---
title: "Rechtbank van eerste aanleg te Leuven, 13 oktober 2006"
description: "Rechtbank van eerste aanleg te Leuven (België), 13 oktober 2006."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak/rechtbank-leuven-2006-10-13-47ca"
lang: "nl"
---

# Rechtbank van eerste aanleg te Leuven, 13 oktober 2006 · Belasting over de toegevoegde waarde

**Rechtscollege**

Rechtbank van eerste aanleg

**Zetel**

Leuven

**Datum**

13 oktober 2006

## Over het document

**Verzameling**

Belgische rechtspraak

**Taal van de tekst**

Nederlands

## Tekst

189 paragrafen

### Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Leuven d.d. 13.10.2006

Samenvatting niet beschikbaar

**Tekst van het vonnis**

### Tekst van de beslissing

## RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG LEUVEN, AFDELING BURGERLIJKE RECHTBANK, 12 de kamer

**Vonnis : 13 oktober 2006.**

**Eindvonnis.**

De Rechtbank van eerste aanleg te Leuven, **twaalfde kamer**, spreekt het volgende vonnis uit.

Rolnummer : **02/1926/A en 02/2256/A**

**Rolnummer : 02/1926/A**

In de zaak van :

**C. L.**, jurist, wonende te …, …, thans wonend te …, …

**eiser,**

ter zitting in persoon aanwezig

**tegen :**

**De BELGISCHE STAAT, FEDERALE OVERHEIDSDIENST FINANCIEN**, Administratie van de ondernemings- en inkomensfiscaliteit, Sector directe belastingen in de persoon van de heer Gewestelijk directeur van Leuven, met kantoor te 3001 Heverlee, Philipssite 3A bus 1.

**verweerster,**

ter zitting vertegenwoordigd door de heer **D. S. W.**, e.a. inspecteur-diensthoofd

en

**Rolnummer : 02/2256/A**

In de zaak van :

**C. L.**, jurist, wonende te …, …, thans wonend te …, …

**eiser,**

ter zitting in persoon aanwezig

**tegen :**

**De BELGISCHE STAAT, FEDERALE OVERHEIDSDIENST FINANCIEN**, Administratie van de ondernemings- en inkomensfiscaliteit, Sector directe belastingen in de persoon van de heer Gewestelijk directeur van Leuven, met kantoor te 3001 Heverlee, Philipssite 3A bus 1

**verweerster,**

ter zitting vertegenwoordigd door de heer **D. S. W.**, e.a. inspecteur-diensthoofd.

De rechtbank doet uitspraak in deze zaken die op de zitting van 15 september 2006 in beraad werden genomen.

De procedure verliep met inachtneming van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken.

De rechtbank nam onder meer kennis van :

**in de zaak met rolnummer 02/1926/A :**

\- het bezwaarschrift van 30 april 1999 en het aanvullend bezwaarschrift van 14 december 1999, gericht tegen de aanslag in de personenbelasting, aanslagjaar 1997, kohierartikel …, ingekohierd op 18 maart 1998;

\- het bezwaarschrift van 14 december 1999 en de aanvullende bezwaarschriften van 14 december 1999 en 17 juni 2000, gericht tegen de aanslag in de personenbelasting, aanslagjaar 1998, kohierartikel …, ingekohierd op 8 februari 1999;

\- het bezwaarschrift van 30 mei 2000, gericht tegen de aanslag in de personenbelasting, aanslagjaar 1999, kohierartikel …, ingekohierd op 15 maart 2000;

\- de beslissing van de ambtenaar gedelegeerd door de gewestelijke directeur van de directe belastingen te Leuven d.d. 24 juni 2002 waarbij deze bezwaarschriften ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond werden verklaard;

\- het verzoekschrift op tegenspraak ter griffie neergelegd op 24 september 2002, dat gericht is tegen dezelfde aanslagen;

\- de conclusies van partijen en de door verweerster neergelegde stukken, waaronder het administratief dossier (hierna : dossier I);

\- de overige stukken van het rechtsplegingsdossier;

**in de zaak met rolnummer 02/2256/A :**

\- het bezwaarschrift van 13 juni 1994 en de aanvullende bezwaarschriften van 10 februari 1998, 3 maart 1998, 3 juli 1998, 10 februari 1999 en 14 december 1999, gericht tegen de aanslag in de personenbelasting, aanslagjaar 1993, kohierartikel …, ingekohierd op 19 mei 1994, en tegen de aanvullende aanslag in de personenbelasting, aanslagjaar 1993, kohierartikel …, ingekohierd op 5 december 1994;

\- het bezwaarschrift van 12 juni 1995 en de aanvullende bezwaarschriften van 10 februari 1998, 3 maart 1998, 3 juli 1998, 10 februari 1999 en 14 december 1999, gericht tegen de aanslag in de personenbelasting, aanslagjaar 1994, kohierartikel …, ingekohierd op 9 december 1994;

\- het bezwaarschrift van 17 september 1996 en de aanvullende bezwaarschriften van 10 februari 1998, 3 maart 1998, 3 juli 1998; 10 februari 1999 en 14 december 1999, gericht tegen de aanslag in de personenbelasting, aanslagjaar 1995, kohierartikel …, ingekohierd 21 mei 1996;

\- het bezwaarschrift van 9 september 1997 en de aanvullende bezwaarschriften van 10 februari 1998, 3 maart 1998, 3 juli 1998, 10 februari 1999 en 14 december 1999, gericht tegen de aanslag in de personenbelasting, aanslagjaar 1996, kohierartikel …, ingekohierd op 13 maart 1997;

\- de beslissing van de ambtenaar gedelegeerd door de gewestelijke directeur van de directe belastingen te Leuven van 24 juli 2002 waarbij deze bezwaarschriften ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond werden verklaard;

\- het verzoekschrift op tegenspraak ter griffie neergelegd op 6 november 2002, dat gericht is tegen dezelfde aanslagen;

\- de conclusies van partijen en de door hen neergelegde stukken, waaronder het administratief dossier (hierna : dossier II);

\- de overige stukken van het rechtsplegingsdossier.

Zowel eiser in persoon als een ambtenaar die de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigt werden gehoord op de openbare zitting van 15 september 2006.

## I. FEITEN EN VOORWERP VAN DE VORDERING

1\. Op 25 juni 1993 deed eiser tijdig en regelmatig aangifte in de personenbelasting voor het **aanslagjaar 1993** (stuk II/33-48) .Op 19 mei 1994 werd overeenkomstig deze aangifte een aanslag gevestigd onder kohierartikel … (stuk II/113-114).

Op 2 maart 1995 verzond de administratie een bericht van wijziging (stuk II/90). Hierin werd meegedeeld dat het in België belastbaar bedrag van de in Duitsland genoten beroepsinkomsten van eiser diende te worden verhoogd.

