Procesverloop
2 stappen · 3 jaar 11 maanden- Weergegeven beslissingRechtbank van eerste aanleg te Leuven23.04.2004
- Beslissing in beroepHof van beroep te Brussel17.04.2008
Fiche van de FOD Financiën
Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Leuven d.d. 23.04.2004
Samenvatting niet beschikbaar
Tekst van het vonnis
Tekst van de beslissing
Rol nr. : 02/2377/A
B. c.v.b.a., coöperatieve vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, met zetel te …, …, met uitbatingszetel te …, …, ingeschreven in het handelsregister te … onder nr. …
- eiseres, ter zitting vertegenwoordigd door meester R. P., advocaat te …, ….
tegen :
De BELGISCHE STAAT, FEDERALE OVERHEIDSDIENST FINANCIEN, Administratie van de BTW, registratie en domeinen, in de persoon van de heer Minister van Financiën, wiens kabinet gevestigd is te Brussel, Wetstraat 12, vertegenwoordigd door de heer e.a. inspecteur van het BTW-ontvangkantoor te 3300 Tienen, Goossensvest 3, R.A.C.
- verweerder, ter zitting vertegenwoordigd door meester C. loco meester d. N. E., advocaat te …, ….
__________
In deze zaak, in beraad genomen ter zitting van 12 maart 2004, spreekt de rechtbank volgend vonnis uit.
Gelet op de in regelmatige vorm voorgelegde stukken van de rechtspleging, inzonderheid :
- de geding inleidende dagvaarding op 14 november 2002 op verzoek van de C.V.B.A. B. betekend aan de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, administratie van de belasting over de toegevoegde waarde, registratie en domeinen,
- de conclusie, de aanvullende conclusie en de tweede aanvullende conclusie op respectievelijk 12 december 2002, 30 juni 2003 en 9 oktober 2003 ter griffie neergelegd door de BELGISCHE STAAT, Federale Overheidsdienst Financiën, administratie van de belasting over de toegevoegde waarde, registratie en domeinen, in de persoon van de minister van Financiën, vertegenwoordigd door de eerst aanwezend inspecteur van het BTW-ontvangkantoor te Tienen,
- de conclusie en de tweede conclusie op respectievelijk 31 januari 2003 en 3 juli 2003 ter griffie neergelegd door de C.V.B.A. B.,
- het tussenvonnis van deze rechtbank van 20 februari 2004,
- de conclusie na heropening der debatten op 11 maart 2004 ter griffie neergelegd door de C.V.B.A. B.,
- de pleitnota na tussenvonnis op de zitting van 12 maart 2004 neergelegd door de BELGISCHE STAAT.
Gehoord de advocaten van partijen ter openbare terechtzitting van 12 maart 2004, waarna de bundels met stavingsstukken van partijen neergelegd werden en de zaak in beraad genomen werd.
1. Feiten en procesverloop
De rechtbank oordeelde in het tussenvonnis van 20 februari 2004 dat er geen rechtstreeks verband bestaat tussen de werkzaamheden van telersvereniging van eiseres en de verplichte bijdragen die zij aan haar leden oplegt, en dat bijgevolg de uitoefening van die werkzaamheden geen dienst is die onder bezwarende titel wordt verricht in de zin van artikel 2, aanhef en sub 1 van de Zesde Richtlijn van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der Lid-Staten inzake omzetbelasting- Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde.
Als verweer op de door eiseres aangevoerde schending van het vertrouwensbeginsel betoogde verweerder dat de door eiseres ingediende aangifte van aanvang van werkzaamheid onvoldoende en onjuiste gegevens bevat. Dit stuk werd door partijen niet neergelegd, zodat de rechtbank de heropening der debatten beval opdat verweerder het zou neerleggen.
Verweerder legt dit stuk neer.
De rechtbank verwijst voor het overige van de feiten en het procesverloop naar de uiteenzetting ervan in het tussenvonnis.
