---
title: "Rechterlijke toetsing BTW-boetes · Hof van beroep te Antwerpen, 7 maart 2006"
description: "Rechterlijke toetsing BTW-boetes. Hof van beroep te Antwerpen (België), 7 maart 2006."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak/rechterlijke-toetsing-btw-boetes-hof-van-beroep-antwerpen-2006-03-07-031d"
lang: "nl"
---

# Rechterlijke toetsing BTW-boetes · BTW,Rechterlijke toetsing BTW-boetes

**Rechtscollege**

Hof van beroep

**Zetel**

Antwerpen

**Datum**

7 maart 2006

## Procesverloop

2 stappen · 3 jaar 8 maanden

1. [Bestreden beslissing Rechtbank van eerste aanleg te Hasselt 19.06.2002](https://juriel.be/nl/rechtspraak/strafbepaling-administratieve-geldboete-strafrechtelijke-sanctie-rechtbank-hasselt-2002-06-19-9faa)
2. Weergegeven beslissing Hof van beroep te Antwerpen 07.03.2006

## Over het document

**Verzameling**

Belgische rechtspraak

**Taal van de tekst**

Nederlands

## Tekst

123 paragrafen

### Fiche van de FOD Financiën

**ARREST A 06/6**

**Arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen dd. 07.03.2006**

## Fiscale Actualiteit 2008, 03/22

*BTW - Rechterlijke toetsing BTW-boetes*

Een belastingplichtige heeft de BTW op fictieve facturen die hij ontving van leveranciers in aftrek genomen. Naar aanleiding van een BTW-controle wordt de aftrek van de BTW verworpen en wordt aan de belastingplichtige een boete van 200% opgelegd wegens fraude.

Het Hof van Beroep oordeelt dat de rechter kan overgaan tot een toetsing van de boete van 200% en deze kan verminderen rekening houdend met de zwaarte van de inbreuk en de al opgelegde sancties.

## Commentaar

De Rechtbank van Eerste Aanleg te Hasselt had in het kader van deze zaak prejudiciële vragen gesteld aan het Arbitragehof, waarbij het Arbitragehof stelde dat de rechter bij wie een verzet tegen dwangbevel aanhangig is, een controle met volle rechtsmacht moet kunnen uitoefenen op de fiscale boete die wordt opgelegd door de BTW-administratie (24 februari 1999). Dit toetsingsrecht houdt echter niet in dat de rechter boetes kan kwijtschelden of verminderen louter om redenen van opportuniteit ([Cass., 21 januari 2005](https://juriel.be/nl/rechtspraak/administratieve-sancties-repressief-karakter-wettelijkheid-cassatie-brussel-2005-01-21-fb70)).

Ook het non bis in idem beginsel komt aan bod in het arrest. De belastingplichtige stelt dat haar bestuurders reeds waren veroordeeld, waardoor geen BTW-boete, die een strafrechtelijk karakter heeft, meer kan worden opgelegd aan de vennootschap. Het Hof volgt de belastingplichtige hierin niet aangezien het Hof stelt dat het non bis in idem beginsel niet van toepassing kan zijn ten aanzien van de administratieve sanctie die wordt opgelegd aan de vennootschap aangezien de vennootschap nog niet werd bestraft voor de gepleegde inbreuken (enkel de afgevaardigde bestuurders werden reeds bestraft).

*Auteur : K. Demeurichy*

Nummer:

Rep. Nummer:

Zitting van:

7/3/2006

### Tekst van de beslissing

Het **Hof van beroep te Antwerpen, zitting houdend te Antwerpen, ZESDE KAMER,**

Recht doende in burgerlijke zaken,

heeft het volgende arrest uitgesproken:

In zake: 2002/AR/2046

de **BELGISCHE STAAT,** Federale Overheidsdienst Financiën (voorheen Ministerie van Financiën), Administratie van de B.T.W., registratie en domeinen, in de persoon van de heer Minister van Financiën, wiens kabinet gevestigd is te ..., vertegenwoordigd door de e.a. inspecteur van het tweede B.T.W.-Ontvangkantoor te Hasselt, waarvan de kantoren gevestigd zijn te ...;

a p p e l l a n t,

tegen het vonnis gewezen door de rechtbank van eerste aanleg te Hasselt van 19 juni 2002;

vertegenwoordigd door Meester A. V.L.d.J., advocaat te ...;

tegen:

