---
title: "Rechtbank van eerste aanleg te Brussel, 8 januari 2010"
description: "Rechtbank van eerste aanleg te Brussel (België), 8 januari 2010."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak/rechtbank-brussel-2010-01-08-ae31"
lang: "nl"
---

# Rechtbank van eerste aanleg te Brussel, 8 januari 2010 · Belasting over de toegevoegde waarde

**Rechtscollege**

Rechtbank van eerste aanleg

**Zetel**

Brussel

**Datum**

8 januari 2010

## Over het document

**Verzameling**

Belgische rechtspraak

**Taal van de tekst**

Nederlands

## Tekst

130 paragrafen

### Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Brussel d.d. 08.01.2010

Samenvatting niet beschikbaar

**Tekst van het vonnis**

### Tekst van de beslissing

**RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG TE BRUSSEL, 35****ste** **Kamer**

**AR 2004/12431/A**

\- *Fiscale zaken : BTW*

\- *op tegenspraak*

\- *eindvonnis*

In zake van :

**De B.V. W. H. BV**, vennootschap naar Nederlands recht, met zetel te …, …, …, ingeschreven in het handelsregister van de Kamer van Koophandel en fabrieken te Utrecht onder het nummer …, in België voor BTW doeleinden geïdentificeerd onder het BTW-nummer BE …,

**keuze van woonst doende voor huidige procedure** op het adres …, ….

**eisende partij,**

vertegenwoordigd door Mr. **N. M.** loco Mr. **W. H.**, advocaat te …, …

**tegen :**

**De BELGISCHE STAAT**, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, wiens kabinet gevestigd is te 1000 Brussel, Wetstraat 12-14

**De BELGISCHE STAAT**, FOD Financiën, AOIF, vertegenwoordigd door de e.a. diensthoofd van het centraal kantoor voor buitenlandse belastingplichtigen, dienst controle, met kantoren te 1000 Brussel, J. Stevensstraat nr. 7,

**verwerende partij,**

vertegenwoordigd door Mr. **D. B.** loco Mr. **A. D.**, advocaat te …, …

In deze zaak, in beraad genomen op 8/12/2009, wordt door de rechtbank volgend vonnis uitgesproken :

Gelet op :

\- de inleidende dagvaarding, betekend op 24/09/2004;

\- de conclusies, aanvullende conclusies en syntheseconclusies voor verwerende partij neergelegd ter griffie op 19/10/2005, 26/09/2007 en 21/08/08;

\- de conclusies en syntheseconclusies voor eisende partij, neergelegd ter griffie op 4/07/08 en op 11/04/07;

\- het bundel met stukken van verwerende partij neergelegd ter zitting op 8/12/2009;

\- het bundel met stukken van eisende partij neergelegd ter zitting op 8/12/2009;

Gehoord de raadslieden van partijen ter openbare zitting van 8/12/2009, waarna twee bundels met de stavingstukken van partijen werden neergelegd en de zaak in beraad werd genomen.

Toepassing is gemaakt van de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken.

## 1. FEITEN

Het geding heeft betrekking op een geschil inzake BTW-wetgeving.

Eisende partij kocht bij een Belgisch leverancier NV **S.** machines aan om die dan op haar beurt verder te verkopen aan de Belgische (zuster)onderneming NV **W.**.

De machines in kwestie werden rechtstreeks door de Belgische leverancier NV **S.** aan de NV **W.** geleverd; en daardoor rekende de NV **S.** de Belgische BTW aan eisende partij.

Eisende partij wou zich gelet op voormelde transacties dan ook in België voor BTW-doeleinden identificeren en een aansprakelijk vertegenwoordiger aanstellen.

Op 6 maart 2000 diende eisende partij daartoe een registratiedossier in bij het centraal kantoor voor Buitenlandse belastingplichtigen ter verkrijging van een Belgisch BTW-identificatienummer en tot erkenning van de NV **W.** als aansprakelijk vertegenwoordiger van haar.

D.m.v. brief d.d. 20 juni 2000 richtte het Centraal BTW-kantoor voor Buitenlandse belastingplichtigen aan eisende partij een vraag om aanvullende informatie m.b.t. de verbintenis van de aansprakelijk vertegenwoordiger.

Middels een schrijven d.d. 12 juli 2000 deelde eisende partij de gevraagde informatie aan verwerende partij mee.

Intussen besliste verwerende partij bij administratieve beslissing nr. ET 98.131 d.d. 26 mei 2000 in het algemeen een regeling van "tijdelijke wachtprocedure" in te voeren voor buitenlandse ondernemingen die een Belgisch BTW-identificatienummer aanvragen.

Met ingang van 1 september 2000 werd aan eisende partij het BTW-identificatienummer BE … toegekend door het centraal BTW-kantoor voor buitenlandse belastingplichtigen en werd de NV **W.** erkend als aansprakelijk vertegenwoordiger van eisende partij.

