigd in het proces-verbaal van 15 juni 2001 in de eerste paragraaf op pagina 3 waar staat :

De firma's waar de heer **P. V.** goederen ophaalde, nl. XXXXXX en BVBA **I.**, beiden voornoemd, waren niet op de hoogte van de werkelijke bestemming van de goederen. Deze beide vennootschappen veronderstelden dat de goederen naar NEDERLAND werden getransporteerd.

De tweede appellante kon immers slechts vaststellen dat **F.** BVBA de goederen bij haar leverde en dat hetzij de heer **V.**, hetzij mevrouw **Z.**, telkens in opdracht van pH7 **N. T.** bv, de goederen bij haar ophaalden met bestemming … in Nederland. De beide transacties ten aanzien van de tweede appellante gingen telkens gepaard met leveringsbonnen, facturen en werkelijke betalingen en met transportdocumenten. De tweede appellante moest niet zo argwanend geweest zijn dat ze een en ander niet kon betrouwen, ook niet omdat het kon verwonderen dat **F.** BVBA niet zelf leverde aan pH7 **N. T.** bv. Uit het dossier blijkt afdoende dat de tweede appellante was meegedeeld door de heer **H.** dat het hem wegens contractuele redenen niet toegestaan was in Nederland te verkopen. Dat was een plausibele uitleg waaraan de tweede appellante geloof kon hechten. Ook het feit dat **F.** BVBA nog geen BTW­registratienummer had (nog in aanvraag), moest niet verwonderen vermits dat bedrijf nog maar pas was van start gegaan.

Bovendien wordt kwade trouw niet vermoed. Het bewijs van kwade trouw in hoofde van de tweede appellante is in elk geval niet geleverd.

Voor de tweede appellante zag alles, met inbegrip van de begeleidende documenten, er uit alsof de goederen die ze leverde daadwerkelijk naar … in Nederland gingen.

De hoger weergegeven Belgische regeling inzake intracommunautaire leveringen is de omzetting van [artikel 28quater A van de zesde richtlijn](https://juriel.be/nl/unierecht/zesde-richtlijn-77-388/artikel-28quater). *… dat* [*artikel 28quater A, sub a, eerste alinea van de Zesde BTW-Richtlijn*](https://juriel.be/nl/unierecht/zesde-richtlijn-77-388/artikel-28quater) *aldus moet worden uitgelegd dat de bevoegde autoriteiten van de Lidstaat·van levering die te goeder trouw heeft gehandeld en bewijzen heeft aangeboden waardoor zijn recht op vrijstelling voor een intracommunautaire levering van goederen op het eerste gezicht wordt gestaafd, niet mogen verplichten tot nabetaling van de over deze goederen verschuldigde BTW, wanneer die bewijzen vals blijken, zonder dat evenwel is aangetoond dat deze leverancier bij de belastingfraude is betrokken, voor zover hij alles heeft gedaan wat redelijkerwijs binnen zijn mogelijkheden ligt om te zorgen dat hij door de intracommunautaire levering die hij verricht niet bij dergelijke fraude betrokken geraakt*. (HvJ, 27 september 2007, Teleos, [C-409/04](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-409-04-arrest), punt 68). Het hof neemt deze stelling over.

Gelet op de hoger vermelde vaststellingen kon de eerste appellant jegens de tweede appellante niet tot naheffing van de BTW wegens inbreuk op artikel 39bis, eerste lid, 1° W.BTW overgaan. Dat deel van het bestreden dwangbevel (BTW, interest en hoofdsom) is dan ook nietig. Deze grief is gegrond.

4.1.2. Overtredingen in verband met de aftrekregeling ten aanzien van de verplichting in het bezit te zijn van een regelmatige factuur

De vermeldingen op de factuur vereist door [artikel 5 KB nr. 1](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-1-artikel-6caa) strekken ertoe om de inning van de BTW en de controle daarvan door de belastingadministratie te kunnen verzekeren en zijn niet zo talrijk of technisch dat zij de uitoefening van het recht van aftrek nagenoeg onmogelijk of overdreven moeilijk zouden maken (HvJ, 14 juli 1988, gevoegde zaken C123 en 330/87 inzake L. Jeunehomme en SA EGI, *BTW-revue*, 1991, nr. 95, p. 191).

Hoewel [artikel 5 van KB nr. 1](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-1-artikel-6caa) voorschrijft dat de datum van uitreiking van de factuur op die factuur moet worden vermeld, heeft het ontbreken van die datum hier in concreto geen enkele belemmering voor de controle of inning van de belasting. Op de facturen werd telkens de leverdatum afgedrukt. Op elke factuur is telkens ook de datum van betaling bijgeschreven en die komt telkens overeen met de leverdatum. Daaruit valt met zekerheid af te leiden dat de facturen elke keer werden uitgereikt op de leverdatum, zodat de factuurdatum gekend is.

