---
title: "Rechtbank van eerste aanleg te Gent, 15 oktober 2003"
description: "Rechtbank van eerste aanleg te Gent (België), 15 oktober 2003."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak/rechtbank-gent-2003-10-15-b52d"
lang: "nl"
---

# Rechtbank van eerste aanleg te Gent, 15 oktober 2003 · Belasting over de toegevoegde waarde

**Rechtscollege**

Rechtbank van eerste aanleg

**Zetel**

Gent

**Datum**

15 oktober 2003

## Over het document

**Verzameling**

Belgische rechtspraak

**Taal van de tekst**

Nederlands

## Tekst

89 paragrafen

### Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Gent d.d. 15.10.2003

Samenvatting niet beschikbaar

**Tekst van het vonnis**

### Tekst van de beslissing

## ZESDE FISCALE KAMER – OPENBARE TERECHTZITTING VAN 15 OKTOBER 2003

**01/957/A**

In de zaak :

**C. M. R. B. NV**, met maatschappelijke zetel te …, …,

**eiseres,**

hebbende als raadsman Mter **E. G.**, advocaat te …, …;

**tegen :**

**DE BELGISCHE STAAT**, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, wiens kabinet gevestigd is aan de Wetstraat 12 te 1000 BRUSSEL, op vervolging en benaarstiging van de Rekenplichtige van het BTW-ontvangkantoor te Sint-Niklaas, Driekoningenstraat 4, bus 2,

**verweerder,**

hebbende als raadsman Mter **E. V. A.**, advocaat te …, …,

vonnist de rechtbank als volgt :

## 1. PROCEDURE

**1.1.** Partijen werden gehoord in hun middelen en conclusies op de openbare terechtzitting van deze rechtbank en kamer van 17 september 2003; De debatten werden gesloten en de zaak werd in beraad genomen;

**1.2.** Het dossier van de rechtspleging en de overtuigingsstukken werden ingezien, in het bijzonder de gedinginleidende dagvaarding, d.d. 23 februari 2001, de onderscheiden conclusies van partijen evenals de onderscheiden dossiers van partijen;

## 2. DE VORDERING

**2.1.** De vordering van eiseres strekt ertoe verzet te doen tegen het dwangbevel (Reg. … - RCIV nr. …) dat op haar naam en lastens haar werd uitgevaardigd op 11 december 2000 door de heer Eerstaanwezend Inspecteur **F. D. R.**, rekenplichtige ambtenaar van het BTW-Ontvangkantoor te Sint-Niklaas, en dat werd geviseerd en uitvoerbaar verklaard door de heer Directeur **R. V. D.** van de administratie van de BTW, registratie en domeinen, sector BTW te Antwerpen en dat bij aangetekend schrijven d.d. 18 december 2000 aan eiseres ter kennis werd gebracht;

**2.2.** Bij voormeld dwangbevel wordt door verweerder van eiseres gevorderd :

\- BTW (hoofdsom) 694.529 BEF

\- Boete 138.000 BEF

meer de intresten en de kosten;

## 3. FEIT EN GESCHIL

**3.1.** Een controle inzake directe belastingen (Venn. B.) voor aanslagjaar 1997 bij eiseres resulteerde in een bericht van wijziging d.d. 7 april 1999, waarin het voornemen tot taxatie van een meerwinst van 4.001.810 BEF werd vooropgesteld, en leidde tot de vestiging van een supplementaire aanslag in de vennootschapsbelasting ten name van eiseres voor een totaal bedrag van 12.364.963 BEF (onder toepassing van artikel 219 WIB 92, bijzondere aanslag van 300 %);

Het voormelde bericht van wijziging bevat o.m. volgende passage :

"

Overeenkomstig artikel 340 WIB 92 is het de Administratie toegestaan alle door het gemeen recht toegelaten bewijsmiddelen (uitgezonderd de eed) aan·te wenden ter bepaling van het bestaan en het bedrag van de belastingschuld.

Een van deze bewijsmiddelen is het feitelijk vermoeden waarbij, uitgaande van bekende feiten, een gevolgtrekking wordt gemaakt om te besluiten tot een onbekend feit (bevestigd door de rechtspraak).

Dit bewijsmiddel wordt hieronder onder punt A toegepast m.b.t. de restaurantontvangsten waarvan sprake in de aangifte.

