Fiche van de FOD Financiën
Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Hasselt d.d. 14.02.2001
Samenvatting niet beschikbaar
Tekst van het vonnis
Tekst van de beslissing
DE BURGERLIJKE RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG, ZITTING HOUDENDE TE HASSELT - ELFDE KAMER - HEEFT HET VOLGENDE VONNIS UITGESPROKEN :
IN ZAKE A.R. nr. 99/1466/A :
L. BVBA, met zetel te …, …, ingeschreven in het handelsregister te … onder nummer …, als BTW-belastingplichtige geregistreerd onder nummer …,
eiseres, vertegenwoordigd door Mr. B. loco Mr. V., advocaat te …, …,
tegen
DE BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de heer Minister van Financiën, Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen, in de Persoon van de Rekenplichtige van het tweede BTW-ontvangkantoor te Hasselt, wiens burelen gevestigd zijn te 3500 Hasselt, Koning Boudewijnlaan 4,
DE BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de heer Minister van Financiën, Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen, BTW-controle Bree, in de persoon van de heer hoofdcontroleur, wiens burelen gevestigd zijn te 3960 Bree, Grauwe Torenwal 2 bus 4,
verweersters,. vertegenwoordigd door Mr. S. loco Mr. S., advocaat te …, …,
VOLGT HET VONNIS :
Gelet op :
- het exploot van L. R., gerechtsdeurwaarder te Beringen, van 29.07.1999, waarbij eiseres verweerster liet dagvaarden in verzet tegen het dwangbevel van 15.07.1999;
- de conclusies en stukken van partijen;
Feiten en voorgaanden
Eiseres is een BTW-belastingplichtige met maatschappelijke zetel te … aan de …, doch met uitbatingszetel te … aan de ….
Na een boekhoudkundige controle op de maatschappelijke zetel van eiseres is verweerster tot de vaststelling gekomen dat eiseres in de jaren 1995, 1996, 1997 en 1998 een aantal diensten heeft verricht aan het BTW-tarief van 6 %, daar waar de administratie van oordeel was dat voor de desbetreffende diensten het tarief van 21 % had moeten worden toegepast.
De administratie is van oordeel dat aldus in de BTW een tekort is aangegeven van … BEF.
Hiervan werd op 8 juni 1999 een proces-verbaal opgesteld, waarin van eiseres een bedrag van … BEF werd gevorderd, meer een boete van 10 % of … BEF en intresten.
Eiseres heeft op 12 juli 1999 dit bedrag betaald. Zij meldde echter aan verweerster dat de betaling gebeurde zonder schulderkenning en dat zij zou overgaan tot dagvaarding in teruggave.
Op 15 juli 1999 vaardigde verweerster een dwangbevel uit waarin de betaling van de BTW en de boete werd gevorderd. Het dwangbevel werd per aangetekend schrijven van 19 juli 1999 aan eiseres betekend.
Eveneens op 19 juli 1999 bevestigde de ontvanger aan eiseres de ontvangst van de betaling.
Op 29 en 30 juli 1999 liet eiseres akte van verzet betekenen tegen het genoemde dwangbevel, samen met een dagvaarding in teruggave.
Eiseres is van oordeel dat verweerster ten onrechte toepassing maakt van het BTW-tarief van 21 %. Haar vordering strekt er dan ook toe haar verzet ontvankelijk en gegrond te verklaren, het dwangbevel van 15 juli 1999 te vernietigen en de vordering van verweerster ongegrond te verklaren, de terugbetaling te bevelen van de som van … BEF, verhoogd met de intresten sedert de datum van betaling en de kosten van het geding.
Ten gronde
Verweerster betwist de ontvankelijkheid van de gestelde vordering niet en de rechtbank ziet geen redenen die haar ertoe zouden nopen ambtshalve de onontvankelijkheid op te werpen.
1. Het toepasselijke BTW-tarief
De betwisting tussen partijen spitst zich toe op de vraag wat het toepasselijke BTW-tarief is op welbepaalde door eiseres geleverde diensten.
Eiseres biedt aan haar cliënteel een afslankmethode aan, waarbij volgens de folder (stuk 6 bundel verweerster) toepassing wordt gemaakt van de "thermo-fysische methode", die bestaat uit 4 stappen :
1.Een eerste stap betreft de kennismaking : een gratis figuuranalyse, waarbij de klant wordt gemeten, de gewenste resultaten worden besproken en een individueel programma wordt opgesteld.