Ondanks het niet-akkoord van eiser, meegedeeld aan verweerster per brief van 18 maart 1995 (stuk II/92-96), werd een aanvullende aanslag gevestigd overeenkomstig het bericht van wijziging onder kohierartikel …, supplement aan artikel … (stuk II/111-112).

Op 13 juni 1994 diende eiser bezwaar in tegen de aanslag in de personenbelasting voor het aanslagjaar 1993 (stuk II/5-8). Dit bezwaar gold van ambtswege ook voor de supplementaire aanslag in de personenbelasting voor hetzelfde aanslagjaar (art. 367 WIB 1992).

2\. Op 25 juni 1994 deed eiser tijdig en regelmatig aangifte in de personenbelasting voor het **aanslagjaar 1994** (stuk II/118-140). Op 9 december 1994 werd overeenkomstig deze aangifte een aanslag gevestigd onder kohierartikel … (stuk II/142-143).

Op 12 juni 1995 diende eiser bezwaar in tegen de aanslag in de personenbelasting voor het aanslagjaar 1994 (stuk II/15-19).

3\. Op 25 juni 1995 deed eiser tijdig en regelmatig aangifte in de personenbelasting voor het **aanslagjaar 1995** (stuk II/147-166). Op 21 mei 1996 werd overeenkomstig deze aangifte een aanslag gevestigd onder kohierartikel … (stuk II/168-169).

Op 17 september 1996 diende eiser bezwaar in tegen de aanslag in de personenbelasting voor het aanslagjaar 1995 (stuk II/21-22)

4\. Op 23 juni 1996 deed eiser tijdig en regelmatig aangifte in de personenbelasting voor het **aanslagjaar 1996** (stuk II/173-202). Op 13 maart 1997 werd overeenkomstig deze aangifte een aanslag gevestigd onder kohierartikel … (stuk II/204-205).

Op 9 september 1997 diende eiser bezwaar in tegen de aanslag in de personenbelasting voor het aanslagjaar 1996 (stuk II/26-27).

5\. Op 29 juni 1997 deed eiser tijdig en regelmatig aangifte in de personenbelasting voor het **aanslagjaar 1997** (stuk I/25-44). Op 18 maart 1998 werd overeenkomstig deze aangifte een aanslag gevestigd onder kohierartikel … (stuk I/46-47).

Op 30 april 1999 diende eiser bezwaar in tegen de aanslag in de personenbelasting voor het **aanslagjaar 1997** (stuk I/5-8).

6\. Op 21 juli 1998 deed eiser tijdig en regelmatig aangifte in de personenbelasting voor het **aanslagjaar 1998** (stuk I/54-79). Op 8 februari 1999 werd overeenkomstig deze aangifte een aanslag gevestigd onder kohierartikel … (stuk I/82-83).

Op 14 december 1999 diende eiser bezwaar in tegen de aanslag in de personenbelasting voor het **aanslagjaar 1998** (stuk I/15).

7\. Op 17 juli 1999 deed eiser tijdig en regelmatig aangifte in de personenbelasting voor het **aanslagjaar 1999** (stuk I/90-119). Op 15 maart 2000 werd overeenkomstig deze aangifte een aanslag gevestigd onder kohierartikel … (stuk I/120-121).

Op 30 mei 2000 diende eiser bezwaar in tegen de aanslag in de personenbelasting voor het **aanslagjaar 1999** (stuk I/20-22).

8\. Op 10 februari 1998 (stuk II/31), 3 maart 1998 (stuk II/32), 3 juli 1998 (stuk II/214-215), 10 februari 1998 (stuk II/216-217) en 14 december 1999 (stuk I/12 + I/154 + II/210)diende eiser aanvullende bezwaarschriften in tegen de aanslagen in de personenbelasting voor de aanslagjaren 1993, 1994, 1995 en 1996.

Op 11 juni 2002 werd eiser inzage verleend en werd hij gehoord met betrekking tot zijn bezwaren tegen de aanslagen in de personenbelasting voor de aanslagjaren 1997, 1998 en 1999. Eiser verklaarde bij deze gelegenheid : "Ik heb in de genoemde dossiers geen kopie gevonden van het kohier van de verschillende aanslagjaren, dat toch voorwerp van "de verschillende bezwaarschriften is" (stuk I/13).

Op 17 juni 2002 diende eiser een aanvullend bezwaarschrift in tegen de aanslag in de personenbelasting voor het aanslagjaar 1998 (stuk I/18-19).

9\. Op 24 juni 2002 werden de bezwaarschriften van eiser tegen de aanslagen in de personenbelasting voor de aanslagjaren 1997, 1998 en 1999 ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond verklaard. De ambtenaar gedelegeerd door de gewestelijke directeur verleende voor elk van deze aanslagjaren een gedeeltelijke ontheffing.

Op 24 juli 2002 werden ook de bezwaarschriften van eiser tegen de aanslagen in de personenbelasting voor de aanslagjaren 1993, 1994, 1995 en 1996 ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond verklaard. De ambtenaar gedelegeerd door de gewestelijke directeur verleende voor elk van deze aanslagjaren een gedeeltelijke ontheffing.

10\. Op 24 september 2002 legde eiser ter griffie een verzoekschrift op tegenspraak neer (rolnummer 02/1926/A).

In deze zaak vordert eiser te zeggen voor recht, in hoofdorde dat de aanslagen in de personenbelasting voor de aanslagjaren 1997, 1998 en 1999 nietig zijn, ondergeschikt dat voor de berekening van de verschuldigde personenbelasting voor deze aanslagjaren dezelfde belastingvrije som wordt toegepast als deze van ongehuwd samenwonenden, eventueel na het stellen van een nieuwe prejudiciële vraag aan het Arbitragehof, en verweerster te veroordelen tot de terugbetaling van de onverschuldigd geïnde sommen, vermeerderd met de moratorium interesten, alsmede tot de kosten.

Tevens vraagt eiser dat het vonnis uitvoerbaar bij voorraad zou worden verklaard, niettegenstaande elk rechtsmiddel en met uitsluiting van kantonnement.

11\. Op 6 november 2002 legde eiser ter griffie een tweede verzoekschrift op tegenspraak neer (rolnummer 02/2256/A).

In deze zaak vordert eiser te zeggen voor recht, in hoofdorde dat de aanslagen in de personenbelasting voor de aanslagjaren 1994, 1995 en 1996 nietig zijn, ondergeschikt dat voor de berekening van de verschuldigde personenbelasting voor de aanslagjaren 1993, 1994, 1995 en 1996 dezelfde belastingvrije som moet worden toegepast als deze van ongehuwd samenwonenden, eventueel na het stellen van een nieuwe prejudiciële vraag aan het Arbitragehof, en, voor de belastingvermindering op basis van artikel 147 WIB 1992, enkel rekening kan worden gehouden met het totale netto-inkomen van de echtgenoot die het pensioen of vervangingsinkomen ontvangen heeft, en verweerster te veroordelen tot de terugbetaling van de onverschuldigd geïnde sommen, vermeerderd met de moratoriuminteresten, alsmede tot de kosten.