Als bekende feiten zijn vermeld :

1) stijging van de aankoopprijzen met … in 1996 t.a.v. 1993

2) stijging van de verkoopprijzen met … in 1996 t.a.v. 1993

3) bruto-winstmarge voor 1993, uitgedrukt in prijzen van 1996.

De gevolgtrekkingen zijn van zuiver wiskundige aard en hebben als resultaat het bepalen van het onbekende feit, zijnde niet-aangegeven meeromzet.

De gepastheid van deze taxatie bij vermoeden wordt gesterkt door de vaststellingen die onder B worden weergegeven inzake de betrouwbaarheid van de boekhouding.

…”

**3.2.** Op zeker ogenblik heeft de BTW-administratie van verweerder bij toepassing van artikel 93quaterdecies W.BTW kennis genomen van inlichtingen uit het dossier bij de administratie der directe belastingen, gehouden op naam van eiseres;

Bij schrijven resp. d.d. 9 oktober 2000 en 16 november 2000 vanwege de departementsadvocaat van verweerder, werd aan eiseres gevraagd afstand te doen van de verjaring inzake BTW, opdat aldus het verdere verloop van de bezwaarprocedure inzake directe belastingen kon worden afgewacht waarbij verweerder geen verdere actie hoefde te ondernemen teneinde zijn BTW-vordering veilig te stellen;

Eiseres ging hierop niet in;

**3.3.** Op 4 december 2000 wordt door **H. R.**, verificateur bij de administratie van de BTW, Registratie en domeinen, AOIF Sint-Niklaas, een proces-verbaal opgesteld op basis van de weerhouden berekeningen inzake directe belastingen (n.a.v. voormeld bericht van wijziging onder randnr. 3.1. hoger) hetwelk besluit tot het bestaan van een meeromzet voor het betrokken boekjaar 1996 waardoor een bedrag van 694.529 BEF aan BTW in hoofdsom zou verschuldigd zijn; Het kwestige PV maakt tevens gewag van een boete van 20 % of 138.000 BEF;

Als bijlage 1 bevat voormeld PV van 4 december 2000 de berekeningsnota betreffende de supplementaire aanslag inzake de Venn. B. , kohierartikel … op basis van het bericht van wijziging d.d. 7 april 1999;

Als bijlage 2 bevat voormeld PV van 4 december 2000 het voormelde bericht van wijziging d.d. 7 april 1999;

Voormeld PV d.d. 4 december 2000 wordt mede betekend ter schraging van het in casu bestreden dwangbevel d.d. 11 december 2000;

Het voormelde PV d.d. 4 december 2000 bevat o.m. volgende passage :

> “…
>
> Op 9 augustus 1999 werd het kohier uitvoerbaar verklaard waarbij op naam van de NV **M. C. R. B.** een aanslag werd gevestigd met referte …. Artikel … heeft betrekking op het aanslagjaar 1997 (inkomsten van 1 januari 1996 tot 31 december 1996) en belast de belastingplichtige op een bedrag van niet aangegeven meeromzet van 4.001.810 BEF onder toepassing van artikel 219 WIB 92 (bijzondere aanslag van 300 %) (bijlage 1 : kopie berekeningsnota)
>
> Uit het bericht van wijziging van 7 april 1999 blijkt dat dit bedrag in feite neerkomt uit de meeromzet in verband met de restaurantactiviteiten voor het jaar 1996, vermeerderd met de erop betrekking hebbende BTW (3.307.281 BEF + 694.529 BEF) (bijlage 2)
>
> …”

**3.4.** Bij dagvaarding in verzet tegen dwangbevel d.d. 23 februari 2001 leidt eiseres de onderhavige procedure in, waarin eiseres onder meer motiveert :

“…

De betwiste vordering werd integraal en uitsluitend geënt op de taxatie die in de vennootschapsbelasting werd weerhouden. Tegen de kwestieuze aanslag werd door verzoekster een bezwaarschrift ingediend. Dienaangaande meent verzoekster dat de behandeling van onderhavige betwisting dient te worden opgeschort minstens totdat een directorale beslissing betreffende het betrokken bezwaarschrift zal zijn tussengekomen ... "

**3.5.** De door eiseres gevoerde betwisting inzake vennootschapsbelasting heeft uiteindelijk geresulteerd in een akkoordverklaring d.d. 18 juli 2001, waarin eiseres zich voor de inkomsten van het jaar 1996 akkoord heeft verklaard met een niet aangegeven omzet van 957.775 BEF (exclusief BTW en berekend op een brutowinstmarge van 2,69) resulterend in een meeromzet inclusief BTW van 1.158.907 BEF die definitief belast zou blijven in de vennootschapsbelasting (zonder toepassing van enige belastingverhoging);

