---
title: "Rechtbank van eerste aanleg te Gent, 15 november 2001"
description: "Rechtbank van eerste aanleg te Gent (België), 15 november 2001."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak/rechtbank-gent-2001-11-15-cf6e"
lang: "nl"
---

# Rechtbank van eerste aanleg te Gent, 15 november 2001 · Belasting over de toegevoegde waarde

**Rechtscollege**

Rechtbank van eerste aanleg

**Zetel**

Gent

**Datum**

15 november 2001

## Over het document

**Verzameling**

Belgische rechtspraak

**Taal van de tekst**

Nederlands

## Tekst

82 paragrafen

### Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Gent d.d. 15.11.2001

Samenvatting niet beschikbaar

**Tekst van het vonnis**

### Tekst van de beslissing

## ZESDE KAMER - 0PENBARE TERECHTZITTING VAN 15 NOVEMBER 2001

## Algemene rol nummer : 97/3636/A

In de zaak van :

**1. F. V. V.**, regisseur, geboren op …, wonende te …, …,

**2 A. V.**, verzekeringsmakelaar, geboren op …, wonende te …, …,

**eisers,**

voor wie optreedt mr. **A. D. R.**, advocaat te …, …,

**tegen :**

**de BELGISCHE STAAT**, Ministerie van Financiën, Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen, in de persoon van de Rekenplichtige van het BTW­Ontvangkantoor te Gent 2, waarvan de burelen gevestigd zijn te 9000 Gent, Martelaarslaan 17,

**verweerder,**

voor wie optreedt mr. **E. V. A.**, advocaat te …, …,

werden de partij en gehoord in hun middelen en conclusies op de openbare terechtzitting van 18 oktober 2001.

Alle partijen hebben rechtsgeldig de zaak abo vo hernome, voor de huidige samenstelling van de rechtbank.

Het dossier van de rechtspleging en de overgelegde stukken werden ingezien in het bijzonder :

1\. De verzetsakte d.d. 25 november 1997 tegen het dwangbevel betekend op 14 november 1997;

2\. De conclusies van de eiseres neergelegd ter griffie op 25 mei 1998, 10 november 1998;

3\. De conclusies van de verweerder neergelegd ter griffie op 28 april 1998, 21 september 1998, 25 januari 1999;

4\. Het schriftelijk advies van **M. C.**, eerste substituut-procureur des Konings, neergelegd op 18 mei 2000;

5\. Het tussenvonnis van 9 november 2000;

6\. De conclusie van verweerder neergelegd ter griffie op 9 februari 2001;

7\. Het proces-verbaal van persoonlijke verschijning van partijen van 1 maart 2001;

8\. De onderscheiden conclusie van partijen neergelegd op 12 juli 2001 en 8 augustus 2001 evenals hun respectievelijke dossiers.

## 1. De vordering

Eisers vorderen :

(1) voorafgaandelijk in toepassing van art. 895 e.v. Ger. W. te horen zeggen dat de bijlage 3 (zijnde de aangifte van 23 november 1994 door eisers ingediend bij de Administratie van het Kadaster te Deinze) aan het door de verweerder voorgelegde stuk 3 (zijnde het proces-verbaal van 21 mei 1997 van **M. M.**, hoofdcontroleur bij de Administratie van de BTW, registratie en domeinen) een vervalsing bevat. De vervalsing bestaat erin dat de woorden "nieuwe woning" werden toegevoegd en het door eerste eiser ingevulde adres door een derde werd doorstreept en vervangen door "…",

(2) ten gronde het verzet d.d. 25 november 1997 tegen het dwangbevel, uitgevaardigd op 16 oktober 1997 en op 24 oktober geviseerd en uitvoerbaar verklaard, dat werd betekend op 14 november 1997 ontvankelijk en gegrond te horen verklaren en dit dwangbevel teniet te doen.

Gedaagde te horen veroordelen tot de koten van het geding met inbegrip rechtsplegingsvergoeding.

## 2. Feiten en retro-akten

Bondigheidshalve verwijst de rechtbank naar het feitenrelaas, uiteengezet in het tussenvonnis van 9 november 2000.

