Fiche van de FOD Financiën
Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Hasselt d.d. 04.12.2002
Samenvatting niet beschikbaar
Tekst van het vonnis
Tekst van de beslissing
De Burgerlijke Rechtbank van Eerste aanleg, zitting houdende te Hasselt, Elfde Kamer, heeft het volgende vonnis uitgesproken :
INZAKE A.R. nr. 99/41/A :
DE BELGISCHE STAAT, VERTEGENWOORDIGD DOOR DE HEER MINISTER VAN FINANCIEN VAN HET KONINKRIJK BELGIE, wiens kantoren gevestigd zijn te Brussel, Wetstraat 14, op vervolging en bemoeiingen van DE HEER GEWESTELIJK DIRECTEUR DER DOUANE EN ACCIJNZEN,
eiser, vertegenwoordigd door Mr. K. B. loco Mr. J. V. R., advocaat te …, …;
tegen :
1. DOUANEAGENTSCHAP E. NV, ingeschreven in het handelsregister te Hasselt onder nummer …, met zetel te …, …,
Eerste verweerster, vertegenwoordigd door Mr. D. loco W. Z., advocaat te …, …,
2. NV FORTIS BANK, met maatschappelijke zetel 1000 Brussel, Warandeberg 3, ingeschreven in het handelsregister te Brussel onder nummer 76034, dewelke het geding hervat bij akte neergelegd ter griffie dd. 15.01.01 als rechtsopvolger van GENERALE BANK NV, met maatschappelijke zetel gevestigd te 1000 Brussel, Warandeberg 3,
tweede verweerster, vertegenwoordigd door Mr. B. loco Mr. J. D., advocaat te …, …,
EN INZAKE A.R. nr. 01.204.A :
D. E. NV, ingeschreven in het handelsregister te Hasselt onder nummer …, met zetel te …, …,
eiseres, vertegenwoordigd door Mr. D. loco Mr. W. Z., advocaat te …, …,
tegen :
DE BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de Heer Minister van Financiën, op vervolging en benaarstiging van de Administratie over de Toegevoegde Waarde, Registratie en domeinen, in de persoon van de Ontvanger van het TWEEDE BTW-ONTVANGKANTOOR met burelen gevestigd te 3500 Hasselt, Koning Boudewijnlaan 4,
Verweerder, vertegenwoordigd door Mr. F. R., advocaat te …, …;
VOLGT HET VONNIS :
Feiten en voorgaanden
Bij exploot van 16 februari 1995 heeft de Belgische Staat middels de Gewestelijk Directeur van Douane en Accijnzen het D. E. NV als eerste verweerster, en de G. B. NV (sedertdien F. B. NV) als tweede verweerster, laten dagvaarden om te verschijnen voor de rechtbank van eerste aanlegt Tongeren.
Deze zaak werd aldaar ingeleid op 3 maart 1995 onder A.R. 95.0334.A.
Bij vonnis van 24 december 1998 verklaarde de rechtbank te Tongeren zich territoriaal onbevoegd en werd de zaak verwezen naar de rechtbank van eerste aanleg te Hasselt.
Alhier is deze zaak gekend onder A.R. 99.0041.A.
Bij exploot van 21 april 1994 heeft NV D. E. de Ontvanger van het Tweede BTW-Ontvangkantoor te Hasselt laten dagvaarden om te verschijnen voor de rechtbank van eerste aanleg alhier.
Op 8 december 1998 werd deze zaak ambtshalve van de rol weggelaten overeenkomstig art. 730, § 2 Ger. W. De zaak werd terug op rol gebracht in 2001, ditmaal onder A.R. 01.0204.A.
Inzake A.R. 99.0041.A worden de beide verweerders aangesproken wegens niet aanzuivering van acht aangiften van extern communautaire douanevervoer 'T1'.
Inzake A.R. 01.0204.A wordt de verweerder aldaar aangesproken tegen een dwangbevel van 23 maart 1994 dat is gericht op de invordering van de BTW uit dezelfde oorzaak, met name de niet zuivering van dezelfde T1 documenten.
Samenhang
Beide vorderingen zijn gericht op de beoordeling van al dan niet verschuldigdheid van douanerechten aan de ene kant en BTW aan de andere kant uit een zelfde rechtsgrond, met name de al dan niet zuivering van de vermelde T1 documenten, zodat het overeenkomstig artikel 30 Ger. W. ·gepast voorkomt daarover in een zelfde vonnis te oordelen.
Beoordeling
Ontvankelijkheid
Er loopt geen betwisting over de toelaatbaarheid van de diverse vorderingen en de rechtbank onderkent geen van ambtswege aan te voeren oorzaak van ontoelaatbaarheid.
