Rechtbank van eerste aanleg, 16 november 2000 · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Rechtbank van eerste aanleg 16 november 2000

Zoeken

Rechtbank van eerste aanleg, 16 november 2000

https://juriel.be/nl/rechtspraak/rechtbank-dendermonde-2000-11-16-a9c9

Rechtscollege
Rechtbank van eerste aanleg
Datum
16 november 2000

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

46 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Dendermonde d.d. 16.11.2000

Samenvatting niet beschikbaar

Tekst van het vonnis

Tekst van de beslissing

ZITTING VAN 16 NOVEMBER 2000, 9e Kamer-BZ

AR 98/2863/A

In de zaak van :

…, wonende te …, …

eiseres,

verschijnende door Mr. M. loco Mr. S. H., advocaat te …, ….

tegen :

DE BELGISCHE STAAT, Administratie van de Belasting over de toegevoegde waarde, registratie en domeinen, vertegenwoordigd door de inspecteur van het BTW-Ontvangkantoor van Wetteren, waarvan de burelen gevestigd zijn te 9230 Wetteren, Gentse steenweg 93.

verweerster,

verschijnende door Mr. N. loco Mr. J.-P. W., advocaat te …, ….

werden op de openbare terechtzitting van 4 januari 2000 partijen gehoord in hun middelen en conclusies, de debatten gesloten en werd de zaak in beraad genomen.

De overgelegde stavingsstukken en het gerechtsdossier werden ingezien, inzonderheid de inleidende dagvaarding betekend door het ambt van A. V., gerechtsdeurwaarder met standplaats te … op 7 december 1998.

De rechtbank verleent volgend vonnis :

1. Wat betreft de vordering

De vordering van eiseres strekt er toe, bij een bij voorraad uitvoerbaar vonnis, niettegenstaande alle verhaal en zonder mogelijkheid tot borgstelling noch kantonnement het dwangbevel uitgevaardigd door de inspecteur van het BTW-Ontvangkantoor te Wetteren op 23 oktober 1998, uitvoerbaar verklaard op 29 oktober 1998 en van de toestand van de bijzondere rekening voor het tijdvak van 31 oktober 1996 tot 31 januari 1997 (297/0520/12781) nietig te horen verklaren en te zeggen dat dit geen enkel rechtsgevolg kan hebben.

Tevens verweerster te veroordelen tot de kosten van het geding inbegrepen de wettelijke rechtsplegingsvergoeding.

2. Wat betreft de feitelijke gegevens

Overwegende dat eiseres ingevolge de uitoefening van haar handelsactiviteit als kleinhandel in sportartikelen onder de naam "T. S." onderworpen is aan de BTW-wetgeving en de ter uitvoering van deze wetgeving genomen besluiten.

Op 30 juni 1997 stopte eiseres met haar activiteiten.

Op 12 mei 1997 werd door verweerster in toepassing van art. 8, § 1 van het KB nr. 24 van 29 december 1992 een bijzondere rekening gemaakt voor de periode van 31 oktober 1996 tot 31 januari 1997 waaruit blijkt dat eiseres voor deze periode nog 333.871 fr. BTW verschuldigd was aan verweerster, vermeerdert met de boete (33.000 fr.) en de intresten (4.776 fr.) in totaal een bedrag van 375.647 fr. en werd zij bij aangetekend schrijven d.d. 12 mei 1997 gevraagd voormelde bedragen te betalen. Hierop kwam geen enkele reactie.

Op 23 oktober 1998 werd door verweerster een dwangbevel uitgevaardigd voor voormelde bedragen, dit dwangbevel werd geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 29 oktober 1998 en werd door gerechtsdeurwaarder E. T. met standplaats te … op 5 november 1998 aan eiseres betekend.

Ingevolge gebrek aan reactie van eiseres werd bij exploot van gerechtsdeurwaarder E. T. met standplaats te … d.d. 8 december 1998 uitvoerend beslag op de roerende goederen gelegd bij eiseres.

Alsdan startte eiseres huidige verzet procedure om reden dat de door verweerster gevorderde BTW-bedragen betrekking hebben op een periode, dat eiseres handelaarster was onder de benaming "T. S.", dat de gevorderde bedragen teruggaan op bedragen, van de Administratie der Directe Belastingen voor de aanslagjaren 1996 en 1997.

3. Beoordeling

Overwegende dat eiseres ingevolge haar handelsactiviteit onderworpen was aan de BTW-wetgeving, dat zij weliswaar haar activiteit stopte op 30 juni 1997, dat dit haar echter niet ontslaat om voor de periode 30 juni 1997 t.t.z. het tweede kwartaal van 1997, de periodieke aangiften in te dienen, dat zij echter dit niet gedaan heeft.

Overwegende dat verweerster dan ook conform de geldende wettelijke bepalingen overgegaan is tot het opstellen van een bijzondere rekening, voornamelijk op de gegevens vermeld in de periodieke aangifte m.b.t. het vierde kwartaal 1996.

Dat uit geen enkel element van het dossier blijkt of zou moeten blijken dat de door verweerster gedane berekening onjuist zou zijn.

Dat als dusdanig de bijzondere rekening d.d. 12 mei 1997 en dwangbevel d.d. 23 oktober 1998 volledig regelmatig werd opgesteld en uitvoerbaar verklaart.

Overwegende dat eiseres van haar bewering nopens de Administratie van de Directe Belasting geen enkel bewijs noch begin van bewijs voorlegt.

Beschikkend gedeelte

OM DEZE REDENEN,

DE RECHTBANK,

Uitspraak doende op tegenspraak in eerste aanleg, in toepassing van art. 751 Ger. Wet.

Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken.

Alle andersluidende en/of tegenstrijdige middelen en besluiten van de hand wijzend als niet terzake en/of overbodig.

Verklaart de vordering ontvankelijk doch ongegrond.

Veroordeelt … in de kosten van het geding.

Begroot deze kosten aan de zijde van verweerster tot heden op de som van 12.900 frank, ongerekend de rechten van registratie op minuut, de kosten van uitgifte van onderhavig vonnis en van verdere uitvoering.

Staat de voorlopige tenuitvoerlegging van onderhavig vonnis toe, ondanks elk rechtsmiddel en zonder borg, uitgezonderd wat de kosten betreft.

Aldus gewezen en uitgesproken ter buitengewone openbare terechtzitting van ZESTIEN NOVEMBER TWEEDUIZEND, van de negende kamer zitting houdende in burgerlijke zaken, der rechtbank van eerste aanleg, zetelend te Dendermonde.

Aanwezig :

S. D., ondervoorzitter, voorzitter van de negende kamer;

K. W., e.a. adj.-griffier.

K. W. S. D.

Aangehaalde teksten

1
KB nr. 24 art. 81 voorkomen