Fiche van de FOD Financiën
Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Brussel d.d. 14.02.2003
Samenvatting niet beschikbaar
Tekst van het vonnis
Tekst van de beslissing
RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG TE BRUSSEL - 33ste kamer
A.R. : 97/9936/A
In zake van :
D. B. P. N.V., met maatschappelijke zetel gevestigd te …, …, met handelsregister te Brussel onder het nummer … en met BTW-nummer BE …
Eisende partij
Vertegenwoordigd door Mter H. V., advocaat te …, …
Tegen :
De BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd, door de Heer Minister van Financiën, Administratie van de Belasting over de Toegevoegde Waarde, Registratie en Domeinen, op vervolging en benaarstiging van de Heer R. Scherens, rekenplichtige van het BTW-ontvangkantoor te 1800 Vilvoorde, Groenstraat, 51/57
Verwerende partij
Vertegenwoordigd door Mter J. B. loco Mter J. H., advocaat te …, …
In deze zaak, in beraad genomen op 24 januari 2003, spreekt de rechtbank volgend vonnis uit :
I. PROCEDURE :
Gelet op de in regelmatige vorm voorgelegde stukken van de rechtspleging, inzonderheid :
- het exploot van dagvaarding houdende verzet tegen dwangbevel van gerechtsdeurwaarder B. V. K. te …, betekend op 4 september 1997, waardoor het geding aanhangig werd gemaakt;
- de besluiten van verweerder, neergelegd ter griffie op 24 oktober 1997;
- de besluiten van eiseres, neergelegd ter griffie op 28 juni 2002
Gehoord de raadslieden van partijen ter openbare zitting van 24 januari 2003, waarna de bundels met de stavingsstukken van partijen neergelegd werden en de zaak in beraad genomen werd.
Toepassing is gemaakt van de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken, zoals nadien gewijzigd.
II. FEITEN EN RETROACTEN :
De NV B. P., huidige eiseres, heeft bij notariële akten van 30 maart 1938 en 20 december 1988 de eigendom verworven van het domein D., omvattende een kasteelruïne en een hoeve met aanhorigheden.
De NV B. P. heeft gedurende de jaren 1992 en 1993 als eigenares een aantal voorbereidende studie- en verbouwingswerken voor de restauratie van het domein D. laten uitvoeren. De prijs van deze werken bedroeg, exclusief BTW, … euro (… BEF).
Op 28 december 1993 bracht de NV B. P. het domein D. als kasteelruïne, met inbegrip van de voormelde voorbereidende studie- en verbouwingswerken, hij notariële akte in in het kapitaal van de NV H..
Op 30 december 1993 sloten de NV B. P. als huurster en de NV H. als verhuurster een handelshuurovereenkomst af met betrekking tot het domein D.. De overeenkomst werd afgesloten met ingang van 1 januari 1994 voor een termijn van 9 jaar, tegen een maandelijkse huurprijs van … euro (… BEF)
De NV B. P. heeft gedurende de jaren 1994 tot en met 1996 als huurster alle renovatie- en verbouwingswerken laten uitvoeren aan het domein D., nadat zij daartoe een bouwvergunning en kapitaalsubsidies had verkregen. De prijs van deze werken, die in afwijking van art. 7 van de Handelshuurwet drie jaar huur te boven mocht gaan, bedroeg exclusief BTW … euro (… BEF).
Derhalve bedroeg de totaalprijs van de door de NV B. P. aan het domein D. uitgevoerde werken … euro (… BEF).
Op 18 januari 1996 werd een BTW-controle lastens de NV B. P. opgestart, die uitmondde in een proces-verbaal van 24 maart 1997.
Op 9 augustus 1997 heeft de Belgische Staat, huidig verweerder, op grond van dit proces-verbaal een dwangbevel tot betaling laten betekenen. Dit dwangbevel heeft betrekking op de betaling van gevorderde sommen van … euro (… BEF) als BTW over de periode van 1992 tot en met 1996 en … euro (… BEF) als geldboete.
Op 7 augustus 1997 liet de Belgische Staat een beslag onder derden in handen van de administratie der douane en accijnzen leggen voor een bedrag van … euro (… BEF).
Op 4 september 1997 ging de NV B. P. over tot dagvaarding houdende verzet tegen dit dwangbevel en tot opheffing van het bewarend beslag onder derden.