**N.V. M.,** voorheen N.V. L., met maatschappelijke zetel te ..., H.R. te Tongeren N° 40.700, ondernemingsnummer 0407.260.636;

g e ï n t i m e e r d e

vertegenwoordigd door Meester C. L. lodo Meester R. T., advocaat te ...;

---

Gelet op de door de wet vereiste processtukken in behoorlijke vorm overgelegd waaronder een eensluitend afschrift van het bestreden vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Hasselt van 19 juni 2002, waarvan geen akte van betekening wordt voorgelegd, alsmede het verzoekschrift tot hoger beroep, neergelegd ter griffie van het Hof van beroep te Antwerpen op 16 augustus 2002, waarbij een naar vorm en termijn regelmatig en ontvankelijk hoger beroep wordt ingesteld.

Gelet op het ontvankelijk incidenteel beroep ingesteld door geïntimeerde bij conclusies neergelegd ter griffie van het Hof op 9 juli 2003.

**1. Voorafgaande feiten en procedure:**

**1.1.**

Naar aanleiding van een BTW - controle op de maatschappelijke zetel van geïntimeerde op 24 juni 1994 worden diverse inbreuken op de aftrekregeling overeenkomstig artikel 45 van het BTW - Wetboek en [artikel 3 §1 van het K.B. nr. 3](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-3-artikel-historiek-236d) van 10 december 1969 vastgesteld, met name het ten onrechte aftrekken van BTW op fictieve facturen uitgereikt door de genaamde P. S. onder de benamingen BVBA A., BVBA S. en BVBA S.P. aan appellante.

Deze inbreuken worden opgenomen in het proces-verbaal van 29 augustus 1994, waarin de afgevaardigde bestuurders van geïntimeerde deze inbreuken erkennen.

**1.2.**

Bij vonnis van de correctionele rechtbank te Antwerpen van 14 oktober 1994, dat inmiddels in kracht van gewijsde is getreden, worden beide afgevaardigde bestuurders elke veroordeeld tot een gevangenisstraf van 15 maanden met uitstel gedurende vijf jaar en tot een geldboete van 500.000 BEF (thans 12 394,68 euro).

**1.3.**

Op 4 november 1994 wordt ten laste van geïntimeerde een dwangbevel uitgevaardigd, dat op 24 november 1994 wordt geviseerd en uitvoerbaar verklaard en op 9 december 1994 wordt betekend aan geïntimeerde.

In dit dwangbevel wordt betaling gevorderd van de som van 2.315.027 BEF (thans 57 388,02 euro) ontdoken en verschuldigde BTW, 4.630.000 BEF (thans 114 774,70 euro) administratieve geldboeten (200% van de ontdoken BTW krachtens artikel 70 §1, 70 §1 bis en 70 §2 BTW - Wetboek), te verhogen met de intresten en de vervolgingskosten.

**1.4.**

Bij akte van 1 februari 1995 tekent geïntimeerde verzet aan tegen het dwangbevel en vordert zij het dwangbevel te vernietigen voor wat de opgelegde BTW - boete van 4.630.000 BEF en de daarop door de administratie aangerekende intresten betreft; de boete volledig kwijt te schelden, minstens vermindering te verlenen; terugbetaling te bevelen van alle sommen die op grond van dit dwangbevel ten onrechte zouden worden geïnd of ingehouden, vermeerderd met de nalatigheidsintresten voorzien in het BTW - Wetboek en appelant te veroordelen tot de kosten; het vonnis uitvoerbaar te verklaren bij voorraad, niettegenstaande alle verhaal en zonder borgstelling en met uitsluting van het kantonnement.

**1.5.**

Bij vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Tongeren van 20 december 1995 wordt de zaak met akkoord van partijen verzonden naar de rechtbank van eerste aanleg te Hasselt.

