Rechtbank van eerste aanleg te Gent, 18 april 2002 · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Rechtbank van eerste aanleg Gent 18 april 2002

Zoeken

Rechtbank van eerste aanleg te Gent, 18 april 2002Belasting over de toegevoegde waarde

https://juriel.be/nl/rechtspraak/rechtbank-gent-2002-04-18-fd5c

Rechtscollege
Rechtbank van eerste aanleg
Zetel
Gent
Datum
18 april 2002

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

136 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Gent d.d. 18.04.2002

Samenvatting niet beschikbaar

Tekst van het vonnis

Tekst van de beslissing

ZESDE KAMER - OPENBARE TERECHTZITTING VAN 18 APIL 2002

Algemene rol nummer : 00/1870/A

In de zaak van :

W. Z., zelfstandige, wonende te …, …, ingeschreven in het handelsregister te Gent onder nummer …,

eiser,

voor wie optreedt mr. R. D., advocaat te …,…, en Meester M. M., advocaat te …, …,

tegen :

de BELGISCHE STAAT, Ministerie van Financiën, Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen, vertegenwoordigd door de Rekenplichtige van het BTW-Ontvangkantoor Gent II, wiens kantoor gevestigd is te 9000 Gent, Martelaarslaan 23,

verweerder,

voor wie optreedt mr. E. V. A., advocaat te …, …,

1. RECHTSPLEGING

Gelet op het dwangbevel d.d. 20 december 1999, geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 21 december 1999 en aan eiser betekend op 5 juni 2000.

Gelet op het inleidend verzoekschrift neergelegd ter griffie op 19 juni 2000.

Gelet op het tussenvonnis d.d. 13.12.2001 van deze kamer.

Gelet op het bevelschrift d.d. 16.1.2002.

De rechtbank neemt kennis van het dossier van de rechtspleging en van de door partijen overgelegde stukken.

De partij en werden gehoord in hun middelen en conclusies op de openbare terechtzitting van 21.3.2002, waarna de debatten werden gesloten en de zaak in beraad werd genomen.

2. DE VORDERING

De vordering van eiser strekt ertoe te horen zeggen voor recht dat het dwangbevel dat op 5 juni 2000 aan eiser werd betekend nietig is, minstens vast te stellen dat het bestaan van de vermeende belastingschuld niet bewezen is, verweerder te veroordelen tot de kosten van het geding.

Verweerder vraagt de vordering van eiser m.b.t. de nietigheid van het dwangbevel uitgevaardigd op 5 juni 2000 ontvankelijk doch ongegrond te verklaren,

- te oordelen dat het dwangbevel van 21 december 1999 terecht werd opgemaakt;

- te oordelen dat verweerder de betekeningskosten van het dwangbevel d.d. 21 december 1999 te zijnen laste zal nemen en dat elke partij de eigen kosten m.b.t. huidig geding te zijnen laste neemt.

3. FEITEN EN STANDPUNT VAN PARTIJEN

Bondigheidshalve kan verwezen worden naar het feitenrelaas zoals uiteengezet in het tussenvonnis d.d. 13.12.2001.

Partijen handhaven elk hun ingenomen standpunt.

Eiser stelt dat het dwangbevel van 5 juni 2000 nietig is omdat hij voor de periode augustus en september reeds op 21/12/1999 een dwangbevel heeft ontvangen en éénzelfde belastingschuld niet het voorwerp kan uitmaken van twee uitvoerbare titels, minstens kan eenzelfde uitvoerbare titel geen twee keer worden uitgevoerd; omdat het dwangbevel van 5 juni 2000 niet beantwoordt aan art. 85 W.BTW en niet afdoende is gemotiveerd, nu het evenzeer zou betrekking hebben op de periode oktober-december 1999.

Verweerder stelt dat er slechts één dwangbevel werd opgemaakt m.n. op 20/12/1999 en er op 5/6/2000 enkel een betekening gebeurde.

Verweerder geeft toe dat de betekening betrekking heeft op een niet met het dwangbevel gelieerd bedrag, doch dat eiser perfect weet van waar de gewijzigde cijfers afkomstig zijn. Verweerder is bereid de kosten van de betekening te zijnen laste te nemen doch stelt dat elke partij zijn eigen kosten moet dragen.

4. BESPREKING

4.1. Na nazicht der stukken stelt de rechtbank vast dat slechts één dwangbevel werd uitgevaardigd. Dit dwangbevel t.b.v. … frank werd uitgevaardigd op 20/12/1999 en werd geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 21/12/1999. Kwestieus dwangbevel is gebaseerd op een proces­verbaal van 16/12/1999 en heeft betrekking op de BTW die verschuldigd is voor augustus en september 1999.