Op 30 januari 1998 werd bij vonnis van de beslagrechter te Brussel opheffing bevolen van het bewarend beslag onder derden.
IlI. IN RECHTE :
A. STANDPUNTEN VAN PARTIJEN :
Eiseres vraagt haar vordering ontvankelijk en gegrond te horen verklaren; dienvolgens :
- te horen zeggen voor recht dat het dwangbevel van 4 augustus 1997 ongegrond is;
- verweerder te horen veroordelen tot terugbetaling van eventueel reeds geïnde sommen, vermeerderd met de moratoire interesten;
- verweerder te horen veroordelen tot betaling van een schadevergoeding begroot op … euro (… BEF) en een bijkomende schadevergoeding begroot naar redelijkheid en billijkheid, te vermeerderen met de gerechtelijke interesten vanaf 23 maart 1998;
- het tussen te komen vonnis uitvoerbaar te horen verklaren, niettegenstaande alle verhaal en zonder borgstelling, noch aanbod tot kantonnering.
Verweerder vraagt het verzet van eiseres ontvankelijk en gegrond te verklaren voor een bedrag van … euro (… BEF), vermeerderd met de wettelijke boeten en interesten, doch ongegrond voor een bedrag van … euro (… BEF) aan BTW, … euro (… BEF) aan boeten, verhoogd met de interest van 0,80 % per maand vanaf 21 maart 1996 op … euro (… BEF).
B. BEOORDELING :
1) Wat de beweerde ongegrondheid van de gevorderde sommen betreft : Wat de stelling van eiseres in hoofdorde betreft : zij droeg zelf de kosten van de werken :
1.1. Eiseres wijst erop dat verweerder zich steunt op de administratieve beslissing nr. E.T. 9284 van 27 januari 1972 om de gevorderde sommen te kunnen eisen.
Deze beslissing luidt integraal als volgt :
"De belasting voldaan door een belastingplichtige ter zake van herstellings-, onderhouds-, omvormings- of verbeteringswerk verricht aan het gebouw dat hij huurt en dat hij geheel of gedeeltelijk gebruikt voor het uitoefenen van de werkzaamheid waarvoor hij belastingplichtige is, mag in aftrek worden gebracht volgens het hierna gemaakte onderscheid :
1° indien de huurder zelf de kosten van deze werken draagt mag hij de door de aannemer in rekening gebrachte belasting in aftrek brengen in de mate waarin de uitgaven betrekking hebben op het gedeelte van het gebouw dat voor zijn belastbare werkzaamheid wordt gebruikt. De belasting voldaan voor omvormings- of verbeteringswerk is echter onderworpen aan de beperking ingesteld bij artikel 100 van het Wetboek, aangezien die belasting in hoofde van de huurder als een belasting geheven van een bedrijfsmiddel moet worden aangemerkt;
2° indien de huurder de door hem gedane kosten) geheel of gedeeltelijk, in de ene of andere vorm, terugbetaald krijgt van de eigenaar of van de hoofdhuurder, dan wordt hij bij toepassing van artikel 20 van het Wetboek geacht aan die eigenaar af hoofdhuurder een dienst te hebben verstrekt in de mate waarin de gedane werken door deze laatste(n) worden vergoed. De huurder moet aan de eigenaar of de hoofdhuurder een factuur uitreiken volgens de gewone regelen. De maatstaf van heffing is de vergoeding in geld of, bij ontstentenis daarvan, de normale waarde van de tegenprestatie, ongeacht of die bestaat in de verbintenis de huurprijs te verlagen, in de verbintenis de huurprijs niet te verhogen gedurende een bepaalde periode of in de verbintenis goederen te leveren tegen een lagere prijs dan die welke normaal wordt toegepast.. In die mate mag de huurder de door de aannemer aangerekende belasting in aftrek brengen zonder rekening te houden met artikel 100 van het Wetboek. Het is duidelijk dat de door de huurder aan de eigenaar of hoofdhuurder aangerekende belasting door deze laatste(n) in geen geval in aftrek kan worden gebracht aangezien de onroerende verhuur buiten de werkingssfeer van de belasting valt.
Wanneer de eigenaar bij het verstrijken van het huurcontract aan de huurder een vergoeding betaalt bij toepassing van artikel 9 van de Wet van 30 april 1951 betreffende de handelshuur of van artikel 26 van de Wet van 4 november 1969 betreffende de pacht, heeft die vergoeding niet tot gevolg dat de huurder geacht wordt een dienst te hebben verstrekt aan de eigenaar.