2.In een tweede stap gaat de klant actief een doelgerichte bewegingstherapie volgen in een verwarmde zgn. “TFM-cabine”.
3.De derde stap is een ozonzuurstoftherapie. In deze fase is de cliënt passief in een speciale cabine waar een “ozonzuurstofbad” wordt aangeboden.
4.De vierde stap bestaat uit voedingsadvies.
De betwisting tussen partijen spitst zich toe op de dienstverlening van eiseres in de tweede stap.
Wat het toepasselijke BTW-tarief is op bepaalde goederen en diensten wordt in het algemeen bepaald in artikel 1 van het K.B. nr. 20 van 20 juli 1970 tot vaststelling van de tarieven van de belasting over de toegevoegde waarde en de diensten bij die tarieven. Dit artikel bepaalt :
"De belasting over de toegevoegde waarde wordt geheven :
1 tegen het tarief van 6 pct. voor de goederen in diensten aangewezen in tabel A van de bijlage bij dit besluit;
2 tegen het tarief van 12 pct. voor de goederen en diensten aangewezen in tabel B van de bijlage bij dit besluit;
3 tegen het tarief van 21 pct. voor alle andere goederen en diensten bedoeld in het Wetboek.
Het tarief van 6 pct. is echter niet van toepassing op diensten omschreven in tabel A van de bijlage, wanneer die diensten bijkomstig deel uitmaken van een complexe overeenkomst welke hoofdzakelijk diensten tot voorwerp heeft die niet zijn bedoeld in dezelfde tabel."
Het algemeen toepasselijk BTW-tarief is bijgevolg dat van 21 %. Slechts indien de goederen en diensten zijn opgesomd in de tabellen A of B als bijlage aan het K.B. nr. 20 is het afwijkend BTW-tarief van 6 % of 12 % van toepassing.
Het is de stelling van eiseres dat de door haar aangeboden dienst voorkomt in tabel A onder rubriek XXVIII. Hierin wordt voor de volgende diensten het uitzonderingstarief van 6 % voorzien :
"XXVIII. Inrichtingen voor cultuur, sport of vermaak.
De toekenning van het recht op toegang tot inrichtingen voor cultuur, sport of vermaak, alsmede de toekenning van het recht gebruik ervan te maken, met uitzondering van :
a) de toekenning van het recht gebruik te maken van automatische ontspanningstoestellen;
b) de terbeschikkingstelling van roerende goederen. "
De administratie betwist dat de door eiseres geleverde dienst kan worden aangezien als de toekenning van het recht op toegang tot een inrichting voor cultuur, sport en vermaak of de toekenning van het recht gebruik ervan te maken en houdt daarentegen voor dat deze dienst wordt verleend in het kader van de personenverzorging, waarvoor geen uitzondering is voorzien op het algemene tarief van 21 %.
Het komt derhalve aan de rechtbank toe in het concrete voorliggende geschil te oordelen of de door eiseres aangeboden diensten al dan niet moeten worden gecatalogeerd onder rubriek XXVIII van de bijlage A aan het KB nr. 20.
Vooraf wordt opgemerkt dat de opsomming van goederen en diensten in Tabel A waarvoor het BTW-tarief van 6 % verschuldigd is een uitzondering vormen op het algemene tarief van 21 %. Derhalve dienen de er in opgenomen diensten restrictief te worden geïnterpreteerd.
De rechtbank is van oordeel dat eiseres het door haar beweerde niet aantoont.
Het recht op toegang tot de zgn. "TFM-cabine" waarin de cliënten op eigen krachtsinspanningen bepaalde oefeningen moeten uitvoeren, kadert immers in het geheel van het afslankprogramma dat aan het cliënteel wordt aangeboden. De volledige activiteit van eiseres moet, gelet op het onafscheidelijk karakter van de verschillende diensten die worden aangeboden, in haar geheel worden beschouwd. De oefeningen in de cabine vormen slechts een onderdeel van een groter pakket dat de lichaamsverzorging en meer bepaald het afslanken tot doelstelling heeft en waardoor de instelling van eiseres niet kan worden beschouwd als een inrichting voor cultuur, sport of vermaak.
