---
title: "Rechtbank van eerste aanleg te Brussel, 30 juni 2010"
description: "Rechtbank van eerste aanleg te Brussel (België), 30 juni 2010."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak/rechtbank-brussel-2010-06-30-2053"
lang: "nl"
---

# Rechtbank van eerste aanleg te Brussel, 30 juni 2010 · Belasting over de toegevoegde waarde

**Rechtscollege**

Rechtbank van eerste aanleg

**Zetel**

Brussel

**Datum**

30 juni 2010

## Over het document

**Verzameling**

Belgische rechtspraak

**Taal van de tekst**

Nederlands

## Tekst

72 paragrafen

### Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Brussel d.d. 30.06.2010

Samenvatting niet beschikbaar

**Tekst van het vonnis**

### Tekst van de beslissing

## V O N N I S van de Rechtbank van Eerste aanleg te Brussel, 36 ste Kamer

**AR 2009/996/A**

\- *Federale belastingen – BTW*

\- *op tegenspraak*

\- *eindvonnis*

Inzake van :

**De BVBA T. W.**, met maatschappelijke zetel te …, … en met ondernemingsnummer …,

**eisende partij,**

vertegenwoordigd door Mr. **W. D.** loco Mr. **S. S.**, advocaat te …, …,

**tegen :**

**De BELGISCHE STAAT**, Federale Overheidsdienst Financiën, Administratie van de ondernemings- en inkomstenfiscaliteit, sector BTW in de persoon van de eerstaanwezend inspecteur van het BTW-ontvangkantoor van Halle, met burelen te 1500 Halle, Zuster Bernardastraat 32,

**verwerende partij,**

vertegenwoordigd door Mr. **A. H.**, loco Mr. **P. D.**, advocaat te …, … (ref. : …),

In deze zaak, in beraad genomen op 16/06/2010, spreekt de rechtbank het navolgend vonnis uit :

Gelet op :

\- het tegensprekelijk verzoekschrift in toepassing van artikel 1385decies van het Gerechtelijk Wetboek uitgaande van eiseres en neergelegd ter griffie van deze rechtbank op 23/01/2009;

\- de beschikking tot regeling van conclusietermijnen overeenkomstig artikel 747, § 2 van het gerechtelijk wetboek van 23/03/2009;

\- de besluiten, de aanvullende conclusie en de syntheseconclusie van verweerder, neergelegd ter griffie op respectievelijk 29/05/2009, 28/1/2009 en 30/04/2010;

\- de conclusie en de syntheseconclusie van eiseres, neergelegd ter griffie op respectievelijk 14/1/2009 en 12/03/2010;

\- de stuken van eiseres, neergelegd ter griffie op 14/10/2009, en

\- de stukken van verweerder, neergelegd ter griffie op 29/05/2009.

Gehoord de raadslieden van partijen ter openbare zitting van 16/06/2010, waarna de debatten werden gesloten en de zaak in beraad genomen werd.

Toepassing is gemaakt van de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken.

Bij besluiten wordt de samenvoeging van de zaken gekend onder de rolnummers 2009/996/A, 2009/1000/A en 2009/1031/A gevraagd. Ter zitting wordt hierop niet verder aangedrongen. Nu het bovendien verschillende belastingplichtigen betreft en de onderliggende discussies slechts deels overlappen, is er geen risico op onverenigbare uitspraken. Er is geen reden om de zaken samen te voegen.

### 1. FEITEN

**1.** De feiten die ten grondslag liggen aan huidige betwisting kunnen als volgt samengevat worden.

**1.1.** Samen met de VZW **V. H.** en de NV **D. S.-M.**, baat eiseres een manège uit. Naar buiten toe worden deze “diensten” aangeboden onder de benaming “Manège **T. W.**”.

Hierbij zou de NV **D. S.-M.** louter paardenstallen verhuren. Eiseres levert dierenvoeders en schavelingen, terwijl de VZW **D. V. H.** zou instaan voor onder meer het verzorgen van de dieren.