(...)".
Eiseres meent dat zij als huurder geenszins verplicht was een factuur uit te reiken, nu zij zelf de kosten van de werken draagt.
In de eerste plaats merkt eiseres op dat de renovatie- en verbouwingswerken kaderen in haar exploitatie. Zo organiseert zij, met het oog op de promotie van haar producten, bezoeken aan haar brouwerij door particulieren. Om deze brouwerijbezoeken aantrekkelijk te maken voor een groot publiek, diende zij, naar eigen zeggen, te beschikken over bijkomende infrastructuur om de bezoekers maaltijden aan te kunnen bieden die worden bereid met de door haar geproduceerde bieren, teneinde de culinaire waarde van het Belgisch streekbier te promoten.
Verder bestaat haar logo uit de beeltenis van een vos trekpaard en heeft zij er alle belang bij, ter ondersteuning van haar logo, de uitsterving van het vosse trekpaard te verhinderen. Om die reden diende zij te beschikken over een stoeterij voor vosse trekpaarden, die om hygiënische redenen niet kon worden ingericht op de eigenlijke bedrijfsterreinen van de brouwerij.
Om voormelde redenen stelt eiseres een handelshuurovereenkomst te hebben afgesloten met de NV H. met betrekking tot het domein D., dat net naast haar bedrijfsterreinen is gelegen.
Uit hetgeen voorafgaat, blijkt volgens eiseres dat de door haar voor eigen rekening gedane renovatie- en verbouwingswerken uitsluitend zijn verricht in het belang van haar exploitatie, en dus geenszins voor rekening of in het belang van de verhuurder.
In de tweede plaats stelt eiseres dat er geen terugbetaling in geld is gebeurd door de NV H. voor de renovatie- en verbouwingswerken die zij voor eigen rekening heeft laten uitvoeren. Verder stelt eiseres dat de NV H. onder de huidige handelshuurovereenkomst evenmin, hetzij uitdrukkelijk, hetzij stilzwijgend, een huurvermindering heeft toegestaan of de verbintenis heeft aangegaan om de huurprijs niet te verhogen in ruil voor de renovatie- en verbouwingswerken die zij voor eigen rekening heeft laten uitvoeren.
Derhalve meent eiseres dat zij niet kan worden geacht een dienst te hebben verstrekt aan de NV H..
In de derde plaats merkt eiseres op dat de overeengekomen huurprijs overeenstemt met de normale huurwaarde van het gehuurde goed, ja zelfs vrij hoog is vergeleken met het door de NV H. geïnvesteerde bedrag. Zij wijst erop dat de kasteelruïne met bijgebouwen werden ingebracht in het kapitaal van de NV H. voor het bedrag van … euro (… BEF), zodat een maandelijkse huurprijs van … euro (… BEF) de NV H. een jaarlijks rendement op haar investering oplevert van 12,5 %.
Eiseres wijst erop dat art. 6 van de Handelshuurwet bepaalt dat partijen bij het verstrijken van elke driejarige periode van de lopende handelshuurovereenkomst het recht hebben om aan de Vrederechter herziening, d.w.z. vermindering of verhoging, van de huurprijs aan te vragen bij een voldoende wijziging van de normale huurwaarde van het gehuurde goed ten gevolge van nieuwe omstandigheden, maar dat de door de huurder voor eigen rekening aan het gehuurde goed aangebrachte onroerende werken tijdens de lopende handelshuurovereenkomst geen nieuwe omstandigheden uitmaken en in geen geval de normale huurwaarde van het gehuurde goed kunnen beïnvloeden. Daarbij is volgens eiseres van geen belang of er al dan niet onmiddellijk overgang is van de werken naar de eigenaar-verhuurder bij wijze van natrekking of anderszins. Eiseres besluit daaruit dat de normale huurwaarde van het gehuurde goed lopende de handelshuurovereenkomst wordt vastgesteld in functie van de staat van het gehuurde goed voordat de onroerende werken door de huurder werden uitgevoerd.
Bijgevolg kan de eigenaar-verhuurder van het domein D. volgens eiseres onder de huidige huurovereenkomst niet worden geacht de kosten van de renovatie en verbouwingswerken aan het domein te hebben terugbetaald aan eiseres door de toekenning van een te huurprijs.