Ook in deze zaak vraagt eiser dat het vonnis uitvoerbaar bij voorraad zou worden verklaard, niettegenstaande elk rechtsmiddel en met uitsluiting van kantonnement.

## II. BEOORDELING

### *Samenhang*

1\. De zaken met rolnummers 02/1926/A en 02/2256/A zijn, gelet op de identiteit van de betrokken partijen en het voorwerp van de respectieve verzoekschriften, onderling zo nauw verbonden dat het om redenen van goede rechtsbedeling wenselijk is om ze samen te behandelen en te berechten.

Bijgevolg behoort het deze zaken samen te voegen wegens hun onderlinge samenhang.

### *Ontvankelijkheid*

2\. Beide verzoekschriften werden naar vorm en tijd regelmatig neergelegd en zijn derhalve ontvankelijk.

Verweerster erkent immers dat de beslissing van de gedelegeerde ambtenaar d.d. 24 juli 2002 pas op 6 augustus 2002 bij ter post aangetekende brief aan eiser werd toegezonden op zijn juiste adres (stuk II/220). Bijgevolg is ook de vordering die eiser heeft ingesteld bij verzoekschrift neergelegd ter griffie op 6 november 2002, ingesteld binnen de wettelijk voorgeschreven vervaltermijn (art. 52, 53, 54 en 1385undecies, tweede lid Gerechtelijk Wetboek).

### *Geldigheid van de administratieve beslissingen over de bezwaarschriften van eiser*

3\. Indien een belastingplichtige niet kan instemmen met de beslissing over het door hem ingediende administratief bezwaar tegen een gevestigde belastingaanslag, staat het hem vrij de betwisting verder te zetten op gerechtelijk niveau door het instellen van een vordering in rechte overeenkomstig de artikelen 1385decies en 1385undecies van het Gerechtelijk Wetboek. Het voorwerp van de betwisting is en blijft ook tijdens de gerechtelijke procedure de aanslag zelf, waarvan de geldigheid thans wordt onderworpen aan het oordeel van de rechtbank.

De geldigheid of ongeldigheid van de administratieve beslissingen van 24 juni 2002 en 24 juli 2002 over de door eiser ingediende bezwaarschriften, heeft dan ook geen invloed op de beslechting van de onderhavige gerechtelijke procedure.

Er dient bijgevolg niet te worden onderzocht of de administratieve beslissing van 24 juli 2002 al dan niet tijdig werd genomen. Evenmin dient te worden onderzocht of de administratieve beslissing van 24 juni 2002, bij gebrek aan bijgevoegde herberekeningen, al dan niet voldoende werd gemotiveerd.

### *Bewijs van het bestaan van een uitvoerbaar kohier*

4\. De Koning regelt (onder meer) de wijze waarop men dient te handelen voor de opmaking en de kennisgeving der kohieren (art. 300, § 1, 1° WIB 1992).

De aanslagen worden op naam van de betrokken belastingschuldigen ten kohiere gebracht (art. 133, eerste lid KB/WIB 1992). Zodra de kohieren uitvoerbaar verklaard zijn, wordt aan de betrokken belastingschuldigen een *aanslagbiljet* gezonden (art. 136 KB/WIB 1992).

Het aanslagbiljet is niets anders dan een *uittreksel* uit het kohier (zie I. CLAEYS BOOUAERT, *De aanslag*, Brussel, Larcier, 1963, p. 321-322, nr. 507),

Door voor te schrijven dat aan de betrokken belastingschuldigen uittreksels uit het kohier worden gezonden, bepaalt artikel 136 KB/WIB 1992 een bijzonder *bewijsmiddel* van het kohier. Deze uittreksels worden vermoed gelijkvormig te zijn met het kohier, zodat de belastingschuldige, zonder rechtvaardiging, niet gerechtigd is om het voorbrengen van het kohier zelf te eisen. Bijgevolg is de administratie, in principe, niet verplicht om het origineel kohier voor te brengen om het bestaan van een uitvoerbaar verklaard kohier te bewijzen en om het toezicht over de regelmatigheid ervan mogelijk te maken (zie o.m. Cass. 3 september 1965, *Pas.* 1966, I, 11; Cass. 24 maart 1972, *Arr. Cass.* 1972, 704).

5\. In casu beperkt eiser zich tot de gratuite veronderstelling dat de bestreden aanslagen in de personenbelasting mogelijkerwijze niet op naam van hemzelf (en van zijn toenmalige echtgenote) zouden zijn ingekohierd - zonder enig objectief element aan te voeren die deze bewering ook maar enigszins aannemelijk zou kunnen maken. Dit volstaat geenszins als rechtvaardiging om verweerster, in afwijking van het hierboven weergegeven principe, te verplichten tot het voorleggen van het origineel kohier.

Verweerster levert dein ook genoegzaam het bewijs van het bestaan van een rechtsgeldig kohier door het voorleggen van het aanslagbiljet, dat als uittreksel uit het kohier vermoed wordt de getrouwe weergave te zijn van de gegevens opgenomen in het origineel. De bewijskracht van dit uittreksel kan maar aangevochten worden door het, volgens de voorgeschreven procedure (art. 895- 906 Gerechtelijk Wetboek), van valsheid te betichten (zie o.m. Brussel 27 maart 1998 (stuk I/133-138)), waartoe eiser - om redenen die hem eigen zijn - niet is overgegaan.

Aangezien verweerster zich rechtens kan beroepen op het hoger vermelde vermoeden, kan haar niet worden verweten het administratiefrechtelijk *fair play-beginsel* of het procesrechtelijk *beginsel van loyale bewijsvoering* te miskennen door geen (al dan niet eensluidend verklaard) afschrift bij te brengen van het originele kohier. In die omstandigheden is er evenmin aanleiding om verweerster te bevelen het origineel kohier of een eensluidend verklaard afschrift ervan te voegen bij het dossier van rechtspleging met toepassing van artikel 877 van het Gerechtelijk Wetboek.

6\. Het recht van eiser om elk bestuursdocument te raadplegen en er een afschrift van te krijgen, gewaarborgd bij artikel 32 van de Grondwet en, wat de federale administratieve overheden betreft, geïmplementeerd bij Wet van 11 april 1994 betreffende de openbaarheid van bestuur, BS 30 juni 1994 (tweede uitgave); verandert niets aan de hierboven uiteengezette regels met betrekking tot het bewijs van het bestaan van een rechtsgeldig kohier.

