Rechtbank van eerste aanleg, 28 juni 2002 · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Rechtbank van eerste aanleg 28 juni 2002

Zoeken

Rechtbank van eerste aanleg, 28 juni 2002Belasting over de toegevoegde waarde

https://juriel.be/nl/rechtspraak/rechtbank-kortrijk-2002-06-28-d129

Rechtscollege
Rechtbank van eerste aanleg
Datum
28 juni 2002

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

95 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Kortrijk d.d. 28.06.2002

Samenvatting niet beschikbaar

Tekst van het vonnis

Tekst van de beslissing

DE RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG VAN HET ARRONDISSEMENT KORTRIJK, PROVINCIE WEST-VLAANDEREN, TWEEDE KAMER FISCAAL MET EEN RECHTER, RECHTSPREKEND IN BURGERLIJKE ZAKEN

In de zaak AR nr. 01/1409/A

S. A., gepensioneerde, wonende te …, …;

eiser in verzet,

vertegenwoordigd door en pleitend Meester D. C., advocaat te …, … (ref. : …);

tegen :

DE BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de heer Minister van Financiën, Administratie van de Belasting over de Toegevoegde Waarde, Registratie en Domeinen, in de persoon. van de Ontvanger van het BTW-Ontvangkantoor Kortrijk 2, met kantoren te 8500 Kortrijk, Hoveniersstraat 31;

verweerder op verzet,

vertegenwoordigd door en pleitend Meester F. W., advocaat te …, … (ref. : …)

Gelet op de artikelen 2, 34, 36, 37 en 41 van de taalwet van 15 juni 1935;

De respectieve raadslieden van partijen hebben de zaak uiteengezet in openbare terechtzitting.

De besluiten en stukken werden ingezien.

Gezien het vonnis gewezen op tegenspraak van 24 juni 1996 waarin reeds de vordering (verzet tegen dwangbevel) evenals de feiten en procedureantecedenten werden uiteengezet.

De discussie tussen partijen handelt over de kwestie of op de door eiser uitgevoerde bouwwerkzaamheden aan de door hem thans betrokken woning het BTW-tarief van 6 % dan wel van 17 % van toepassing is.

Volgens de administratie is 17 % van toepassing aangezien de werken zouden gelijk te stellen zijn met nieuwbouw.

Volgens eiser in verzet kan hij zich beroepen op het verlaagd tarief van 6 %.

Bij vonnis van 24 juni 1996, gewezen op tegenspraak, werd het verzet van eiser tijdig, regelmatig naar de vorm en ontvankelijk verklaard.

Vooraleer ten gronde te bordelen werd aangesteld als gerechtsdeskundige: architect J. V., … te … met als opdracht (samengevat) :

- de aard en de omvang van de door eiser in verzet uitgevoerde werken aan het onroerend goed te beschrijven;

- in een gemotiveerd advies te zeggen of de onroerende werken uitgevoerd aan de woning van eiser in verzet dienen beschouwd te worden als een bouwwerkzaamheid die bijdraagt tot de oprichting van een nieuw gebouw waarop het BTW-tarief van 17 % toepasselijk is of als een bouwwerkzaamheid die de omvorming, renovatie, rehabilitatie en verbetering geheel of ten dele van de woning tot voorwerp heeft waarop het verlaagd BTW-tarief van 6 % toepasselijk is; dit alles met inachtneming van de geldende BTW-reglementering.

De gerechtsdeskundige heeft zijn eindverslag, voorzien van de wettelijke eed, na het beantwoorden van de opmerkingen van partijen op het voorverslag, ter griffie eerst neergelegd op 6 maart 2001 (derhalve manifest laattijdig, terwijl hij tot op heden geen verantwoording gaf voor deze laattijdigheid).

De gerechtsdeskundige treedt in zijn advies het standpunt van de administratie bij dat terzake een BTW-tarief van 17 % zich zou opdringen.

De rechtbank moet vooreerst vaststellen dat eiser na het deskundig onderzoek geen besluiten meer heeft neergelegd in het gerechtsdossier. Hij legde een stukkenbundel neer.

