Fiche van de FOD Financiën
Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Leuven d.d. 21.04.2006
Samenvatting niet beschikbaar
Tekst van het vonnis
Tekst van de beslissing
RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG LEUVEN – AFDELING BURGERLIJKE RECHTBANK – twaalfde kamer
zitting : 21 april 2006.
eindvonnis
Rol nr. : 00/1841/A
Inzake :
W. J.-P. q.q., advocaat, met kantoor te …, …, handelend in zijn hoedanigheid van curator van het faillissement van de NV E. M. A. A. C. afgekort E.M.A. C., met zetel te …, …, voor geopend verklaard bij vonnis van de Rechtbank van Koophandel te Brussel van 29 januari 2002
eiser,
ter zitting vertegenwoordigd door meester M. G., advocaat te …, …
tegen :
De BELGISCHE STAAT, FEDERALE OVERHEIDSDIENST FINANCIEN, Administratie van de ondernemings- en inkomensfiscaliteit, Sector BTW, met kantoor te 3001 Heverlee, Philipssite 3A bus 1
verweerder,
ter zitting vertegenwoordigd door meester C. M. loco meester d’N. E., advocaat te …, ….
In deze zaak, in beraad genomen ter zitting van 10 maart 2006, spreekt de rechtbank volgend vonnis uit.
Gelet op de in regelmatige vorm voorgelegde stukken van de rechtspleging inzonderheid :
- de geding inleidende dagvaarding op 4 augustus 2000 op verzoek van de NV E. M. A. A. C. betekend aan de BELGISCHE STAAT; administratie van de BTW, registratie en domeinen vertegenwoordigd door de ontvanger van het BTW-ontvangkantoor te Leuven;
- de conclusie, de aanvullende conclusie en de tweede aanvullende conclusie op respectievelijk 26 maart 2001, 31 december 2002 en 27 december 2004 op de griffie neergelegd door de BELGISCHE STAAT, administratie van de ondernemings- en inkomensfiscaliteit, controlecentrum Leuven;
- de conclusie en de aanvullende conclusie houdende gedinghervatting door meester W. J.-P., qualitate qua curator van het faillissement van de NV E. neergelegd, respectievelijk op de zitting van 10 maart 2006 en op de griffie op 6 december 2004.
Gehoord de advocaten van partijen ter openbare terechtzitting van 10 maart 2006, waarna de bundels met stavingsstukken van partijen neergelegd werden en de zaak in beraad genomen werd.
1. Feiten en procesverloop
1.1. De NV E. M. A. A. C. (hierna genoemd NV EMAC) had sedert 1 juli 1991 als ·activiteit raadgever inzake financiële, handels- of sociale aangelegenheden, publiciteit, marktstudies, communicatie en tussenpersoon voor kredietondernemingen.
De NV EMAC kocht oosterse tapijten en schilderijen in 1995, 1996 en 1998, die ze liet schatten.
De BTW met betrekking tot deze aankopen en expertise bracht de NV EMAC volledig of gedeeltelijk in aftrek.
1.2. Tijdens een BTW-controle op 11 februari 2000 over de periode van 1 april 1994 tot en met 31 december 1998 betwistte de administratie het recht op aftrek van de BTW, om reden dat deze goederen werden aangekocht als belegging en niet bestemd waren of niet effectief werden gebruikt voor belaste handelingen.
1.3. Op 19 mei 2000 werd een correctieopgave opgestuurd, waarmee de NV EMAC zich niet akkoord verklaarde.
Op 29 juni. 2000 werd een proces-verbaal opgesteld. Op 14 juli 2000 werd een dwangbevel aangetekend ter kennis gebracht, waarin de verschuldigdheid wordt vastgesteld van :
- BTW … EUR
- boete … EUR
- wettelijke interesten over de verschuldigde BTW
- moratoire interesten over de boete
- vervolgingskosten
1.4. Eiseres tekende op 4 augustus 2000 verzet aan tegen dit dwangbevel. Zij vordert :
- de intrekking van het dwangbevel
- de vrijgave van het inbeslag genomene per kennisgeving van aanwending van ontlaste bedragen ad … EUR, hetzij … EUR aangewend tegen artikel … en … EUR aangewend tegen artikel … en daarenboven alle nader te bepalen kosten, interesten en vergoedingen, onafgezien de eis tot het vergoeden van meerdere schade mits bewijs
- de veroordeling van de BELGISCHE STAAT in de kosten
- de uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De BELGISCHE STAAT, hierna genoemd "verweerder", vraagt de vordering ontvankelijk doch ongegrond te verklaren, en de NV EMAC in de kosten te veroordelen.
