---
title: "Rechtbank van eerste aanleg te Hasselt, 2 november 2005"
description: "Rechtbank van eerste aanleg te Hasselt (België), 2 november 2005."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak/rechtbank-hasselt-2005-11-02-b97f"
lang: "nl"
---

# Rechtbank van eerste aanleg te Hasselt, 2 november 2005 · Belasting over de toegevoegde waarde

**Rechtscollege**

Rechtbank van eerste aanleg

**Zetel**

Hasselt

**Datum**

2 november 2005

## Over het document

**Verzameling**

Belgische rechtspraak

**Taal van de tekst**

Nederlands

## Tekst

80 paragrafen

### Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Hasselt d.d. 02.11.2005

Samenvatting niet beschikbaar

**Tekst van het vonnis**

### Tekst van de beslissing

**DE BURGERLIJKE RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG, ZITTING HOUDENDE TE HASSELT, ELFDE KAMER, HEEFT HET VOLGENDE VONNIS UITGESPROKEN :**

**INZAKE A.R. nr. 94.0355.A**

**P. F.**, wonende te …, ….

Eiseres, vertegenwoordigd door Mr. **H. D.**, advocaat te …, ….

tegen :

**ADMINISTRATIE VAN DE BTW, registratie en domeinen**, in de persoon van de gewestelijk directeur, met burelen gevestigd te 3500 Hasselt, Voorstraat 43.

**DE BELGISCHE STAAT, FEDERALE OVERHEIDSDIENST FINANCIËN**,

Kabinet van de Minister van Financiën, 1000 Brussel, Wetstraat 12.

verweerder, vertegenwoordigd door Mr. **R. F.**, advocaat te …, ….

Gelet op :

**VOLGT HET VONNIS :**

Gelet op :

\- De akte van verzet betekend door gerechtsdeurwaarder **L. R.** te … op 16.02.1994.

\- De conclusies, aanvullende conclusies en stukken van partijen.

Huidig geding is gestart met exploot van dagvaarding van 16 februari 1994 in betwisting door eiseres van een dwangbevel dat op 1O februari 1994 was uitgevaardigd door de ontvanger der BTW Hasselt 1, dat op 11 februari 1994 uitvoerbaar was verklaard en dat op 15 februari 1994 met exploot van betekening-bevel aan eiseres was betekend, te dezen aan een heer die door de instrumenterende gerechtsdeurwaarder werd omschreven als haar aangestelde.

Toelaatbaarheid der naar destijds recht gestelde rechtsvordering staat niet in betwisting, ook niet desgevallend ambtshalve aan te voeren.

Verweerder heeft conclusie neergelegd in november 1994, eiseres op haar beurt in december 1996, waarna verweerder in augustus 2000 aanvullende conclusie heeft neergelegd en eiseres dito in juli 2001, waarna verweerder in januari 2003 tweede aanvullende conclusie neerlegde, en in februari 2005 werd namens beide partijen verzocht om pleitfixatie.

Eiseres voert vooreerst aan dat het adres waarop haar het dwangbevel is betekend niet het hare was, maar wel het adres van de zetel van BVBA **D. W.** waaraan zij weliswaar haar persoonlijke handelsfonds had overgedragen - minus enkel tijdelijk behoud van douane-entrepot om douanetechnische redenen - terwijl zij reeds sedert 27 mei 1974, onafgebroken, woonde op een adres te ….

Eiseres voert voorts ook aan dat de betekeningakte vermeldt dat afschrift werd gelaten van een "te … op 3.12.93 VOOR AKKOORD ondertekend proces-verbaal", terwijl uit het medebetekende proces-verbaal helemaal geen ondertekening door haar blijkt, laat staan een ondertekening voor akkoord.

Eiseres leidt uit deze twee grieven vorderingsrecht tot nietigverklaring van het dwangbevel en van de betekening ervan af, en stelt dat dit gebrek niet kan/kon worden hersteld in het geding.

Zij stelt bij dit alles voorts dat zij in haar belangen werd geschaad, gelet op de verwarring met betrekking tot het proces-verbaal dat (waarschijnlijk) moest worden betekend, verwarring die oorsprong zou vinden in het gegeven dat de hogerop vermelde BVBA **D. W.** (met haarzelf als zaakvoerster) discussie heeft/had met de diensten van de BTW.

Waar het dwangbevel en het eraan gehechte proces-verbaal administratieve akten vormen, is de betekening bij exploot een gerechtsakte.