**1.6.**

Bij vonnis van 19 januari 1998 verklaart de rechtbank van eerste aanleg te Hasselt het verzet ontvankelijk en alvorens ten gronde te statueren, zegt voor recht dat volgende prejudiciële vragen worden gesteld aan het Arbitragehof:

*1°* *Is art. 70 B.T.W. - Wetboek, voor zover nodig in combinatie met art. 84, 2de lid B.T.W. - Wetboek, in de interpretatie dat de in art. 70 B.T.W. - Wetboek voorziene fiscale boeten, opgelegd door de administratie, verschuldigd zijn ongeacht de schuld of de goede trouw van de belastingplichtige, en zonder dat de rechterlijke macht bevoegd geacht wordt om te oordelen of er enige schuld of kwade trouw aanwezig is op grond waarvan de oplegging van de boete gegrond is, en zonder dat de rechterlijke macht bevoegd geacht wordt om de evenredigheid van de opgelegde boete te beoordelen en, desgevallend rekening houdend met verzachtende omstandigheden of rechtvaardigingsgronden, een vermindering of kwijtschelding toe te staan, strijdig met het Grondwettelijk non - discriminatiebeginsel art. 10 - 11 G.W.), gelet op het feit dat de voormelde appreciatie en milderingen overeenkomstig art. 73 quinquies B.T.W. - Wetboek wel zijn toegestaan voor de bestraffing van dezelfde feiten via strafrechtelijke boeten?*

*2°* *Indien het antwoord op de eerste vraag positief is, geldt dan het volgende voor wat betreft de overtreding van de B.T.W. - reglementering die niet werden gepleegd met bedrieglijk opzet of met het oogmerk om te schaden, en die derhalve wel aanleiding kunnen geven tot een administratieve boete, doch die niet kunnen worden gestraft met een sanctie als bedoeld in art. 73 B.T.W. - Wetboek: is voor wat betreft deze overtredingen art. 70 B.T.W. - Wetboek, voor zover nodig in combinatie met art. 84, 2de lid B.T.W.-Wetboek, in de interpretatie dat de in art. 70 B.T.W.-Wetboek voorziene fiscale boeten, opgelegd door de administratie, verschuldigd zijn ongeacht de schuld of de goede trouw van de belastingplichtige, en zonder dat de rechterlijke macht bevoegd wordt geacht om te oordelen of er enige schuld of kwade trouw is op grond waarvan de oplegging van de boete gegrond is, en zonder dat de rechterlijke macht bevoegd geacht wordt om de evenredigheid van de opgelegde boete te beoordelen en, desgevallend rekening houdend met verzachtende omstandigheden of rechtvaardigingsgronden, een vermindering of kwijtschelding toe te staan, strijdig met het Grondwettelijk non - discriminatiebeginsel (art. 10 - 11 G.W.) gelet op het feit dat de voormelde appreciatie en milderingen overeenkomstig het antwoord op de eerste prejudiciële vraag wel zijn toegestaan voor de administratieve geldboeten die worden opgelegd wegens overtredingen die tevens kunnen worden bestraft met strafrechtelijke boeten zoals bedoeld in art. 73 B.T.W.-Wetboek, gelet op het feit dat het evenredigheidsbeginsel vereist dat op een lichtere overtreding geen strengere (of zelfs geen even strenge) sanctie mag worden gesteld als op een zwaardere overtreding?*

**1.7.**

Bij arrest van 24 februari 1999 zegt het Arbitragehof voor recht:

•*In zoverre het in die zin wordt geïnterpreteerd dat het de rechter bij wie een verzet tegen dwangbevel aanhangig is, niet toestaat op de beslissing een fiscale beldboete op te leggen, een controle met volle rechtsmacht uit te oefenen, schendt artikel 70 van het B.T.W.-Wetboek de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.*

•*In zoverre het in die zin wordt geïnterpreteerd dat het de rechter bij wie een verzet tegen dwangbevel aanhangig is, toestaat op de beslissing een fiscale geldboete op te leggen, een controle met volle rechtsmacht uit te oefenen, schendt artikel 70 van het B.T.W.-Wetboek de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet.*

**1.8.**

Bij vonnis van 20 maart 2002 heropent de rechtbank ambtshalve de debatten teneinde geïntimeerde toe te laten een volledig en regelmatig voor eenslkuitend verklaard afschrift met vermelding van kracht van gewijsde van het vonnis van de correctionele rechtbank te Antwerpen van 14 oktober 1994 bij te brengen, vermits geïntimeerde zich in conclusies beriep op de toepassing van artikel 14 B.U.P.O.-Verdrag of het non bis in idem beginsel.

