Rechtbank van eerste aanleg te Hasselt, 13 oktober 2010 · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Rechtbank van eerste aanleg Hasselt 13 oktober 2010

Zoeken

Rechtbank van eerste aanleg te Hasselt, 13 oktober 2010Belasting over de toegevoegde waarde

https://juriel.be/nl/rechtspraak/rechtbank-hasselt-2010-10-13-c7b9

Rechtscollege
Rechtbank van eerste aanleg
Zetel
Hasselt
Datum
13 oktober 2010

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

60 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Hasselt d.d. 13.10.2010

Samenvatting niet beschikbaar

Tekst van het vonnis

Tekst van de beslissing

De Rechtbank van eerste aanleg te Brugge, VIERDE KAMER, heeft het hierna volgend vonnis verleend :

In de zaak 09/18521A Rep. nr. 2010/12757

de BVBA RESTAURANT S. (Ondernemingsnr. BE …), met zetel te …, …,

eiseres,

voor wie is opgetreden Meester A. V. (balie Gent) loco Meester N. A., advocaat met kantoor te …, …,

tegen :

De FOD FINANCIEN, Belasting en Invordering, Invordering-sector BTW, BTW-Ontvangkantoor te BRUGGE, met kantoren gevestigd te 8000 BRUGGE, G. Vincke Dujardinstraat 4,

verweerder,

voor wie optreedt Meester J. V. d. P., advocaat met kantoor te …, ….

I. RECHTSPLEGING

Gelet op het gedinginleidend verzoekschrift de dato 17 juli 2009.

De rechtbank nam kennis van het dossier van de rechtspleging en van de door partijen neergelegde bundels.

Partijen werden gehoord in hun middelen in de openbare terechtzitting van 15 september 2010.

Artikel 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werden in acht genomen.

II. BIJZONDERSTE GEGEVENS DER ZAAK

2.1. Eiseres is ingeschreven als BTW-belastingplichtige onder het BTW-registratienummer BE … voor de economische activiteit van de uitbating van een restaurant (in …) en van een hotel (in …) en is derhalve onderworpen aan de bepalingen van de BTW-wetgeving en de ter uitvoering ervan genomen besluiten.

Op 9 oktober 2008 werd een controle van de boekhouding verricht van eiseres door D. V. R., adjunct fiscaal deskundige bij de administratie van de BTW, ter beschikking gesteld van de Administratie van de Ondernemings- en Inkomstenfiscaliteit, controlecentrum Oostende, over een periode van 1 januari 2005 tot en met 31 december 2006.

Naar aanleiding van gedane vaststellingen werd op 19 oktober 2005 een correctieopgave opgesteld die op 17 november 2008 voor akkoord werd ondertekend door H. C..

Het verschuldigd gestelde bedrag werd geregistreerd onder "'RCIV-nummer … ten bedrage van volgende sommen :

- BTW : 6.894,70 EUR;

- Boete : 950.00 EUR;

- Intrest : vanaf 21 januari 2007.

Op 28 mei 2009 werd door eerstaanwezend inspecteur van het BTW-ontvangkantoor in Brugge een dwangbevel uitgevaardigd dat op 2 juni 2009 geviseerd en uitvoerbaar verklaard werd door C. U., waarnemend eerstaanwezend inspecteur van de BTW-controle in Blankenberge, daartoe aangewezen door de Gewestelijke Directeur van de BTW in Brugge.

Het dwangbevel werd op 11 juni 2009 aan eiseres betekend bij exploot van gerechtsdeurwaarder Y. D. M., plaatsvervanger van gerechtsdeurwaarder M. V., gerechtsdeurwaarder in Brugge.

Tegen dit dwangbevel werd op 17 juni 2009 verzet aangetekend door eiseres.

2.2. Eiseres vraagt dat: het verzet ontvankelijk en gegrond verklaard wordt, dat derhalve het bestreden dwangbevel tenietgedaan wordt, minstens ongegrond verklaard wordt en dat verweerder verwezen wordt in de kosten met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding begroot op 900,00 EUR.

2.3. Verweerder vraagt dat : het verzoekschrift ontvankelijk doch ongegrond verklaard wordt en eiseres veroordeeld wordt tot de geding kosten begroot op 900,00 EUR zijnde het basisbedrag der rechtsplegingsvergoeding.