Waar eiseres de betekening en het dwangbevel plus exploot in handen heeft gekregen en waar er (daags na het betekeningexploot) reeds werd gedagvaard in 'verzet' (lees betwisting), blijkt dat het betekeningexploot het beoogde doel heeft bereikt, met name het op gang zetten van de fiscale vordering en de daardoor tegelijk aan eiseres geboden en ook benutte mogelijkheid tot betwisting.

Waar uit het van het betekende dwangbevel deel uitmakende proces-verbaal niet blijkt dat het voor akkoord is ondertekend door eiseres, en het zelfs in het geheel niet door haar is getekend, althans niet het betekende afschrift dat voor haar als origineel geldt, neemt zulks niet weg dat het haar betekende te haren name opgestelde, van 3 december 1993 daterende, proces-verbaal vordering te haren laste formuleert en onderbouwt ter zake BTW, boete en toebehoren.

Aldus kan niet worden getwijfeld aan het feit dat het dwangbevel en het deel ervan vormende proces-verbaal huidig eiseres betreft, zodat uit die oorzaak te dezen in rechte geen aanleiding voorligt het dwangbevel nietig of onwettig te verklaren.

Eiseres werpt op dat haar uit het administratieve recht spruitende hoorrecht werd geschonden doordat zij op dat nochtans uitdrukkelijk schriftelijk gevraagde hoorrecht (stuk 6 eiseres) niet werd gehoord ter gelegenheid van haar "willig" (aldus informeel) administratief beroep bij de gewestelijk directeur.

Het staat vast dat eiseres of haar raadsman niet werden gehoord en daartoe zelfs niet werden uitgenodigd.

Eiseres leidt daaruit de grief af dat om reden van schending van haar rechten van verdediging het dwangbevel nietig dient te worden verklaard.

Zij verliest daarbij uit het oog dat de wet haar toelaat de volledige betwisting, te dezen na het nemen van de administratieve beslissing, en hoe dan ook in betwisting van de in dwangbevel verwoorde fiscale vordering, voor te leggen aan een rechtbank met overigens dubbele aanleg, wat zij trouwens ook deed door huidig voorliggend geding aan te spannen.

De rechtbank moet aldus de betwisting ten gronde beoordelen (vgl., mutatis mutandis, reeds ook onder de oude procedure, Antwerpen 26 mei 1998, FJF 98/195).

Eiseres werpt op dat het proces-verbaal, als wettelijk bewijsmiddel, slechts bewijskracht heeft voor wat betreft de persoonlijke materiële vaststellingen van de verbalisant, en niet wat betreft gevolgtrekkingen.

Deze stelling is volkomen bij te treden, maar eiseres vervult niet haar stelplicht die bestaat in aanwijzing van bepaalde passages uit het proces­verbaal die slechts gevolgtrekkingen zouden behelzen.

De fiscale vordering slaat op het jaar 1989, waarvoor de aftrek van voorbelasting geweigerd is, behoudens ter zake de inkomende verrichtingen die de belastingdienst heeft aangetroffen bij natrekking der leverancierslistings.

Zulks is geschied nadat eiseres had gesteld dat haar persoonlijke boekhouding, die zou hebben berust ter maatschappelijke zetel van BVBA **D. W.**, zou zijn ontvreemd door onbekenden, waaromtrent zij een door haar als zaakvoerder ondertekende strafklacht van deze BVBA voorlegt, althans een overzicht van 27 januari 1993 aan de toenmalige rijkswacht (haar stuk 2) met lijst van verdwenen boekhouding en een dito overzicht van dezelfde datum (steeds haar stuk 2) met lijst van eveneens verdwenen persoonlijke boekhouding.

Waar de belastingdienst BBI het feit der diefstal blijkbaar niet op zich in twijfel heeft gesteld, heeft hij daarop aansluitend controle doorgevoerd via aldus de leverancierslistings, waarbij uit vergelijking met Vak 21 van de aangiften bleek dat … toenmalige BEF, bedrag nu te lezen als … EUR, te veel in aftrek was gebracht.

Eiseres stelt dat de leverancierslistings eenzijdige gegevens van derden vormen waartegen zij uit oorzaak van de diefstal geen tegenbewijs (meer) kan leveren, waardoor de proportionaliteit wordt aangetast doordat in die netelige situatie alsnog het aftrekrecht wordt ingeperkt.

