---
title: "Rechtbank van eerste aanleg te Brussel, 2 maart 2011"
description: "Rechtbank van eerste aanleg te Brussel (België), 2 maart 2011."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak/rechtbank-brussel-2011-03-02-6d9d"
lang: "nl"
---

# Rechtbank van eerste aanleg te Brussel, 2 maart 2011 · Belasting over de toegevoegde waarde

**Rechtscollege**

Rechtbank van eerste aanleg

**Zetel**

Brussel

**Datum**

2 maart 2011

## Procesverloop

2 stappen · 7 jaar 9 maanden

1. Weergegeven beslissing Rechtbank van eerste aanleg te Brussel 02.03.2011
2. [Beslissing in beroep Hof van beroep te Brussel 05.12.2018](https://juriel.be/nl/rechtspraak/bewijs-feitelijke-vermoedens-omzetverhoging-administratieve-hof-van-beroep-brussel-2018-12-05-9293)

## Over het document

**Verzameling**

Belgische rechtspraak

**Taal van de tekst**

Nederlands

## Tekst

80 paragrafen

### Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Brussel d.d. 02.03.2011

Samenvatting niet beschikbaar

Tekst van het vonnis

### Tekst van de beslissing

**RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG TE BRUSSEL, 36****ste** **Kamer**

**AR 2004/5593/A**

*-* *Federale belastingen - BTW*

*-* *op tegenspraak*

*-* *eindvonnis*

In zake van :

**De heer J.-L. A.**, wonende te …, …;

**eisende partij,**

vertegenwoordigd door Mr. **J. S.**, advocaat te …, …,

**tegen :**

**De BELGISCHE STAAT**, Federale Overheidsdienst Financiën, Administratie van de BTW, registratie en domeinen, in de persoon van de eerstaanwezend inspecteur van het BTW-ontvangkantoor van Halle, met burelen te 1500 Halle, Zuster Bernardastraat 32,

**verwerende partij,**

vertegenwoordigd door Mr. **J. B.** loco Mr. **J. H.**, advocaat te …, … (ref. : 4337),

In deze zaak, in beraad genomen op 02/02/2011, spreekt de rechtbank het navolgend vonnis uit :

Gelet op :

\- het exploot van dagvaarding houdende verzet tegen een dwangbevel en vordering tot teruggaaf, uitgaande van eiser en betekend aan verweerder op 01/04/2004;

\- de beschikking tot regeling van conclusietermijnen overeenkomstig artikel 747, § 2 van het gerechtelijk wetboek van 08/10/2010;

\- de besluiten en de synthesebesluiten van verweerder, neergelegd ter griffie op respectievelijk 21/02/2005 en 18/01/2011;

\- de conclusies van eiser, neergelegd ter griffie op 09/12/2010;

\- de stukken van eiser, zoals gehecht aan de besluiten neergelegd ter griffie op 09/12/2010 en neergelegd ter zitting op 02/02/2011; en

\- de stukken van verweerder, zoals gehecht aan de besluiten neergelegd ter griffie op 21/02/2005 en neergelegd ter zitting op 02/02/2011.

Gehoord de raadslieden van partijen ter openbare zitting van 02/02/2011, waarna de debatten werden gesloten en de zaak in beraad genomen werd.

Toepassing is gemaakt van de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken.

## 1. FEITEN

**1.** Eiser is tandtechnieker. Op 04/07/2001 werd bij de eiser een controle uitgevoerd betreffende de periode 01/01/1998 - 31/12/1999. Op basis van deze controle werd een proces-verbaal opgesteld met datum 01/07/2002.

Hierin werden de volgende inbreuken op de BTW-wetgeving vastgesteld. (1) Bij onderzoek bleek dat verzendingsbons voor de facturen niet werden voorgelegd, noch computerbestanden konden worden afgedrukt. Uit een daaropvolgende controle van twee bankrekeningen bleken de aangegeven omzet en de ontvangsten op deze rekeningen niet overeen te komen. Op het verschil diende bijgevolg nog BTW betaald te worden (maakt het voorwerp uit van huidige betwisting).

(2) er werd geen rekening gehouden met de beperking van aftrek voor voertuigen tot 50 % (hieromtrent is thans geen betwisting).

(3) er werd dubbel gebruik gemaakt van een in rekening-courant van de aangifte ingeschreven bedrag (hieromtrent is thans geen betwisting).

Alzo werd vastgesteld dat nog verschuldigd was voor het gehele proces-verbaal (ook de niet ter discussie staande delen) :

In hoofde van BTW : 2.400,35 euro,

Proportionele boete : 206,00 euro;

Intresten aan 0,8 % per maand vanaf 21/01/2000.