**1.9.**

Bij bestreden vonnis van 19 juni 2002 verklaart de rechtbank van eerste aanleg te Hasselt het verzet tegen het dwangbevel van 4.11.1994 ontvankelijk en in de hierna volgende mate gegrond; zegt voor recht dat de geldboete zoals voorzien in het dwangbevel van 4.11.1994 wordt herleid tot 50% boven op de verschuldigde rechten, deze boete te verhogen met de moratoire intresten op de wijze zoals opgenomen in het bestreden dwangbevel conform [artikel 91 §4](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-91) Wetboek - B.T.W.; veroordeelt beide partijen elk tot de helft der kosten.

**1.10.**

Het hoger beroep van appellant strekt ertoe het bestreden vonnis te vernietigen en het verzet ingesteld bij deurwaardersexploot van 1 februari 1995 tegen het dwangbevel van 4 november 1994 ongegrond te verklaren, dienvolgens geïntimeerde ervan te wijzen en haar te veroordelen tot de kosten van het geding.

Appellant houdt voor dat de rechter de opgelegde fiscale boete niet kan verminderen.

Volgens appellant betekent een 'controle met volle rechtsmacht' dat indien de administratie de mogelijkheid heeft om de sanctie te moduleren, ook de rechter deze mogelijkheid heeft. Aangezien [artikel 1 van het K.B. nr. 41](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-41-januari-vaststelling-bedrag-proportionele-fiscale-d48c#ar41-art1) tot uitvoering van de artikelen 70 en 84 van het B.T.W. - Wetboek stelt dat de verminderde geldboeten niet van toepassing zijn ten aanzien van overtredingen begaan met het oogmerk de belasting te ontduiken of de ontduiking ervan mogelijk te maken, heeft de rechter volgens appellant deze matigingsbevoegdheid niet, nu het bedrieglijk opzet van de afgevaardigde bestuurders van geïntimeerde reeds bewezen werd verklaard door het vonnis van de correctionele rechtbank te Antwerpen van 10 oktober 1994.

Verder stelt appellant dat het non bis in idem beginsel te dezen niet van toepassing is nu, op het ogenblik dat aan geïntimeerde een fiscale boete werd opgelegd, weliswaar haar afgevaardigde bestuurders reeds waren bestraft doch niet geïntimeerde zelf, zodat er geen beletsel bestond om haar alsnog een sanctie op te leggen, gelet op de pluraliteit van daders.

**1.11.**

Geïntimeerde concludeert tot de ongegrondheid van het hoger beroep en vordert bij incidenteel beroep het bestreden vonnis te hervormen teneinde haar vordering volledig gegrond te verklaren en derhalve in hoofdorde de kwijtschelding te verlenen van de door de administratie in het dwangbevel gevorderde geldboete van 200 %; in ondergeschikte orde vordert zij het bestreden vonnis te bevestigen; tenslotte vordert zij de veroordeling van appellant tot de kosten van het geding.

Geïntimeerde voert daartoe aan dat de opgelegde boete ongetwijfeld een strafkarakter heeft, zodat het non bis in idem beginsel toepassing vindt en de gevorderde B.T.W.-boete derhalve integraal moet kwijtgescholden worden.

Volgens geïntimeerde dient de strafsanctie alleszins kwijtgescholden te worden op grond van het adagium "societas delinquere potest, sed non puniri potest".

Tenslotte stelt geïntimeerde dat de opgelegde boete alleszins dient verminderd te worden vermits een boete van 200 % onevenredig is en te zwaar voor de begane overtreding.

**2. In rechte:**

**2.1.** **De rechterlijke controle op de administratieve geldboete.**

Krachtens artikel 70 §1 B.T.W. - Wetboek wordt voor iedere overtreding van de verplichting de belasting te voldoen, een geldboete opgelegd gelijk aan het dubbele van de ontdoken of niet tijdig betaalde belasting.