De NV EMAC werd bij vonnis van de rechtbank van koophandel te Brussel van 29 januari 2002 failliet verklaard. Meester W. J.-P., hierna genoemd "eiser", werd als curator aangesteld en hervatte het geding op 6 december 2004.
Eiser breidt in conclusie de vordering uit met de subsidiaire vraag te oordelen over de boete en haar kwijt te schelden.
2. In rechte
2.1. Verweerder ontzegt eiser het recht op aftrek van de voorbelasting op de oosterse tapijten en de schilderijen en op de expertise van de tapijten, aangezien deze voorwerpen werden aangekocht als belegging. Het betreft naar het oordeel van verweerder noch bedrijfsmiddelen, noch meer algemeen goederen die bestemd zijn om te worden gebruikt voor het verrichten van belaste handelingen.
Verweerder merkt op dat bedrijfslokalen tegelijkertijd dienden als privé-vertrekken van het gezin van de bestuurder van de NV EMAC, zodat niet kan worden gesteld dat de oosterse tapijten en de schilderijen dienden als loutere aankleding van de bedrijfslokalen.
2.2. Eiser betoogt dat de NV EMAC een vennootschap is die niets kan bezitten dat niet, direct of indirect dienstig is voor het bedrijf en als dusdanig onderworpen is aan alle bedrijfsrisico's.
Eiser onderstreept dat de NV EMAC actief was in het crisismanagement, een sector waar présence en voorkomen een intrinsiek onderdeel van de activiteit uitmaken. De aankleding en het interieur van de gebruiksruimten zijn bijgevolg onontbeerlijk voor een efficiënte en succesvolle uitoefening van het beroep. Deze kosten hebben volgens eiser dan ook ontegensprekelijk een professioneel karakter en werden anders gezegd gedaan met het oog op het verrichten van belaste handelingen. De oosterse tapijten en de schilderijen vormen volgens eiser bedrijfsmiddelen.
Wat betreft de in het proces-verbaal van vaststelling weergegeven verklaring van de echtgenote van de bestuurder en van de boekhouder van de NV EMAC dat de oosterse tapijten werden gekocht als belegging, merkt eiser op dat de administratie in haar BTW-Handleiding schrijft dat de kwalificatie als bedrijfsmiddel inzake BTW niet kan worden beoordeeld aan de hand van de houding die de belastingplichtige aannam uit boekhoudkundig oogpunt of voor de toepassing van de inkomstenbelasting.
Eiser stelt dat de NV EMAC het effectief gebruik van bepaalde investeringsgoederen op 50 % bepaalde en consequent de BTW slechts voor 50 % in aftrek bracht, en dat zij voor andere investeringsgoederen oordeelde dat deze wel voor 100 % bedrijfsmatig worden gebruikt.
Eiser verwijt verweerder een subjectieve instelling en een inmenging in het bedrijfsbeleid.
Eiser meent op grond van het rechtszekerheidsbeginsel dat de NV EMAC op basis van een jarenlang aanvaarden van haar beleidsvisie door de administratie ervan mocht uitgaan dat zij de wet niet overtrad.
2.3. Beoordeling
2.3.1. De controleambtenaar stelde in het proces-verbaal van vaststelling van 29 juni 2000 vast dat de echtgenote van de bestuurder en de gevolmachtigde boekhouder van de NV EMAC hem te woord stonden en verklaarden dat de oosterse tapijten werden gekocht als belegging en dat de echtgenote ook verklaarde dat de oosterse tapijten niet dalen maar stijgen in waarde.
De controleambtenaar stelde ook vast dat het schatten van tapijten als lange termijnbelegging werd geboekt onder rekening 530 (lees : van de balans).
Op grond van deze vaststelling is in beginsel het besluit van verweerder gerechtvaardigd dat de gekochte oosterse tapijten en de schilderijen geen bedrijfsmiddelen zijn noch goederen bestemd om voor de onderneming te worden gebruikt, ware het niet dat de controleambtenaar ook nog een andere vaststelling deed.