In de vierde plaats stelt eiseres dat zij recht heeft op een vergoeding op het einde van het huurcontract op grond van art. 9 van de Handelshuurwet. Eiseres meent uit art. 9, lid 1 van de Handelshuurwet te kunnen afleiden dat, wanneer verbouwingen zijn uitgevoerd op kosten van de huurder, met uitdrukkelijk of stilzwijgend akkoord van de verhuurder, deze laatste verplicht is op vraag van de huurder een vergoeding te betalen die gelijk is aan ofwel de waarde van de materialen en het arbeidsloon, ofwel een bedrag dat gelijk is aan de meerwaarde van het onroerend goed verkregen door de renovatie- of verbouwingswerken.
Zij stelt in het geheel niet te hebben afgezien van een recht op vergoeding op het einde van het huurcontract.
Derhalve meent eiseres dat voormelde administratieve beslissing nr. E.T. 9284 van 27 januari 1972 niet van toepassing kan zijn gedurende de loop van de handelshuur, aangezien zij op grond van art. 9 van de Handelshuurwet haar recht op vergoeding nog kan uitoefenen.
Op grond van hetgeen voorafgaat, meent eiseres dat moet worden geconcludeerd dat zij niet kan worden geacht de renovatie- en verbouwingswerken te hebben verstrekt aan de eigenaar-verhuurder·van het domein D., waardoor zij op basis van voormelde administratieve beslissing nr. ET. 9284 van 27 januari 1972 een factuur met BTW zou hebben dienen uit te reiken aan de eigenaar-verhuurder van het domein.
1.2. Van zijn kant is verweerder van oordeel dat de door de huurder aan het domein D. uitgevoerde werken onmiddellijk en van rechtswege toebehoren aan de eigenaar van dit domein. De bedoelde werken worden immers onmiddellijk ingelijfd bij het verhuurde domein en zijn niet vatbaar voor verwijdering zonder de gaafheid van het goed aan te tasten.
Aldus verkrijgt de huurder het genot van een volledig afgewerkt domein tegen een huurvergoeding die is vastgesteld in functie van het domein in onafgewerkte staat.
Het verschil tussen laatstgenoemde huurvergoeding en de huurvergoeding die normaal voor het volledig afgewerkte domein zou moeten worden betaald, vormt dan ook de tegenprestatie van de door de huurder ten bate van de verhuurder gepresteerde diensten die bestaan in de afwerking van het domein, en die, bij toepassing van de artikelen 13 en 20, § 1 W.BTW, aan laatstgenoemde moeten worden gefactureerd overeenkomstig voormelde administratieve beslissing nr. ET 9284 van 27 januari 1972.
Derhalve is in de relatie tussen huurder en verhuurder de BTW verschuldigd over de waarde van de door de huurder verrichte werken.
Verweerder wijst erop dat de huurprijs … euro (… BEF) per maand bedraagt op datum van het sluiten van het contract en onveranderd blijft na de uitvoering van de werken.
Verweerder verwijst naar art. 7 van de handelshuurovereenkomst van 30 december 1993, die bepaalt dat "als tegenprestatie voor de verbintenissen inzake onderhoud en vernieuwing door de huurder aangegaan de eigenaar zich met deze uitdrukkelijk verbindt de door de huurder aangevraagde hernieuwingen toe te staan aan de lopende voorwaarden en huurprijs".
Het is bijgevolg volgens verweerder duidelijk dat de verhuurder de huurprijs niet zal verhogen gedurende een bepaalde periode, zodat de zaak wel degelijk binnen het toepassingsgebied van voormelde administratieve beslissing nr. E.T. 9284 van 27 januari 1972 valt. Deze beslissing stelt immers dat de tegenprestatie kan bestaan in de verbintenis van de eigenaar om de huurprijs te verlagen of de huurprijs niet te verhogen gedurende een bepaalde periode.
Ten slotte wijst verweerder erop dat het in casu gaat om zeer uitgebreide en fundamentele werken, noodzakelijk voor de instandhouding van het gebouw, en niet louter specifiek betrekking hebbend op de belastbare BTW-activiteit.