Op 09/07/2002 werd hiervoor een dwangbevel met referentie RCIV … uitgevaardigd, uitvoerbaar verklaard op 11/07/2002. Op 12/07/2002 werd dit dwangbevel betekend bij aangetekende brief.

Een bedrag van 2.950,03 euro werd op 30/07/2002 betaald.

Bij exploot van dagvaarding van 01/04/2004 wordt vernoemd dwangbevel betwist.

## 2. VOORWERP VAN DE VORDERINGEN

**2.** De vordering van eiser strekt ertoe het bestreden dwangbevel te vernietigen en te zeggen dat de bedragen hierin vermeld niet verschuldigd zijn. Hij vordert de veroordeling van verweerder tot terugbetaling van een bedrag van € 2.696,23, meer intresten. Daarnaast vordert eiser (nogmaals) verweerder te veroordelen tot terugbetaling van de ten onrechte betaalde bedragen. Ondergeschikt vordert hij de geldboete kwijt te schelden, dan wel te verminderen.

Verweerder concludeert tot de ongegrondheid van de vordering.

## 3. BEOORDELING

### *3.1. Ontvankelijkheid*

**3.** De ontvankelijkheid van de vordering van eiser wordt niet betwist, noch bemerkt de rechtbank ambtshalve op te werpen gronden van niet ontvankelijkheid. De vordering van eiser is ontvankelijk.

### *3.2. Ten gronde*

**4.** Eiser laat gelden dat de deducties van de verbalisant in een proces-verbaal niet gedekt zijn door de bijzondere bewijskracht van het proces-verbaal. Uit het loutere feit dat op bepaalde bankrekeningen gelden werden gestort, kan niet afgeleid worden dat er een niet aangegeven omzet is. Dit is geen afdoende grond voor een dergelijk vermoeden.

Ten onrechte zou ook de bewijskracht van de boekhouding in twijfel zijn getrokken.

**5.** Terecht werpt eiser op dat de bijzondere bewijskracht, tot bewijs van het tegendeel, van een proces-verbaal in BTW-aangelegenheden zich slechts kan uitstrekken tot die gegevens die door de verbalisant werden vastgesteld. De redeneringen en gevolgtrekkingen van de verbalisant zijn niet gedekt door deze bijzondere bewijskracht (vgl. Tiberghien. Handboek voor fiscaal recht 2008, Mechelen, Kluwer, 2008, nr. 5930).

Dit neemt evenwel niet weg dat deze door de diensten van verweerder in het proces-verbaal aangevoerde gegevens nog steeds kunnen dienen als feitelijk vermoeden in de zin van de artikelen 1349 en 1353 B.W. (vgl. Tiberghien. Handboek voor fiscaal recht 2008, Mechelen, Kluwer, 2008, nr. 5922). Het is evenwel de administratie die hiervan de bewijslast draagt.

Overeenkomstig artikel 1353 van het burgerlijk wetboek kan met vermoedens enkel rekening worden gehouden indien het gaat om gewichtige, bepaalde en met elkaar overeenstemmende vermoedens.

Een bewijsvoering door middel van vermoedens veronderstelt een logische redenering, waarbij, vertrekkend van gekende feiten, wordt besloten tot het bestaan van een onbekend gegeven. Het is niet vereist dat die vermoedens noodzakelijk uit die feiten volgen. Het is voldoende dat ze eruit kunnen volgen (vgl. Cass. 22/10/2004, rolnummer F.03.0028.N). Bijgevolg is een opeenstapeling van vermoedens verboden (zie o.m. : TIBERGHIEN, Handboek voor fiscaal recht, 1718, en de aldaar uitvoerig geciteerde rechtspraak.).

In deze motiveert de verbalisant als volgt : *"De omzet wordt berekend aan de hand van de ontvangsten op de bankrekeningen"*. Op geen enkel moment wordt in het proces-verbaal verder gemotiveerd waarom de ontvangsten op deze bankrekening worden beschouwd als professionele ontvangsten. Er wordt in het proces-verbaal zelfs niet aangehaald dat het zou gaan om bankrekeningen die enkel en alleen professioneel worden aangewend, noch de redenen waarom tot deze conclusie wordt gekomen.

Het loutere feit dat er een verschil is tussen de aangiften en twee bankrekeningen waarvan verder niet wordt verduidelijkt dat deze louter professioneel worden gebruikt, kan bezwaarlijk als "gewichtige, bepaalde en met elkaar overeenstemmende vermoedens" beschouwd worden om te vervolgens te stellen dat het verschil tussen deze de ontvangsten op deze bankrekeningen en de aangegeven omzet overeenkomt met enige niet aangegeven omzet.