De vermelding op een factuur van de juiste identiteit van de belastingplichtige leverancier behoort tot de essentiële gegevens in het waarvan de tweede appellante de aftrek wenst te mogen doen, zijn tegenhanger vindt in eenzelfde hoeveelheid belasting die door de leverancier aan de Schatkist moet worden afgedragen. Opdat het systeem zou kunnen werken, moet de administratie kunnen nagaan of die belasting wel op een correcte manier naar de Schatkist is gevloeid. Dat veronderstelt dat mogelijkheden zijn ingebouwd om het verband tussen de door de afnemer af te trekken en de door de leverancier af te dragen belasting te kunnen opsporen en bevestigd te zien, wat op zijn beurt veronderstelt dat de identiteit van de belastingplichtige leverancier voldoende op de factuur wordt vermeld. Het BTW-registratienummer behoort tot deze identiteitsgegevens.

De tweede appellante laat evenwel met reden gelden dat zij te goeder trouw was en niet dermate argwanend moest zijn dat zij geen geloof mocht hechten aan de vermelding door **F.** BVBA dat haar BTW­registratienummer 'in aanvraag' was (op de facturen staat inderdaad gedrukt i.a., wat kennelijk staat voor 'in aanvraag'). Daarenboven bevatten de. facturen alle andere identificatiegegevens, namelijk de benaming, de vennootschapsvorm en het adres van de maatschappelijke zetel van **F.** BVBA, waarvan het onderzoek heeft aangetoond dat ze zelfs volledig correct waren. Waar de tweede appellante met aandrang gevraagd heeft aan de eerste appellant om {onder andere) te verduidelijken of het waar was dat **F.** BVBA een BTW-registratienummer had aangevraagd, maar daarop geen antwoord werd gegeven en ook nu nog steeds daarover geen informatie wordt verschaft, kan slechts vermoed worden dat die aanvraag daadwerkelijk plaatsvond.

Ook voor het ontbreken van het BTW-registratienummer van de tweede appellante (de geadresseerde) op drie van de vier facturen, geldt dat dit haar identificatie niet belette en op geen enkele manier de controle of inning heeft bemoeilijkt.

Ten overvloede kan aangenomen worden dat aan de enkele verplichting tot vermelding van het BTW-registratienummer niet zonder meer een doorslaggevende rol kan verbonden worden uit het feit dat die verplichting pas werd ingevoerd door de wijziging en aanvulling van artikel 5, 2° van KB nr. 1 van 23 juli 1969 door artikel 1 van het KB van 17 oktober 1980 (in werking op 1 november 1980 – art. 22 van dat KB). Tot dan toe gold als verplichting ter identificatie van de belastingplichtige slechts de vermelding van de naam en het adres van de belastingplichtige en zijn medecontractant.

Hoger al, onder randnummer 4.1.1. is uiteengezet dat de tweede appellante niet op de hoogte was van het feit dat de goederen binnen België bleven en dat er sprake was van een belastingcarrousel. Verder is onbetwist dat de goederen daadwerkelijk aan de tweede appellante op de vermelde data werden geleverd en door haar werden betaald. Zelfs de vaststelling dat op één factuur door **F.** BVBA, over de vermelding i.a. met de hand een fictief BTW-nummer geschreven werd, kan in die omstandigheden niet tot de conclusie leiden dat het om onregelmatige facturen ging die geen geldig recht van aftrek van BTW zouden verantwoorden.

Dat onderdeel van het dwangbevel (BTW, interest en boete) is evenzeer nietig en ook dit middel is gegrond.

*4.2.* *De betwistingen tussen de tweede appellante en de geïntimeerden en de in gemeenverklaring gedaagde partij*

Vermits het door de tweede appellante bestreden dwangbevel integraal nietig is, zijn alle vorderingen van de tweede appellante jegens de geïntimeerden en de in gemeenverklaring gedaagde· partij zonder voorwerp en dus ongegrond.

## 5. De gerechtskosten

Overeenkomstig het eerste lid van artikel 1022 Ger.W., vervangen bij wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat, heeft slechts de partij die in·het gelijk gesteld wordt recht op een rechtsplegingsvergoeding.

Daarvoor werd voor elke partij een rechtsplegingsvergoeding vastgesteld, met dien verstande dat - in de regel - alleen de in het ongelijk gestelde partij tot het betalen van de gerechtskosten werd veroordeeld.

5.1. Met betrekking tot de vordering van de tweede appellante tegen de eerste appellant wordt de eerste appellant in het ongelijk gesteld en moet deze daarom de gerechtskosten van het hoger beroep dragen.