Krachtens artikel 84 van het B.T.W. - Wetboek wordt, binnen de door de wet gestelde grenzen, het bedrag van de proportionele fiscale boeten bepaald volgens een schaal waarvan de trappen door de Koning worden vastgesteld.

Krachtens [artikel 1 van het K.B. nr. 41](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-41-januari-vaststelling-bedrag-proportionele-fiscale-d48c#ar41-art1) van 30 januari 1987 tot vaststelling van het bedrag van de proportionele fiscale geldboeten, zijn de schalen voor vermindering van de proportionele fiscale geldboeten niet van toepassing ten aanzien van overtredingen begaan met het oogmerk de belasting te ontduiken of de ontduiking ervan mogelijk te maken.

Belastingschuldigen kunnen tegen een dwangbevel van de invorderingsambtenaar verzet doen.

De rechter aan wie gevraagd wordt de sanctie opgelegd op grond van artikel 70 van het B.T.W. - Wetboek te toetsen, mag de wettelijkheid van die sanctie onderzoeken en mag in het bijzonder nagaan of die sanctie verzoenbaar is met de dwingende eisen van internationale verdragen en van het interne recht, met inbegrip van de algemene rechtsbeginselen.

Dit toetsingsrecht moet in het bijzonder de rechter toelaten na te gaan of de straf niet onevenredig is met de inbreuk, zodat het aan de rechter staat te onderzoeken of het bestuur naar redelijkheid kon overgaan tot het opleggen van een administratieve geldboete van zodanige omvang.

Hierbij mag hij inzonderheid acht slaan op de zwaarte van de inbreuk, de hoogte van reeds opgelegde sancties en de wijze waarop in gelijkaardige zaken werd geoordeeld, maar moet in acht nemen in welke mate het bestuur zelf gebonden was in verband met die sanctie.

Dit toetsingsrecht houdt niet in dat de rechter op grond van een subjectieve appreciatie van verzachtende omstandigheden eigen aan de persoon van de belastingschuldige om loutere redenen van opportuniteit en tegen wettelijke regels in, boeten kan kwijtschelden of verminderen ([Cass., 21 januari 2005](https://juriel.be/nl/rechtspraak/administratieve-sancties-repressief-karakter-wettelijkheid-cassatie-brussel-2005-01-21-fb70), R.W., 2005-2006, 1015).

De rechter moet kunnen nagaan of de straf niet onevenredig is met de overtreding en in voorkomend geval de administratieve sancties verminderen. Het zorgvuldigheidsbeginsel houdt immers in dat bij de voorbereiding en bij het nemen van een overheidsbesluit alle relevante factoren en omstandigheden worden afgewogen; als materiële component zit hierin onder meer vervat dat de voor de belanghebbende nadelige gevolgen niet onevenredig mogen zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelstellingen.

De sanctiemaat mag dus niet onevenredig zijn in verhouding tot de handhavings- en repressiedoelstelling, waarbij de ernst van de overtreding de eerste wegingsfactor van belang blijft. De beslissing kan wel op zorgvuldigheid (inclusief evenredigheid) worden getoetst, maar niet op loutere opportuniteit en billijkheid (bv. verzachtende omstandigheden) (conclusie advocaat-generaal Thijs bij Cass., 21 jan. 2005, R.W., 2005-2006,1015).

**2.2. De toepassing van het non bis in idem beginsel.**

Dat de fiscale geldboete een strafrechterlijk karakter heeft, wordt niet (meer) betwist.

Derhalve zijn niet alleen de waarborgen van artikel 6 E.V.R.M. van toespassing, doch ook de waarborgen van artikel 14 B.U.P.O.-Verdrag.

Krachtens artikel 14 §7 B.U.P.O. - Verdrag mag niemand voor een tweede keer worden berecht of gestraft voor een strafbaar feit waarvoor hij reeds overeenkomstig de wet en het procesrecht van elk land bij einduitspraak is veroordeeld of waarvan hij is vrijgesproken.