Uit het proces-verbaal van persoonlijke verschijning van 1 maart 2001 blijkt dat de getuigde **G. D. S.** (administratie kadaster Deinze) verklaart :

> "Onder de rubriek 5 van de aangifte werd het tweede vakje 'herbouwd' door de eisende partijen ingevuld.
>
> Wanneer het om een herbouw of om een nieuw opgerichte woning gaat betekent dit voor de administratie steeds dat het om een "nieuwe woning" gaat, wat er dan ook door de administratie werd bijgevoegd. Om aan te duiden dat het om een verbouwing ging hadden de eisende partijen het vakje 5 van dezelfde rubriek dienen in te vullen als : 'vergroot of gewijzigd'
>
> Op 26 april 1995 is het nieuw kadastraal inkomen aan de eisende partijen betekend. Daar is van hunnentwege geen reactie op gekomen."

## 3. Standpunt van de partijen

Eisers stellen dat de aangifte 43 B van 23 november 1994 werd vervalst en uit de debatten dient geweerd. Ten gronde stellen eisers dat aangezien het gaat om een verbouwing het verlaagd BTW-tarief van 6 % dient toegepast.

Verweerder stelt dat de aangifte 43 B van 23 november 1994 geen invloed heeft op haar beslissing en door haar geenszins werd vervalst. Ten gronde stelt verweerder dat de door eisers uitgevoerde werken alle kenmerken hebben van de oprichting van een nieuw gebouw zodat het verlaagd BTW-tarief van 6 % niet van toepassing is.

## 4. Bespreking

4.1. M.b.t. de tussenvordering i.v.m. de valsheidsprocedure.

De aangifte 43 B is een hulpmiddel dat de belastingplichtigen in staat stelt zijn aangifteplicht t.a.v. de administratie van het kadaster te voldoen zodanig dat een kadastraal·inkomen kan vastgesteld worden.

Uit de getuigenis van **G. D. S.** (ambtenaar bij de administratie van het kadaster te Deinze ) blijkt op afdoende wijze dat in onderhavige zaak de aangebrachte wijzigingen in de aangifte geen vervalsingen doch aanvullingen zijn die in hoofde van de ambtenaar belast met de bijwerking van de kadastrale bescheiden, moeten dienen als een verduidelijking.

Bovendien betreft de zaak welke momenteel voorligt een geschil tussen eisers en de BTW­administratie. Eisers stellen ten onrechte dat de aangifte 43 B van 23 november 1994 bepalend is voor het toepasselijke BTW-tarief nu enkel feitelijke omstandigheden dienen in acht genomen bij het bepalen van dit tarief.

De rechtbank meent dat er geen redenen zijn om het stuk van valsheid te betichten en uit de debatten te weren.

### 4.2.Ten gronde

De discussie betreft de vraag of eisers al dan niet kunnen genieten van het verlaagde BTW-tarief van 6 %, mee name of de door eisers gestelde handelingen onder de toepassing vallen van het KB nr.20 van 20 juli 1970 en meer bepaald onder de in artikel 1., 1° van dit KB bedoelde Tabel A, Titel XXXI, met betrekking tot werken in onroerende staat met betrekking tot privé-woningen.

Hierin wordt bepaald dat "werken in onroerende staat met betrekking tot privé-woningen" onderworpen zijn aan het verlaagd tarief van 6 % voor zover volgende voorwaarden zijn vervuld :

1.de handelingen moeten de omvorming, renovatie, rehabilitatie, verbetering, herstelling of het onderhoud, met uitsluiting van de reiniging, geheel of ten dele van een woning tot voorwerp hebben;

2.de handelingen moeten betrekking hebben op een woning die, na de uitvoering ervan, uitsluitend, hetzij hoofdzakelijk, als privé-woning wordt gebruikt;

3.de handelingen moeten worden verricht aan een woning waarvan de eerste ingebruikneming tenminste twintig jaar voorafgaat aan het eerste tijdstip van verschuldigdheid van de BTW dat zich voordoet overeenkomstig art. 22 W.BTW;

4.de handelingen moeten worden verstrekt en gefactureerd aan een eindverbruiker door een persoon die, op het tijdstip van het sluiten van het aannemingscontract geregistreerd is als zelfstandig aannemer overeenkomstig art. 299bis van het WIB;

5.de door de dienstverrichter uitgereikte factuur en het dubbel dat hij bewaart moeten op basis van een duidelijk en nauwkeurig attest van de afnemer melding maken van het voorhanden zijn van de elementen die de toepassing van het verlaagd tarief rechtvaardigen.