Verweerder stelt wel akkoord te gaan met het feit dat de door eiseres als eigenares uitgevoerde onroerende werken niet onder het toepassingsgebied van de aangevochten beslissing vallen en dat de BTW-vordering in die zin dient te worden aangepast en dien te worden herleid tot : … euro (… BEF) x 21 % … euro (… BEF). Als geldboete is dan verschuldigd een bedrag van … euro (… BEF) en verder zijn de interesten, overeenkomstig art. 91, § 1 W.BTW, verschuldigd berekend aan 0,8 % per maand vanaf 21 maart 1996 op een bedrag van … euro (… BEF).
1.3. Met reden doet eiseres opmerken dat verweerder ten onrechte voorhoudt dat de renovatie- en verbouwingswerken onmiddellijk en van rechtswege toekomen aan de eigenaar ingevolge het recht van natrekking. Het is immers slechts bij het verstrijken van de huur dat de eigenaar van het domein D. in voorkomend geval eigenaar wordt van de renovatie- en verbouwingswerken die door de huurder werden uitgevoerd.
Dit principe kan worden afgeleid uit art. 9, lid 1, in fine van de Handelshuurwet, volgens hetwelk de huurder het recht heeft om op het einde van de huurovereenkomst de renovatie- en verbouwingswerken te verwijderen en het gehuurde gebouw terug te plaatsen in zijn originele staat.
Dit beginsel kan ook worden afgeleid uit het principe inzake de overdracht van een algemeenheid van goederen of van een bedrijfsafdeling overeenkomstig art. 11 W.BTW, die de overdracht van een huur van een handelspand inhoudt waaraan, lopende de huur, door de huurder investeringswerken zijn uitgevoerd. In dat geval dient geen enkele herziening van de aftrek van de van deze werken geheven BTW plaats te vinden naar aanleiding van de overdrach1 (zie . Rb. Brussel; 17 januari 1996, JDF, 1996, 104).
Het is dan ook volkomen terecht dat eiseres stelt dat zij geen renovatie- en verbouwingswerken heeft laten uitvoeren voor rekening van de eigenaar.
Verder gaat de rechtbank met eiseres akkoord dat verweerder ten onrechte verwijst naar art. 7 van de handelshuurovereenkomst van 30 december 1993 tussen haar en de eigenaar-verhuurder van het domein D.
Dit artikel regelt immers de hernieuwing van de handelshuur overeenkomstig de artikelen 13 en 14 van de Handelshuurwet. Eiseres wijst erop dat dit artikel de vaststelling is van een economische realiteit en dat het evident is dat de verhuurder de huurprijs niet zal verhogen omwille van de renovatie- en verbouwingswerken, aangezien deze werken niet voor zijn rekening of op zijn aanvraag zijn gebeurd, maar ter ondersteuning van de economische activiteit van eiseres zelf.
Het is dan ook volkomen terecht dat eiseres stelt dat de verhuurder haar geen tegenprestatie heeft verleend voor het verrichten van de renovatie- en verbouwingswerken.
Voorts treedt de rechtbank eiseres nog bij, wanneer zij stelt dat de onroerende werken, die de huurder voor eigen rekening tijdens de lopende handeIshuurovereenkomst aan het gehuurde goed aanbrengt, geen nieuwe omstandigheden uitmaken in de zin van art. 6 van de Handelshuurwet, dat partijen her recht geeft om bij het verstrijken van elke driejarige periode aan de Vrederechter herziening van de huurprijs aan te vragen (zie : 't KINT; J. en GODHAIRD) M., Le bail commercial, in Rép. Not., T. VIII, Les baux, L. IV, Brussel, Larcier, 1990, nr. 120, p. 106).
Dergelijke werken kunnen ds: normale huurwaarde van het gehuurde goed in geen geval beïnvloeden (zie : LA HAYE, M. en VANDEKERCKHOVE, J, Les Baux commerciaux" in Les Novelles, Droit civil, T. VI, Le louage de chose, II, Brussel, Larcier, 1984, nr. 1636, p. 129 en nr. 1801; p. 242; PAUWELS, A. en RAES, P., Manuel pratique des baux à loyer et des baux commerciaux, Brussel, Ed. Excelsior, 1971, nr. 309, p. 144).
