Fiche van de FOD Financiën
Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Gent d.d. 03.03.2005
Samenvatting niet beschikbaar
Tekst van het vonnis
Tekst van de beslissing
Rechtbank van eerste aanleg te Gent – zesde kamer – Openbare terechtzitting van 3 maart 2005
In de zaak van :
E. D' H., en zijn echtgenote
M. S., samenwonende te …, …,
eisers, voor wie optreedt meester A. E., advocaat te …, …,
tegen :
de BELGISCHE STAAT, Ministerie van Financiën, Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen, vertegenwoordigd door de Ontvanger van het BTW-ontvangkantoor te Zottegem, met kantoren te 9620 Zottegem, G. Schockaertstraat 4,
verweerder, voor wie optreedt meester Ph. V., advocaat te .., …,
vonnist de rechtbank als volgt :
1. RECHTSPLEGING
Partijen werden gehoord in hun middelen en conclusies op de openbare terechtzitting van 3.2.2005, waarna het debat werd gesloten en de zaak in beraad werd genomen.
Het dossier van de rechtspleging en de overtuigingsstukken werden ingezien in het bijzonder de gedinginleidende dagvaarding dd. 19.6.2003, de onderscheiden conclusies van de partijen evenals de respectievelijke dossiers.
2. DE VORDERING
De vordering van eiseres strekt ertoe :
- te horen zeggen dat huidig verzet ontvankelijk en gegrond is;
Dienvolgens te horen zeggen dat het dwangbevel uitgevaardigd op 9.5.2003, geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 14.5.2003 en aan eisers aangetekend ter kennis gebracht nietig is en dat de daarin vermelde sommen niet verschuldigd zijn;
- de terugbetaling te horen bevelen van alle bedragen die wederrechtelijk werden geïnd, verhoogd met de intresten sedert de datum van betaling;
- verweerder te horen veroordelen tot de kosten van het geding, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding.
Verweerder vraagt de vordering van eiser te wijzen als ongegrond, dienvolgens eisers te veroordelen tot de kosten van het geding.
3. FEITEN
Eisers hebben aan hun woning gelegen te …, … onroerende werken verricht in de loop van 2000 en 2001.
Op 26.10.2001 werd door mevr. V. S., inspecteur AOIF, verbonden aan het BTW-controlekantoor van Geraardsbergen, een controle ter plaatse verricht met het oog op de vaststelling van het juiste tarief en bedrag van de BTW van toepassing op de verrichte werken in onroerende staat.
Naar aanleiding van deze controle meende de verwerende partij dat het werk in onroerende staat dat werd uitgevoerd door de eisende partij niet voldeed aan het begrip omvormings- en verbouwingswerken waarvoor 6 % BTW verschuldigd is, maar wel aan het begrip nieuwbouw waarvoor 21 % verschuldigd is.
Aangezien geen akkoord kon worden bereikt werd op 30.4.2002 overgegaan tot het opstellen van een proces-verbaal waarin de door eisers begane overtredingen werden geacteerd (stuk 2 verweerder).
Ten gevolge van dit proces-verbaal werd van eisers een bedrag gevorderd van :
BTW : … EUR
Geldboete : .. EUR.
Aangezien geen betaling werd bekomen werd op 9.5.2003 een dwangbevel uitgevaardigd dat op 14.5.2003 werd geviseerd en uitvoerbaar verklaard (stuk 1 verweerder). Dit dwangbevel werd bij aangetekend schrijven aan eisers ter kennis gebracht.
Op 19.6.2003 werd door eisers verzet aangetekend tegen dit dwangbevel.
4. BESPREKING
1. Sinds 1 augustus 1986 zijn sommige werken in onroerende staat met betrekking tot privé-woningen, onder bepaalde voorwaarden, bij toepassing van rubriek XXXI van tabel A van de bijlage bij het K.B. nr. 20 van 20 juli 1970 tot vaststelling van de tarieven van de belasting over de toegevoegde waarde en tot indeling van de goederen en de diensten bij die tarieven onderworpen aan het verlaagde BTW-tarief van 6 %. Het verlaagde tarief is beperkt tot de handelingen die de omvorming, renovatie, rehabilitatie, verbetering, herstelling of het onderhoud , met uitsluiting van de reiniging, geheel of ten dele van een woning tot voorwerp hebben.
Impliciet zijn het werk in onroerende staat en de daarmee gelijk gestelde handelingen die het bouwen van een nieuw gebouw tot voorwerp hebben uitgesloten van het tarief van 6 %.
In de wettelijke bepalingen wordt geen verdere omschrijving van de begrippen omvorming, renovatie enz. verstrekt.
2. De BTW-aanschrijving nr. 6 van 22 augustus 1986 , (BTW-Revue nr. 73 september 1986, p. 297) licht de regeling toe en zegt :
“Onder omvorming wordt verstaan de verbouwing zowel aan de buitenkant (en inzonderheid de rehabilitatie) als aan de binnenkant van het gebouw of de vergroting door toevoeging van nieuwe vertrekken en de uitbreiding van bestaande vertrekken.