De facturen worden opgesteld door eiseres en de twee andere vernoemde rechtspersonen (zie stukken 1 tot en met 6 eiseres). Eiseres factureert hierbij de levering van dierenvoeders en schavelingen. De VZW **D. V. H.** factureert een bijdrage in de kosten voor de verzorging van de dieren en de NV **D. S.-M.** factureert de verhuur van paardenstallingen.

**1.2.** Op 29/05/2008 werd door de heer **J.-M. V.** een controle uitgevoerd bij eiseres. Op basis van deze controle stelde deze een proces-verbaal op met datum 10/12/2008. Hierin werd vastgesteld dat door eiseres (en de twee andere vernoemde vennootschappen) een “volpension” huisvesting en voeding/verzorging van paarden werd aangeboden, hoewel apart gefactureerd. De verbalisant stelde vast dat de voeding forfaitair wordt aangerekend per dier en dus kadert in een ruimere dienst van verzorging dewelke wordt verricht samen met de VZW **D. V. H.** en de NV **D. S.-M.**. Er deinde volgens de verbalisant 21 % BTW aangerekend te worden in plaats van 6 %.

Alzo werd vastgesteld dat nog verschuldigd was :

In hoofde van BTW : 12.619,84 euro,

Proportionele boete : 1.260,00 euro,

Intresten aan 0,8 % per maand vanaf 21/01/2007.

Hiervoor werd op 12/12/2008 een dwangbevel met referentie RCIV nr. … uitgevaardigd, uitvoerbaar verklaard op 16/12/2008.

Dit dwangbevel werd betekend bij aangetekende brief van 19/12/2008.

Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie op 23/01/2009 wordt dit dwangbevel betwist.

### 2. VOORWERP VAN DE VORDERINGEN

**2.** De vordering van eiseres strekt ertoe het bestreden dwangbevel nietig te verklaren en te zeggen dat eiseres uit hoofde hiervan geen BTW, geldboeten en intresten verschuldigd is aan verweerder.

Tevens vordert eiseres verweerder te horen veroordelen tot terugbetaling van alle ten onrechte betaalde of ingehouden bedragen, meer intresten.

Verweerder concludeert tot de ongegrondheid van de vordering van eiseres.

### 3. BEOORDELING

#### 3.1. Ontvankelijkheid

**3.** Verweerder werpt geen middelen van niet-ontvankelijkheid op, noch wordt enige ambtshalve grond van niet ontvankelijkheid vastgesteld. De vordering van eiseres is derhalve ontvankelijk.

### 3. Ten gronde

**4.** Eiseres houdt voor dat terecht een BTW-tarief van 6 % wordt aangerekend op grond van het KB nr. 20, tabel A, rubriek VII, 12° (schavelingen) en KB nr. 20, tabel A, rubriek XII, 7° (veevoeder).

**5.** Vooreerst dient te worden vastgesteld dat het proces-verbaal van 10/12/2008 niet duidelijk motiveert waarom een BTX-tarief van 21 % dient te worden toegepast. Impliciet lijkt de verbalisant er van uit te gaan dat dit tarief dient te worden toegepast aangezien de levering van voeders en schavelingen, zoals gedaan door eiseres, zou kaderen in een ruimere dienst waarbij ook de verzorging en de huisvesting van de paarden hoort. Deze dienst gebeurt door eiseres, de VZW **D. V. H.** en de NV **D. D.-M.** samen.

De vraag is dan ook of er sprake kan zijn van een complexe handeling, doordat de “**M. T. W.**” zich naar buiten toe als één (dient) voordoet. Eiseres meent dat deze figuur in deze niet kan toegepast worden aangezien de verschillende aspecten (verhuur stallen, verzorging dieren, verkoop voeder en schavelingen) door onderscheiden rechtspersonen werden aangeboden. Verweerder stelt in besluiten dat er wel sprake is van een complexe handeling.