Ten gronde
1. NV H. E. en Zonen, zustervennootschap van de in het geding zijnde D. E. NV, heeft in de periode juni 1989 tot en met juni 1990 transporten verzorgd waarvan laatstgenoemde de documenten verzorgde en meer bepaald de daartoe bestemde documenten T1 uitschreef.
De betrokken goederen kwamen de EG binnen te Hamburg en dienden in Rotterdam de EG terug te verlaten.
De belastingdienst Douane en Accijnzen en de belastingdienst BTW hebben echter elk naar hun bevoegdheid vorderingen gesteld in opvordering van invoerrechten, respectievelijk BTW, zulks uit oorzaak van niet gebleken zuivering van de T1 documenten, onder opgave dat het originele exemplaar 5 van de T1 documenten niet wetsconform is terugbezorgd vanuit het douanekantoor van uitgang Rotterdam naar het douanekantoor van vertrek Lommel.
NV D. E. wordt in rechte aangesproken in hoedanigheid van wettelijk aansprakelijk douaneagentschap en NV F. (voorheen G.) B. wordt daarnaast in rechte aangesproken in hoedanigheid van borgsteller.
Door de niet zuivering van de T1 documenten is op de goederen waarvan niet is komen vast te staan dat ze het EG-grondgebied terug hebben verlaten, invoerrecht en BTW verschuldigd geworden.
De niet zuivering blijkt er in te bestaan dat de ter aanzuivering aangewende stempels wel degelijk originele stempels waren maar door omgekochte Rotterdamse ambtenaren werden geplaatst, waaromtrent door hen in Nederland strafvervolging werd ondergaan.
2. Zowel NV D. E. als NV F. B. zijn van oordeel dat zij niet moeten instaan voor de gevolgen van fouten die zijn begaan door die Nederlandse douaneambtenaren waartegenover zij derden zijn.
In rechte komt de stelling van beiden er op neer dat hun aansprakelijkheid werd doorbroken door een aan hen vreemde oorzaak, specifiek bestaande in de foutlast van derden. De aansprakelijkheid van NV D. E. volgt uit de toepassing van de wet en de aansprakelijkheid van NV F. B. volgt uit haar borgstelling binnen de grenzen van die borgstelling.
Beiden zijn ze van oordeel dat de aanzuivering die door de Nederlandse douaneambtenaren weliswaar in fraus legis is gebeurd, niet belet dat de T1 documenten volgens de regels zijn aangezuiverd, waardoor het bewijs van het behoorlijk communautair vervoer(...) ten volle geleverd is (blz. 13 bovenaan in besluiten E. A.R. 99.0041.A en tegelijk blz. 11 onderaan A.R. 01.0204.A), en NV F. B. voegt daar ondergeschikt een door haar gestipuleerde bedragsbeperking aan toe.
3. In de stelling van de twee vernoemde belastingdiensten is de wet weliswaar hard, maar moet ze toch onverminderd worden toegepast, waardoor NV D. E. wettelijk aansprakelijk blijft voor de niet zuivering ook al treft haar geen schuld en de borgstelling van NV F. B. kleeft daarbij voor deze belastingdiensten onverminderd aan de wettelijke aansprakelijkheid waarvoor door haar borg werd gesteld.
4. De rechtbank treft geen opwerping aan vanwege een van beide vernoemden dat, krachtens de toepasselijke Verordeningen, de rechtsmacht ter beoordeling van de voorliggende betwisting inzake invoerrechten bij de rechtbanken in Nederland zou berusten.
Naar oordeel van de rechtbank vormt de zelfs strafrechtelijk vastgestelde schuld in hoofde van de Nederlandse douaneambtenaren geen overmacht of beslissend element waardoor NV D. E. zou zijn bevrijd van haar wettelijke aansprakelijkheid tot betaling van de invoerrechten, nu de in laste neming van een T1 document met zich meebrengt dat men door dit enkele feit ook de wettelijke aansprakelijkheid op zich neemt voor de gevolgen van latere niet zuivering van het document evenwel onder mogelijkheid van verhaal op derden, wat echter het vorderingsrecht van de belasting diensten niet doorbreekt.
Dat is evenzeer het geval met de vanuit zelfde oorzaak verschuldigd geworden Belgische BTW en toen bestaande weeldetaks.