In besluiten wordt thans een hele redenering en analyse (p. 3 en 4) opgebouwd omtrent de verrichtingen op deze rekeningen en het feit dat deze niet anders dan professioneel konden zijn (gelet op het feit dat eiser geen andere beroepsactiviteit had), doch hiervan wordt in het proces-verbaal niets gezegd. Meer nog, in besluiten stelt verweerder *"Minstens een gedeelte van de stortingen in contanten heeft betrekking op de beroepsactiviteit"*. Dit is in strijd met het proces-verbaal, nu hierin alle ontvangsten van de bankrekeningen als beroepsmatig werden beschouwd.

Hoe dan ook is het aan verweerder om met voldoende zekerheid te bewijzen dat de verrichtingen op de rekeningen een beroepsmatig karakter hebben. Het is in eerste instantie niet aan eiser om hiervan het tegenbewijs te leveren. Dit bewijs is door verweerder niet geleverd, zodat eiser dient ontheven te worden van de verschuldigde BTW dewelke betrekking heeft op dit deel van het dwangbevel.

Nu de betwisting evenwel slechts betrekking heeft op dit deel van het dwangbevel (en onderliggend proces-verbaal), kan de ontheffing ook slechts in deze mate toegestaan worden.

De vordering tot terugbetaling wat dit betreft is ook gegrond.

De overige middelen van eiser dienen niet verder onderzocht te worden.

**6.** Ondergeschikt vraagt eiser een kwijtschelding of vermindering van de administratieve geldboete.

In de mate dat de BTW-schuld niet verschuldigd is (zie hoger) dient ook de opgelegde boete kwijtgescholden te worden.

Wat betreft het overige deel van de boeten, dat betrekking heeft op het niet betwiste gedeelte van de BTW-schuld, ziet de rechtbank geen enkele reden om deze kwijt te schelden of te vernietigen. Er worden op dit punt ook geen specifieke argumenten aangehaald.

**7.** Eiser vordert, zonder enige verdere motivering, de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van huidig vonnis.

Overeenkomstig artikel 1397 van het Gerechtelijk Wetboek wordt de tenuitvoerlegging van een eindvonnis geschorst in het geval van verzet of hoger beroep, behoudens een door de rechter toegestane voorlopige tenuitvoerlegging. Bij gebrek aan duidelijke motieven ter ondersteuning van dit gedeelte van de vordering, is er geen enkele reden om een uitzondering toe te staan op de algemene regel.

## 4. KOSTEN, WAARDE VAN DE VORDERINGEN EN DE GEVORDERDE RECHTSPLEGINGSVERGOEDINGEN

**8.** Nu de vordering van eiser deels gegrond is, worden de kosten van het geding ten laste van verweerder gelegd.

Op basis van de waarde van het geschil kan het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding begroot worden op 650,00 euro (te verhogen conform art. 8 KB 26/10/2007). Partijen vorderen over en weer het basisbedrag en vragen geen afwijking hiervan.

### Beschikkend gedeelte

**OM DEZE REDENEN,**

**DE RECHTBANK,**

Gelet op de artikelen 4, 37, 41 en 42 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken,

Rechtsprekend in eerste aanleg en op **tegenspraak**,

Alle andersluidende en meer omvattende besluiten van de hand wijzende als niet ter zake en/of overbodig,

Verklaart de vordering van eiser ontvankelijk en in de hierna volgende mate gegrond.

Ontheft eiser van de in het dwangbevel met referentie … (van 09/07/2002, uitvoerbaar verklaard op 11/07/2002) opgenomen sommen aan BTW­schuld, geldboete en intresten in de mate dat deze betrekking hebben op de in het proces-verbaal van 01/07/2002 vastgestelde verschuldigde BTW onder het punt 1 (oorspronkelijk een bedrag van 1.725,81 euro aan BTW).

Veroordeelt verweerder tot terugbetaling aan eiser van de eventueel ten onrechte betaalde of ingehouden sommen, te verhogen met de moratoriumintresten overeenkomstig artikel 91, § 4 W.BTW.

Veroordeelt verweerder tot de kosten van het geding, en begroot deze kosten in hoofde van eiser op 715,00 euro rechtsplegingsvergoeding.

Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de **36****ste** **kamer** van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel, op **2 maart 2011**.

Waar aanwezig waren en zitting namen :

De heer **J. V. B.**, toegevoegd rechter

Mevrouw **I. D.**, griffier

**I. D.** **J. V. B.**