Eisende partij werd daarvan op de hoogte gebracht middels een schrijven d.d. 29 september 2000.

Op 29 september 2000 diende eisende partij vervolgens een aanvraag in bij het centraal BTW-kantoor voor buitenlandse belastingplichtigen om haar recht op aftrek te mogen uitoefenen voor BTW-bedragen over de periode van het tweede kwartaal van 1995 tot en met het tweede kwartaal 1998.

Op 17/10/2000 diende eisende partij haar eerste Belgische BTW-aangifte in, dit voor het derde kwartaal van 2000. In deze aangifte oefende eisende partij haar recht op aftrek uit onder andere van de hiervoor vermelde kwartalen (van het tweede kwartaal van 1995 tot en met het tweede kwartaal 1998).

Bij beslissingen van 26/06/2001 en 25/09/2001 stond het centraal BTW-kantoor voor buitenlandse belastingplichtigen aan eisende partij het recht op aftrek niet toe van volgende inkomende handelingen :

Factuur nr. Factuurdatum BTW-bedrag

510100890 19/06/1995 9.521,02

510100893 19/06/1995 22.600,84

510100894 19/06/1995 35.674,51

510100895 19/06/1995 2.129,95

510100896 19/06/1995 16.847,11

510101019 29/06/1995 12.541,29

510101468 30/06/1995 38.950,00 NLG

510101472 30/06/1995 12.988,80 NLG

510101473 30/06/1995 40.590,00 NLG

510101476 30/06/1995 42.172,81 NLG

510101478 30/06/1995 51.587,64 NLG

510102169 29/09/1995 6.150,00 NLG

510102173 29/09/1995 7.958,72 NLG

.510102384 29/09/1995 8.004,23 NLG

510102419 29/09/1995 8.097,50 NLG

510102420 29/09/1995 9.245,71 NLG

510102423 29/09/1995 8.004,23 NLG

510102433 29/09/1995 12.484,50 NLG

510102434 29/09/1995 11.295,00 NLG

510102435 29/09/1995 1.168,50 NLG

5.10102436 29/09/1995 1.865,50 NLG

510102439 29/09/1995 12.863,75 NLG

510102440 29/09/1995 83.740,45 NLG

510102441 29/09/1995 10.270,50 NLG

510102442 29/09/1995 8.589,50 NLG

510102443 29/09/1995 10.270,50 NLG

€ 229 251,60 in totaal

De Fiscale Administratie stond het recht op aftrek niet toe omdat dit zou zijn uitgeoefend buiten de termijn van 5 jaar te rekenen vanaf het tijdstip waarop het recht op aftrek was ontstaan.

Eisende partij liet op 24/04/2002 schriftelijk weten het niet met het standpunt van verwerende partij eens te zijn.

Bij schrijven d.d. 2/09/20002 lieten de diensten van verwerende partij weten bij hun standpunt te blijven.

Op 24/09/2004 werd op verzoek van eisende partij de geding inleidende dagvaarding betekend aan verwerende partij op grond waarvan de betwiste beslissingen d.d. 26/06/2001 en 25/09/2001 aangevochten worden.

## 2. VOORWERP VAN DE VORDERING

De vordering strekt ertoe de beslissingen van verwerende partij d.d. 26/06/2001 en 25/09/2001 en 2/09/2002 te horen vernietigen of niet toepasselijk te horen verklaren.

Te horen zeggen voor recht dat eisende partij recht op aftrek heeft en haar recht op aftrek rechtsgeldig en tijdig heeft uitgeoefend bij brief d.d. 29/09/2000 m.b.t. tot de inkomende facturen d.d. 19, 29 en 30 juni en 29 september 1995 voor een totaal bedrag aan BTW van € 229.251,60.

Verwerende partij te veroordelen tot teruggaaf aan eisende partij van het bedrag van € 229.251,60 meer interesten à rato van 0,8 % op maandbasis te rekenen vanaf april 2001 tot en met de maand waarin het volledig bedrag van € 229.251,60 door verwerende partij wordt terugbetaald.

In ondergeschikte orde vordert eisende partij een schadevergoeding van verwerende partij ten bedrage van € 229.251,60 meer interesten à rato van 0,8 % op maandbasis te rekenen vanaf april 2001 tot en met de maand waarin het volledig bedrag van € 229.251,60 door verwerende partij wordt terugbetaald.

Nog meer ondergeschikt vordert eisende partij de terugbetaling van het ten nadele van haar onrechtmatig bekomen bedrag van € 229.251,60 meer moratoire interesten gerekend vanaf de dag van de geding inleidende dagvaarding tot en met de dag waarop verwerende partij het bedragen van € 229.251,60 aan haar betaalt.