Concreet stelt zich de vraag of de uitgevoerde bouwwerken aan de woning gelegen … al dan niet beantwoorden aan "handelingen die de omvorming, renovatie, rehabilitatie, verbetering, herstelling of het onderhoud met uitsluiting van de reiniging geheel of ten dele van een woning tot voorwerp hebben".

Deze beoordeling betreft een soevereine en feitelijke appreciatie vanwege de rechtbank.

Aan de hand van de voorgelegde stukken dient nagegaan of de uitgevoerde werken een verbouwing, verbetering of omvorming van het bestaande gebouw hebben beoogd, dan wel of deze werken hoofdzakelijk hebben geleid tot de oprichting van een nieuw gebouw.

Voor deze beoordeling is het irrelevant hoe de werken door de diensten van stedebouw, het kadaster of in de opdracht van de architect werden omschreven. De werkelijke aard van de werken en het uiteindelijke resultaat primeert.

Uit de verklaringen van de heer **A. D. L.**, gewezen zaakvoerder van de BVBA **D. L.-D. N.** één der aannemers blijkt dat op het ogenblik van de aanvang der werken het op de werf staande gebouw was afgebroken met uitzondering van de nog in de grond zittende funderingen en van 2 muren. Uit het bouwplan blijkt dat het oude gebouw volledig werd ontmanteld op een gedeelte van een middenmuur, twee deelmuren en de in de grond zittende funderingen na.

Voor de toepassing van het juiste BTW-tarief doet het niet ter zake waarom de vroegere muren en het dak dienden afgebroken en/of vervangen.

Wanneer een gebouw praktisch volledig wordt gesloopt kan niet meer gesproken worden van een verbouwing maar dient het begrip nieuwbouw te worden gebruikt.

Bovendien werden de bestaande structuur en het uitzicht van het oude gebouw volledig gewijzigd evenals de vorm. De breedte van de nieuwe woning werd meer dan verdubbeld (van 4,5 m naar 10 m) de lengte werd verminderd van 23 m naar 15,6 m.

In casu is het niet relevant dat de oorspronkelijke bestemming van het gebouw m.n. de bewoning door een gezin met kinderen werd gerespecteerd evenals welke kamers en/of ruimten het oorspronkelijk gebouw bevatte in vergelijking met de nieuwe woning.

De feitelijke omstandigheden, de kostprijs en de aard der werken wij zen er op dat het gebouw dat vroeger door één gezin werd bewoond door ingrijpende bouwwerkzaamheden werd omgevormd tot een ééngezinswoning die de kenmerken van een nieuw opgericht gebouw vertoont.

### Beschikkend gedeelte

**OP DIE GRONDEN,**

**DE RECHTBANK,**

Rechtdoende op **tegenspraak**,

Melding makende dat de bepalingen van de artikelen 2 en 30 tot 42 van de wet op het taalgebruik in gerechtszaken werden nageleefd en met inachtneming van het schriftelijk advies van het Openbaar Ministerie neergelegd op 18 mei 2000;

Alle meeromvattende of strijdige conclusies verwerpend als niet terzake dienend;

Verklaart de hoofdvordering en de tussenvordering ontvankelijk en ongegrond;

Veroordeelt eisers tot de kosten van het geding tot dusver begroot als volgt :

\* aan de zijde van eisers :

\- dagvaardingskosten : 3.860 frank,

\- rechtsplegingsvergoeding : 13.200 frank,

\- aanvullende rechtsplegingsvergoeding : 2.150 frank

\* aan de zijde van verweerder :

\- rechtsplegingsvergoeding : 13.200 frank,

\- aanvullende rechtsplegingsvergoeding : 2.150 frank.

Aldus gewezen en uitgesproken in de openbare terechtzitting van de zesde burgerlijke kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Gent op vijftien november tweeduizend en één.

De rechtbank was als volgt samengesteld :

**J. D. B.**, alleenzetelend rechter,

**J. D. T.**, griffier

**J. D. T.** **J. D. B.**