De rechtbank stelt eveneens vast dat dit dwangbevel een eerste maal bij aangetekend schrijven van 21/12/1999 eiser ter kennis werd gebracht, dit wordt overigens door partijen niet betwist.

De rechtbank stelt eveneens vast dat dit dwangbevel een tweede maal bij deurwaardersexploot d.d. 5/6/2000 aan eiser werd betekend en dat de betekeningsakte een bedrag vermeldt dat niet overeenstemt met het dwangbevel.

Verweerder geeft toe dat in de betekening op 5/6/2000 een bedrag werd opgenomen dat niet overeenkomt met datgene vermeld in het dwangbevel.

Ten onrechte leidt eiser hieruit af dat op 5/6/2000 een nieuw dwangbevel werd uitgevaardigd eensdeels voor de periode augustus en september 1999 en anderdeels voor de periode oktober­december 1999.

Eiser gaat hiermee voorbij aan een fundamenteel verschil tussen het dwangbevel en de betekeningsakte. Het dwangbevel is de titel van de titel van de belastingschuld, en de betekening ervan is de eerste akte van invordering van de bedragen die in het dwangbevel vervat zijn. Eénzelfde dwangbevel kan overigens meerdere malen betekend en/of ter kennis gebracht worden aan de belastingplichtige.

Aangezien op 5/6/2000 geen dwangbevel werd uitgevaardigd kan dergelijk (niet bestaande) dwangbevel niet nietig verklaard worden.

4.2. Verweerder is akkoord dat de betekening op 5/6/2000 uitgaat van verkeerde bedragen zodat de schuld dient gereduceerd tot het bedrag vermeld in het dwangbevel d.d. 20/12/1999 geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 21/12/1999 onder aftrek van de reeds gedane betalingen.

Verweerder is bereid de kosten van de betekening ten zijne laste te nemen.

In casu stelt verweerder terecht, rekening houdend met de voorgelegde stukken, dat de fout kon worden rechtgezet zonder dat eiser enige vorm van schade leed en zonder de tussenkomst van de rechtbank. Elke partij dient dan ook de eigen kosten m.b.t. huidig geding ten zijnen laste te nemen.

Op die gronden,

De rechtbank,

Rechtdoende op tegenspraak,

Melding makende dat de bepalingen van de artikelen 2 en 30 tot 42 van de wet op het taalgebruik in gerechtszaken werden nageleefd,

Alle meeromvattende of strijdige conclusies verwerpend als niet terzake dienend,

Verklaart de vordering van eiser ontvankelijk en ongegrond in de mate dat de vernietiging van het niet bestaande dwangbevel d.d. 5/6/2000 wordt gevraagd,

Stelt dat de belastingschuld vermeld in de betekening d.d. 5/6/1999 dient herleid tot het bedrag dat betrekking heeft op het dwangbevel d.d. 20.12.1999 geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 21.12.1999, onder aftrek van de reeds gedane betalingen,

Veroordeelt verweerder tot de kosten van betekening van het dwangbevel op 5/6/2000,

Veroordeelt elk der partijen tot de kosten die zijzelf heeft gemaakt begroot als volgt :

- aan de zijde van eiser

rechtsplegingsvergoeding : € …

- aan de zijde van verweerder

rechtsplegingsvergoeding : € ….

Aldus gevonnist en uitgesproken in de openbare terechtzitting van de zesde burgerlijke kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Gent op achttien april tweeduizend en twee, waar aanwezig waren :

J. D. B., alleenzetelend rechter,

J. D. T., griffier.

J. D. T. J. D. B.

BEVELSCHRIFT van ZESTIEN JANUARI TWEEDUIZEND EN TWEE

art. 88, par.2 Ger. W.

Nr. 00/1870/A

In de zaak van :

Z. W., wonende te …, …;

eiser,

hebbende als raadslieden, Mr. R. D., advocaat, met kantoor te …, … en Mr. M. M., advocaat, met kantoor te …, …;

tegen :

DE BELGISCHE STAAT, Ministerie van Financiën, Administratie der BTW, Registratie en Domeinen, vertegenwoordigd daar de e.a. Inspecteur van het BTW-Ontvangkantoor Gent 2, met kantoren gevestigd te 9000 Gent, Martelaarslaan 23;

verweerster,

hebbende als raadsman Mr. E. V. A., advocaat, met kantoor te …, …;

E. B., voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Gent, bijgestaan door S. V. B., adjunct-griffier.


Gezien de stukken, o.m. het vonnis d.d. 13 december 2001 van de 6de kamer van de rechtbank van Eerste Aanleg te Gent waarbij de zaak op grond van artikel 88, par. 2 van het gerechtelijk wetboek werd overgemaakt aan de Voorzitter van de Rechtbank ten einde te horen beslissen of ze anders moeten worden toebedeeld.

