Rechtbank van eerste aanleg te Gent, 4 september 2003 · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Rechtbank van eerste aanleg Gent 4 september 2003

Zoeken

Rechtbank van eerste aanleg te Gent, 4 september 2003Belasting over de toegevoegde waarde

https://juriel.be/nl/rechtspraak/rechtbank-gent-2003-09-04-29fb

Rechtscollege
Rechtbank van eerste aanleg
Zetel
Gent
Datum
4 september 2003

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

62 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Gent d.d. 04.09.2003

Samenvatting niet beschikbaar

Tekst van het vonnis

Tekst van de beslissing

ZESDE FISCALE KAMER - OPENBARE TERECHTZITTING VAN 4 SEPTEMBER 2003.

99/2976/A

In de zaak :

I. E., bediende, wonende te …, …,

eiseres, voor wie optreedt mr. A. V., advocaat te …, …,

tegen :

DE BELGISCHE STAAT, Ministerie van Financiën, Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen, vertegenwoordigd door de Rekenplichtige van het BTW-Ontvangkantoor te Zottegem, met kantoor te 9620 Zottegem, G. Schockaertstraat 4,

verweerder, voor wie optreedt mr. E. V. A., advocaat te …, …,

vonnist de rechtbank als volgt :

1. RECHTSPLEGING

De partijen werden gehoord in hun middelen en conclusies op de openbare terechtzitting van 5.6.2003, waarna het debat werd gesloten en de zaak in beraad werd genomen.

Het dossier van de rechtspleging en de overtuigingsstukken werden ingezien, in het bijzonder de gedinginleidende dagvaarding dd. 20.7.1999, het vonnis op tegenspraak van de rechtbank van eerste aanleg te Oudenaarde dd. 5.10.1999, waarbij de zaak werd verwezen naar onderhavige rechtbank, de onderscheiden conclusies van partijen, evenals hun respectievelijke dossiers.

2. DE VORDERING

De vordering van eiseres strekt ertoe in een vonnis uitvoerbaar bij voorraad :

in hoofdorde :

het dwangbevel uitgevaardigd op 4.6.1999 geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 8.6.1999 en aan eiseres ter kennis gebracht bij aangetekend schrijven dd. 9.6.1999 en waarbij de betaling wordt gevorderd van :

- BTW : … EUR (… BEF)

- geldboeten : … EUR (… BEF)

- intresten : p.m.,

te vernietigen en te zeggen voor recht dat de bedragen, erin vermeld, niet verschuldigd zijn;

in ondergeschikte orde :

de opgelegde BTW-boete kwijt te schelden, minstens te verminderen;

verweerder te veroordelen tot de kosten van het geding.

3. BESPREKING

1. Eiseres was van 22.11.1995 tot 30.9.1996 uitbaatster van een café.

Op 20.8.1997 werd door de BBI een onderzoek gevoerd bij de groothandel in bier en frisdranken BVBA H. N. uit …, waarbij werd vastgesteld dat het bedrijf voornamelijk aan groothandelaars en café-houders verkocht en dat bijkomstig een drankendiscount werd uitgebaat op het adres van de zetel te …, alwaar particulieren zich konden bevoorraden.

Het onderzoek wees uit dat deze leverancier een systeem van niet-officiële leveringen had opgezet. Naast de levering van dranken met een officiële verkoopfactuur werd ook een levering gedaan waarvoor door de leverancier een valse verkoopfactuur werd opgemaakt op naam van een particulier of gewoon met melding "particuliere verkoop".

2. Verweerder taxeert eiseres (in hoofdsom, boeten en kosten) omdat deze laatste dranken zou hebben gekocht van de BVBA H. N. waarvoor een valse factuur zou zijn opgesteld voor een bedrag van :

- 1995 : … EUR (… BEF)

- 1996 : … EUR (… BEF).

Op basis van deze gegevens heeft verweerder een omzetverhoging berekend over de gecontroleerde periode zodat eiseres … EUR (… BEF) BTW en een boete van … EUR (… BEF) verschuldigd is.

Verweerder legt voor elk van de in betwisting zijnde jaren twee reeksen facturen voor, een reeks officiële op naam van eiseres met vermelding van een BTW-nummer en het klantnummer 147001 (stuk 17a en 18a) en een reeks niet-officiële facturen met vermelding "Particuliere verkoop" of de naam van een particulier, het klantnummer 9999, zonder BTW-nummer (stuk 17b en 18b).

In zijn besluiten van 13.6.2000 verzet verweerder zich er niet tegen een deel van zijn vordering prijs te geven, met name daar waar ze slaat op factuur nr. 3100 dd. 5.3.1996 (bonnr. 3248), vermits het een materiële vergissing betreft bij het sorteren van de "zwartleveringen", hetgeen leidt tot een herleiding van de BTW-vordering.