Derhalve houdt eiseres met reden voor dat de normale huurwaarde van het gehuurde goed, lopende de handelshuurovereenkomst, wordt vastgesteld in functie van de staat van het gehuurde goed vooral de onroerende werken door de huurder werden uitgevoerd, en dat de handelshuurovereenkomst betrekking blijft hebben op het gehuurde goed in de staat waarin het zich bevond op het afsluiten van de overeenkomst, voordat de onroerende werken door de huurder werden uitgevoerd. Het is dan ook volkomen terecht dat eiseres stelt dat de verhuurder onder de huidige handelshuurovereenkomst niet kan worden geacht haar de kosten van de renovatie- en verbouwingswerken aan het domein te hebben terugbetaald door de toepassing van een te lage huurprijs.
Ten slotte onderschrijft de rechtbank nog de zienswijze van eiseres dat zij recht heeft op een vergoeding op het einde van de huurovereenkomst.
Derhalve heeft verweerder in casu ten onrechte beroep gedaan op voormelde administratieve beslissing nr. E.T. 9284 van 27 januari 1972, zodat dit eerste onderdeel van de vordering van eiseres dient te worden ingewilligd.
2) Wat de door eiseres gevorderde schadevergoedingen betreft :
2.1. Wat de schadevergoeding van … euro (… BEF) betreft :
Eiseres wijst erop dat verweerder bij exploot van 7 augustus 1997 beslag onder derden heeft gelegd bij de administratie der douane en accijnzen voor een bedrag van … euro (… BEF), tot zekerheid van de betaling van een BTWschuld van … euro (… BEF), welke het voorwerp is van huidig geschil.
Op 18 september 1997 werd een gedeelte van de beslagen schuldvordering, nl. een bedrag van … euro (… BEF) vrijwillig overgemaakt door verweerder. Het beslag werd ten belope van het saldo, nl. … euro (… BEF), opgeheven bij vonnis van 13 januari 1998, en werd pas op 23 maart 1998 op de bankrekening van eiseres gestort.
Eiseres wijst erop dat zij, ten gevolge van het beslag interesten heeft misgelopen, en dat deze op basis van de vergoedende interesten van 7 % het volgende bedrag vertegenwoordigen :
- … euro (… BEF) : 07/08/1997 - 18/09/1997 : 41 dagen / 365 dagen : … euro (… BEF)
- … euro (… BEF) : 07/08/1997 - 23/03/1998 : 226 dagen / 365 dagen : … euro (… BEF)
Totaal : … euro (… BEF).
Eiseres stelt dat, overeenkomstig het gemeen recht, een schuldeiser slechts in spoedeisende gevallen, nl. hoogdringendheid, toelating kan vragen aan de beslagrechter om bewarend beslag onder derden te leggen op de goederen van de schuldenaar (art. 1413 Ger. W.). De beslagrechter zal die toelating slechts verlenen voor een schuldvordering die zeker en opeisbaar is en die vaststaand is of vatbaar voor een voorlopige raming.
De fiscus dient voorafgaand aan het beslag de toelating van de beslagrechter niet te vragen, maar de andere voorwaarden van art. 1413 Ger. W. blijven onverkort van toepassing (zie : Beslagrechter Mechelen, 9 maart 1996, F.J.F, 1996, nr. 96/143. p. 294).
In dat verband blijkt volgens eiseres duidelijk uit het vonnis van 13 januari 1998 dat de voorwaarde van hoogdringendheid niet was nageleefd, dat zij solvabel was en dat dus niet voldaan was aan de vereisten van art. 1413 Ger. W.
Aldus dient volgens eiseres te worden besloten dat verweerder een onrechtmatige daad heeft begaan, die haar schade heeft berokkend. Deze schade wegens gederfde interesten moet volgens haar worden begroot op … euro (… BEF).
Van zijn kant is verweerder van oordeel dat de schadevergoeding dient te worden gevraagd aan de beslagrechter, nu deze laatste zich uitsprak over de niet hoogdringendheid van het bewarend beslag onder derden.
De rechtbank stelt evenwel vast dat de vordering van eiseres gegrond is op een onrechtmatige daad van verweerder in het kader van het russen partijen hangende fiscale geschil.
Derhalve meent zij dat zij bevoegd is om ter zake uitspraak te doen.
De rechtbank is van oordeel dat dit onderdeel van de vordering van eiseres, om de door haar aangehaalde redenen, dient te worden ingewilligd.