In de veronderstelling dat verweerster, als "federale administratieve overheid" in de zin van artikel 1, eerste lid, Iitt. a) van de Wet van 11 april 1994, aan deze wet onderworpen zou zijn, en dat het kohier zou moeten beschouwd worden als een "bestuursdocument" in de zin van artikel 1, tweede lid, 2° van de Wet van 11 april 1994, heeft eiser mogelijk recht op inzage, uitleg en mededeling in afschrift van het origineel kohier - zij het enkel *volgens de voorwaarden bepaald in deze wet* (art. 4).

De Wet van 11 april 1994 voorziet in een schriftelijke aanvraag bij de betrokken federale administratieve overheid (art. 5), in een aantal facultatieve (art. 6, § 1) en verplichte (art. 6, § 2) weigeringsgronden, in de mogelijkheid om een verzoek tot heroverweging te richten tot de betrokken federale administratieve overheid samen met een vraag om advies aan de Commissie voor de toegang tot bestuursdocumenten (art. 7), en tot slot in een administratief beroep bij de Raad van State tegen een finale beslissing tot weigering (art. 7, § 2, vierde lid).

Het stond en staat eiser te allen tijde vrij om deze administratieve procedure te doorlopen teneinde eventueel inzage, uitleg en/of mededeling in afschrift te verkrijgen van het origineel kohier. In het kader van de onderhavige gerechtelijke procedure kan de rechtbank dit echter, op grond van de Wet van 11 april 1994 betreffende de openbaarheid van bestuur, niet bevelen.

### *Bevoegdheid van de gedelegeerde ambtenaar*

7\. De bestreden aanslagen in de personenbelasting voor de aanslagjaren 1993, 1994, 1995, 1996, 1997 en 1998 werden ingekohierd door **D. G.**, auditeur-generaal VF te Brussel (stukken II/4A2, II/482, II/4C2, II/4D2, II/4E2, I/4A2 en I/482).

Ten onrechte stelt eiser dat de gewestelijke directeur deze bevoegdheid niet wettelijk zou hebben kunnen delegeren aan zijn hiërarchisch meerdere, in casu aan een persoon met de graad van auditeur-generaal.

Weliswaar ontsnapt de vestiging van een belastingaanslag gedeeltelijk aan de algemene administratiefrechtelijke regel van de hiërarchische controle, volgens dewelke een hiërarchische overste de administratieve handelingen van zijn ondergeschikte ambtenaren te allen tijde mag onderzoeken, verbeteren of intrekken, en zelfs in hun plaats mag optreden indien de ondergeschikte ambtenaren hieraan zouden verzuimen. In fiscale zaken kan de hiërarchische overste zich immers niet in de plaats stellen van de ambtenaren die de aanslag inkohieren, vermits deze hun bevoegdheid niet putten uit de beslissingen van een hoger administratieve autoriteit maar rechtstreeks uit de wet (zie I. CLAEYS BOUUAERT, *o.c.*, p. 170-171, nrs. 262-263).

Echter, ten tijde dat de bestreden aanslagen in de personenbelasting voor de aanslagjaren 1993, 1994, 1995, 1996, 1997 en 1998 werden ingekohierd, schreef de wet voor dat "de kohieren uitvoerbaar worden verklaard door de daartoe aangewezen directeur der belastingen of door de door hem gedelegeerde ambtenaar" (art. 298 WIB 1992, zoals van toepassing vóór de vervanging bij art. 6 Wet 15 maart 1999, BS 27 maart 1999).

De wet liet de directeur der belastingen derhalve toe om zijn bevoegdheid tot het uitvoerbaar verklaren der kohieren te delegeren aan een andere ambtenaar, zonder nadere precisering. De rechtbank ziet dan ook geen enkel wettelijk beletsel voor de gewestelijke directeur om zijn bevoegdheid te delegeren aan een ambtenaar met een *hogere* graad.

Eiser betwist niet dat de gewestelijke directeur zijn bevoegdheid tot het uitvoerbaar verklaren der kohieren daadwerkelijk heeft gedelegeerd aan **D. G.**. Verweerster brengt overigens een afschrift bij van een beslissing d.d. 1 oktober 1996, waarbij **B. R. E. L.**, gewestelijk directeur der directe belastingen te Leuven, deze bevoegdheid delegeert aan de heer **D. G. A.**, auditeur-generaal bij het hoofdbestuur der directe belastingen (stuk II/234).

Hieruit volgt dat de aanslagen in de personenbelasting voor de aanslagjaren 1993, 1994, 1995, 1996, 1997 en 1998 werden ingekohierd door een wettelijk bevoegde ambtenaar in de zin van artikel 298 WIB 1992, zoals van toepassing vóór 6 april 1999.

9\. De bestreden aanslag in de personenbelasting voor het aanslagjaar 1999 werd ingekohierd door **S. F.**, auditeur-generaal VF te Brussel (stuk I/4C2).

Deze aanslag werd ingekohierd op 15 maart 2000. Dit is ná de inwerkingtreding van artikel 298 WIB 1992 zoals vervangen bij artikel 6 van de Wet van 15 maart 1999.

Op dat ogenblik schreef de wet voor dat de kohieren worden opgemaakt en uitvoerbaar verklaard "door de directeur-generaal der belastingen of door de gedelegeerde ambtenaar" (art. 298 WIB 1992, zoals vervangen bij art. 6 Wet 15 maart 1999, BS 27 maart 1999, met ingang van 6 april 1999, naderhand opnieuw vervangen bij art. 2 Wet 5 december 2001, BS 8 januari 2002, met ingang van 1 maart 2002).

De directeur-generaal der belastingen is de hiërarchische overste van een persoon met de graad van auditeur-generaal. Het stond de directeur-generaal alleszins vrij deze bevoegdheid te delegeren aan een persoon met de (ondergeschikte) graad van auditeur-generaal.

Hieruit volgt dat ook de aanslag in de personenbelasting voor het aanslagjaar 1999 werd ingekohierd door een wettelijk bevoegde ambtenaar in de zin van artikel 298 WIB 1992, zoals van toepassing tussen 6 april 1999 en 1 maart 2002.

### *Belastingvermindering voor werkloosheidsuitkeringen*

10\. Voor de aanslagjaren 1993 en 1994 worden met betrekking tot de belasting op de pensioenen en vervangingsinkomsten (onder meer) de volgende verminderingen verleend :

1° als het inkomen uitsluitend uit pensioenen of andere vervangingsinkomsten bestaat : een bedrag gelijk aan de belasting die verschuldigd is door een belastingplichtige die geen enkele persoon ten laste heeft, op een inkomen dat voor het belastbare tijdperk overeenstemt met het maximumbedrag van de wettelijke werkloosheidsuitkering, de anciënniteitstoeslag voor oudere werklozen niet inbegrepen, welk bedrag met 10.000 frank wordt verminderd;

2°-4° (...)

