Rechtbank van eerste aanleg te Brussel, 30 juni 2008 · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Rechtbank van eerste aanleg Brussel 30 juni 2008

Zoeken

Rechtbank van eerste aanleg te Brussel, 30 juni 2008Belasting over de toegevoegde waarde

https://juriel.be/nl/rechtspraak/rechtbank-brussel-2008-06-30-724b

Rechtscollege
Rechtbank van eerste aanleg
Zetel
Brussel
Datum
30 juni 2008

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

68 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Brussel d.d. 30.06.2008

Samenvatting niet beschikbaar

Tekst van het vonnis

Tekst van de beslissing

RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG TE BRUSSEL - 35ste Kamer

In zake van :

De heer A. B., wonende te …, …

Eisende partij,

Vertegenwoordigd door Mr. A. D. loco Mr. M. M., advocaat te …, ….

Tegen :

De BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, voor wie optreedt de Federale Overheidsdienst Financiën, Administratie der Directe Belastingen, Directie Brussel II, waarvan de kantoren gevestigd zijn te 1050 Brussel, Louizalaan 233-245,

Verwerende partij,

Vertegenwoordigd door de heer W. J., directeur.

In deze zaak, in beraad genomen op 17 juni 2008, spreekt de rechtbank het

navolgend vonnis uit :

Gelet op :

• het tegensprekelijk verzoekschrift in toepassing van artikel 1385decies van het Gerechtelijk Wetboek uitgaande van eisende partij en neergelegd ter griffie van deze rechtbank op 27 augustus 2007,

• de beschikking tot regeling van conclusietermijnen overeenkomstig artikel 747, § 2 van het Gerechtelijk Wetboek van 6 november 2007,

• de conclusie en aanvullende conclusie van verweerster, neergelegd ter griffie respectievelijk op 19 november 2007 en op 16 mei 2008,

• de conclusie en aanvullende conclusie van eiser, neergelegd ter griffie respectievelijk op 27 november 2007 en op 29 februari 2008.

Partijen werden gehoord in openbare zitting, waarna de zaak werd in beraad genomen.


1. FEITEN

Eiser is eigenaar van een voertuig Volkswagen Touareg, dat op 5 september 2005 werd ingeschreven als lichte vrachtwagen.

Op 22 november 2006 werd het voertuig onderworpen aan de jaarlijkse technische keuring.

Op 24 november 2006 werd aan eiser een uitnodiging verstuurd tot betaling van de verkeersbelasting voor de periode van 1 september 2006 tot 31 augustus 2007, ten bedrage van € ….

Op 9 februari 2007 werd een nieuwe uitnodiging tot betaling verstuurd voor dezelfde periode. De belasting werd volgens het bericht herberekend als gevolg van een 'wijziging voertuiggegevens'. Voor de berekening van de belasting werd het voertuig thans beschouwd als wagen voor personenververvoer. De verschuldigde belasting bedroeg € … waarvan de reeds betaalde belasting ten belope van € … werd in mindering gebracht.

Eiser tekende tegen deze belasting bezwaar, hetgeen werd afgewezen bij beslissing van de gewestelijke directeur van 24 juli 2007.

Op 27 augustus 2007 heeft eiser binnen de door artikel 1385undecies van het Gerechtelijk Wetboek voorziene termijn het geding inleidend verzoekschrift neergelegd ter griffie van deze rechtbank.

2. VOORWERP VAN DE VORDERINGEN

De vordering strekt ertoe de verkeersbelasting en de accijnscompenserende belasting op naam van eiser gevestigd voor het aanslagjaar 2006, met betrekking tot het voertuig Volkswagen Touareg met nummerplaat …, nietig te horen verklaren.

Verweerster concludeert tot de ongegrondheid van de vordering.

3. BEOORDELING

3.1. Artikel 9 van het Wetboek van de met Inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen (hierna: WIGB) bepaalt dat de verkeersbelasting verschillend wordt berekend voor lichte vrachtwagens enerzijds en personenauto's, auto's voor dubbel gebruik en minibussen anderzijds.

De technische criteria waaraan een voertuig moet voldoen om als een lichte vrachtwagen erkend te worden, zijn omschreven in artikel 4 WIGB. De bepalingen van dit artikel werden echter gewijzigd door artikel 101 van de programmawet van 27 december 2005, in werking getreden op 1 januari 2006.

Met name bepaalt artikel 4, § 2, c WIGB thans dat een voertuig van het kwestieuze type slechts als een lichte vrachtwagen kan worden beschouwd indien de afgesloten laadruimte steeds minstens 50 % bedraagt van de lengte van de wielbasis.

Blijkens de motivering van het besluit van de gewestelijke directeur zou 'uit de gegevens van de technische controle (gebleken zijn) dat de laadruimte slechts 35 % van de lengte van de wielbasis (bedroeg)'.

Eiser argumenteert dat de belasting nochtans niet kon worden gevestigd uitsluitend op grond van gegevens verkregen van de technische controle nu dit neerkomt op een uitbesteding van het fiscaal onderzoek. Bovendien zou de Dienst voor Inschrijving van Voertuigen (hierna DIV) op onrechtmatige wijze spontaan gegevens overmaken aan de fiscale administratie, hetgeen in strijd zou zijn met artikel 1 van de wet van 28 juli 1938, dat de wijze regelt waarop de fiscale administraties inlichtingen kunnen worden bekomen bij de overige bestuursdiensten.

Verweerster daarentegen verwijst naar het Koninklijk besluit van 20 juli 2001 betreffende de inschrijving van voertuigen, dat haar zou toelaten gebruik te maken van de gegevens die in het bezit zijn van de DIV.