In het dossier van verweerder vindt de rechtbank een niet ondertekende ontwerpconclusie weer van eiser, gedagtekend 13 december 2001. Hiermee kan de rechtbank geen rekening houden. De rechtbank herinnert zich evenwel dat eiser ter zitting de nietigheid van het deskundig verslag heeft gepleit. De rechtbank ziet evenwel geen redenen op grond waarvan ambtshalve de nietigheid van het deskundig onderzoeksverslag zou moeten worden uitgesproken.

De rechtbank bemerkt dat de deskundige, in antwoord op de opmerkingen van partijen op het voorverslag, een aantal onduidelijkheden of onnauwkeurigheden geslopen in het voorverslag, heeft rechtgezet of verduidelijkt.

De rechtbank kan geen fundamentele schendingen van de rechten van verdediging meer ontwaren die tot nietigverklaring zouden nopen van het deskundig onderzoeksverslag.

De deskundige haalt verder aan dat hem tijdens het plaats bezoek van 1 oktober 1996 ontslag van formaliteiten werd gegeven en dat hij zich daarom alleen en zonder verwittiging van partijen begeven heeft naar het Ministerie van Financiën, Financietoren te Poperinge, om zich vanaf daar ter plekke te vergewissen van de mate waarin men van daaruit zicht heeft op de woning van eiser.

De vraag kan gesteld worden of dat wel per se nodig was in het kader van zijn onderzoek, doch er blijkt niet uit dat deze uitstap van de deskundige heeft geleid tot een onherstelbare aantasting van de rechten van verdediging van partijen met betrekking tot een gegeven dat decisief is in onze beoordeling.

De deskundige vermeldt desaangaande letterlijk in zijn beantwoording van de opmerkingen van eiser op het voorverslag :

"We kregen tijdens ons plaatsbezoek d.d. 01/10/1996 ontslag van formaliteiten.

Gezien het hier gaat om een bezoek aan een gebouw om aldaar persoonlijk vast te stellen wat met blote oog van de werf S. kon worden waargenomen en dit vanuit het Ministerie van Financiën,

* gezien het NIET ging om het opnemen of noteren van getuigenissen of verklaringen,

* gezien het ook niet de bedoeling was om partijen en getuigenissen te confronteren, wat oi. niet onze taak is,

meenden we er goed aan te doen onaangekondigd en alleen ter plaatse te gaan en onze bevindingen gewoon weer te geven.

Hetgeen ik persoonlijk al of niet waarneem heeft geen uitstaans met het respecteren van het tegensprekelijk karakter van een deskundigenonderzoek.”

Conclusie : De rechtbank ziet zoals voormeld geen redenen om het deskundig verslag nietig te moeten verklaren.


Wat telt in casu is of de uitgevoerde werken voldoen aan de criteria vermeld in het Koninklijk Besluit nr. 20, rubriek XXXI (tabel A). Immers, sinds 1 augustus 1986 zijn sommige werken in onroerende. staat, onder bepaalde voorwaarden, bij toepassing van rubriek XXXI van tabel A van de bijlage bij het Koninklijk Besluit nr. 20 van 20 juli 1970 tot vaststelling van de tarieven van de belasting over de toegevoegde waarde en tot indeling van de goederen en de diensten bij die tarieven, onderworpen aan het verlaagde BTW-tarief van 6 %.

De toepassing van dit verlaagde tarief is beperkt tot de handelingen die de omvorming, renovatie, rehabilitatie, verbetering, herstelling of het onderhoud, met uitsluiting van de reiniging, geheel of ten dele van de woning tot voorwerp hebben.

Krachtens § 1, 1° van rubriek XXXI van tabel A zijn het werk in onroerende staat en de daarmee gelijkgestelde handelingen die het bouwen van een nieuw gebouw tot voorwerp hebben impliciet uitgesloten van het voordeel van het verlaagd BTW-tarief van 6 %.