5° als het inkomen uitsluitend uit werkloosheidsuitkeringen bestaat : het bedrag van de belasting als berekend ingevolge 1°;

6° als het inkomen gedeeltelijk uit werkloosheidsuitkeringen bestaat : een bedrag gelijk aan een gedeelte van de belasting als berekend ingevolge 1°, waarbij dat gedeelte wordt bepaald naar de verhouding tussen het nettobedrag van de werkloosheidsuitkeringen eensdeels en het totale netto-inkomen anderdeels;

7°-8° (...)

(art. 147, 1°, 5° en 6° WIB 1992, zoals van toepassing vóór de vervanging bij art. 11 Wet 30 maart 1994, BS 31 maart 1994).

Voor de aanslagjaren 1993 en 1994 wordt bij de berekening van de respectievelijk volgens artikel 147, 1°, 3° en 7° vast te stellen belasting voor een alleenstaande een belastingvrije som van 165.000 frank in aanmerking genomen en voor echtgenoten samen éénmaal een belastingvrije som van 130.000 frank (art. 148 WIB 1992, opgeheven bij art. 27 Wet 30 maart 1994, BS 31 maart 1994, met ingang van het aanslagjaar 1995).

11\. Voor de aanslagjaren 1995 en 1996 worden met betrekking tot de belasting op pensioenen en vervangingsinkomsten (onder meer) de volgende verminderingen verleend :

1° als het inkomen uitsluitend uit pensioenen of andere vervangingsinkomsten bestaat :

\- 54.240 frank voor een alleenstaande belastingplichtige;

\- 63.332 frank voor echtgenoten samen;

2°-4° (...)

5° als het inkomen uitsluitend uit werkloosheidsuitkeringen bestaat : het bedrag van de belasting als vermeld in 1°;

6° als het inkomen gedeeltelijk uit werkloosheidsuitkeringen bestaat : een bedrag gelijk aan een gedeelte van de in 1° vermelde verminderingen, waarbij dat gedeelte wordt bepaald naar de verhouding tussen het nettobedrag van de werkloosheidsuitkeringen enerzijds en het totale netto-inkomen anderzijds;

7°-8° (...)

(art. 147, 10, 5° en 6° WIB 1992, zoals vervangen bij art. 11 Wet 30 maart 1994, BS 31 maart 1994, met ingang van het aanslagjaar 1995).

12\. Voor de aanslagjaren 1993, 1994, 1995 en 1996 worden, wanneer de aanslag op naam van beide echtgenoten wordt gevestigd en zij beiden inkomsten hebben, die inkomsten per soort en per categorie samengeteld om de hoger bedoelde verminderingen voor pensioenen en vervangingsinkomsten te bepalen (art. 150 WIB 1992, zoals van toepassing vóór de vervanging bij art. 37 Wet 10 augustus 2001, BS 20 september 2001).

Tevens wordt, voor de aanslagjaren 1993, 1994, 1995 en 1996, de vermindering voor werkloosheidsuitkeringen niet toegepast, wanneer het belastbare inkomen 750.000 frank of meer bedraagt; wanneer het belastbare inkomen begrepen is tussen 600.000 frank en 750.000 frank wordt de vermindering voor werkloosheidsuitkeringen slechts verleend tot een deel dat wordt bepaald naar de verhouding tussen, eensdeels, het verschil tussen 750.000 frank en het belastbare inkomen en, anderdeels, 150.000 frank (art. 151 WIB 1992, zoals van toepassing vóór de vervanging bij art. 1 KB 14 november 1996, BS 6 december 1996).

13\. In casu werd bij de vestiging van de bestreden aanslagen in de personenbelasting voor de aanslagjaren 1993, 1994, 1995 en 1996, overeenkomstig artikel 147 WIB 1992, rekening gehouden met een, belastingvermindering wegens vervangingsinkomsten, meer bepaald wegens werkloosheidsuitkeringen die eiser in de desbetreffende inkomstenjaren heeft genoten.

Eiser stelt dat, bij de vaststelling van de belastingvermindering op basis van artikel 147 WIB 1992, enkel rekening mag worden gehouden met het totale netto-inkomen van de echtgenoot die het pensioen of het vervangingsinkomen heeft ontvangen, en niet met de inkomsten van de andere echtgenoot. Volgens eiser volgt dit uit de decumulatie van de beroepsinkomsten van echtgenoten in geval van gezamenlijke belastingaanslag in de personenbelasting, overeenkomstig de artikelen 126-127 WIB 1992.

14\. Deze zienswijze kan niet worden gevolgd.

Voor de aanslagjaren 1993, 1994, 1995 en 1996 schrijft de wet immers uitdrukkelijk voor dat, voor de toepassing van de bepalingen met betrekking tot de vermindering voor pensioenen en vervangingsinkomsten, het nettobedrag van de pensioenen en vervangingsinkomsten bepaald wordt overeenkomstig de artikelen 23, § 2 (vaststelling van het nettobedrag van beroepsinkomsten) en 129 (eventuele aanrekening van aftrekbare verliezen op de inkomsten van de andere echtgenoot) WIB 1992 (art. 149 WIB 1992, zoals van toepassing voor de vervanging bij art. 36 Wet 10 augustus 2001, BS 20 september 2001). Bij gebrek aan expliciete verwijzing naar de artikelen 126-127, WIB 1992 wordt derhalve, bij de vestiging van een gezamenlijke aanslag op naam van beide echtgenoten, de berekening van de verminderingen wegens pensioenen en vervangingsinkomsten, volgens de wil van de wetgever, niet beïnvloed door de decumulatie der beroepsinkomsten.

In tegenstelling tot wat eiser voorhoudt dienen dan ook, overeenkomstig de voor de aanslagjaren 1993, 1994, 1995 en 1996 geldende belastingwetgeving, bij de vestiging van een gezamenlijke aanslag op naam van beide echtgenoten de hoger bedoelde verminderingen en begrenzingen niet te worden berekend *per belastingplichtige*, maar wel in hoofde van beide echtgenoten samen (zie L. MAES, “Gedecumuleerde vaststelling PB voor het aanslagjaar 2005", *Fiscoloog* 2004, afl. 959, p. (1) 5).

De omstandigheid dat, bij de berekening van de vermindering voor inkomsten uit het buitenland overeenkomstig artikel 155 WIB 1992, wel wordt rekening gehouden met "het geheel van de inkomsten" van beide echtgenoten samen, doet hieraan geen afbreuk. Artikel 155 WIB 1992 betreft namelijk een gans andere belastingvermindering dan de verminderingen die hier aan de orde zijn. Met betrekking tot deze vermindering voor inkomsten uit het buitenland geldt artikel 149 WIB 1992 *niet*.