2. De exceptie van wering van stukken
Verweerder vraagt de wering van de op 11 maart. 2004 ontvangen stukken van eiseres, die immers niet-genummerd en niet nader geïdentificeerd zijn.
Uit het schrijven van 9 maart 2004 van de raadsman van eiseres blijkt dat de bijkomende stukken tegelijk met de conclusie na heropening der debatten werden overgelegd aan verweerder, dit overeenkomstig artikel 740 van het Gerechtelijk Wetboek.
De exceptie is ongegrond.
3. Het vertrouwensbeginsel
3.1 De aangifte van aanvang van werkzaamheid die eiseres op 17 juni 1997 indiende vermeldt als activiteit : “verkoop, aankoop, import-export, ruil, productie, teelt, behandeling, bewaring van fruit, groenten, enzovoort" (vrije vertaIing uit het Frans).
Verweerder betoogt terecht dat elke BTW-administratie deze economische activiteit als belastbare handeling zou aanmerken.
De rechtbank oordeelde in het tussenvonnis dat de uitoefening van de werkzaamheden van eiseres geen dienst is die onder bezwarende titel wordt verricht in de zin van artikel 2, aanhef en sub 1 van de Zesde Richtlijn.
Vast te stellen is bijgevolg dat de werkelijke handelingen van eiseres, die dus niet aan BTW zijn onderworpen omdat zij niet onder bezwarende titel worden gesteld, niet overeenstemmen met de in haar aangifte van 17 juni 1997 aangegeven handelingen.
3.2 Het recht op rechtszekerheid houdt niet in dat de belastingplichtige die met een ambtenaar een akkoord heeft gesloten waarbij. hem in strijd met uitdrukkelijke wetsbepalingen bepaalde voordelen werden verleend, aanspraak zou kunnen maken op de toepassing van een akkoord dat in zijnen hoofde geen gerechtvaardigde verwachtingen kan scheppen (Cass., 3 november 2000, F.J.F., nr. 2001/1).
Er bestaat geen uitdrukkelijke wetsbepaling die bepaalt dat de uitoefening van de werkzaamheden van telersverenigingen geen onder bezwarende titel verrichte diensten zijn. Artikel 2, aanhef en sub 1 van de Zesde Richtlijn bepaalt enkel : "Aan de belasting over de toegevoegde waarde zijn onderworpen : 1) de levering van goederen en de diensten welke in het binnenland door een als zodanig handelende belastingplichtige onder bezwarende titel worden verricht".
Het is door het prejudicieel uitleggingsarrest van het Europees Hof van Justitie van 8 maart 1988 in de zaak Apple and Pear Development Council dat de juiste draagwijdte van artikel 2, aanhef en sub 1 van de Zesde Richtlijn is komen vast te staan : het begrip "diensten welke onder bezwarende titel worden verricht” in de zin van artikel 2, aanhef en sub 1 van de Zesde Richtlijn onderstelt dat er een rechtstreeks verband bestaat tussen de verrichte dienst en de ontvangen tegenwaarde.
In strijd met het aldus uitgelegde artikel 2, aanhef en sub 1 van de Zesde Richtlijn beschouwde verweerder eiseres als een belastingplichtige en liet hij haar toe het BTW-tarief van 6 %, en na een controle op 9 november 2000, van 21 % toe te passen op de verplichte bijdragen van haar leden.
Verweerder schiep zodoende een vertrouwen bij eiseres dat haar geleverde prestaties belastbare diensten zijn en recht op aftrek van de voorbelasting verlenen. Door in een proces-verbaal van 19 augustus 2002 het tegendeel te stellen en in het dwangbevel navorderingen te verrichten gaat verweerder tegen het geschapen vertrouwen in.