Eiseres preciseert terzake nog dat de voormelde akkoordverklaring louter betrekking had op een definitieve regeling van de hangende bezwaarprocedures inzake vennootschapsbelasting welke door haar werd onderschreven zonder enige nadelige erkentenis en louter om kort proces te maken met betrekking tot de aanslepende betwistingen inzake vennootschapsbelasting;

De voormelde akkoordverklaring werd bevestigd bij de directorale beslissing d.d. 17 augustus 2001, waarbij voor de op basis van het bericht van wijziging van aangifte d.d. 7 april 1999 gevestigde supplementaire aanslag van het aanslagjaar 1997 (ingekohierd ten bedrage van 12.364.939 BEF) in gevolge de tussengekomen akkoordverklaring d.d. 18 juli 2001 een integrale ontheffing werd verleend;

**3.6.** Eiseres stelt dat uit de tussengekomen akkoordverklaring d.d. 18 juli 2001 ten overvloede blijkt dat de bestreden aanslag in de vennootschapsbelasting manifest onjuist is bevonden en dat het door eiseres gevoerde verweer betreffende het arbitrair c.q. willekeurig karakter van de bestreden aanslag in de vennootschapsbelasting werd ingewilligd;

Derhalve staat volgens eiseres meteen ook vast dat het bestreden dwangbevel inzake BTW betreffende het jaar 1996 is gesteund op manifest onjuiste en derhalve arbitraire gegevens;

Nog volgens eiseres is er geen enkele wettelijke grondslag voorhanden op basis waarvan verweerder de invordering van de in het bestreden dwangbevel opgenomen bedragen zou kunnen "beperken" tot een fractie ervan, te weten het overeenkomstige bedrag dat uit de akkoordverklaring d.d. 18 juli 2001 inzake vennootschapsbelasting zou kunnen worden afgeleid c.q. overgenomen : volgens eiseres kan de Rechtbank enkel het dwangbevel vernietigen (in rechte gemotiveerd door eiseres door schending van artikel 59 W.BTW alsmede door willekeur en opeenstapeling van vermoedens);

Verweerder van zijn kant vordert dat het dwangbevel zou worden bevestigd in die zin dat de erin vermelde verschuldigde sommen worden teruggebracht tot 201.133 BEF (of 4.985,96 EUR) ten titel van BTW, te vermeerderen met de boete wegens niet-betaling overeenkomstig artikel 70, par. 1 W.BTW ten bedrage van 40.000 BEF of 991,57 EUR en de intresten en moratoire intresten welke verschuldigd zijn overeenkomstig artikel 91, par. 1 en 4 van hetzelfde wetboek;

## 4. BESPREKING

**4.1.** In tegenstelling tot het kohier is het dwangbevel niet meer dan een uitvoeringsmiddel; Indirecte belastingen zijn immers van rechtswege verschuldigd van zodra de rechts creërende feiten zich voordoen; Het dwangbevel is derhalve geen administratieve beslissing waarmee een recht wordt gecreëerd, de administratie stelt enkel vast dat de belastingplichtige, haar een bepaald bedrag verschuldigd is;

Het dwangbevel verandert niets aan de juridische situatie van partijen : het is nog altijd de administratie die de betaling van de belasting vordert, zodat zij overeenkomstig artikel 13115 BW de bewijslast draagt;

Het dwangbevel is in geen geval een bewijs van haar recht;

Wanneer m.a.w. verzet wordt aangetekend tegen het dwangbevel en de geldigheid van het dwangbevel betwist wordt, moet de administratie het bewijs leveren van het bestaan van haar zekere en opeisbare schuldvordering (Thierry AFSCHRIFT, Het bewijs in het Fiscaal Recht, LARCIER, Brussel-Gent, 2002, p. 68-70, randnrs. 119-121);

**4.2.** De bijzondere bewijskracht van processen­verbaal inzake BTW (bewijskracht tot bewijs van het tegendeel, overeenkomstig artikel 59, par. 1 W.BTW) strekt zich enkel uit over de materiële vaststellingen die door de verbaliserende ambtenaren zelf werden gedaan;