III. BEOORDELING

3.1. nopens de ontvankelijkheid

Verweerder voert geen middelen aan die tot de onontvankelijkheid van deze vordering kunnen leiden. Nu de Rechtbank evenmin middelen van onontvankelijkheid, die hij ambtshalve zou dienen op te werpen, ontwaart, is de vordering ontvankelijk.

3.2. nopens de grond

3.2.1. Naar aanleiding van een controle, uitgevoerd door de BTW-administratie, van de boekhouding van eiseres, werd vastgesteld dat de door eiseres gehouden boekhouding geen bewijskracht had, dat de voordelen in natura met betrekking tot het gebruik van een wagen niet werden aangegeven, dat de mate waarin meeneemgerechten geleverd werden niet kon worden bewezen (in het kader van een akkoord aanvaardde de controleagent dat 30 % van de ontvangsten van het restaurant betrekking hadden op meeneemgerechten, onderworpen aan een tarief van 6 %), de aangegeven omzet, na berekening, onvoldoende bleek (in het kader van een akkoord werd een omzetverhoging van 10.000 EUR per jaar aanvaard, waarvan de helft onderworpen aan het tarief van 6 % en de helft aan het tarief van 21 %)."

In die zin werd op 19 oktober 2005 een correctieopgave opgesteld, waarin volgende bedragen werden opgenomen : BTW : 6.894,70 EUR, intresten : 171,03 EUR (berekend tot 20/06/2009), boete : 950,00 EUR.

De gevolmachtigde van eiseres, H. C. heeft zich op 17 november 2008 onvoorwaardelijk akkoord verklaard met voormelde correctieopgave (stuk 1 - verweerder).

3.2.2. Eiseres stelt dat zij daartoe geen mandaat heeft gegeven aan H. C. en niet wist van een akkoordverklaring, zodat ze niet gebonden is door de kwestieuze akkoordverklaring.

3.2.3. Een akkoord van de belastingplichtige of diens gevolmachtigde met de door de administratie geredigeerde correctieopgave bindt de partijen.

Indien de belastingplichtige nadien op dit akkoord wenst terug te komen, dient hij het bewijs te leveren dat het akkoord is aangetast door een materiële misslag, een dwaling omtrent het recht of door bedrog.

Op 13 november 2008 heeft P. J., statutaire zaakvoerder van eiseres, volmacht verleend aan H. C. "om ter gelegenheid van controles uitgevoerd in hoofd van last(gever)(geefster) door de BTW - Directe Belastingen - Controlediensten de naheffingsopgaven of andere stukken geldig en bindend te ondertekenen" (stuk 2 - verweerder), welke volmacht geldig was tot de intrekking ervan.

De belastingplichtige draagt de verantwoordelijkheid voor de keuze van zijn mandataris.

Het afsluiten van een akkoord impliceert dat de kwestieuze weerhouden bedragen in de correctieopgave vooraf werden besproken, temeer daar de controle plaatsvond op 9 oktober 2008, de volmacht ondertekend werd op 13 november 2008 en de correctieopgave op 18 november 2008 voor akkoord werd ondertekend waaruit blijkt dat de gevolmachtigde van eiseres met kennis van zaken heeft gehandeld.

Nergens wordt aangetoond dat het akkoord is aangetast door een materiële misslag, een dwaling omtrent het recht of door bedrog.

De fiscale vordering mist dan ook grondslag.

Alle verdere argumentatie is niet langer dienend.

3.3. nopens de kosten

Eiseres wordt in het ongelijk gesteld en dient overeenkomstig artikel 1017, 1e lid Ger.W. de gerechtskosten dient te dragen.

De gerechtskosten bedragen het basisbedrag der basisrechtsplegingsvergoeding, zijnde 900,00 EUR overeenkomstig het KB van 26 oktober 2007, zoals gevorderd.

Beschikkend gedeelte

OM DEZE REDENEN,

DE RECHTBANK,

Wijzende in eerste aanleg en op tegenspraak.

Alle verdere middelen van partijen verwerpend als niet terzake dienend.

Verklaart de vordering ontvankelijk doch ongegrond.

Veroordeelt eiseres tot de gedingkosten aan haar zijde niet te begroten aangezien ze haar ten laste blijven en aan de zijde van verweerder begroot op de rechtsplegingsvergoeding ten bedrage van 900,00 EUR.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting in het gerechtshof te Brugge op woensdag dertien oktober tweeduizend en tien.

Aanwezig zijn :

H. A., alleenrechtsprekend rechter;

L. N., griffier.

N. L. A. H.