Zij poneert ter ondersteuning de principiële juistheid van haar aangifte, waartegen verweerder evenwel terecht aanvoert dat zulk vermoeden van juistheid niet geldt ter zake recht op aftrek dat immers afhangt van het door haar bewezen vervuld zijn van de wettelijke voorwaarden op het zowel hebben als uitoefenen van dat recht op aftrek.

Eiseres stelt ten onrechte, impliciet maar ontegenzeglijk, dat mogelijkheid tot controle als het ware zou wegvallen uit oorzaak dat zijzelf niet (meer) in staat is de resultaten van de controle te weerleggen, spant op die wijze evenwel de kar voor het paard.

Waar zij stelt dat leverancierslistings geen feitelijk vermoeden kunnen opleveren zonder dat deze loutere opgaven door derden werden geverifieerd op hun intrinsieke waarachtigheid, is zij daarin volkomen bij te treden waar zulks er op neerkomt dat daarmede geen bewijs wordt geleverd, bij wijze van feitelijk vermoeden, van onjuistheid der verrichte aftrek.

Evenwel vereist de situering door de wet van de bewijslast inzake aftrek op de schouders van eiseres dat zij het bewijs levert van te dezen de bedragmatige omvang ervan.

De belastingdienst heeft in dit kader vastgesteld dat eiseres een bepaald bedrag in aftrek heeft gebracht en hij heeft vastgesteld dat daarvan bedragmatig niet volledig het bewijs geleverd is.

Verkeerdelijk beschouwen partijen de aangewende leverancierslistings te dezen dan ook als feitelijk vermoeden met het oog op een door de belastingdienst in te vullen bewijslast, nu de listings enkel hebben gediend ter indicatie dat eiseres de op haar rustende bewijslast ter zake uitoefening van recht op aftrek niet naar behoren heeft ingevuld.

Waar zoals reeds vastgesteld de belastingdienst het feit der diefstal nooit op zichzelf in vraag heeft gesteld, noch de stelling van eiseres dat dit gegeven voor haar een geval van overmacht heeft gevormd, dient zij te worden bijgetreden in haar stelling dat haar door deze gegevenheid het bewijs via boekhouding onmogelijk is geworden, nu bepaaldelijk bij de niet betwiste diefstal eveneens niet betwist de documenten (facturen) verloren zijn gegaan aan de hand waarvan het bewijs van de omvang van de aftrek wordt geëist door verweerder in zijn verwijzing naar de wet (tweede en laatste aanvullende conclusie, bladzijde 2 onderaan).

Daartegenover stelt verweerder dan weer terecht dat bij gebrek aan originele factuur, zoals te dezen, de mogelijkheid openbleef om duplicata aan te vragen, voor wat betreft die leveringen die niet staan vermeld op de leverancierslistings.

In het proces-verbaal (stuk 1 verweerder) staat geacteerd dat door twee bedienden, bijgestaan door gevolmachtigde extern boekhouder, werd verklaard dat het verschil in aftrekbare BTW kon worden verklaard "door het feit dat zij soms aankopen deden (... ) uit faillissementen, en dat de bevoegde curatoren voor die verkopen geen listing-afnemers hebben opgesteld", en dat op de vraag van de verbalisanten of zij een firmanaam kenden uit wiens faillissement zij in 1989 goederen hebben gekocht, betrokkenen ontkennend hebben geantwoord.

Zulks dient vanuit de bediendepositie dan wel boekhouderpositie te worden beoordeeld als pertinent gebrek aan medewerking zelfs aan wil tot medewerking aan de zijde van eiseres om de op haar rustende bewijslast tot uitoefening van recht op aftrek in te vullen, onafhankelijk van het gegeven van het op zich door de belastingdienst niet betwiste gegeven van de diefstal.

Ten overvloede blijkt uit geen enkel gegeven dat eiseres tussen de diefstal in januari 1993 en de controle in november 1993, tot welke controle de mogelijkheid ten dage der diefstal verre van vervallen was, ook maar de minste moeite heeft ondernomen om reeds alsdan te trachten het verlies aan facturen of aan andere nuttige bewijskrachtige stukken alsnog te herstellen.

## Met betrekking tot de administratieve boete

Eiseres werpt op dat met betrekking tot de toegepaste en in het dwangbevel gevorderde boete artikel 109 van de wet van 4 augustus 1986 door de belastingdienst is overtreden.

Dit wetsartikel vereist dat de feiten worden opgegeven die overtreding opleveren, verwijzing naar de toegepaste wets- of verordeningstekst, en de motieven die hebben geleid tot bepaling van het bedrag der toegepaste boete.