Evenzo wordt het bestaan van een verbouwing niet bekritiseerd wanneer de renovatiewerken op een relevante wijze steunen op oude dragende muren (inzonderheid de buitenmuren) en, meer algemeen, op de wezenlijke elementen van de structuur van het te renoveren gebouw”.
In de BTW-revue nr. 110 september 1994, p. 1103 en 1104 wordt verduidelijkt in welk geval een vergroting van een gebouw kan worden aangemerkt als een omvorming in de zin van rubriek XXXI van tabel A van de bijlage bij het KB nr 20 :
“De uitbreiding van een bestaand gebouw kan worden aangemerkt als een omvorming voor zover de oppervlakte van het oude gedeelte betekenisvol is ten aanzien van het nieuwe gedeelte. Er kan worden van uitgegaan dat dit het geval is wanneer de oppervlakte van het oude gedeelte groter is dan de helft van de totale oppervlakte van de woning of het woningcomplex na de uitvoering van de werken.”
3. Het is duidelijk dat voormelde aanschrijvingen geen andere bedoeling en draagdwijdte hebben dan de bestaande wetgeving en reglementering in herinnering te brengen en/of toe te lichten, en daaraan eventueel aanbevelingen vast te knopen. Zij hebben geenszins de bedoeling de erin vervatte interpretaties of richtlijnen verplichtend te stellen, aan wie dan ook. Volgens de vaste rechtspraak van de Raad van State en van het Hof van Cassatie hebben dergelijke interpretatieve omzendbrieven geen bindend karakter (zie Rb. Brugge 13.12.2000 AR 98/2251/A).
4. De betwisting tussen partijen betreft de vraag of de bouwwerkzaamheden aan de woning te … al dan niet beantwoorden aan handelingen die de omvorming, renovatie, rehabilitatie, verbetering, herstelling of het onderhoud, met uitsluiting van de reiniging, geheel of ten dele van een woning tot voorwerp hebben”.
Deze beoordeling betreft een soevereine en feitelijke appreciatie vanwege de rechtbank. Voor deze beoordeling is het irrelevant hoe de werken door de diensten van stedenbouw werden omschreven.
5. Tijdens het plaatsbezoek en na inzage van de voorgelegde bouwplans werd door de bevoegde ambtenaar vastgesteld dat het gedeelte van de oorspronkelijke woning dat niet werd gesloopt een grondoppervlakte van 57,12 m2 (8,40 x 6,80) heeft om dat de grondoppervlakte van de woning thans 141,44m2 (9,75 x 7,29 en 9,80 x 6,8 = 39,44 en 6,00 x 5,30 = 31,80) bedraagt; dat de bewoonbare oppervlakte van het gerenoveerde behouden gedeelte van de woning kleiner is dan de helft van de totale bewoonbare oppervlakte na de uitvoering van de werken.
De rechtbank stelt vast dat de reeks handelingen die door de wetgever werden opgesomd, en waarop het verlaagd tarief van toepassing is, geenszins de vergroting en/of de uitbreiding van een woning uitsluiten.
Uit de voorgelegde plans en foto’s evenals het onderzoek ter plaatse blijkt dat de bergplaats, berging, garage en WC werden gesloopt. Op het gelijkvloers werden de woonkamer, inkom en slaapkamer omgevormd tot een living, de oorspronkelijke keuken werd badkamer en werd uitgebreid met 4,72 m2, de oorspronkelijke bergplaats en garage werden na sloping vervangen door een keuken, de oorspronkelijke WC werd na sloping vervangen door een ruime garage en uitgebreid met 396 m2.
Op de verdieping werd de hall en slaapkamer behouden en werd het dak volledig vernieuwd. Het nieuw opgerichte gedeelte heeft een zadeldak waaronder zich bewoonbare ruimten bevinden.
Gelet op de kostprijs van de werken ca. 1460.000 EUR en het feit dat in casu de bestaande structuur, de oppervlakte, het uitzicht evenals de vorm van het oude gebouw op zulke doortastende wijze werden gewijzigd en de werken niet op een relevante wijze op oude dragende buitenmuren steunen (60 % is nieuw) kan niet meer gesproken worden van een verbouwing maar dient eerder het begrip nieuwbouw gebezigd te worden.
De vordering van eisers is dan ook ongegrond.
Beschikkend gedeelte
Op die gronden,
De rechtbank,
Rechtdoende op tegenspraak,
Melding makende dat de bepalingen van de artikelen 2 en 30 tot 42 van de wet op het taalgebruik in gerechtszaken werden nageleegd;
Alle meeromvattende of strijdige conclusies verwerpend als niet terzake dienend;
Verklaart de vordering van eisers ontvankelijk doch ongegrond;
Veroordeelt eisers tot de kosten van het geding tot dusver begroot als volgt :
aan de zijde van eisers :
dagvaardingskosten : … EUR
rechtsplegingsvergoeding : … EUR.
aan de zijde van verweerder :
rechtsplegingsvergoeding : … EUR.
Aldus gevonnist en uitgesproken in de openbare terechtzitting van de zesde burgerlijke kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Gent op 3 maart 2005, waar aanwezig waren :
J. D. B., alleenzetelend rechter,
M. V., griffier.
M. V. J. D. B.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.