Geïntimeerde stelt dat haar afgevaardigde bestuurders bij vonnis van de correctionele rechtbank van Antwerpen van 14 oktober 1994 ieder veroordeeld werden tot een hoofdgevangenisstraf van 15 maanden (met uitstel) en tot een geldboete van 500.000 BEF en dat omwille van het strafrechtelijk gewijsde van dit vonnis en de hieruit voortvloeiende toepassing van het "non bis in idem"beginsel, de rechter voor dezelfde feiten geen B.T.W.-boete van 200%, die een strafrechtelijk karakter heeft, meer kan opleggen.

Appellant stelt dat ofschoon in casu de administratieve sanctie werd opgelegd na de strafsanctie, artikel 14 §7 B.U.P.O.-Verdrag en het non bis in idem beginsel geen beletsel vormen voor de navordering van de B.T.W. - boete, vermits geïntimeerde op het ogenblik dat een administratie een administratieve boete vorderde nog niet bestraft was, gelet op de pluraliteit van daders.

Naast de identiteit van de feiten vereist het non bis in idem beginsel ook de identiteit van de persoon op wie de cumulatie van strafsancties betrekking heeft.

Derhalve dient nagegaan te worden in hoeverre de rechtspersoon aan wie de administratieve sanctie werd opgelegd, dezelfde is als de persoon die strafrechtelijk werd veroordeeld, te dezen de afgevaardigde bestuurders van geïntimeerde aan wie het gepleegde misdrijd door de strafrechter werd toegerekend.

De wet van 4 mei 1999 tot invoering van de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van de rechtspersoon is in casu niet van toepassing, vermits de feiten gepleegd werden voor 2 juli 1999, zijnde de datum van inwerkingtreding van de wet.

Voor de inwerkingtreding van de wet van 4 mei 1999 gold als algemeen principe dat de rechtspersoon weliswaar een misdrijf kon plegen doch er niet voor kon bestraft worden ("societas delinquere potest, sed non puniri potest").

Het daderschap van de rechtspersoon werd erkend, doch de rechtspersoon kon niet het voorwerp uitmaken van een strafrechtelijke vervolging en veroordeling. Enkel de natuurlijke personen die voor de rechtspersonen hadden gehandeld of hadden nagelaten te handelen, konden worden gestraft.

De strafrechtelijke verantwoordelijkheid voor het misdrijf rustte op de natuurlijke personen die voor de rechtspersoon hadden gehandeld of hadden nagelaten te handelen. Teneinde het misdrijf niet ongestraft te laten, werd het mechanisme van de toerekening in het leven geroepen, uitgaande van het principe dat een rechtspersoon weliswaar een misdrijf kan plegen, doch handelt doorheen een natuurlijke persoon, die er dan ook kon voor gestraft worden.

Het uitgangspunt van het toerekeningsmechanisme is het causaal verband tussen feit en dader.

De voorwaarden die gesteld worden opdat de feiten, gepleegd door een rechtspersoon, aan een natuurlijke persoon kunnen worden toegerekend, worden even streng geacht als deze, vereist om een natuurlijke persoon, los van enige rechtspersoon, strafrechtelijk verantwoordelijk te stellen, zodat de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van de natuurlijke personen voor misdrijven gepleegd door een vennootschap en die hen worden toegerekend, noch een objectieve strafrechtelijke verantwoordelijkheid is, noch een strafrechtelijke verantwoordelijkheid voor een ander.

De eerste rechter heeft dan ook terecht geoordeeld dat de interpretatie van geïntimeerde dat men voor de invoering van de wet van 4 mei 1999 niet kan spreken van pluraliteit van daders en derhalve maar één dader kan bestaan van het misdrijf, met name de rechtspersoon, die foutief is, daar zij het mechanisme van de toerekening van het misdrijf aan de natuurlijke persoon miskent.

In het kader van de strafprocedure waarbij de afgevaardigde bestuurders van geïntimeerde strafrechtelijke veroordeeld werden voor de inbreuken gepleegd op de B.T.W. - wetgeving, heeft de strafrechter een toerekening van het misdrijf aan de natuurlijke personen binnen de rechtspersoon uitgevoerd, vermits hij bij gebreke aan een wettelijke toerekenbaarheid de strafbare dader - natuurlijke persoon diende aan te wijzen.