De eerste appellant is aan de tweede appellante zowel voor de eerste aanleg als voor het hoger beroep een rechtsplegingsvergoeding verschuldigd.

Voor de eerste aanleg bedraagt die rechtsplegingsvergoeding … euro (oud systeem).

Voor de vaststelling van die rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep, wat moet gebeuren overeenkomstig artikel 1022 Ger.W. vervangen bij de genoemde wet van 21 april 2007 en uitgevoerd bij KB van 26 oktober 2007 zijn er geen redenen om af te wijken van het basisbedrag. De complexiteit van de zaak staat in een normale relatie tot de waarde van de vorderingen; dat de houding van de eerste appellant volgens de tweede appellante onredelijk is, onder andere door hef opleggen van een boete van 200 %, drukt zich reeds uit in de omvang van de rechtsplegingsvergoeding volgens het basisbedrag: het is door het feit dat het dwangbevel onterecht werd uitgevaardigd, .dat de tweede appellante in het gelijk wordt gesteld en dus dat de rechtsplegingsvergoeding aan haar verschuldigd is; de omvang van de rechtsplegingsvergoeding is ook in belangrijke mate beïnvloed door de hoge boete.

Vermits de waarde van de vorderingen, bepaald zoals voorziet in de artikelen 557 tot 562 en artikel 618 Ger.W. zich in de schijf van 250.000,01 tot 500.000,00 euro bevindt, is het basisbedrag van … euro toepasselijk.

5.2. Met betrekking tot de vorderingen in vrijwaring geldt dat deze in geld waardeerbaar zijn en dat nu de vordering in vrijwaring zonder voorwerp geworden is en dus ongegrond moet worden verklaard, de tweede appellante als eiser in het ongelijk wordt gesteld. De tweede appellante heeft in dat verband een afzonderlijk procesrisico aangegaan.

Zij is een rechtsplegingsvergoeding verschuldigd aan de verweerders in vrijwaring en moet zelf de kosten van dagvaarding in tussenkomst dragen.

Alleen mevrouw **Z.** en DGN Services bv samen enerzijds (vermits ze samen hun verweer hebben georganiseerd, met één advocaat en in gezamenlijke conclusies) en de heer **V.** anderzijds kunnen aanspraak maken op een recbtsplegingsvergoeding. De heer **H.** is niet verschenen en was evenmin vertegenwoordigd en Mr. **W.** heeft als curator geen recht op een rechtsplegingsvergoeding, terwijl **F.** BVBA in eerste aanleg niet verscheen en niet vertegenwoordigd was.

Aangezien het belangrijkste deel van het nuttig verweer voor de gedaagden in tussenkomst er in bestond de afwijzing van de oorspronkelijke vordering te benaarstigen - wat toegelaten heeft het hoofdwerk aan de tweede appellante over te laten - en betwisting over de aansprakelijkheid van de betrokkenen inhoudelijk veel eenvoudiger is, is voor de vaststelling van de rechtspregingsvergoeding voor de vrijwaringsvorderingen een halvering van het basisbedrag gepast. Op die manier wordt rekening gehouden met de complexiteit van de zaak en met het feit dat het onredelijk zou zijn aan de gedaagden in tussenkomst. die van het werk van de tweede appellante kunnen genieten, een even grote vergoeding toe te kennen als deze die de eerste appellant verschuldigd is (zie randnr. 5.1.).

Vermits de waarde van de vorderingen. bepaald zoals voorzien in de artikelen 557 tot 562 en artikel 618 Ger.W. zich in de· schijf van 250.000,01 tot 500.000,00 euro bevindt, is het basisbedrag gelijk aan … euro, waarvan de helft … euro bedraagt.

### Beschikkend gedeelte

**OP DIE GRONDEN,**

**HET HOF,**

recht doende op **tegenspraak**;

gelet op artikel 24 van de Wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken;

gehoord in openbare terechtzitting de verschenen partijen in hun middelen en conclusies,

voegt de zaken die door de hoger vermelde afzonderlijke akten van hoger beroep zijn ingesteld;

verklaart het hoger beroep van de beide appellanten ontvankelijk en verklaart ze beide ongegrond; bevestigt het bestreden vonnis, behalve waar het uitspraak deed over de gerechtskosten en doet over de gerechtskosten opnieuw recht;

veroordeelt de eerste appellant tot het betalen van de gerechtskosten van de beide aanleggen met betrekking tot de vordering tegen hem ingesteld door de tweede appellante en stelt die kosten ars volgt vast :

\- aan de kant van de eerste appellant :

• rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg : … EUR

• kosten cassatie : … EUR

• dagvaardingskosten na cassatie : … EUR

\- aan de kant van de tweede appellante :