Gelet op het schriftelijk advies van het O.M. van 8 januari 2002.

"In de zaak met A.R-nummer 00/1870/A verzoekt eiser de rechtbank vast te stellen dat het dwangbevel dat op 5 juni 2000 werd betekend nietig is en minstens dat het bestaan van de vermeende belastingschuld niet bewezen is.

Eiser heeft verweerder tevens gedagvaard voor de beslagrechter teneinde het dwangbevel d.d. 5 juni 2000 teniet te doen en voor recht te horen zeggen dat de gevorderde som van … BEF dient te worden gereduceerd tot … BEF.

Eiser werpt op dat het betekende dwangbevel enkel verwijst naar een proces­verbaal dat betrekking heeft op de periode augustus-september 1999 en niet op de periode oktober-december 1999 en dat het dwangbevel niet naar behoren werd gemotiveerd, wat een schending inhoudt van artikel 85 W.BTW.

Verweerder stelt dat het er geen dwangbevel werd uitgevaardigd met betrekking tot de periode oktober-december 1999 en dat enkel op de betekeningsakte van het dwangbevel met betrekking tot de periode augustus-september 1999 verkeerdelijk cijfergegevens werden opgenomen die rekening hielden met de openstaande belastingschuld voor de maanden oktober-december 1999.

Het zwaartepunt van de betwisting ligt derhalve bij de vraag of er al dan niet een dwangbevel werd afgeleverd voor de periode oktober-december 1999 dan wel of er enkel een verkeerde betekening gebeurde van het dwangbevel betreffende de periode augustus-september 1999.

Het dwangbevel is enerzijds een taxatietitel waarbij de belastingschuld materieel geconcretiseerd wordt en anderzijds een akte bestemd om een uitvoerbare titel te leveren voor het uitvoerend beslag.

Voorliggend invorderingsgeschil betreft in wezen niet een beslag- of uitvoeringsproblematiek maar veeleer een betwisting inzake het bewijs van het bestaan van een belastingschuld en de wijze van de formalisering ervan.

Aangezien de beslagrechter geen uitspraak doet over de grond van de betwistingen, meent mijn ambt dat de Rechtbank van Eerste aanleg bevoegd is en niet de beslagrechter."

MITSDIEN,

Gelet op artikel 88, § 2 van het gerechtelijk wetboek en de artikelen 2 en 9 van de wet van 15 juni 1935,

Gelet ook op het eensluidend advies van de heer V. d. F. J., substituut-procureur des Konings d.d. 8 januari 2002 dat hier volledig als herhaald wordt beschouwd.

Bedeelt de zaak gekend onder AR 00/1870/A toe aan de zesde kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Gent.

Aldus gewezen en uitgesproken in ons kabinet, gerechtsgebouw te Gent, op zestien januari tweeduizend en twee.

S. V. B. E. B.

ZESDE KAMER - OPENBARE TERECHTZITTING VAN 13 DECEMBER 2001

Algemene rolnummer : 00/1870/A

In de zaak van :

W. Z., zelfstandige, wonende te …, …, ingeschreven in het handelsregister te Gent onder het nummer …,

eiser,

voor wie optreedt mr. R. D., advocaat te …, …, en Mr. M. M., advocaat te …, …,

tegen :

de BELGISCHE STAAT, Ministerie van Financiën, Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen, vertegenwoordigd door de Rekenplichtige van het BTW-Ontvangkantoor Gent II, wiens kantoor gevestigd is te 9000 Gent, Martelaarslaan 23,

verweerder,

voor wie optreedt mr. E. V. A., advocaat te …, …,

Vonnist de rechtbank :

1. RECHTSPLEGING

Gelet op het dwangbevel d.d. 20 december 1999, geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 21 december 1999 en aan eiser betekend op 5 juni 2000.

Gelet op het inleidend verzoekschrift neergelegd ter griffie op 19 juni 2000.

De rechtbank neemt kennis van het dossier van de rechtspleging en van de door partijen overgelegde stukken.

De partijen werden gehoord in hun middelen en conclusies op de openbare terechtzitting van 15 november 2001, waarna de debatten werden gesloten en de zaak in beraad werd genomen.

2. DE VORDERING

De vordering van eiser strekt ertoe te horen zeggen voor recht dat het dwangbevel dat op 5 juni 2000 aan eiser werd betekend nietig is, minstens vast te stellen dat het bestaan van de vermeende belastingschuld niet bewezen is, verweerder te veroordelen tot de kosten van het geding.

Verweerder vraagt de vordering van eiser m.b.t. de nietigheid van het dwangbevel uitgevaardigd op 5 juni 2000 ontvankelijk doch ongegrond te verklaren,

- te oordelen dat het dwangbevel van 21 december 1999 terecht werd opgemaakt;

- te oordelen dat verweerder de betekeningskosten van het dwangbevel d.d. 21 december 1999 te zijnen laste zal nemen en dat elke partij de eigen kosten m.b.t. huidig geding te zijnen laste neemt.