5. Waar NV F. B. doet gelden dat haar borgakte op de invoerrechten een totaalbedrag van … BEF, nu te lezen als … EUR, heeft gestipuleerd, blijkt het dat zij het door de belastingdienst Douane en Accijnzen gevorderde bedrag aan invoerrechten niet heeft voldaan ten tijde van de tegen haar geformuleerde vordering op dat vlak.
De gevorderde nalatigheidsintrest wordt niet beperkt door de borgakte, nu deze intrest dient tot invulling van de vertraging ingevolge niet tijdig verrichte betaling van het reeds toen terecht gevorderde.
De wettelijke intrest ter zake wordt door Douane en Accijnzen berekend tegen de ter zake, wettelijke intrestvoet van 9,6 %, intrestvoet die op zich genomen niet in betwisting wordt gesteld.
In vormconclusie van 23 oktober 2002 heeft Douane en Accijnzen zijn eerder in besluiten van 20 maart 1995 geformuleerde vorderingsbegroting in euro omgezet.
In conclusie van 13 mei 2002 heeft BTW zijn in euro uitgedrukte vorderingsbegroting te dier gelegenheid herleid, .zulks in de zin dat hij geen aanspraak meer maakt op de reeds eerder in het dwangbevel herleide BTW-boete.
Passieve solidariteit van NV D. E. en NV F. B. blijkt uit geen enkele wettekst; daarentegen is er wel passieve ondeelbaarheid op de vordering tot betaling van invoerrechten door de belastingdienst Douane en Accijnzen.
NV F. B. is uit geen enkele oorzaak schuldenaar of borgsteller voor de door de belastingdienst BTW gevorderde Belasting over de Toegevoegde Waarde en aankleven.
6. Waar tenslotte NV D. E. van Douane en Accijnzen en van BTW de betaling vordert van … EUR ter compensatie van uitgaven en kosten en 'ten titel van' schadevergoeding blijkt uit de gegrondheid van de beide fiscale vorderingen tegelijk dat deze vordering ongegrond is.
De voorschriften van de artikelen 2-30 tot 37 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken werden nageleefd.
Beschikkend gedeelte
OM DEZE REDENEN :
De rechtbank, rechtdoende op tegenspraak :
Voegt de beide zaken onder A.R. 99.0041.A en A.R. 01.0204.A samen om reden van samenhang.
Verklaart de hoofdvordering in A.R. 99.0041.A toelaatbaar en tevens gegrond voor het in vormconclusie van 23 oktober 2002 geformuleerde bedrag.
Veroordeelt eerste en tweede verweerders NV D. E. en NV F. B. ondeelbaar tot betaling aan eiser Douane en Accijnzen de som van … (… EUR). meer nalatigheidsintrest op deze som vanaf 22 oktober 1992 tot op de dag van volledige betaling.
Verklaart de door NV D. E. geformuleerde tegeneis ongegrond.
Verklaart de vordering van NV D. E. in AR. 01.0204.A toelaatbaar.
Neemt akte van de herleiding van de fiscale vordering van verweerder Belgische Staat, belastingdienst BTW-Ontvangkantoor Hasselt 2, in zijn conclusie van 13 mei 2002.
Verklaart de vordering van NV D. E. slechts gegrond in de mate dat ze is gericht tegen de aan eiseres middels het bestreden dwangbevel gevorderde fiscale boete en het aankleven van deze boete en wijst NV D. E. af van het meer of anders gevorderde.
Zegt voor recht dat het dwangbevel met referte Reg.127/33/94 van 23 maart 1994, aan eiseres betekend met gerechtsdeurwaardersexploot van 8 april 1994, voor het overige volledige rechtskracht en uitvoerbaarheid behoudt.
Veroordeelt in A.R. 99.0041.A N.V. D. E. en NV F. B. ondeelbaar tot de kosten, deze door de rechtbank in hoofde van eiser Belgische Staat, belastingdienst Douane en Accijnzen, vereffend op … EUR kosten dagvaardingsexploot en … EUR bij wijze van geactualiseerde rechtsplegingsvergoeding op hoofd- en tegeneis tesamen.
Veroordeelt in A.R. 01.0204.A eiseres N.V. D. E. tot de kosten, deze door de rechtbank in hoofde van verweerder Belgische Staat vereffend op … EUR bij wijze van geactualiseerde rechtsplegingsvergoeding (betalingsvordering hoogste schijf).
Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare zitting van de elfde kamer op het gerechtshof te Hasselt op 4 DECEMBER 2002 alwaar aanwezig waren :
De Heer E. S., rechter, waarnemend voorzitter;
De Heer L. B. en Mevrouw M. C., rechters;
De Heer R. J., adjunct-griffier.
R. J. M. C. L. B. E. S.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.