Tot slot beoogt zij de veroordeling van de Belgische Staat tot teruggave van de ten onrechte geïnde bedragen en tot de betaling van de kosten van het geding.

Verwerende partij concludeert tot de ongegrondheid van de vordering.

## 3. BEOORDELING

### 3.I. Ontvankelijkheid

De vordering van eisende partij werd ingesteld bij dagvaarding betekend op 24/09/2004.

Verweerder betwist de ontvankelijkheid van de vordering van eisende partij niet.

Nu de rechtbank van oordeel is dat er ook geen ambtshalve op te werpen gronden van niet-ontvankelijkheid voorhanden zijn dient de vordering van eisende partij ontvankelijk te worden verklaard.

### 3.II. Gegrondheid

Eisende partij voert aan dat het recht op aftrek van BTW in haren hoofde m.b.t. de inkomende handelingen van het tweede en derde kwartaal 1995 niet zou zijn vervallen op het ogenblik waarop zij haar recht op aftrek m.b.t. die periode uitoefende; zij zou immers in de absolute onmogelijkheid geweest zijn om op een nuttig tijdstip haar recht op aftrek uit te oefenen ingevolge de handelwijze van verweerder.

Omdat zij op 6 maart 2000 haar registratiedossier indiende kon volgens haar de BTW die op 19, 29 en 30 juni en op 29 september 1995 opeisbaar was geworden in aftrek worden gebracht indien haar tijdig (m.a.w. voor 19, 29 en 30 juni en 29 september 2000 een BTW-nummer zou zijn toegekend).

Eisende partij stelt dat het BTW-identificatienummer uiteindelijk pas werd toegekend bij brief d.d. 29 september 2000 en zij haar recht op aftrek diezelfde 29 september uitoefende m.b.t. de BTW die opeisbaar was geworden op 19, 29 en 30 juni en op 29 september 1995; zij maakt evenwel haar zin niet echt af (zie conclusies eisende partij blz. 8 - 9).

Verweerder argumenteert dat eisende partij nog voor zij haar BTW-identificatienummer had reeds haar recht of aftrek zou kunnen hebben uitoefenen. Daarnaast stelt verwerende partij dat eisende partij reeds eerder een aanvraag had kunnen indienen.

In toepassing van art. 55 W.BTW dient een belastingplichtige die, ongeacht zijn plaats van vestiging, goederen levert en/of diensten verstrekt waarvan de plaats van levering of de plaats van de dienst volgens de BTW-wetgeving in België is gelegen zich bij de BTW-administratie als BTW-belastingplichtige laten identificeren en is hij ertoe gehouden bij de administratie periodieke aangiften in te dienen.

Op dit punt was eisende partij niet in regel, zo blijkt uit het dossier.

De aftrek Van de BTW wordt geregeld door de bepalingen van de arttn. 2 en 4 van het KB nr. 3 van 10 december 1969.

[Art. 4, § 2 van het KB nr. 3](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-3-december-betrekking-aftrekregeling-toepassing-belasting-8aeb#ar3-art4) van 10 december 1969 bepaalt meer in het bijzonder :

> *“Wanneer de belastingplichtige zijn recht op aftrek niet heeft uitgeoefend overeenkomstig § 1, kan hij het nog uitoefenen binnen vijf jaar te rekenen vanaf het tijdstip waarop het recht van aftrek is ontstaan.*
>
> *Door of vanwege de Minister van Financiën 'wordt de wijze bepaald waarop in dat geval de aftrek plaatsheeft.”*

Terzake werd geen ministerieel besluit genomen.

Er werd wel een administratieve aanschrijving door verweerder uitgevaardigd (administratieve aanschrijving nr. 29 van 25 november 1975).

Volgens deze aanschrijving dient een schriftelijke aanvraag (met een aantal vermeldingen) te worden ingediend bij het hoofd van· het controlekantoor waaronder de belastingplichtige ressorteert.

Uit de toepasselijke regels blijkt dat het recht op aftrek inzake nog kon worden uitgeoefend mits het indienen van een aanvraag voor 19/06/2000.

Opdat een aanvraag kon worden ingediend diende eisende partij over een BTW-identificatienummer te beschikken.

Dit nummer werd aangevraagd op 6 maart 2000, weliswaar rijkelijk laat maar toch nog steeds meer dan drie maanden voordat de termijn om in toepassing van [art. 4, § 2 van het KB nr. 3](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-3-december-betrekking-aftrekregeling-toepassing-belasting-8aeb#ar3-art4) van 10 december 1969 het recht van aftrek nog te kunnen uitoefenen (binnen de vijf jaar te rekenen vanaf het tijdstip waarop het recht is ontstaan/verstreek).

Uit het dossier blijkt dat de Fiscale Administratie 3 maanden en 2 weken nodig had om vast te stellen dat ze nog bijkomende inlichtingen nodig had.