De rechtbank is van oordeel dat in hoofde van eiseres een gerechtvaardigde verwachting werd gewekt waardoor zij verder was gegaan te handelen als BTW-belastingplichtige. Het gerechtvaardigd vertrouwen in hoofde van de burger veronderstelt zijn goede trouw, maar niet een gespecialiseerde kennis van alle recht in alle rechtstakken (V. DAUGINET en Y. LOIX. Over de schijnbaar moeilijke verzoening tussen de legaliteit en de rechtsbescherming tegen onbehoorlijk bestuur in de fiscaliteit, A.F.T., 2003, 241, nr. 46 en 246, nr. 75). Eiseres mag worden geacht artikel 2, aanhef en sub 1 van de Zesde Richtlijn te kennen. Zij mag niet worden geacht de prejudiciële uitleggingsarresten van het Europees Hof van Justitie van die bepaling te kennen.
Het feit dat de werkelijke handelingen van eiseres niet overeenstemmen met de in haar aangifte van aanvang van werkzaamheid aangegeven handelingen, doet aan dit besluit geen afbreuk. Het staat immers vast dat diverse BTW-controles bij eiseres werden uitgevoerd, onder meer op 9 november 2000. De administratie moet tijdens deze controles noodzakelijkerwijze de facturen betreffende de "Bijdrage in operationeel fonds B. in kader Verordening (EG) nr. 2200/96 voor het jaar ... volgens art. 15 van Verordening 411/97 EU Actiefonds" gezien hebben, en dan normalerwijze hebben ingezien dat zich een probleem stelde van rechtstreeks verband tussen de verrichte dienst en de ontvangen tegenwaarde, waardoor eiseres niet als BTW-plichtige dient te worden aangemerkt. Overigens diende al het schrijven van 2 juli 1998 van eiseres aan de BTW-controle de aandacht van de administratie te hebben gaande gemaakt. In dat schrijven stelt eiseres immers uitdrukkelijk dat zij een operationeel programma heeft dat goedgekeurd is en dat zij aan haar leden facturen uitreikt met betrekking tot de bijdragen van haar leden. Ook waren aan dat schrijven copie van dergelijke facturen gevoegd. Verweerder was bijgevolg al zeer vroeg in het bezit van alle beoordelingselementen aangaande de exacte belastingtoestand van eiseres. Verweerder moest veel vroeger dan na vijf jaar een correctie-opgave hebben gestuurd, waardoor de financiële gevolgen voor eiseres heel wat minder zwaar zouden zijn geweest.
Verweerder kent als overheid wel de juiste draagwijdte van artikel 2, aanhef en sub I van de Zesde Richtlijn die de prejudiciële uitleggingsarresten, van het Hof van Justitie eraan geven.
3.3 Besluit. Het dwangbevel van 16 september 2002 dat op 20 september 2002 aan eiseres werd betekend ligt buiten het behoorlijk bestuurlijk handelen. De rechtbank spreekt de nietigheid over dit dwangbevel uit.
De vordering is gegrond.
Beschikkend gedeelte
OP DEZE GRONDEN,
DE RECHTBANK,
gelet op de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken,
rechtsprekend op tegenspraak,
alle andersluidende en meer omvattende conclusies van de hand wijzende als niet terzake en/of overbodig,
verklaart de vordering gegrond als volgt,
vernietigt het dwangbevel van 16 september 2002 dat op 20 september 2002 aan eiseres werd betekend,
beveelt de terugbetaling van alle bedragen die wederrechtelijk op grond van dit dwangbevel werden geïnd, verhoogd met de interesten sedert de datum van betaling,
veroordeelt verweerder in de kosten, aan de zijde van eiseres begroot op het bedrag van … EUR (dagvaarding : … EUR; rechtsplegingsvergoeding : … EUR) en aan de zijde van verweerder op de rechtsplegingsvergoeding van … EUR.
Aldus gedaan en uitgesproken in de openbare terechtzitting van de twaalfde kamer der rechtbank van eerste aanleg, zitting houdende te Leuven op vrijdag drieëntwintig april tweeduizend en vier, waar zetelden :
- de heer P. V., alleenzetelend rechter;
- mevrouw J. C., griffier.
P. V. J. C.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.