• dagvaardingskosten : … EUR

• rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg : … EUR

• recbtsplegingsvergoeding hoger beroep : … EUR

veroordeelt de tweede appellante tot het betalen van de gerechtskosten van de gedaagden in tussenkomst, en dit voor .de beide aanleggen, vastgesteld als volgt :

\- aan de kant van de tweede appellante :

• dagvaardingskosten voor beide aanleggen : … EUR

• rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg : … EUR

\- aan de kant van **A. Z.** en DGN Services bv

• rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg : … EUR

• rechtsplegingsvergoeding hoger beroep : … EUR

\- aan de kant van **P. V.**:

• rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg : … EUR

• rechtsplegingsvergoeding hoger beroep : … EUR

\- aan de kant van **J. H.** : *nihil*

\- aan de kant van Mr. *W.* qq. : *nihil*

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van beroep te Gent, **vijfde kamer**, recht doende in fiscale zaken, op **DRIEËNTWINTIG OKTOBER TWEEDUIZEND EN TWAALF**.

Aanwezig de Heren :

**A. D. M.**, Kamervoorzitter, Voorzitter,

**G. T.** en **D. V.**, Raadsheren,

**M. V.,** griffier.

**M. V.** **D. V.** **G. T.** **A. D. M.**

## Aangehaalde teksten

9

[KB nr. 1 art. 5](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-1-artikel-6caa) 2 voorkomens

[WBTW art. 62](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-62) 2 voorkomens

[WBTW art. 63](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-63) 2 voorkomens

[Zesde richtlijn 77/388 art. 28quater](https://juriel.be/nl/unierecht/zesde-richtlijn-77-388/artikel-28quater) 2 voorkomens

[KB nr. 52 art. 1](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-52-vrijstellingen-intracommunautaire-gelijkgestelde-handelingen-b8b9) 1 voorkomen

[KB nr. 52 art. 2](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-52-vrijstellingen-intracommunautaire-gelijkgestelde-handelingen-b8b9) 1 voorkomen

[KB nr. 52 art. 3](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-52-vrijstellingen-intracommunautaire-gelijkgestelde-handelingen-b8b9) 1 voorkomen

[WBTW art. 93quaterdecies](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-93quaterdecies) 1 voorkomen

[C-409/04, arrest van 27 september 2007](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-409-04-arrest) 1 voorkomen

## Vergelijkbare beslissingen

8

[Vrijstelling, Advocaten, Afschaffing, Juridictionele waarborgen, Bijstand van een advocaat](https://juriel.be/nl/rechtspraak/vrijstelling-advocaten-afschaffing-juridictionele-grondwettelijk-hof-brussel-2014-11-13-165-2014) 3 gemeenschappelijke bepalingen

[Bewijsmiddelen en controlemaatregelen, voorleggen van boeken en bescheiden](https://juriel.be/nl/rechtspraak/bewijsmiddelen-controlemaatregelen-voorleggen-boeken-bescheiden-hof-van-beroep-gent-2015-01-13-000b) 3 gemeenschappelijke bepalingen

[Tarieven, Recht op Aftrek, vrijstelling, boetes, tarief](https://juriel.be/nl/rechtspraak/tarieven-recht-aftrek-vrijstelling-boetes-rechtbank-gent-2013-06-11-ab3d) 3 gemeenschappelijke bepalingen

[Strafdossier, Inzage, Verjaring, Rechten van de verdediging, Aftrek, Neutraliteit](https://juriel.be/nl/rechtspraak/strafdossier-inzage-verjaring-rechten-verdediging-hof-van-beroep-luik-2020-04-24-5cae) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Tarief dat van toepassing is voor werken in onroerende staat -Voorwaarden](https://juriel.be/nl/rechtspraak/tarief-toepassing-werken-in-onroerende-rechtbank-2022-07-01-5ebe) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Recht op aftrek van Btw, bewijslast, territoriale bevoegdheid](https://juriel.be/nl/rechtspraak/recht-aftrek-btw-bewijslast-territoriale-rechtbank-bergen-2025-09-01-066f) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Organisatie Evenementen, Zakenkantoor, Inbreuken, organisatie van evenementen, overtreding](https://juriel.be/nl/rechtspraak/btw-organisatie-evenementen-zakenkantoor-inbreuken-rechtbank-brussel-2026-04-08-0a1a) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Zetel van economische activiteit, strafrechtelijk gewijsde, misbruik](https://juriel.be/nl/rechtspraak/zetel-economische-activiteit-strafrechtelijk-gewijsde-hof-van-beroep-gent-2024-01-09-351c) 2 gemeenschappelijke bepalingen