De strafrechter heeft vervolgens in hoofde van de afgevaardigde bestuurders van geïntimeerde een persoonlijke fout weerhouden met betrekking tot de misdrijven inzake B.T.W. en meer in het bijzonder dat het bijzonder opzet, met name het oogmerk om een zuiver fiscaal misdrijf te plegen, in hunnen hoofde aanwezig was, daar zij wetens en willens de betaalde B.T.W. in aftrek brachten overeenkomstig artikel 45 B.T.W. - Wetboek voor goederen en diensten die aan hen niet werden verstrekt.

Geïntimeerde betwist niet dat de misdrijven inzake B.T.W. in beginsel eveneens begaan werden door geïntimeerde als rechtspersoon.

Nu de inbreuken begaan werden zowal door geïntimeerde zelf als vennootschap als door haar afgevaardigde bestuurders als de natuurlijke personen aan wie de misdrijven dienden toegerekend te worden, om tot effectieve bestraffing te kunnen komen, gelet op de onmogelijkheid van bestraffing van de rechtspersoon, dient vastgesteld te worden dat het non bis in idem beginsel niet van toepassing kan zijn ten aanzien van de administratieve sanctie ten laste van geïntimeerde als vennootschap, nu zij nog niet voor de betrokken inbreuken werd bestraft.

**2.3.** **De vordering tot kwijtschelding van de boete op grond van het adagium "societas delinquere potest, sed non puniri potest".**

Geïntimeerde houdt voor dat, nu de rechtspersoon op het ogenblik van het uitvaardigen van het dwangbevel van 24 november 1994, niet strafrechtelijk kon veroordeeld worden zij ook geen sanctie met een strafrechtelijk karakter kan opgelegd krijgen.

De eerste rechter heeft terecht geoordeeld dat het feit dat de administratieve geldboeten in wezen strafsancties betreffen in de zin van artikel 6 E.V.R.M. en artikel 14§7 B.U.P.O.-Verdrag geenszins betekent dat het nationale strafrecht en strafprocesrecht van toepassing worden, doch enkel dat aan de waarborgen van artikel 6 E.V.R.M. en artikel 14 §7 B.U.P.O.-Verdrag moet tegemoet gekomen worden.

**2.4.** **Kwijtschelding dan wel vermindering van de opgelegde boete.**

Zoals hiervoor onder 2.1. uiteengezet moet het toetsingsrecht aan de rechter toelaten na te gaan of de straf niet onevenredig is met de inbreuk, zodat de rechter dient te onderzoeken of het bestuur naar redelijkheid kon overgaan tot het opleggen van een administratieve geldboete van zodanige omvang.

De rechter kan niet op grond van een subjectieve appreciatie van verzachtende omstandigheden eigen aan de persoon van de belastingschuldige om loutere redenen van opportuniteit boeten kwijtschelden of verminderen.

De uitsluiting van de opportuniteitsbeoordeling kan evenwel niet tot gevolg hebben dat de boete niet kan worden verminderd, zelfs niet bij onevenredigheid met de overtreding.

Derhalve dient in casu nagegaan te worden of de opgelegde boete van 4.630.000 BEF (thans 114 774,70 euro) in verhouding staat met de concrete gegevens van de zaak.

Dat geïntimeerde wetens en willens heeft gehandeld door de B.T.W. in aftrek te brengen overeenkomstig artikel 45 B.T.W.-Wetboek voor goederen en diensten die haar niet werden verstrekt, staat vast. Het bedrieglijk opzet terzake is bewezen.

Appellante dient de gevolgen van haar handelen, met name inbreuken op een aantal fiscale verplichtingen, te dragen.

De vennootschap werd anderzijds reeds onrechtstreeks getroffen door de strafrechtelijke veroordeling van elk van haar afgevaardigde bestuurders tot een geldboete van 500.000 BEF (thans 12 394,68 euro). De eerste rechter heeft terecht geoordeeld dat de rechtbank dit gegeven kan betrekken in de beoordeling omtrent de verhouding van de boete met de gegeven omstandigheden.