Immers, artikel 1 van het KB nr. 20, zoals hoger geciteerd, bepaalt dat wanneer diensten bijkomstig deel uitmaken van een complexe overeenkomst welke hoofdzakelijk diensten tot voorwerp heeft die niet bedoeld zijn in tabel A, op deze bijkomende diensten ook het tarief van 6 % niet van toepassing is. De regel is derhalve dat de bijzaak de hoofdzaak volgt.
Het is niet omdat in het complexe geheel van diensten dat eiseres aanbiedt een onderdeel van die aard is, dat het eventueel vergelijkbaar zou zijn met een dienst die wordt aangeboden in een instelling van cultuur, sport of vermaak, dat zijzelf als gevolg hiervan als dusdanig zou moeten worden aanzien.
Dat zoals verweerster voorhoudt, het geheel van de door eiseres aangeboden diensten moet worden aanzien als persoonsverzorging, blijkt ook uit de administratieve beslissingen ter zake. Zo werd reeds terecht bij Administratieve Beslissing van 26 januari 1995 beslist dat de verschillende diensten die worden aangeboden in het kader van een vermageringskuur of een figuurcorrectie door middel van een thermo-fysische methode in hun geheel moeten worden aangemerkt als persoonsverzorging. Diensten in het kader van de persoonsverzorging zijn sinds 1992 onderworpen aan het normale BTW-tarief.
Derhalve is het voor de voorliggende betwisting niet relevant te weten of de exploitant van eiseres aan het cliënteel al dan niet onderricht geeft. Dergelijke vraag heeft slechts haar belang voor de diensten aangeboden in de instellingen voor cultuur, sport en vermaak en volgt uit de tekst van de uitzonderingsbepaling van Cat. XXVIII van tabel A, welke, zoals hoger aangetoond, op de door eiseres aangeboden diensten niet van toepassing is.
De redenering van eiseres dat de bij haar aangeboden diensten identiek of minstens vergelijkbaar zijn aan deze van een fitness-center kan evenmin worden gevolgd. De finaliteit van de diensten die in een fitness-center worden aangeboden is immers verschillend. In een dergelijk centrum staat juist het recht op toegang tot een inrichting voor sport en de toekenning van het recht gebruik ervan te maken centraal indien in een dergelijk centrum ook van adviesverlening inzake afslanken en voedingsgewoonten wordt gedaan, is zulks een bijkomstig element dat de hoofdzaak volgt.
Gezien het fundamentele verschil in finaliteit tussen beide diensten is er geen sprake van schending van het gelijkheidsbeginsel.
Gelet op het bovenstaande kan een plaatsbezoek geen verdere inlichtingen verschaffen die nodig zijn voor de beslechting van de voorliggende betwisting.
De rechtbank is dan ook van oordeel dat de administratie terecht heeft opgemerkt dat eiseres op de door haar geleverde diensten een BTW-tarief heeft toegepast van 6 % i.p.v. 21 % zodat de administratie terecht is overgegaan tot invordering van achterstallige BTW en het verzet tegen het dwangbevel als ongegrond moet worden afgewezen.
2. De administratieve boete
De administratie heeft aan eiseres een boete opgelegd van 10 % van de belasting. Eiseres vraagt dat deze boete kwijtgescholden, minstens ernstig herleid zou worden. Zij wijst erop dat de rechterlijke macht mag oordelen Over de opportuniteit van de doofde administratie opgelegde boetes.
De rechtbank is samen met verweerster van oordeel dat de boete van 10 % werd opgelegd conform de wettelijke en reglementaire bepalingen ter zake, zodat een kwijtschelding of herleiding ervan zich niet opdringt.
De voorschriften van de artikelen 2-30 tot 37 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken werden nageleefd.
Beschikkend gedeelte
OM DEZE REDENEN :
De rechtbank, rechtdoende op tegenspraak,
Verklaart de eis ontvankelijk doch ongegrond.
Veroordeelt eiseres tot de kosten en begroot deze kosten als volgt.
Aan de zijde van eiseres op … fr dagvaardingskosten en … fr.
rechtsplegingsvergoeding en aan de zijde van verweerster op … fr.
rechtsplegingsvergoeding.
Aldus gedaan en uitgesproken in openbare terechtzitting van de elfde kamer op het gerechtshof te Hasselt op 14 februari 2001.
alwaar zetelden :
de heer E. S., rechter, waarnemend voorzitter,
de heer L. B., rechter,
mevrouw A. G., rechter,
mevrouw B. G., e.a. adjunct-griffier.
B. G. A. G. L. B. E. S.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.