Het proces-verbaal dat een geheel vormt met het dwangbevel vermeldt in extenso de feiten die de wetsovertreding van te dezen overdreven aftrek van voorbelasting opleveren, welke wets- en verordeningstekst daardoor te dezen zijn overtreden, naast de motieven die hebben geleid tot toepassing van de administratieve boete, deze gelet op de aard van de overtreding conform Tabel A eerste afdeling rubriek II van KB nr.41 inzake BTW herleid tot een bedrag dat gelijkstaat met 10% van de nagevorderde rechten.

Artikel 109 van de wet van 4 augustus 1986 is aldus volop nageleefd met het dwangbevel.

De rechtbank heeft volle rechtsmacht tot beoordeling van de werkelijk toegepaste boete die in de zin van het EVRM te dezen een strafsanctie vormt (vgl. EVRM 4 maart 2004, TFR 2004/60 in Overweging 29, en de verwijzing naar inmiddels rechtspraak van het Arbitragehof door het EHRM), behoudens dat aanpassingen aan de toegepaste boete niet mogen geschieden aan de hand van loutere billijkheidsoverwegingen (vgl. diverse arresten van het Hof van Cassatie, bv. 21 januari 2005, C020572N).

Eiseres voert te dezen geen gegronde reden aan waarom de reeds aan de hand van het KB tot 10% herleide (vertrekkend van de wettelijke basisboete gelijk aan 200%) herleide toegepaste boete zou moeten worden kwijtgescholden dan wel verder herleid.

De rechtbank onderkent vanuit de hogerop vastgestelde feiten geen oorzaak tot nog verdere herleiding van de boete.

Wat betreft de verhoging van de herleide boete met 50% uit oorzaak van invordering middels dwangbevel, heeft eenieder in beginsel het recht om een betwisting te laten beslissen door de rechter als van de belastingdienst losstaande onafhankelijke rechtsmacht, wat niet gehinderd mag worden door een regel waarbij de loutere uitoefening van dit recht wordt bestraft met een boete (vgl.Cass.25 april 2002, R.W.2003-04, 494).

Het staat te dezen evenwel niet vast dat eiseres voldoende redenen had of meende te kunnen hebben om louter op basis van het motief van de diefstal haar bewijslast ter zake uitoefening van het recht op aftrek van voorbelasting alsnog niet positief in te vullen (vgl. zelfde arrest).

Inhoudingen die inmiddels zijn verricht op tegoeden van eiseres en ter delging van de fiscale vordering vormen uitvoeringshandelingen die zij bij de Beslagrechter had kunnen betwisten zo daartoe grond bestond, betwisting die hoe dan ook is achterhaald door huidig vonnis dat de vordering van eiseres ten gronde afwijst.

Dito wat betreft het bewarend beslag op tegoed van eiseres inzake inkomstenbelasting.

De voorschriften van de artikelen 2-30 tot 37 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken werden nageleefd.

### Beschikkend gedeelte

## OM DEZE REDENEN :

De rechtbank, rechtdoende op tegenspraak :

Verklaart de vordering toelaatbaar, maar ongegrond,

Veroordeelt eiseres tot de kosten, deze aan elke zijde begroot in respectieve conclusies, en door de rechtbank in hoofde van verweerder vereffend op € … bij wijze van geactualiseerde rechtsplegingvergoeding.

Aldus gedaan en uitgesproken in openbare zitting van de elfde kamer op het gerechtshof te Hasselt op 02.11.2005 alwaar aanwezig waren :

De heer **L. B.**, rechter, waarnemend voorzitter,

Mevrouw **C. V.**, rechter,

Mevrouw **C. V.**, rechter, en,

De heer **R. D.**, griffier-hoofd-van-dienst.

**R. D.** **C. V.** **C. V.** **L. B.**

Lasten en bevelen dat alle daartoe gevorderde gerechtsdeurwaarders dit vonnis, deze beschikking ten uitvoer zullen leggen;

Dat Onze procureurs-generaal en Onze procureurs des Konings bij de rechtbanken van eerste aanleg daaraan de hand zullen houden en dat alle bevelhebbers en officieren van de openbare macht daartoe de sterke hand zullen bieden wanneer dit wettelijk van hen gevorderd wordt;

Ten blijke waarvan dit vonnis, deze beschikking is ondertekend met het zegel van de rechtbank.

VOOR EENSLUIDENDE UITGIFTE, afgeleverd aan verweerder.

Hasselt, 10 november 2005

De Hoofdgriffier,

**L. B.**