2. 2. Wat de morele schadevergoeding betreft :
Naast voormelde schadevergoeding wegens gederfde interesten vraagt eiseres nog een bijkomende, morele schadevergoeding. Zij stelt een bijkomende schade te hebben geleden wegens het slechte daglicht waarin zij werd geplaatst ten gevolge van het bewarend beslag, die naar haar oordeel kan worden begroot naar redelijkheid en billijkheid.
Ook ten aanzien van de morele schadevergoeding meent verweerder dat deze dient te worden gevraagd aan de beslagrechter.
0m de hiervoor onder 2.1. aangehaalde redenen, meent de rechtbank dat zij bevoegd is om ook over dit onderdeel van de vordering van eiseres uitspraak te doen.
De rechtbank meent dat onmiskenbaar dient te worden aangenomen dat een rechtspersoon herstel kan vorderen voor de schade die haar onrechtmatig door een derde is toegebracht (art. 1382 B.W.). Ook morele schade komt voor vergoeding in aanmerking. Voor een rechtspersoon bestaat de morele schade evenwel alleen in de aantasting van de goede naam, de faam of de reputatie (zie : Antwerpen, 13 december 1999, DAOR, 2000, 267; Rb. Brugge, 16 september 1998, A.J.T., 1998-99, 462;
T.M.R, 2000, 141)
De rechtbank dient vast te stellen dat eiseres in gebreke blijft te bewijzen dat zij morele schade heeft geleden. Bijgevolg dient dit onderdeel van de vordering van eiseres te worden afgewezen.
3) Wat de gevraagde uitvoerbaarheid bij voorraad van het tussen te komen vonnis betreft, niettegenstaande alle verhaal en zonder borgstelling, noch aanbod tot kantonnering :
Aangezien onderhavige zaak reeds geruime tijd aansleept, meent de rechtbank dat het verantwoord is om in te gaan op het verzoek van eiseres om het tussen te komen vonnis uitvoerbaar te verklaren bij voorraad, niettegenstaande alle verhaal en zonder borgstelling.
Wat de gevraagde uitsluiting van kantonnement betreft, dient te worden aangenomen dat het door de schuldeiser gevorderde verbod tot kantonnement door hem voldoende moet worden gemotiveerd, door aan te tonen dat hij dringend de beschikking over de gelden nodig heeft. Enkel indien de vertraging in de regeling hem blootstelt aan een ernstig nadeel, kan het kantonnement worden verboden (zie: Brussel, 25 april 1997, P. & B , 1997, 224; Brussel, 8 juli 1998, J.T., 1998, 796; DIRIX, E. en BROECKX, K., Beslag, in A.P.R.. Brussel, E. Story-Scientia, 1992, nr. 360, p. 196).
De rechtbank dient vast te stellen dat eiseres haar vordering ter zake geenszins motiveert.
Aangezien het kantonnement een recht is voor de debiteur, onder voorbehoud van toepassing van art. 1406 Ger. W. (zie : Brussel, 25 april 1997, voormeld), dient het door eiseres ·gevraagde kantonnementsverbod te worden afgewezen.
Beschikkend gedeelte
OM DEZE REDENEN,
DE RECHTBANK,
Gelet óp de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken, zoals nadien gewijzigd.
Rechtsprekend in eerste aanleg, op tegenspraak,
Alle andersluidende en meer omvattende besluiten van de hand wijzende als niet ter zake en/of overbodig,
Verklaart het verzet van de NV B. P. ontvankelijk en in de hierna bepaalde mate gegrond.
Zegt voor recht dat het dwangbevel van 4 augustus 1997 ongegrond is.
Veroordeelt de Belgische Staat tot terugbetaling van eventueel reeds geïnde sommen, vermeerderd met de moratoire interesten.
Veroordeelt de Belgische Staat tot betaling van een schadevergoeding begroot op … euro (… BEF), te vermeerderen met de gerechtelijke interesten vanaf 23 maart 1998.
Wijst het meergevorderde af.
Veroordeelt de Belgische Staat tot de kosten van het geding, begroot ten aanzien van de NV B. P. op … euro (exploot van verzet) + … euro (RPV), en ten aanzien van hemzelf op … euro (RPV).
Verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad, niettegenstaande alle verhaal en zonder borgstelling.
Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de 33ste kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel, op datum van 14 februari 2003,
Waar aanwezig waren en zitting namen :
- de heer V.J, alleenrechtsprekend rechter, en
- mevrouw B. R., afgevaardigd adjunct-griffier.
B. V.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.