Van de figuur van de complexe handeling kan inderdaad in deze geen gebruik gemaakt worden. Zoals terecht door eiseres opgeworpen staan andere rechtspersonen in voor de respectievelijke verhuring van de paardenboxen/verzorging van de dieren/levering van voeders en schavelingen, zodat er van een complexe handeling geen sprake kan zijn. Deze veronderstelt immers dat de handeling uitgaat van eenzelfde (rechts)persoon (vgl. H.v.J. 13/07/1989, zaak nr. [C-173/88](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-173-88-arrest), randnummer 16-16 en H.v.J. 08/07/1986, zaak nr. C-75/83, randnummer 15; zie ook beslissing E.T. 100.722, van 22/10/2001). De diensten van verweerder hebben zelf trouwens nooit voorgehouden dat de opsplitsing zoals deze gebeurden in de facturen fictief zou zijn (verhuring van de paardenboxen/verzorging van de dieren/levering van voeders en schavelingen). De processen-verbaal werden immers ten aanzien van elk van de drie respectievelijke rechtspersonen afzonderlijk opgesteld.

**6.** Nu vast staat dat de levering van schavelingen en veevoeders niet kan beschouwd worden als onderdeel vormende van de ruimere dienst, dient nagegaan te worden aan welk tarief de betreffende leveringen onderworpen zijn.

Omtrent de schavelingen kan geen twijfel bestaan. Deze zijn op grond van tabel A, rubriek VII, 12° van het KB nr. 20 onderworpen aan een BTW-tarief van 6 %.

Ook de paardenvoeding valt onder het tarief van 6 % op basis van tabel A, rubriek XII, 7° (veevoeders). Hoewel dit tarief niet van toepassing is op “*de goederen te koop aangeboden als voedsel voor honden, katten, kooivogels, zoals papegaaien en zangvogels, voor aquariumvissen, voor hamsters, guinese biggetjes en andere troeteldiertjes*”, kan deze uitzondering niet slaan op paarden (zelfs rijpaarden kunnen bezwaarlijk aks “andere troeteldiertjes” beschouwd worden°;

De vordering van eiseres wat betreft de BTW is dus gegrond. Hieruit volgt dat ook de geldboete onterecht werd opgelegd. De vordering van eiseres is integraal gegrond.

### 4. KOSTEN, WAARDE VAN DE VORDERINGEN EN DE GEVORDERDE RECHTSPLEGINGSVERGOEDINGEN

**7.** Nu de vordering van eiseres gegrond is, worden de kosten van het geding ten laste van verweerder gelegd.

Op basis van de waarde van het geschil kan het basis bedrag van de rechtsplegingsvergoeding begroot worden op 1.100,00 euro. Partijen vorderen over en weer het basisbedrag e vragen geen afwijking hiervan.

### Beschikkend gedeelte

**OM DEZE REDENEN,**

**DE RECHTBANK,**

Gelet op de artikelen 4, 37, 41 en 42 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken,

Rechtsprekend in eerste aanleg en op **tegenspraak**,

Verklaart de vordering van eiseres ontvankelijk en gegrond.

Vernietigt het bestreden lastens eiseres opgelegde dwangbevel met referentie RCIV nr. …, uitgevaardigd op 12/12/2008 en uitvoerbaar verklaard op 16/12/2008 en zegt dat eiseres uit hoofde hiervan niets verschuldigd is aan BTW, geldboete en intresten.

Veroordeelt verweerder tot terugbetaling aan eiseres van de in uitvoering van dit proces-verbaal eventueel betaalde of ingehouden sommen, te verhogen met de moratoriumintresten overeenkomstig artikel 91, § 4, W.BTW.

Veroordeelt verweerder tot de kosten van het geding, en begroot deze kosten in hoofde van eiseres op 1.100,00 euro rechtsplegingsvergoeding.

Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de 36 ste kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel, op **30 juli 2010**.

Waar aanwezig waren en zitting namen :

De heer **J. V. B.**, toegevoegd rechter;

Mevrouw **I. D.**, griffier.

**I. D.** **J. V. B.**

## Aangehaalde teksten

1

[173/88, arrest van 13 juli 1989](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-173-88-arrest) 1 voorkomen