De controleambtenaar stelde in het proces-verbaal van vaststelling van 29 juni 2000 namelijk ook vast dat de oosterse tapijten en de schilderijen zich bevonden in het bureel van de NV EMAC en in de woonkamer van haar bestuurder die volgens de verklaring van dezes echtgenote ook werd gebruikt als vergaderruimte.
Op grond van deze vaststelling kan niet a priori worden uitgesloten dat de oosterse tapijten en de schilderijen .gedeeltelijk voor het verrichten van belaste handelingen werden gebruikt.
De door de controleambtenaar vastgestelde verklaring van de NV EMAC betreffende de aankoop als belegging wordt immers onmiddellijk genuanceerd door zijn andere vaststelling betreffende het werkelijk gebruik dat op een ander gebruik dan als loutere belegging wijst.
Overeenkomstig het bestemmingsbeginsel moet meer gewicht worden gehecht aan de tweede vaststelling, waaruit immers de werkelijke bestemming, het werkelijke gebruik van de oosterse tapijten en de schilderijen blijkt, dan aan de eerste vaststelling die enkel de vermoedelijke bestemming weergeeft.
De vermoedelijke bestemming is het gebruik als loutere belegging. De werkelijke bestemming is het gebruik niet enkel als loutere belegging, maar ook als bedrijfsgoed.
2.3.2. Indien een goed slechts gedeeltelijk voor de economische activiteit wordt gebruikt, zoals in deze, heeft de belastingplichtige de keuze :
- ofwel trekt hij alle BTW af en wordt het privé-gebruik belast; ook de verkoop wordt dan volledig belast
- ofwel trekt hij geen BTW af in de mate van het privé-gebruik en wordt de verkoop niet belast voor het privé-deel; ook over het privé-gebruik is dan geen BTW verschuldigd (H. VANDENBERGH, Het BTW-Handboek, Gent, Mys & Breesch, 1999, nr. 390bis, met verwijzing naar Hof van Justitie, 4 oktober 1995, Armbrecht, Jurispr., 1995, I-2775 en Hof van Justitie, 11 juli 1991, Lennartz, Jurispr., 1991, I-3795; L. VANDENBERGHE, Aftrek en teruggaaf van BTW, Antwerpen-Groningen, Intersentia, 1998, nr. 62, met verwijzing naar dezelfde rechtspraak).
De NV EMAC koos voor de tweede oplossing : het gedeelte belegging hield zij buiten de werkingssfeer van het BTW-stelsel en met dit gedeelte hield zij geen rekening bij de toepassing van de aftrek van de BTW. Deze keuze van de NV EMAC blijkt duidelijk uit het feit dat zij de BTW op twee oosterse tapijten en de schilderijen voor de helft in aftrek bracht. Kennelijk betreft het de oosterse tapijten en de schilderijen die in de woonkamer die tevens werd gebruikt als vergaderruimte, werden geplaatst.
Alleen paste de NV EMAC die keuze niet consequent toe, vermits zij de BTW op vijf oosterse tapijten en op de expertise van de tapijten volledig in aftrek bracht. Kennelijk betreft het de oosterse tapijten die in het bureel werden geplaatst.
Ook de vijf oosterse tapijten, geplaatst in het bureel, hebben immers een gedeelte belegging, dat de NV EMAC consequent buiten de werkingssfeer van het BTWstelsel had dienen te houden.
Het argument van eiser dat de oosterse tapijten en de schilderijen vroeg of laat de onderneming zullen verlaten, ten laatste bij de liquidatie of het faillissement, is correct maar doet niet terzake, aangezien de NV EMAC ervoor koos het gedeelte belegging buiten de werkingssfeer van het BTW-stelsel te houden.
2.3.3. Het recht op aftrek van de BTW moet worden toegestaan voor die goederen en diensten die op een voldoende en redelijke wijze dienstbaar zijn aan de belaste activiteit (L. VANDENBERGHE, Aftrek en teruggaaf van BTW, Antwerpen-Groningen, Intersentia, 1998, nr. 36).
De grens tussen de aankoop van een bedrijfsmiddel (met recht op BTW-aftrek) en de aankoop voor beleggingsdoeleinden (zonder recht op BTW-aftrek) dient in redelijkheid te worden beoordeeld. Wat als redelijk moet worden beschouwd is afhankelijk van de concrete omstandigheden (ibid., nr. 56).
Eiser maakt het voor het recht op aftrek vereiste verband met de belaste activiteit van de NV EMAC aannemelijk.