Wanneer de administratie zich in een proces-verbaal echter op andere stukken baseert, doet het proces-verbaal niet meer dan vaststellen van het bestaan en de inhoud van die stukken : als die stukken in het bezit van de administratie zijn, draagt dat proces-verbaal niet veel meer bij aan het bewijs s van die stukken zelf (Thierry AFSCHRIFT, Het bewijs in het Fiscaal Recht, LARCIER, Brussel-Gent, 2002, p. 250-250, randnrs. 404-407);

In casu verwijst de verbaliserende ambtenaar in het PV d.d. 4 december 2000 zonder meer naar het bericht van wijziging d.d. 7 april 1999 en de op basis hiervan opgestelde berekeningsnota (zie hoger randnr. 3.3);

De taxatie die het resultaat is van voormeld bericht van wijziging is uitdrukkelijk gebaseerd op de bewijsvoering door vermoedens (zie hoger randnr. 3.3);

Voormeld fiscaal resultaat als eindpunt van een redenering van deductie {onbekende feiten afleiden uit een bekend feit) in het kader van bewijs door vermoedens, wordt door de verbaliserende ambtenaar in het PV d.d. 4 december 2000 overgenomen en vormt op zich de basis van de taxatie van het litigieuze dwangbevel in casu;

Het zonder meer verwijzen naar de taxatie directe belastingen in het voormelde PV d.d. 4 december 2000 heeft geen bijzondere bewijswaarde en kan als basis van het litigieuze dwangbevel enkel gelden als een feitelijk vermoeden;

Nu het voormelde bericht van wijziging d.d. 7 april 1999 uitdrukkelijk zelf reeds gewag maakt van bewijs door vermoedens, is de bewijsvoering ter ondersteuning van het litigieuze dwangbevel aangetast door het bouwen van vermoedens op vermoedens;

De stukken medebetekend met het dwangbevel schragen m.a.w. de litigieuze taxatie niet;

**4.3.** Verweerder kan niet verwijzen naar de inmiddels tussengekomen akkoordverklaring d.d. 18 juli 2001 inzake directe belastingen, waarin wordt weerhouden een meeromzet van 957.775 BEF (exclusief BTW en berekend op een brutowinstmarge van 2,69) resulterend in een meeromzet inclusief BTW van 1.158.907 BEF, teneinde alsnog een gereduceerde taxatie inzake BTW te doen aanvaarden;

Het eindresultaat van de taxatie inzake directe belastingen kan immers niet post factum het vereiste bekende feit, vertrekpunt van de bewijsvoering (in het voormelde PV d.d. 4 december 2000), opleveren nu het geoorloofd karakter van de bewijsvoering moet beoordeeld worden ten tijde van de taxatie (nl. op het moment van het bestreden dwangbevel) die op dat ogenblik moet kunnen verantwoord worden (zie ook mutatis mutandis , Antwerpen, 11 januari 2000, inzake AR 1997/FR/271, www.fiscalnetnl.be );

**4.4.** De vordering van eiseres is dan ook gegrond;

### Beschikkend gedeelte

**OP DIE GRONDEN,**

**DE RECHTBANK,** rechtdoende **OP TEGENSPRAAK**,

Gelet op de artikelen 2, 24, 34, 37 en 41 van de Wet van 15 juni 1935 op het gebruik van talen in gerechtszaken;

Alle andersluidende conclusies van de hand wijzend;

Verklaart de vordering van eiseres ontvankelijk en gegrond;

Maakt het bestreden dwangbevel ongedaan rekening houdende met wat vooraf gaat en veroordeelt verweerder tot terugbetaling van alle sommen welke inmiddels ten onrechte zouden zijn betaald, ingehouden en/of toegerekend, meer de wettelijk voorziene intresten;

Veroordeelt verweerder tot de kosten;

Begroot de kosten :

\- in hoofde van eiseres op 342,09 EURO (13. 800 BEF) rechtsplegingsvergoeding + 251,24 EURO (10.135 BEF) dagvaardingskosten;

\- in hoofde van verweerder op 342,09 EURO (13.800 BEF) rechtsplegingsvergoeding;

Aldus gewezen en uitgesproken door de **zesde fiscale kamer** van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Gent in de openbare terechtzitting van **15 oktober 2003**, waar aanwezig waren :

alleenzetelend rechter **M. V. d. B.**,

griffier **R. D.**

**R. D.** **M. V. d. B.**