15\. Het Arbitragehof heeft de artikelen 147 WIB 1992 en de ermee verbonden bepalingen tot op heden *niet* ongrondwettig bevonden, laat staan op grond van de omstandigheid dat de betastingverminderingen voor pensioenen en vervangingsinkomsten en de daarbij geldende begrenzingen, in voorkomend geval, in hoofde van beide echtgenoten *samen* worden berekend.

In zijn arrest nr. 185/2002 van 11 december 2002, BS 24 februari 2003, heeft het Arbitragehof zich slechts uitgesproken over een mogelijke discriminatie tussen gehuwd samenwonenden en gehuwd samenwonenden (onder meer) wegens de *onderscheiden bedragen* van de belastingvermindering waarin artikel 147, 1° WIB 1992, zoals van toepassing vóór de vervanging bij artikel 35 van de Wet van 10 augustus 2001 (zie hoger, randnr. 11), voorziet (overweging B.3). Overigens stelde het Arbitragehof in dit arrest wel het bestaan van een discriminatie vast, doch deze is volgens het Hof *niet gelegen* in artikel 147, 1° WIB als dusdanig, maar in het feit dat de wetgever in geen enkele bijzondere bepaling ten aanzien van de ongehuwd samenwonenden heeft voorzien (overwegingen B.7-B.8) (zie ook hierna, randnr. 16).

Bovendien merkt de rechtbank op dat ook onder de thans geldende wettelijke bepalingen de vermindering voor werkloosheidsuitkeringen - precies zoals voorheen - voor beide echtgenoten samen wordt berekend, waarbij respectievelijk de werkloosheidsuitkeringen, de netto-inkomens en de belastbare inkomens van beide echtgenoten worden *samengeteld* om de verminderingen en de grenzen te berekenen (art. 150, tweede lid WIB 1992, zoals vervangen bij art. 38 Wet 10 augustus 2001, BS 20 september 2001, met ingang van het aanslagjaar 2005) (zie : A. TIBERGHIEN, *Handboek voor Fiscaal Recht 2006*, Brussel, De Boeck & Larcier, 2006, 280; P, BEGHIN en I. VAN DE WOESTEYNE, *Handboek Personenbelasting 2005-2006*, Antwerpen, Intersentia, 2005,102 en 105; L. MAES, *l.c.*, 5-6).

### *Belastingvrije som*

16\. Bij de vestiging van de bestreden aanslagen in de personenbelasting voor de aanslagjaren 1993, 1994, 1995, 1996, 1997, 1998 en 1999, werd voor de berekening van de belasting een belastingvrije som verleend die als volgt werd bepaald :

1° voor een alleenstaande belastingplichtige een basisbedrag van 165.000 frank;

2° voor elke echtgenoot een basisbedrag van 130.000 frank.

(art. 131, WIB 1992, zoals van toepassing vóór de vervanging bij art. 23 Wet 10 augustus 2001).

In zijn arrest nr. 140/2001 van 6 november 2001, BS 22 december 2001, heeft het Arbitragehof geoordeeld dat het verschil in behandeling inzake de belastingvrije som tussen alleenstaande belastingplichtigen enerzijds en echtgenoten anderzijds niet zonder redelijke verantwoording is, aangezien de wetgever er rekening mee kon houden dat de vaste kosten voor levensonderhoud in het geval van gehuwde personen per persoon doorgaans lager liggen dan in het geval van een alleenstaande (overweging B.6).

Het Hof oordeelde evenwel dat deze verantwoording niet opgaat wanneer de situatie van echtgenoten vergeleken wordt met die van ongehuwd samenwonenden, die de vaste kosten van levensonderhoud immers eveneens samen dragen. Aangezien het al of niet gehuwd zijn van de samenwonenden geen wezenlijke invloed heeft op de vaste kosten van levensonderhoud, is dat onderscheid niet relevant voor het bepalen van de toegekende belastingvrije som, zodat er in dit verband een onverantwoord verschil in behandeling bestaat tussen gehuwd en ongehuwd samenwonenden (overweging B.7).

Volgens het Hof is deze discriminatie echter niet te wijten aan artikel 131 WIB1992, maar vloeit zij voort uit het feit dat, nu de wetgever in geen enkele bijzondere bepaling ten aanzien van de ongehuwd samenwonenden heeft voorzien, op laatstgenoemden de bepaling wordt toegepast die de alleenstaande belastingplichtigen betreft (overweging B.8).

Het Arbitragehof heeft deze rechtspraak met betrekking tot artikel 131 (oud) WIB 1992 bevestigd in zijn arrest nr. 185/2001 van 11 december 2002, BS 24 februari 2003 (overwegingen B.6, B.7 en B.8).

17\. Eiser vraagt de rechtbank om in dit verband aan het Arbitragehof een nieuwe prejudiciële vraag te stellen, die hij als volgt formuleert : "Is artikel 131 van het WIB 1992, al dan niet in samenlezing met de artikelen 3, 6, 86, 87, 88, 126, 127 en 134 van het WIB 1992, in de interpretatie van de fiscus waarbij ongehuwde personen die een feitelijk gezin vormen als alleenstaanden worden beschouwd en zodoende recht hebben op tweemaal de belastingvrije som van 165.000 BEF of 4.095 EUR, terwijl een gehuwd samenwonend koppel slechts recht heeft op tweemaal de belastingvrije som van 131.000 BEF \[lees : 130.000 BEF\] of 3.250 EUR, strijdig met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, gelet op het feit dat gehuwden en ongehuwd samenwonenden zich in dezelfde situatie bevinden en dat de *ratio legis* van het onderscheid van artikel 131 van het WIB 1992 niet kan verantwoorden waarom gehuwden fiscaal ongunstig behandeld zouden moeten worden in vergelijking met ongehuwden in dezelfde situatie ?”

De door eiser voorgestelde nieuwe prejudiciële vraag is nagenoeg gelijkluidend aan de prejudiciële vraag die door het Arbitragehof werd beantwoord in zijn arrest nr. 140/2001 van 6 november 2001. Vermits het antwoord van het Arbitragehof gekend is, ziet de rechtbank geen reden om deze vraag andermaal aan het oordeel van het Hof te onderwerpen.

18\. Eiser vraag de rechtbank tevens om aan het Arbitragehof een prejudiciële vraag te stellen over de bestaanbaarheid van artikel 131 (oud) WIB 1992 met artike1172 van de Grondwet, volgens hetwelk "geen vrijstelling of vermindering van belasting kan worden ingevoerd dan door een wet" (art. 172, tweede lid G.W.).