Na een schriftelijke vraag hiertoe op 20/06/2000 werden deze op 12/07/2000 verstrekt.

Uit het dossier blijkt dat de Fiscale Administratie dan nog meer dan twee maanden nodig heeft om een registratienummer toe te kennen.

Nu eisende partij in deze volledig op de diensten van verwerende partij was aangewezen en deze laatste er niet in slaagden om binnen een termijn van drie maanden een BTW-identificatienummer af te leveren in een dossier waarvan verwerende partij niet aantoont dat er zich een bijzonder probleem stelde staat het voor de rechtbank onomstotelijk vast dat er in haren hoofde sprake was van overmacht, ook al had eisende partij eerder om een BTW-identificatienummer kunnen verzoeken.

Het feit dat een moderne administratie niet binnen de drie maanden, meer bepaald tussen 6 maart 2000 en 18 juni 2000 een BTW-identificatienummer kan afleveren in een dossier waar geen bijzondere moeilijkheid voorhanden is vormt een gebeurtenis buiten de menselijke wil die door deze wil niet kon worden voorzien noch vermeden.

Overmacht maakt een verlenging van de wettelijk vastgestelde vervaltermijnen mogelijk (de termijn om het recht op aftrek uit te oefenen vormt een vervaltermijn) (vgl. LAENENS, 1., BROECKX, K. en SCHEERS, D., "Handboek gerechtelijk recht", Antwerpen, Intersentia, 2004, nr. 219, blz. 130-131 waar het voorbeeld gegeven wordt van het feit dat een administratieve tekortkoming van de griffiediensten overmacht kan uitmaken).

Overmacht wordt ook in het fiscaal recht aanvaard (vgl. VANDEBERGH, H., "BTW-Handboek", Gent, Larcier, 2003, nr. 477, blz. 442-444).

In casu meent de rechtbank dan ook dat nu op 29/09/2000 aan eisende partij haar BTW-registratienummer ter kennis werd gebracht en zij op 29/09/2000 haar aanvraag als bedoeld in [art. 4, § 2 van het KB nr. 3](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-3-december-betrekking-aftrekregeling-toepassing-belasting-8aeb#ar3-art4) van 10 december 1969 indiende dit gelet op de overmacht in haren hoofde toch noch tijdig was voor een totaal bedrag van € 229 251,60.

De vordering van eisende partij dient bijgevolg gegrond te worden verklaard.

## 4. WAARDE VAN DE VORDERING EN GEVORDERDE RECHTSLEGINGSVERGOEDING

Aangezien de vordering van eisende partij gegrond is, worden de kosten van het geding, in overeenstemming met artikel 1017 van het gerechtelijk wetboek, ten laste gelegd van verwerende partij.

Uit het dossier blijkt dat de waarde van het geschil zich situeert tussen € 100.000,01 en € 250.000,00.

Op grond van de waarde van het geschil kan deze vergoeding in toepassing van de bepalingen van het KB d.d. 26 oktober 2007 begroot worden op € 5.000,00. Nu geen der partijen een vordering instelt tot verhoging of verlaging van dit basisbedrag, kan dit bedrag toegekend worden.

### Beschikkend gedeelte

**OM DEZE REDENEN,**

**DE RECHTBANK,**

Gelet op de artikelen 4, 37, 41 en 42 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken,

Rechtsprekend in eerste aanleg en op **tegenspraak**,

Alle andersluidende en meeromvattende besluiten van de hand wijzende als niet ter zake en/of overbodig,

Verklaart de vordering van eisende partij ontvankelijk en gegrond,

Zegt voor recht dat eisende partij het recht op aftrek in kwestie heeft en haar recht op aftrek rechtsgeldig en tijdig heeft uitgeoefend bij brief d.d. 29/09/2000 m.b.t. de inkomende facturen d.d. 19, 29 en 30 juni en 29 september 1995 voor een totaal bedrag aan BTW van € 229 251,60.

Veroordeelt verwerende partij tot teruggaaf aan eisende partij van het bedrag van € 229.251,60 meer interesten à rato van 0,8 % op maandbasis te rekenen vanaf april 2001 tot en met de maand waarin het volledig bedrag van € 229.251,60 door verwerende partij wordt terugbetaald.

Veroordeelt verwerende partij tot de kosten van het geding begroot op € 5.000,00 aan de zijde van eisende partij.

Aldus gevonnist en uitgesproken ter buitengewone openbare terechtzitting van de **35****ste** **kamer** van de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel, op **8 januari 2010.**

Waar aanwezig waren en zitting namen :

De heer **M. L.**, rechter

Mevrouw **I. D.**, griffier.

**I. D.** **M. L.**

## Aangehaalde teksten

1

[KB nr. 3 art. 4](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-3-december-betrekking-aftrekregeling-toepassing-belasting-8aeb) 3 voorkomens