De administratieve aanschrijving nr. 6 van 22 augustus 1986 heeft enkel tot doel de toepassing van het verlaagd tarief in de onroerende sector toe te lichten, en daar eventueel aanbevelingen aan vast te knopen, zonder dat de erin vervatte interpretaties of richtlijnen verplichtend zouden kunnen worden gesteld aan wie dan ook.

De deskundige poneert terecht dat wat hier telt om het geschil op te lossen de globale benadering is van de uitgevoerde werken.

De rechtbank citeert letterlijk hierna volgende passages uit het deskundige verslag :

Waar eiser een opsomming naar voor brengt van alles wat uit de initiële woning behouden is gebleven, antwoordt de gerechtsdeskundige :

"Opsommingen kunnen een vertekend beeld geven : wat telt is de totaliteit van het gegeven voor en na de uitgevoerde werken, met benadering der circulatie en opdeling, met evaluatie der functies voor en na de werken, of i.a.w. is er na de werken nog sprake van enige herkenbaarheid of kunnen we spreken van een totaal ander gebouw ?

Inderdaad, de voorgevel in overweging nemend, kunnen we spreken van een grote mate van herkenbaarheid, doch voor wat daarachter is gepresteerd, moeten we verklaren dat het hier over een ander gebouw gaat, met een totaal andere circulatie en/of opdeling."

(cfr. beantwoorden opmerkingen van eiser op voorverslag VV, blz. 4 - punt nr. 5)

"Samengevat kunnen we stellen dat enkel nog volgende stukken authentiek aan de oorspronkelijke toestand zijn gebleven :

- enkel het spant van de dak structuur is behouden en daarnaast zouden ca. de helft der pannen hergebruikt zijn;

- de beide dragende houten roosteringen van het hoofdgebouw zijn bewaard;

- een deel van de moermuur tussen huidige inkom en garage zou eveneens bewaard gebleven zijn evenals een fragment van de voorgevel (in de beantwoording van de opmerkingen van eiser op het voorverslag VV blz. 5, punt nr. 6, zal de deskundige preciseren dat het hier eigenlijk gaat om een deel van de binnenmuur tussen huidige garage en inkom en haaks op de voorgevel staande; dat deze binnenmuur slechts een beperkte dragende functie heeft ten opzichte van de binnenmuur op de verdieping doch niet tegenover de feitelijke draagstructuur der vloeren of niveaus en dus eigenlijk de classificatie 'moermuur' niet verdient...)

- de bestaande kelder is blijven steken, naast bepaalde funderingen, die daar niet onderuit konden gezien hun situatie (voorgevel en scheidsmuren).

"Volgens de heer S. zijn de beide scheidsmuren eveneens intact gebleven : dit argument is hier van betrekkelijk geringe waarde gezien het hier gaat om de twee mandelige muren of scheidsmuren die onder geen beding kunnen worden weggebroken, tenzij mits specifieke voorwaarden en condities tussen geburen. Normaliter kunnen deze muren enkel behouden worden en komen die enkel in aanmerking voor nieuwe oppervlakte-afwerkingen, hetgeen hier het geval was."

Zelfs de initiële voorgevel werd niet integraal behouden, hetgeen de deskundige uitdrukt als volgt :

"In hel geval S. is van de voorgevel geen 50 % behouden als we rekening houden met :

- het gelijkvloers deel werd herschikt en plaatselijk hermetst in functie van de nieuwe dagmaten;

- op de verdieping werden de ramen heringepast;

- de dakschoot werd zeker vanaf de 2e roostering hermetst;

- over de volle geveloppervlakte, dus over de resterende eventueel gespaard gebleven metselwerken, werd een halve steen afgekapt om er een nieuwe paramentsteen voor te plaatsen.

"Uiteindelijk en wiskundig bekeken kan er van het volume der voorgevelmuur er geen 50 % behouden zijn. Doch die al of niet meer of minder dan 50 % is finaal ondergeschikt en hier niet echt relevant. (Zoals vermeld telt hier het globaal beeld, het beeld van het geheel, ook van hetgeen achter de voorgevel staat).