Op grond van zijn recentelijk uitgebreide bevoegdheid terzake, kan het Arbitragehof bij wijze van prejudiciële beslissing thans ook uitspraak doen op vragen omtrent de schending van (onder meer) artikel 172 van de Grondwet (art. 26, § 1, 3° Bijz. Wet 6 januari 1989 op het Arbitragehof, zoals vervangen bij art. 9, Iitt. a) Bijz. Wet 9 maart 2003, BS 11 april 2003 (eerste uitgave)).

Eiser gaat evenwel uit van de verkeerde premisse dat, vermits inzake de belastingvrije som geen specifieke regeling is opgenomen voor de ongehuwd samenwonenden, zoals vastgesteld door het Arbitragehof in zijn arresten nr. 140/2001 en nr. 185/2002, aan deze categorie in feite een vrijstelling of vermindering van belasting wordt toegekend zonder wet.

In de voornoemde arresten heeft het Arbitragehof echter uitdrukkelijk vastgesteld dat, nu de wetgever in geen enkele bijzondere bepaling ten aanzien van de ongehuwd samenwonenden heeft voorzien, op laatstgenoemden *de bepaling wordt toegepast die de alleenstaande belastingplichtigen betreft* (telkens overweging B.8). De belastingvrije som die aan ongehuwd samenwonenden genieten, heeft met andere woorden wel degelijk een wettelijke basis, met.name artikel 131, 1° (oud) WIB 1992, dat de belastingvrije som bepaalt voor, alleenstaanden. Niet de (hogere) belastingvrije som voor ongehuwd samenwonenden als zodanig, maar wel de door het Arbitragehof vastgestelde *discriminatie* vindt zijn oorsprong in het ontbreken van een bijzondere wettelijke bepaling ten aanzien van de categorie van de ongehuwd samenwonenden.

De rechtbank ziet derhalve geen enkele grond om aan het Arbitragehof een prejudiciële vraag te stellen over de bestaanbaarheid van artikel 131 (oud) WIB 1992 met artikel 172 van de Grondwet.

19\. In zijn arresten nr. 140/2001 en 185/2002 heeft het Arbitragehof uitdrukkelijk geoordeeld dat artikel 131 (oud) WIB 1992 de artikelen 10 en 11 van de Grondwet als dusdanig niet schendt. In deze arresten heeft het Hof de ongrondwettigheid vastgesteld, niet van de bewuste norm (art. 131 (oud) WIB 1992) *an sich*, maar enkel van een *lacune* in de toenmalige wetgeving, met name door het ontbreken van een bijzondere wettelijke bepaling inzake de belastingvrije som ten aanzien van de categorie van de ongehuwd samenwonenden.

Artikel 131 (oud) WIB 1992 is derhalve, op zichzelf genomen, volkomen rechtmatig en dient (voor de betrokken aanslagjaren) onverkort te worden toegepast (zie o.m. Rb. Antwerpen 18 juni 2003 (stuk II/226-229); Rb. Brugge13 oktober 2003 (stuk II/230-233)).

Geen enkele vrijstelling of vermindering van belasting kan worden ingevoerd dan *door een wet* (art. 172, tweede lid G.W.). Het grondwettelijk legaliteitsbeginsel, neergelegd in artikel 172, tweede lid van de Grondwet, staat er bijgevolg aan in de weg dat eiser, hetzij door de administratie, hetzij door de rechtbank, louter op grond van een door het Arbitragehof vastgestelde ongrondwettige *lacune*, (gedeeltelijk) zou worden ontheven van een belasting die hij op basis van de geldende belastingwetten - die als dusdanig niet ongrondwettig werden bevonden - zondermeer verschuldigd is (zie o.m. G. MAES, "Sancties bij een door het Arbitragehof vastgestelde ongrondwettige afwezigheid van wetgeving", *R.W.* 2003-04, p. (1201) 1205, nrs. 16, 18 en 19).

Noch de administratie, noch de rechtbank zijn derhalve bij machte om, zoals eiser vraagt, de belastingvrije som die krachtens artikel 131, 1° (oud) WIB 1992 was toegekend aan alleenstaande belastingplichtigen, in strijd met de geldende belastingwet, uit te breiden en toe te passen op een persoon die voor de betrokken aanslagjaren behoorde tot de categorie van de echtgenoten (vgl. Cass. 15 december 2003, *R.W.* 2004-05, 979, noot P. POPELIER).

### *Aansprakelijkheid wegens fout van de wetgever*

20\. Anderzijds betekent de vaststelling door het Arbitragehof, hetzij in een arrest gewezen na een beroep tot vernietiging, hetzij in een arrest gewezen in antwoord op een prejudiciële vraag, dat een wettelijke bepaling in strijd is met de referentienormen, tegelijk ook dat de fout van de wetgever vaststaat, behoudens onoverwinnelijke dwaling of een andere rechtvaardigingsgrond. Als het Arbitragehof uitdrukkelijk stelt dat een grondwettelijke bepaling is geschonden, impliceert dit immers dat de wetgever heeft verzuimd aan een verplichting om op een bepaalde wijze te handelen of om zich van een bepaalde handeling te onthouden. Dit geldt evenzo wanneer de door het Arbitragehof vastgestelde ongrondwettigheid gelegen is het ontbreken van een wettelijke regeling (zie G. MAES, *l.c.*, p. 1207-1208, nr. 27; H. VUYE, "Overheidsaansprakelijkheid wegens het doen en laten van de wetgever. Van Europees recht naar Belgisch recht : een (te) grote stap?", in H. VANDENBERGHE (ed.), *Overheidsaansprakelijkheid*, Brugge, Die Keure, 2005, p. (125) 196-197 en 199).

Het is daarbij van geen belang of het Arbitragehof de ongrondwettigheid van een wettelijke bepaling of van een wettelijke lacune heeft vastgesteld in het beschikkend gedeelte van een arrest dan wel in de overwegingen en de motieven die deze beschikking dragen (zie G. MAES, *l.c.*, p. 12q7, nr. 26 en p. 1208, nr. 28).

Als het Arbitragehof in zijn arresten tot de vaststelling komt dat de wetgever een ongrondwettigheid heeft begaan, dan geldt deze vaststelling *erga omnes*. Dit houdt in dat de rechter die zich dient uit te spreken over een eventuele aansprakelijkheidsvordering, gebonden is door de vaststelling van een ongrondwettigheid door het Arbitragehof. Gelet op de hierboven vermelde eenheid van ongrondwettigheid en onrechtmatigheid, staat vast dat de wetgever in dergelijke gevallen, behoudens onoverwinnelijke dwaling of een andere rechtvaardigingsgrond, een *civielrechtelijke fout* heeft begaan die aanleiding geeft tot schadevergoeding ten laste van de Staat voor zover het oorzakelijk verband tussen deze onrechtmatige daad en de geleden schade kan worden aangetoond (zie G. MAES, *l.c.*, p. 1208, nr. 27; H. VUYE, *l.c.*, 197).