3.2. Gezegd Koninklijk besluit van 20 juli 2001 voorziet in de oprichting van het repertorium van de voertuigen, dat volgens artikel 6, § 1 van het besluit een gecomputeriseerd gegevensbestand is dat wordt bijgehouden door het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid van de Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer.

Het bestand kan overeenkomstig artikel 6, § 2, 2° van het besluit onder meer worden aangewend voor 'de identificatie van de natuurlijke of rechtspersoon die belastingen of retributies verschuldigd is inzake de verwerving, de inschrijving, de Inverkeerstelling, het gebruik of de buitengebruikstelling van een voertuig'.

Voormeld artikel 1 van de wet van 28 juli 1938 bepaalt dat de bestuursdiensten van de staat gehouden zijn op verzoek van een belastingadministratie alle in hun bezit zijnde inlichtingen te verstrekken en inzage te verlenen van alle in hun bezit zijnde akten, stukken, registers en om het even welke bescheiden. Deze bepaling stemt overeen met deze van artikel 327, § 1 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 (hierna: WIB 92).

Wanneer de belastingadministratie bijgevolg het repertorium consulteert en hieruit gegevens haalt die haar toelaten een belasting te vestigen in hoofde van de inschrijver van het voertuig, doet zij niets anders dan de informatie opvragen bij een openbaar bestuur in de zin van voormeld artikel 1 van de wet van 28 juli 1938.

Evenwel omschrijft artikel 7 van het besluit de aard van de gegevens die - indien gekend - kunnen worden opgenomen in het repertorium. Hiertoe behoort onder meer het aantal assen (15°), de wielbasis (16°) en de lengte en de breedte van het voertuig (32°).

De afmetingen van de afgesloten laadruimte behoren daarentegen niet tot de gegevens die in het repertorium zijn opgenomen.

Deze laatste gegevens zijn derhalve, zoals in het besluit van de gewestelijke directeur lijkt te worden erkend, afkomstig van de bedrijven die technische keuring uitvoeren, die ze hebben overgemaakt aan de belastingadministratie via hun beroepsfederatie en de DIV.

Geen enkel element uit het administratief dossier wijst er evenwel op dat de informatie verstrekt werd ingevolge een uitdrukkelijke vraag om inlichtingen uitgaande van de administratie, noch ten aanzien van de DIV, noch ten aanzien van de keuringsbedrijven of hun beroepsfederatie.

De spontane mededeling van inlichtingen door bestuursdiensten (in deze de DIV) aan de belastingadministratie, strookt niet met een restrictieve interpretatie van artikel 1 van de wet van 28 juli 1938, noch met deze van artikel 327, § 1 WIB 92. Hetzelfde geldt voor de mededeling van inlichtingen die de bestuursdiensten nog niet in hun bezit hebben bij de ontvangst van de vraag.

Overeenkomstig de letterlijke lezing van deze wetteksten zijn de bestuursdiensten er immers toe gehouden :

• inlichtingen te verstrekken die in hun bezit zijn,

• indien zij hiertoe worden aangezocht.

Nu het fiscaal recht van openbare orde en de belastingadministratie over geen andere bevoegdheden beschikt dan deze die haar door de wet zijn toegekend, is een ruime interpretatie van artikel 1 van de wet van 28 juli 1938 uitgesloten (vgl. i.v.m. art. 327, § 1 WIB 92 : Rb. Hasselt, 26 mei 2004, F.J.F., 2005/191, 687.).

Hetzelfde geldt voor de informatie die gevraagd wordt aan derden, niet bestuursdiensten. Het verzoek om aan de administratie informatie te bezorgen die deze derde nog niet in zijn bezit heeft en die hij bovendien slechts verkrijgen door in de toekomst bepaalde onderzoeken in te stellen, komt inderdaad neer op een ongeoorloofde uitbesteding van het fiscaal onderzoek (zie : Gent, 16 mei 2007, samengevat in Fisc., 2007, 1088.).

Het verzoek dat door de administratie via omzendbrieven gericht werd aan de keuringsdiensten om bij toekomstige keuringen van lichte vrachtwagens de inhoud van de vrachtruimte te meten en deze gegevens vervolgens aan haar over te maken via de DIV, is derhalve niet rechtsgeldig.

Hetzelfde geldt voor de praktijk van de DIV om de aldus ontvangen informatie spontaan over te maken aan de belastingadministratie.

De belasting gevestigd op grond van onrechtmatig verkregen inlichtingen dient dan ook te worden vernietigd.

De vordering is gegrond.

Beschikkend gedeelte

OM DEZE REDENEN,

DE RECHTBANK,

Gelet op de artikelen 4, 37, 41 en 42 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken,

Rechtsprekend in eerste aanleg en op tegenspraak,

Alle andersluidende en meer omvattende besluiten van de hand wijzende als niet ter zake en/of overbodig,

Verklaart de vordering ontvankelijk en gegrond,

Vernietigt de verkeersbelasting en de accijnscompenserende belasting op naam van eiser gevestigd voor het aanslagjaar 2006, met betrekking tot het voertuig Volkswagen Touareg met nummerplaat …,

Veroordeelt verweerster tot betaling van de gedingkosten, begroot op € … rechtsplegingsvergoeding aan de zijde van eisende partij.

Aldus gevonnist en uitgesproken ter buitengewone openbare terechtzitting van de 35ste kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel, op 30 juni 2008.

Waar aanwezig waren en zitting namen :

De heer P. H. rechter

Mevrouw I. D., griffier

I.D. P. H.