Fiche van de FOD Financiën
Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Brussel d.d. 02.10.2007
Samenvatting niet beschikbaar
Tekst van het vonnis
Tekst van de beslissing
RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG TE BRUSSEL, 35ste Kamer
AR 83/151375/A en 83/153920/A
- BTW
- op tegenspraak
- Tussenvonnis - alvorens recht te doen - heropent de debatten op 15januari 2008 om 14.00 uur - 45 min.
In zake van :
De heer E. V. B., wonende te …, …,
eisende partij,
vertegenwoordigd door Mr. D. loco Mr. Ph. D., advocaat te …, … (ref. : /),
tegen :
De BELGISCHE STAAT, in de persoon van de heer Minister van Financiën, met kabinet te Brussel, Wetstraat 12, vertegenwoordigd door de Rekenplichtige van de Administratie van de BTW, registratie en domeinen, met kantoor te 1800 Vilvoorde, Groenstraat 51,
verwerende partij,
vertegenwoordigd door Mr. K. V. d. V. loco Mr. F. C., advocaat te …, … (ref. : /),
In deze zaak, in beraad genomen op 4 september 2007, spreekt de rechtbank het navolgend vonnis uit :
Gelet op :
In de zaak 83/151375/A
• het geding inleidend exploot houdende verzet tegen dwangbevel d.d. 20 januari 1983,
• de conclusie, aanvullende conclusie en tweede aanvullende conclusie van verweerster, neergelegd ter griffie respectievelijk op 25 mei 1988, 25 februari 2000 en op 12 oktober 2004,
• de conclusie, aanvullende conclusie en tweede aanvullende conclusie van eiser, neergelegd ter griffie respectievelijk op 15 juni 1999, 18 mei 2004 en op 30 december 2005,
• de beschikking tot regeling van conclusietermijnen overeenkomstig artikel 747, § 2 van het gerechtelijk Wetboek van 10 oktober 2005.
In de zaak 83/153920/A
• het geding inleidend exploot houdende verzet tegen dwangbevel dd. 28 maart 1983,
• de conclusie, aanvullende conclusie en tweede aanvullende conclusie van verweerster, neergelegd ter griffie respectievelijk op 26 mei 1998, 25 februari 2000 en op 12 oktober 2004,
• de conclusie, aanvullende conclusie en tweede aanvullende conclusie van eiser, neergelegd ter griffie respectievelijk op 15 juni 1999, 18 mei 2004 en op 30 december 2005,
• de beschikking tot regeling van conclusietermijnen overeenkomstig artikel 747, § 2 van het gerechtelijk Wetboek van 10 oktober 2005.
Gehoord de raadslieden van partijen ter openbare zitting van 4 september 2007, waarna de bundels met de stavingstukken van partijen neergelegd werden en de zaken in beraad genomen werd.
1. FEITEN
Eiser was tijdens de jaren 1977 en 1978 actief als restaurant- en baruitbater ('S. THE L.'), en in deze hoedanigheid onderworpen aan de belasting over de toegevoegde waarde. Als BTW-belastingplichtige was hij geregistreerd onder het nummer ….
Op 23 juni 1981 werd door de BTW-administratie een controle uitgevoerd met betrekking tot de toepassing van de BTW-wetgeving tijdens de periode van 1 januari 1977 tot 30 november 1978, datum waarop de persoonlijke activiteit werd stopgezet.
Een proces-verbaal met vermelding van de vastgestelde overtredingen dateert van 10 februari 1983. Met name werd vastgesteld dat de aangegeven omzet lager was dan deze die werkelijk werd gerealiseerd. De BTW-administratie heeft de werkelijke omzet begroot aan de hand van een akkoord gesloten tussen eiser en de directe belastingen.
Op grond hiervan werd een dwangbevel uitgevaardigd op 15 februari 1983 waarbij de door eiser verschuldigde belasting vastgesteld werd op 961.018 BEF belasting, vermeerderd met een geldboete van 1.922.036 BEF en de interesten. Het werd geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 16 februari en aan eiser betekend op 17 februari 1983.
Daarnaast werd door de Bijzondere Belastinginspectie (BBI) inzage genomen van de in het kader van een strafonderzoek in beslag genomen boekhouding van eiser. Bij deze stukken bevonden zich met name twee agenda's waarin respectievelijk de inkomsten werden vermeld gerealiseerd in de periode van 1 oktober tot 31 december 1977 en deze genoten tijdens het jaar 1978.
De vaststellingen van deze administratie naar aanleiding van het onderzoek van deze stukken voor de periode 1 oktober 1977 tot en met 31 december 1977 werden opgenomen in een proces-verbaal van 21 december 1982. De nog verschuldigde belasting voor het laatste kwartaal van 1977 werd er vastgesteld op 550.562 BEF, vermeerderd met een boete van 1.101.124 BEF en de interesten. Hierbij werd volgens het proces-verbaal uitdrukkelijk - en pro rata - rekening gehouden met de door BTW-administratie berekende doch nog niet belaste omzet voor het jaar 1977. Het dwangbevel werd uitgevaardigd op 22 december en vervolgens geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 23 december 1982.