21\. In casu heeft het Arbitragehof in zijn arresten nr. 140/2001 en 185/2002 in uitdrukkelijke bewoordingen gesteld dat er, op grond van de destijds geldende wettelijke bepalingen met betrekking tot de belastingvrije som, een *onverantwoord verschil in behandeling* bestaat tussen gehuwd en ongehuwd samenwonenden - *een discriminatie* die voortvloeit uit het feit dat de wetgever in geen enkele bijzondere bepaling heeft voorzien ten aanzien van de ongehuwd samenwonenden (telkens de overwegingen B.7- B.8).

De door het Arbitragehof vastgestelde schending van de artikelen 10 en 11·van de Grondwet door het ontbreken, inzake de belastingvrije som, van een bijzondere bepaling voor de categorie van de ongehuwd samenwonenden, maakt een *fout* uit in hoofde van de wetgever, behoudens onoverwinnelijke dwaling of een andere rechtvaardigingsgrond.

De omstandigheid dat de feitelijke toestand van de samenwoning, in tegenstelling tot de juridische toestand van het huwelijk, in de praktijk moeilijk te verifiëren zou zijn, is niet van aard om het bestaan van een ongrondwettige regelgeving of een ongrondwettige lacune te rechtvaardigen. Dergelijke overwegingen van praktische aard kunnen bezwaarlijk worden aanvaard als een vrijgeleide voor de wetgever om discriminatoire normen uit te vaardigen of een discriminatoire afwezigheid van normen te laten voortbestaan.

Overigens is uit de latere wetgevende evoluties genoegzaam gebleken dat de wetgever wel degelijk in staat is geweest om deze praktische moeilijkheden, wat de regeling betreffende de belastingvrije som betreft, ook op een *niet-discriminatoire wijze* te ondervangen (zie art. 23 Wet 10 augustus 2001 houdende hervorming van de personenbelasting, BS 20 september 2001; Arbitragehof nr. 63/2003 van 14 mei 2003, BS 5 juni 2003).

Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is derhalve geenszins bewezen, zodat de fout van de wetgever vaststaat.

22\. Zoals eiser zelf in zijn conclusies terechtstelt, kan op grond van de. artikelen 1382-1383 van het Burgerlijk Wetboek slechts schadevergoeding worden toegekend voor zover niet alleen de fout maar *ook de schade en het oorzakelijk verband* tussen de fout en de schade bewezen zijn (zie G. MAES, *l.c.*, p. 1208, nrs. 27 en 29).

Het oorzakelijk verband tussen fout en schade wordt naar Belgisch recht beoordeeld volgens de *equivalentieleer*. Volgens deze leer is er sprake van een oorzakelijk verband tussen fout en schade indien de schade, zoals zij is tot stand gekomen, zich zonder de fout niet zou hebben voorgedaan. De fout moet, rekening gehouden met de andere concrete elementen van het historisch verhaal van het schadegeval, een *noodzakelijke voorwaarde* zijn geweest van de schade (zie : H. BOCKEN en l. BOONE, "Causaliteit in het Belgische recht", *T.P.R.* 2002, p. (1625) 1634, nr. 7).

Bij het toepassen van de equivalentieleer dient een *hypothetisch rechtmatig alternatief* voor het schadegeval te worden geconstrueerd, waarbij de foutieve gedraging of het foutieve verzuim wordt weggelaten. Het oorzakelijk verband tussen fout en schade ontbreekt indien wordt vastgesteld dat de concrete schade zich ook in dat hypothetische geval op dezelfde wijze zou hebben voorgedaan (zie : H. BOCKEN en I. BOONE, *l.c.*, p. 1635, nr. 9).

23\. In casu beweert eiser schade te hebben geleden doordat, ten gevolge van de door het Arbitragehof vastgestelde ongrondwettige lacune in de wetgeving, bij de berekening van de verschuldigde personenbelasting voor de aanslagjaren 1993, 1994, 1995, 1996, 1997, 1998 en 1999, geen toepassing werd gemaakt van de (hogere) belastingvrije som die voor deze aanslagjaren werd toegekend aan personen die ongehuwd samenwonen.

Het hypothetisch rechtmatig alternatief voor het (ongrondwettig) ontbreken van een bijzondere wettelijke bepaling, met betrekking tot de belastingvrije som, ten aanzien van de ongehuwd samenwonenden, bestaat in het *niet* ontbreken. Van een dergelijke bijzondere bepaling, waardoor de *ongehuwd* samenwonenden voor de betrokken aanslagjaren onderworpen zouden zijn geweest aan dezelfde belastingvrije som als de (samenwonende) *echtgenoten*. In deze hypothese zou eiser echter, als gehuwde, aan *dezelfde* belastingvrije som onderworpen zijn geweest als die waarmee werd rekening gehouden bij vestiging van de bestreden aanslagen. Het nadeel dat eiser beweert te hebben geleden is met andere woorden in beide gevallen *identiek*.

De omstandigheid dat de wetgever er naderhand voor geopteerd heeft om de door het Arbitragehof vastgestelde ongrondwettige lacune op een andere wijze weg te werken, met name door voor iedere belastingplichtige - gehuwd of ongehuwd, samenwonend of alleenstaand - een zelfde (hogere) belastingvrije som toe te kennen (art. 131 WIB 1992, zoals vervangen bij art. 23 Wet 10 augustus 2001, BS 20 september 2001), doet aan deze vaststelling geen afbreuk. Het staat de wetgever immers vrij om op beide categorieën - alleenstaanden en gehuwden - dezelfde voordelige dan wel dezelfde nadelige regeling toe te passen.

Uit het bovenstaande volgt dat eiser niet het bewijs levert van enige schade in. oorzakelijk verband met de vastgestelde fout van de wetgever. Zijn vordering tot schadevergoeding is dan ook ongegrond.

### Beschikkend gedeelte

## III. UITSPRAAK

De rechtbank doet uitspraak in eerste aanleg en na tegenspraak.

De rechtbank voegt de zaken met rolnummers 02/1926/A en 02/2256/A samen.

De vorderingen van **C. L.** zijn ontvankelijk maar **ongegrond**.

De rechtbank veroordeelt eiser tot de kosten en stelt deze als volgt vast :

\- voor eiser : 0,00 euro;

\- voor verweerster : 0,00 euro.

Dit vonnis is uitgesproken in eerste aanleg tijdens de gewone en openbare terechtzitting van de **twaalfde kamer** van de rechtbank van eerste aanleg te Leuven op **vrijdag 13 oktober 2006**.

De rechtbank bestond uit :

De heer **L. W.**, alleenzetelend rechter.

Mevrouw **J. C.**, griffier.

**J. C.** **L. W.**