3. Eiseres betwist zwarte leveringen te hebben ontvangen en stelt dat verweerder hieromtrent geen afdoende bewijs levert.

4. Het is inderdaad zo dat de bijzondere bewijswaarde van het proces-verbaal terzake van vaststellingen van BTW-ambtenaren alleen geldt voor de reële vaststellingen van voormelde ambtenaren. Deze strekt zich niet uit tot de verklaringen en getuigenissen die in een proces-verbaal opgenomen zijn en evenmin tot de gevolgtrekkingen die uit deze vaststellingen worden gemaakt.

Dit belet de administratie van verweerder niet de materialiteit van de leveringen zonder factuur te bewijzen door alle middelen van recht met uitzondering van de eed.

5. Hoewel omtrent de identiteit van de afnemers met wie het systeem van de valse facturen werd toegepast door de heer R. H. mededelingen werden gedaan, blijkt uit niets dat eiseres nominatim als afnemer van de zwarte leveringen werd aangewezen.

Uit het proces-verbaal van 20.8.1997 blijkt dat er voor de valse facturen qua adressering twee systemen bestonden.

Aan de ene kant werd gefactureerd op naam en adres van een particulier, die in de BTW-bestanden niet gekend was als handelaar en waarvan de naam door de klant werd opgegeven, aan de andere kant werd gefactureerd met de vermelding "Diversen" of "Particuliere Verkoop" met als adres de administratieve zetel van de leverancier. Omtrent deze tweede soort valse facturen werd door de heer R. H. verduidelijkt dat het globale facturen zijn die meerdere leveringen dekken aan verscheidene afnemers (zie punt 2. 6. 2. proces-verbaal dd. 20.8.1997).

Uit de facturen, voorgelegd door verweerder, blijkt dat de valse facturen in 20 van de 63 gevallen de vermelding “Particulier verkoop" dragen zodat volgens de zojuist vermelde verklaring de erin opgenomen hoeveelheden betrekking hebben op leveringen aan verscheidene afnemers en niet op één afnemer, zoals verweerder aanneemt, wanneer hij deze hoeveelheden aan eiseres geleverd acht voor het berekenen van de ontdoken BTW. Bovendien blijkt dat in 19 gevallen op éénzelfde dag eiseres drie leveringen zou hebben ontvangen, één officiële en twee zwarte.

Weliswaar zijn, op één geval na, de nummers van de verzendnota's op de door verweerder voorgelegde facturen van officiële en·niet-officiële leveringen overeen te brengen met de verklaringen van R. H. omtrent het fraudesysteem doch dit is ontoereikend om tot betrokkenheid van eiseres, zoals voorgehouden door verweerder, te besluiten. De mogelijkheid van gegroepeerde verzendingen voor verschillende afnemers laat dit reeds niet toe, terwijl het hoogst onwaarschijnlijk is dat er op eenzelfde dag aan eiseres een officiële en twee opeenvolgende zwarte leveringen zouden gebeuren.

Uit dit alles dient te worden afgeleid dat niet in ernst kan worden betwist dat de BVBA H. een systeem van niet-officiële leveringen opzette, zoals verweerder terecht verdedigt en aantoont.

In casu wordt evenwel geen concreet en precies bewijs geleverd welke de materiële zekerheid oplevert betreffende het fraudesysteem in hoofde van eiseres.

Beschikkend gedeelte

OP DIE GRONDEN,

DE RECHTBANK, rechtdoende OP TEGENSPRAAK,

Melding makende dat de bepalingen van de artikelen 2 en 30 tot 42 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken werden nageleefd;

Alle meeromvattende of strijdige conclusies verwerpend als niet terzake dienend;

Verklaart de vordering van eiseres ontvankelijk en gegrond;

Vernietigt het dwangbevel dd. 4.6.1999, geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 8.6.1999;

Veroordeelt de Belgische Staat tot terugbetaling van de bedragen, die desgevallend inmiddels teveel werden geïnd;

Veroordeelt de verweerder tot de kosten van het geding, tot dusver begroot als volgt :

aan de zijde van eiseres :

- dagvaardingskosten : … EUR (… BEF);

- rechtsplegingsvergoeding : … EUR;

aan de zijde van verweerder :

- rechtsplegingsvergoeding : … EUR;

Aldus gevonnist en uitgesproken in de openbare terechtzitting van de zesde fiscale kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Gent op 4 SEPTEMBER 2003, waar aanwezig waren :

J. D. B., alleenzetelend rechter, bijgestaan door R. D., griffier.

R. D. J. D. B.