3. FEITEN EN STANDPUNT VAN PARTIJEN

Verweerder liet op 21 december 1999 aan eiser het dwangbevel d.d. 20 december 1999 (op 21 december 1999 geviseerd en uitvoerbaar verklaard) betekenen ter invordering van een BTW-schuld van … frank. Ter staving van deze vordering werd door verweerder verwezen naar een proces­verbaal van 16 december 1999 waarbij een overzicht werd gegeven van de door eiser verschuldigde BTW voor de periode augustus en september 1999.

Van dit bedrag werd door eiser een bedrag van … frank betaald na een notariële notificatie bij notaris V. T..

Op 5 juni 2000 werd het dwangbevel van 20 december 1999 een tweede maal aan eiser betekend en dit bij deurwaardersexploot. Het deurwaardersexploot vermeldt dat eiser een bedrag van … frank aan achterstallige BTW verschuldigd is en verwijst naar het dwangbevel van 20 december 1999 en het proces-verbaal van 16 december 1999. Deze vermelden een BTW-schuld van … frank en worden bijgevoegd.

Verweerder liet aan eiser weten dat in de betekeningsakte ook de BTW zat vervat die verschuldigd was voor de periode oktober-december 1999.

Eiser stelt dat het dwangbevel van 5 juni 2000 nietig is :

- omdat hij voor de periode augustus en september reeds op 21/12/1999 een dwangbevel heeft ontvangen en eenzelfde belastingschuld niet het voorwerp kan uitmaken van twee uitvoerbare titels, minstens kan eenzelfde uitvoerbare titel geen twee keer worden uitgevoerd;

- omdat het dwangbevel van 5 juni 2000 niet beantwoordt aan de vereisten van art. 85, W.BTW en niet afdoende is gemotiveerd, nu het evenzeer zou betrekking hebben op de periode oktober-december 1999.

Verweerder stelt dat er slechts één dwangbevel werd opgemaakt m.n. op 20/12/1999 en er op 5/6/2000 enkel een betekening gebeurde.

Verweerder geeft toe dat de betekening betrekking heeft op een niet met het dwangbevel gelieerd bedrag, doch stelt dat eiser perfect weet van waar de gewijzigde cijfers afkomstig zijn. Verweerder is bereid de kosten van de betekening te zijnen laste te nemen doch stelt dat elke partij zijn eigen kosten moet dragen.

4. BESPREKING

4.1. De rechtbank stelt vast, dat ter betwisting van het litigieuze dwangbevel eiser eigenlijk tweemaal een vordering heeft ingeleid bij onderhavige rechtbank nl. enerzijds voor de beslagrechter (bij dagvaarding d.d. 20/6/2000, procedure gekend onder AR 00/1942/A - zie st. 5 verweerder) en anderzijds voor de fiscale rechter (bij tegensprekelijk verzoekschrift d.d. 19/6/2000).

4. 2. Slechts een van beiden is bevoegd om van de vordering kennis te nemen.

Bevoegdheidsconflicten tussen de belastingrechter en de beslagrechter worden opgelost overeenkomstig de procedure van art. 88, par. 2 Ger. W. (DAUGINET, SPAGNOLI, De nieuwe fiscale procedure, 1999, Kalmthout, Biblo, p. 93).

4.3. 0vereenkomstig art. 88, par. 2 Ger. W. is er aanleiding om de zaak te verwijzen naar de Voorzitter van de Rechtbank, teneinde te beslissen welke kamer bevoegd is om onderhavige procedure kennis te nemen.

Beschikkend gedeelte

Op die gronden,

De rechtbank,

Rechtdoende op tegenspraak,

Melding makende dat de bepalingen van de artikelen 2 en 30 tot 42 van de wet op het taalgebruik in gerechtszaken werden nageleefd;

Alle meeromvattende of strijdige conclusies verwerpend als niet terzake dienend;

Verklaart de vordering van eiser ontvankelijk;

Alvorens verder recht te doen;

Verwijst de onderhavige zaak naar de voorzitter van de Rechtbank in toepassing van art. 88, par. 2 Ger. W. teneinde de kamer van de onderhavige rechtbank aan te wijzen die bevoegd is om kennis te nemen van onderhavig geschil;

Houdt de kosten aan;

Aldus gevonnist en uitgesproken in de openbare terechtzitting van de zesde burgerlijke kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Gent op dertien december tweeduizend en één, waar aanwezig waren :

J. D. B., alleenzetelend rechter,

J. D. T., griffier.

J. D. T. J. D. B.