De vennootschap enerzijds en de afgevaardigde bestuurders anderzijds kunnen niet los van elkaar beschouwd worden, doch vormen een zelfde economische entiteit, hetgeen onder meer blijkt uit het feit dat de terugbetaling van de ontdoken belasting en de erop verschuldigde intresten, mee gefinancierd werd door de familie van de beide afgevaardigde bestuurders (onder meer door de verkoop van de aandelen van de patrimoniumvennootschappen van de families).

Rekening houdend met de zwaarte van de inbreuk en de hoogte van de reeds opgelegde sancties, heeft de eerste rechter terecht de opgelegde boete verminderd tot 50%.

**2.5. Besluit.**

Het bestreden vonnis is op juiste en oordeelkundige gronden gesteund en dient bevestigd te worden.

Het hoger beroep van appellant en het incidenteel beroep van geïntimeerde zijn ongegrond.

Appellant dient veroordeeld te worden tot de kosten van het hoger beroep, zoals hierna begroot.

### Beschikkend gedeelte

**OM DEZE REDENEN,**

**HET HOF,** recht doende op tegenspraak,

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935.

Verklaart het hoger beroep van appellant en het incidenteel beroep van geïntimeerde ontvankelijk doch ongegrond.

Bevestigen het bestreden vonnis.

Veroordeelt appellant tot de kosten van het hoger beroep, begroot aan de zijde van geïntimeerde op 446,22 EUR, volgens opgave in conclusie.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het **HOF VAN BEROEP te ANTWERPEN** van **ZEVEN MAART** **TWEEDUIZENDENZES,**

waar aanwezig waren:

R. T., Voorzitter;

D. W.

en M. V.D.B., Raadsheren

A. V.L., Griffier.

## Aangehaalde teksten

3

[KB nr. 41 art. 1](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-41-januari-vaststelling-bedrag-proportionele-fiscale-d48c) 2 voorkomens

[KB nr. 3 art. 3](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-3-artikel-historiek-236d) 1 voorkomen

[WBTW art. 91](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-91) 1 voorkomen

## Vergelijkbare beslissingen

8

[Recht op aftrek, Facturen van onderaannemers, Verplichte vermeldingen](https://juriel.be/nl/rechtspraak/recht-aftrek-facturen-onderaannemers-verplichte-rechtbank-bergen-2019-04-09-0896) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Btw-carrousel, Deelname, Weigering van de aftrek](https://juriel.be/nl/rechtspraak/btw-carrousel-deelname-weigering-aftrek-hof-van-beroep-brussel-2020-09-10-35f7) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Recht op aftrek, Tegoed op de rekening-courant](https://juriel.be/nl/rechtspraak/recht-aftrek-tegoed-rekening-courant-rechtbank-brussel-2023-01-18-76d4) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Recht op aftrek](https://juriel.be/nl/rechtspraak/recht-aftrek-formele-materiele-voorwaarden-rechtbank-2023-05-19-c61f) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Nietigheid proces-verbaal, Recht op aftrek, Fraude, Boete en intresten](https://juriel.be/nl/rechtspraak/nietigheid-proces-verbaal-recht-aftrek-hof-van-beroep-gent-2024-03-05-5b56) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Aanwijzingen voor fraude, Regularisatieoverzicht, Proces-verbaal, Ontvangstregister](https://juriel.be/nl/rechtspraak/aanwijzingen-fraude-regularisatieoverzicht-proces-verbaal-rechtbank-nijvel-2024-01-08-5c8e) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Verplichtingen van de belastingplichtige, Indienen van periodieke aangiften](https://juriel.be/nl/rechtspraak/verplichtingen-belastingplichtige-indienen-periodieke-aangiften-rechtbank-2025-06-10-8211) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Regelmatige factuur, Winstmargeregeling, Bewijs, Bewijskracht, Tarief, Fraude](https://juriel.be/nl/rechtspraak/regelmatige-factuur-winstmargeregeling-bewijs-bewijskracht-hof-van-beroep-gent-2023-11-28-95ae) 2 gemeenschappelijke bepalingen