Nopens de zeer belangrijke afbraakwerken die zijn gebeurd vermeldt het verslag :

"De afbraakwerken gebeurden in functie van een volledige herinrichting en herschikking van het gebouw over al zijn niveaus, en niet zozeer in functie van belangrijke herstellingswerken."

Aldus komt de gerechtsdeskundige tot volgende eindmotivering van zijn advies :

"Het betreft een omvorming van een woning, doch waaromtrent niet alle andere voorwaarden zijn vervuld om de waardering 'verbouwing" aan te houden :

- de werken S. steunen slechts ten dele op een relevante wijze op de oude dragende muren;

- de werken S. betreffen het herbouwen van een woning met behoud van (delen) fundering en kelder van het oude gebouw of van bijkomende elementen van zijn structuur;

- enerzijds de omvang van de vernieling of van de afbraken dragen bij tot het oprichten van een nieuw gebouw;

- anderzijds hebben de gedeeltelijke vernielingen niet tot voorwerp belangrijke herstellingen, echter wel het volledig heropdelen en herschikken van de binnen circulatie,'

- een aanzienlijke aanbouw met dakterras werd gerealiseerd, met daarnaast een compleet gewijzigde verticale circulatie (lift en buitentrap);

- de herkenbaarheid beperkt zich tot het aspect voorgevel en het gabariet, terwijl we daarachter een compleet ander gebouw terugvinden.

Uit dit alles moeten we de werken S. waarderen als 'nieuwbouw' en is naar onze mening de aanslagvoet van 17 % van toepassing."

Deze eindconclusie van de deskundige wordt zoals hoger reeds te kennen gegeven, in afdoende mate gedragen door de feitelijke vaststellingen van de gerechtsdeskundige.

De globale indruk is deze van zodanig ingrijpende bouwwerkzaamheden dat we moeten aannemen dat het tarief van de nieuwbouw (17 % BTW) dient te worden toegepast. De administratie had het bij het rechte eind.

Het tegendeel wordt onvoldoende bewezen.

In de hoofding van de door eiser ingediende bouwaangifte staat trouwens vermeld :

"eigenaar van het gebouw gelegen te …, …, HERbouwd, Sie F 1097C."


Het proces-verbaal van 16 juni 1994 vermeldt aangaande de boete dat er een proportioneel verminderde boete van 63.000 fr (thans 1.561,73 euro) wordt toegepast die zal worden verhoogd met 50 % ingeval van kennisgeving of betekening van een dwangbevel.

BTW-boetes en verhogingen van boetes kunnen strafsancties uitmaken, hetgeen de openbare orde raakt.

De rechtbank stelt vast dat geen van partijen heeft besloten inzake de BTW-boete en de verhoging ervan met 50 %.

De debatten worden daartoe ambtshalve heropend.

Beschikkend gedeelte

OM DEZE REDENEN,

DE RECHTBANK,

Gelet op de artikelen 2, 34, 36, 37 en 41 van de taalwet van 15 juni 1935;

Wijzende op tegenspraak;

Verklaart het verzet, wat het toegepast BTW-tarief betreft, ongegrond.

Wat de BTW-boete betreft en de verhoging ervan met 50 % bij betekening of kennisgeving van een dwangbevel beveelt ambtshalve de heropening der debatten (artikel 774 Ger. W) teneinde partijen toe te laten daaromtrent stelling te nemen.

Stelt de zaak daartoe op de zitting van de tweede kamer fiscaal op MAANDAG 7 OKTOBER 2002 te 10.30 uur, in het Gerechtsgebouw te 8500 Kortrijk, Burgemeester Nolfstraat 10A, derde verdieping, zaal 102.

Verklaart het vonnis wat de eigenlijke BTW betreft (15.667,49 euro) uitvoerbaar bij voorraad, niettegenstaande elk verhaal en zonder borgstelling.

Aldus gevonnist en uitgesproken in het Gerechtsgebouw te Kortrijk, in de buitengewone openbare terechtzitting op ACHTENTWINTIG JUNI TWEEDUIZEND EN TWEE.

Aanwezig :

M. B., alleenzetelend rechter,

A. D., adjunct-griffier.

A. D. M. B.