Een proces-verbaal van 10 februari 1983 beschrijft de vaststellingen van de BBI voor de periode van 1 januari 1978 tot en met 30 november 1978. Op grond hiervan werd op 14 februari 1983 een dwangbevel uitgevaardigd dat op 16 februari geviseerd en uitvoerbaar werd verklaard en op 17 februari 1983 aan eiser werd betekend. De verschuldigde belasting, ook hier rekening houdend met de reeds door de BTW-administratie in het voormelde proces-verbaal van dezelfde datum berekende omzet voor het jaar 1978, werd begroot op 1.575.310 BEF, vermeerderd met een geldboete van 3.150.620. BEF en de interesten.
Tegen het dwangbevel van 22 december 1982 werd verzet aangetekend bij exploot van 20 januari 1982. De zaak werd ingeschreven op de algemene rol van deze rechtbank onder het nummer 151375/83. Tegen de respectievelijke dwangbevelen van 14 en 15 februari 1983 heeft eiser verzet aangetekend bij exploot van 28 maart 1983. Deze zaak staat gekend onder het nummer 153920/83 van de algemene rol.
2. VOORWERP VAN DE VORDERINGEN
Eiser omschrijft zijn vordering in beide zaken als volgt : 'Het verzet en de dagvaarding ontvankelijk te verklaren en gegrond, en rechtdoende zowel het dwangbevel als de kennisgeving ervan te vernietigen, de (beide) aanslag(en) teniet te doen, deze minstens onwettelijk en/of ongegrond te verklaren en te zeggen voor recht, dat het dwangbevel geen uitvoering mag kennen, en geen gevolg mag hebben; De terugbetaling of teruggave te bevelen van alle sommen welke ten onrechte werden betaald, geïnd of ongehouden, verhoogd met de wettelijke rente à 12% vanaf de betaling, inhouding of inning.'
Verweerster concludeert tot de ongegrondheid van de beide vorderingen.
1. SAMENVOEGING
Overeenkomstig artikel 30 van het Gerechtelijk Wetboek kunnen rechtsvorderingen als samenhangende zaken worden behandeld wanneer zij onderling zo nauw verbonden zijn dat het wenselijk is ze samen te behandelen en te berechten teneinde oplossingen te vermijden die onverenigbaar kunnen zijn wanneer de zaken afzonderlijk zouden worden berecht.
In casu hebben beide vorderingen betrekking op de BTW verschuldigd naar aanleiding van eisers uitbating van een bar en restaurant, de zogenaamde 'S. THE L.' tijdens de jaren 1977 en 1978.
Derhalve is aan de voorwaarden van voornoemde wetsbepaling voldaan en dient, zoals door partijen eensluidend gevraagd, de samenvoeging van beide zaken te worden bevolen.
2. HEROPENING DER DEBATTEN
Na de sluiting der debatten heeft eiser op 14 september 2007 drie bijkomende stukken neergelegd, met name :
- een brief van de door de gewestelijke directeur van de directe belastingen d.d. 9 oktober 1987, waarbij een gedeeltelijke ontlasting wordt verleend van de aanslagen in de personenbelasting voor de aanslagjaren 1978 tot 1983,
- zes akkoordverklaringen van de mandataris van eiser m.b.t. de belastbare inkomsten (personenbelasting) verworven tijdens de jaren 1977 tot 1982,
- een uittreksel uit een verslag van de inspecteur der directe belastingen van Halle van 3 augustus 1987.
In conclusie argumenteert eiser dat deze stukken een invloed kunnen hebben bij het bepalen van de belastbare omzet inzake de BTW.
Verweerder heeft bij brief van 27 september 2007 laten weten zich tegen de neerlegging van deze stukken niet te verzetten, doch verzoekt de debatten te (woord onleesbaar).
Deze vraag is gegrond.
Beschikkend gedeelte
OM DEZE REDENEN,
DE RECHTBANK,
Gelet op de artikelen 4, 37, 41 en 42 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken,
Rechtsprekend in eerste aanleg en op tegenspraak,
Alle andersluidende en meer omvattende besluiten van de hand wijzende als niet ter zake en/of overbodig,
Voegt de zaken samen die gekend zijn onder de nummers 83/151375/A en 83/153920/A van de algemene rol,
Heropent de debatten en stelt de zaak uit naar de zitting van 15 januari 2008 om 14.00 uur voor een duur van 45 minuten voor de 35e kamer.
Verleent aan partijen de mogelijkheid bijkomende syntheseconclusies op te stellen, neer te leggen uiterlijk op de hierna volgende data :
- voor eiser tot en met 15 november 2007
- voor verweerder tot en met 15 december 2007.
Houdt de kosten aan.
Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de 35e kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel, op 2 oktober 2007.
Waar aanwezig waren en zitting namen :
De heer P. H., rechter
Mevrouw I. D., griffier
I. D. P. H.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.