De oosterse tapijten en de schilderijen verleenden onbetwistbaar een zeker cachet aan de ruimten waar de NV EMAC haar cliënteel ontving. Gelet op haar activiteit van raadgever inzake financiële, handels- of sociale aangelegenheden, publiciteit, marktstudies, communicatie en tussenpersoon voor kredietondernemingen, kon het van belang zijn dat de NV in een dergelijk kader haar cliënteel ontving. De oosterse tapijten en de schilderijen droegen aldus voldoende bij tot de belaste activiteit van de NV EMAC.
Verweerder ontzegde ten onrechte het recht op aftrek aan de NV EMAC.
2.3.4. De NV EMAC bracht de BTW op vijf oosterse tapijten en op de expertise van de tapijten volledig in aftrek. De BTW op twee oosterse tapijten en op de schilderijen bracht zij voor de helft in aftrek.
De controleambtenaar stelde vast dat de maatschappelijke zetel van de NV EMAC zich bevond in de woning van haar bestuurder en dezes echtgenote waarvan zij een gedeelte huurde.
Op grond van deze vaststelling en op grond van de verklaring van de NV EMAC dat de oosterse tapijten en de schilderijen werden aangekocht als belegging, schat de rechtbank de bestemming als belegging en de bestemming als bedrijfsgoed elk op de helft.
Eiser heeft derhalve recht op aftrek van de helft van de BTW op de oosterse tapijten en de schilderijen.
Het enkele feit dat de NV EMAC een vennootschap is brengt geen recht op volledige aftrek mee. Het recht op aftrek van de voorbelasting is immers een BTW-begrip dat vreemd is aan de maatschappelijk doel van een vennootschap. Het recht op aftrek is derhalve afhankelijk van de band met de belaste activiteit en niet van de band met het maatschappelijk doel van de vennootschap.
De BTW op de expertise van de tapijten komt niet voor aftrek van de BTW in aanmerking, aangezien het een loutere·beleggingsexpertise betreft.
2.3.5. Een beroep op het rechtszekerheidsbeginsel (of het vertrouwensbeginsel) veronderstelt het ondergaan hebben van een aantal controles (S. VAN CROMBRUGGE, Het vertrouwensbeginsel in het fiscaal recht, T.F.R., 1996, 7, nr. 14). De controle van 11 februari 2000 was de eerste die de NV EMAC onderging. Eiser kan derhalve het rechtszekerheidsbeginsel niet inroepen.
2.3.6. De NV EMAC werd bij toepassing van artikel 70, eerste paragraaf bis van het wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde en het koninklijk besluit nr. 41 van 30 januari 1987 tot vaststelling van het bedrag van de proportionele geldboeten op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde, een verminderde boete van … EUR opgelegd.
Eiser vordert subsidiair de kwijtschelding van de boete die niet in verhouding staat met de concrete gegevens van de zaak.
De rechtbank stelt met verweerder vast dat eiser niet aanduidt waarin de wanverhouding dan wel bestaat. Die wanverhouding blijkt alleszins niet uit de gegevens van de zaak.
Beschikkend gedeelte
OP DEZE GRONDEN
DE RECHTBANK
gelet op de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken, rechtsprekend op tegenspraak,
alle andersluidende en meer omvattende conclusies van de hand wijzende als niet terzake en/of overbodig,
verklaart de vordering ontvankelijk en in de hierna bepaalde mate gegrond,
zegt voor recht dat eiser recht heeft op aftrek van de helft van de BTW op de oosterse tapijten en de schilderijen,
zegt voorrecht dat eiser geen recht heeft op aftrek van de BTW op de expertise van de tapijten,
zegt voor recht dat de boete terecht werd opgelegd en dient te worden berekend op 10 % van de verkeerdelijk in aftrek gebrachte belasting,
veroordeelt eiser en verweerder ieder in de helft van de kosten, aan de zijde van eiser begroot op het bedrag van … EUR (dagvaarding : … EUR; rechtsplegingsvergoeding : … EUR) en aan de zijde van verweerder op de rechtsplegingsvergoeding van … EUR.
Aldus gedaan en uitgesproken in de openbare terechtzitting van de twaalfde kamer der rechtbank van eerste aanleg, zitting houdende te Leuven op vrijdag 21 april 2006 waar zetelden:
de heer P. V., alleenzetelend rechter;
mevrouw J. C., griffier.
J. C. P. V.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.